Aanhef
De raad van de gemeente Krimpenerwaard,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober 2025;
gehoord de commissie van 9 december 2025;
besluit:
Vast te stellen de Verordening Jeugdhulp en Wmo Krimpenerwaard 2026.
1 Inleiding
1.5 Soorten voorzieningen
1.5.1 Algemene voorzieningen
Wmo | Jeugdwet
Een algemene voorziening is een dienst en/of product dat voor iedereen toegankelijk is of verkrijgbaar is. Er is geen indicatie of toets nodig en de inwoner ontvangt geen beschikking.
De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
a.algemeen maatschappelijk werk (Kwadraad);
b.WelZijn Krimpenerwaard
c.bibliotheek;
d.consultatiebureau;
e.vroeghulp;
f.jeugdactiviteiten door inwoners en vrijwilligers;
g.jeugdondersteuner huisarts;
h.jeugdsozen;
i.jongerenwerk;
j.steunouders;
k.jongeren Ontmoetingsplekken (JOP's);
l.jeugdondersteuning op school (JOS);
m.MEE;
n.opvoedbureau (Kwadraad) voor opvoedondersteuning- en advies;
o.schoolmaatschappelijk werk (Kwadraad);
p.verenigingen en stichtingen op het gebied van sport, spel en cultuur;
q.vrijwilligerswerk;
r.sportaccommodaties;
s.dorpshuizen;
t.toegang tot een vertrouwenspersoon.
1.5.2 Hulp-op-maat voorzieningen
Wmo | Jeugdwet
1Een hulp-op-maat voorziening is een op de inwoner afgestemde voorziening. De gemeente beoordeelt of de inwoner in aanmerking komt voor een hulp-op-maat voorziening.
2De volgende hulp-op-maat voorzieningen zijn voor de Wmo onder andere beschikbaar:
a.hulp bij het huishouden;
b.woonvoorzieningen;
c.rolstoelvoorzieningen;
d.vervoersvoorzieningen;
e.sportvoorzieningen;
f.individuele begeleiding;
g.dagbesteding;
h.vervoer naar dagbesteding (en dagbehandeling);
i.logeeropvang en logeerverblijf;
j.beschermd wonen;
k.beschut wonen.
3De volgende hulp-op-maat voorzieningen voor jeugdhulp zijn onder andere beschikbaar:
a.Jeugdzorg plus;
b.Jeugdbescherming;
c.Jeugdreclassering;
d.jeugd en opvoedhulp waaronder:
i.ambulante jeugdhulp;
ii.dagbehandeling;
iii.verblijf pleegzorg;
iv.verblijf 24-uur zorg;
v.spoedeisend zorg (ambulant en verblijf);
vi.vervoer.
vii.individuele begeleiding zonder verblijf;
viii.dagbesteding met vervoer zonder verblijf;
ix.logeeropvang (respijtzorg);
x.gezinshuizen.
e.Jeugd GGZ waaronder:
i.basis Jeugd GGZ;
ii.specialistische jeugd GGZ;
iii.Ernstige Enkelvoudige Dyslexie zorg (EED).
1.5.3 Collectieve voorzieningen
Wmo | Jeugdwet
De gemeente kan voor hulp aan inwoners voorzieningen inzetten die voor een groep van inwoners beschikbaar zijn. Dit zijn collectieve voorzieningen. Als een collectieve voorziening volgens de gemeente passende hulp is, wordt dit ingezet in plaats van hulp-op-maat.
1.5.4 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Wmo
Onder een algemeen gebruikelijke voorziening wordt een voorziening verstaan die:
a.niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
b.daadwerkelijk beschikbaar is;
c.een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie, en;
d.financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Hiervan is sprake als de inwoner in een periode van 36 maanden en met 5% van de bijstandsnorm de voorziening kan betalen. Er kan uitgegaan worden van tweedehands voorzieningen.
e.Van de bepaling onder lid d kan worden afgeweken indien inwoners een uitkering ontvangen van de gemeente, en/of een andere regeling ontvangen voor minima. Hieronder wordt bijvoorbeeld de collectieve zorgverzekering, kwijtschelding belastingen, bijzondere bijstand en minimabeleid verstaan. Ook in andere gevallen kan de gemeente afwijken van de bepaling onder lid d, als de inwoner duidelijk kan maken dat hij de voorziening niet zelf kan betalen.
Wat onder een algemeen gebruikelijke voorziening wordt verstaan is verder uitgewerkt in de nadere regels.
1.6 Eigen kracht en gebruikelijke hulp
1.6.1 Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht)
Jeugd
1Jeugdigen of ouders komen in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer de hulpvraag niet kan worden opgelost met de eigen mogelijkheden van de jeugdige of ouder, noch met de inzet en ondersteuning vanuit hun directe netwerk. Uitgangspunt is dat er samen gezocht wordt naar oplossingen die aansluiten bij de eigen kracht en samenredzaamheid van de inwoner en zijn omgeving.
2Ouders worden geacht alle hulp te bieden die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij worden wettelijk namelijk verantwoordelijk gehouden (de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) om de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de zorg/ hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de mogelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
3Van ouders wordt verwacht dat zij hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen versterken door bijvoorbeeld (maar niet beperkt tot):
a.De jeugdige, indien mogelijk, voltijds onderwijs te laten volgen;
b.gebruik te maken van de opvang mogelijkheden van de Wet kinderopvang, zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor eventueel andere kinderen;
c.het sociaal netwerk in te zetten en te werken aan het vergroten van het sociaal netwerk;
d.zorgverlof en andere soorten verlof in te zetten;
e.het belang van hun kind voor het belang van de (werk)carrière te stellen;
f.werktijden aan te passen;
g.de eigen problematiek te verminderen, bijvoorbeeld door het inzetten van begeleiding en coaching trajecten vanuit het preventief aanbod, een beroep doen op de Zorgverzekeringswet voor behandeling e.d.;
h.oorzaken van overbelasting waar mogelijk weg te nemen.
4Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt geacht voldoende aanwezig te zijn in de volgende situaties:
a.De hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgave en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’, en waarvan het overzicht is opgenomen in bijlage 1 van deze verordening;
b.de hulpvraag een periode van minder dan 3 maanden bedraagt, met uitzondering van behandeling;
c.de hulp wordt al geleverd door ouders;
d.als ouders beroep kunnen doen op ondersteuning vanuit het sociale netwerk;
e.als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Er wordt hooguit een aanvullende voorziening verstrekt voor het deel dat niet wordt vergoed.
5Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt geacht onvoldoende aanwezig te zijn in de volgende situaties:
a.Er is sprake van overbelasting bij ouders;
b.ouder(s) is langdurig ziek of langdurig afwezig in het gezin. Hierbij wordt het niet beschikbaar zijn door werk, niet meegenomen in de beoordeling.
6De zorg voor een jeugdige kan zo zwaar worden dat er sprake is van overbelasting. Klachten en kenmerken die bij overbelasting horen, zonder dat van een stoornis in psychiatrische zin sprake hoeft te zijn, zijn:
•Angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen;
•depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid;
•gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag;
•gecombineerd emotioneel en gedragsgestoord: depressie en/of angst
•gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag;
•lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen.
De gemeente kan – in principe kortdurende – jeugdhulp inzetten wanneer de ouder die hulp geeft overbelast is geraakt. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De klachten van overbelasting moeten duidelijk worden beschreven.
Naast de oorzaak en ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of deze komt doordat er iets met de ouder die hulp geeft zelf aan de hand is (draagkracht vermindering) en/of dat deze gevolg is van de ernst van de ziekte van de jeugdige of de partner (draaglast verhoging).
De jeugdconsulent beoordeeld na onderzoek of er sprake is van overbelasting.
7Bij overbelasting geldt nog het volgende:
a.Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige;
b.bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen;
c.als de overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten, dan wordt dit eerst van de ouder verwacht;
d.het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten, school/studie en werk;
e.een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt niet afgegeven (of beëindigd) als er sprake is van overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.
1.6.2 Eigen kracht en gebruikelijke hulp
Wmo
1Gebruikelijke hulp is de mate waarin de inwoner met behulp van gebruikelijke hulp het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving kan bereiken of behouden. Bij gebruikelijke hulp worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
a.Personen binnen de leefeenheid van een bewoner zijn altijd zelf primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden, de zelfredzaamheid en de participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving van de leden van die leefeenheid.
b.Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de leefeenheid deze hulp zelf uitvoert. De gebruikelijke hulp kan door de bewoner ook aan derden uitbesteed worden of met eigen financiële middelen ingekocht worden.
c.Voor gebruikelijke hulp wordt geen (aanvullende) ondersteuning geboden vanuit de Wmo.
d.Bij uitval van een persoon wordt door andere personen binnen de leefeenheid, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, zorggedragen voor een herverdeling en overname van de (huishoudelijke) taken, zorg- en begeleidingsactiviteiten.
e.De bijdrage die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd. Van iedere volwassene van 23 jaar of ouder wordt in ieder geval verwacht naast een volledige baan of opleiding een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de weg. Het bieden van gebruikelijke hulp gaat verder ook voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie.
f.Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Van ieder (volwassen) mens wordt verwacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met huishoudelijke taken. Afwezigheid vanwege school- of arbeidsgerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden dat de gebruikelijke hulpverlener de uitvoering van de taken moet plannen op momenten waarop hij/zij wel thuis is.
g.Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen:
I. De aard van de benodigde ondersteuning.
II. De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning.
III. De frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning.
IV. De duur van de benodigde ondersteuning. Is er sprake van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel of een langdurende (chronische) situatie waarin extra ondersteuning nodig is.
V. Gebruikelijke hulp is niet of in mindere mate van toepassing als uit objectief onderzoek blijkt dat personen binnen de leefeenheid niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen vanwege:
•(langdurige) fysieke afwezigheid;
•een beperking of een beperkte leerbaarheid;
•(dreigende) overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan. Bij (dreigende) overbelasting kan de indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen.
2 Melding en Aanvraag
2.1 Stap 1: contact opnemen met de gemeente
2.1.1 Indienen hulpvraag - Wmo
Wmo
Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner, of iemand namens de inwoner, kan deze melding op de volgende manieren doen:
•schriftelijk;
•mondeling;
•telefonisch; of
•digitaal.
2.1.2 Indienen hulpvraag - Jeugdwet
Jeugdwet
Zie verder de beschrijving onder artikel 2.3.1 van deze verordening.
2.1.3 Procedure melding
Wmo
Na de melding neemt de gemeente de hulpvraag van de inwoner in behandeling. De gemeente bevestigt de melding zo snel mogelijk per brief of email aan de inwoner en nodigt de inwoner indien wenselijk uit voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging (telefonisch of schriftelijk) maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Ook geeft de gemeente informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner) en de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan of familiegroepsplan).
2.1.4 Gegevens
Wmo | Jeugdwet
De gemeente verzamelt informatie over de situatie van de inwoner en het gezin die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf mag of kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn en welke termijn er geldt. Van de inwoner wordt medewerking verwacht bij het aanleveren van de informatie die voor de gemeente noodzakelijk is om de aanvraag te kunnen beoordelen. Als de inwoner niet voldoende meewerkt kan dit betekenen dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.
2.2 Stap 2: gesprek met de gemeente (indien noodzakelijk)
2.2.1 Uitnodiging voor gesprek
Wmo | Jeugdwet
1Een inwoner die zich heeft gemeld bij de gemeente met een hulpvraag voor de Wmo, krijgt na het eerste persoonlijke contact met de gemeente een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is.
2Een inwoner die zich heeft gemeld bij de gemeente met een hulpvraag voor jeugdhulp, krijgt nadat de gemeente het aanvraagformulier heeft ontvangen een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is.
2.2.2 Doel en procedure gesprek
Wmo | Jeugdwet
Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan of familiegroepsplan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid/cliëntondersteuner) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.
2.2.3 Doel gesprek
Wmo | Jeugdwet
1De medewerker bespreekt met de inwoner de hulpvraag en welk effect hij wil bereiken.
2In het gesprek onderzoekt de medewerker:
a.bij een gesprek over jeugdhulp: is er sprake van problemen bij het opgroeien en/of opvoeden, psychische problemen en stoornissen;
b.bij een gesprek over hulp van de Wmo: zijn er problemen over de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie?
c.de behoefte van de inwoner: wat is er nodig?
d.de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het ge-wenste effect?
e.de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?
f.de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden?
3De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb). De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag.
4De medewerker informeert de inwoner, indien van toepassing, over wat hij zelf moet betalen.
5Als de inwoner een persoonlijk plan of familiegroepsplan heeft dan betrekt de gemeente deze bij het gesprek.
2.2.4 Verslag
Wmo | Jeugdwet
1Bij Wmo-hulpvragen stuurt de medewerker de inwoner binnen 6 weken na het eerste contact (bij Wmo is dit de melding) met de gemeente een ondersteuningsverslag van de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner.
2Voor hulpvragen over jeugdhulp stuurt de medewerker de inwoner een ondersteuningsverslag van de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner. De inwoner krijgt de mogelijkheid om op dit verslag te reageren.
3Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het verslag, waardoor het ondersteuningsverslag niet binnen de hiervoor genoemde termijn kan worden toegestuurd, dan wordt de inwoner hierover geïnformeerd.
4Uit het ondersteuningsverslag blijkt welk effect de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd (ondersteuningsplan). Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn. Het advies van een deskundige, indien van toepassing, komt terug in het verslag.
5Als de inwoner hulp-op-maat voor Wmo-hulpvragen van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende ondersteuningsverslag. De gemeente ziet het ondertekende ondersteuningsverslag dan als een aanvraag.
2.3 Stap 3: aanvraag
2.3.1 Aanvraag
Wmo | Jeugdwet | Awb
1De inwoner kan een aanvraag indienen volgens de regels die daarvoor gelden. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend. Het doel van de aanvraag is om te bepalen of de gemeente hulp gaat inzetten en welke vorm die hulp dan heeft.
2De gemeente kan besluiten dat de inwoner voor sommige vormen van Wmo-hulp direct (zonder eerst een melding te hoeven doen) een aanvraag kan indienen. De inwoner dient een aanvraag in met een aanvraagformulier van de gemeente.
2.3.2 Advisering
Wmo | Jeugdwet | Awb
De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die hiervoor nodig is. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij het verslag en de beoordeling van de aanvraag.
2.3.3 Beoordelen aanvraag
Wmo | Jeugdwet | Awb
1Vraagt de inwoner hulp, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
a.de hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de Wmo en/of de Jeugdwet te bereiken; en
b.de hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner.
Bij hulpvragen voor jeugdhulp gaat het om ontwikkel-, opgroei- en opvoedingsproblemen. Bij hulpvragen van de Wmo gaat het om vragen over zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving.
2Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over:
a.de behoeften en persoonskenmerken van de inwoner. Hierbij wordt ook gekeken naar de godsdienstige voorkeur, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de inwoner;
b.de (on)mogelijkheden van de inwoner;
c.de persoonlijke situatie van de inwoner;
d.de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente.
3Om te bepalen of de gemeente hulp inzet, volgt de gemeente in principe de volgende stappen:
Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is.
Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen en belemmeringen er precies zijn.
Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoe veel, hoe lang en in welke vorm.
Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), eventueel met behulp van algemene voorzieningen, met algemeen gebruikelijke voorzieningen, met collectieve voorzieningen, met hulp van huisgenoten en anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, gebruikelijke hulp (Wmo) of met andere voorzieningen.
Stap 5: De gemeente bepaalt welke (aanvullende) hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.
4Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld.
5De hulp-op-maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die passend is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen.
2.3.4 Weigeringsgronden
Wmo | Jeugdwet | Awb
1De gemeente kan de hulp-op-maat weigeren als:
a.de inwoner het probleem zelf kan oplossen;
b.de inwoner het probleem kan oplossen met hulp van huisgenoten of anderen uit het sociale netwerk of mantelzorg;
c.de inwoner het probleem kan oplossen met gebruikelijke hulp (Wmo), met algemene voorzieningen, met algemeen gebruikelijke voorzieningen, met collectieve voorzieningen, met hulp van andere organisaties, of met andere voorzieningen;
d.uit wetenschappelijk onderzoek onvoldoende de toegevoegde waarde blijkt van de hulp in het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. De gemeente kan deze hulp wel toekennen wanneer deze in de persoonlijke situatie als meest passend worden gevonden.
e.de gevraagde hulp afwijkt van het advies van de gemeente.
2De gemeente kan de hulp-op-maat ook weigeren als:
a.de inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij deze had kunnen voorzien;
b.de Wmo-voorziening niet langer dan zes maanden noodzakelijk is, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om de hulp-op-maat op korte termijn vast te stellen;
c.als de inwoner niet meer kosten heeft in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen.
2.3.5 Beslistermijn
Wmo | Jeugdwet | Awb
1De gemeente beslist zo snel mogelijk, en bij een aanvraag voor jeugdhulp in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen.
2De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente kan de inwoner om meer informatie vragen als dit voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.
2.4 Stap 4: beslissing
2.4.1 Inhoud besluit
Wmo | Jeugdwet | Awb
1De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp-op-maat wordt gegeven. Als de gemeente hulp-op-maat geeft, staat in het besluit ook of de hulp als een gift, in de vorm van een geldlening, in natura, in de vorm van een pgb, of op een andere manier wordt gegeven.
2In het besluit wordt in ieder geval vastgelegd:
a.wat de hulp inhoudt, de omvang van de hulp en waarvoor de hulp bedoeld is;
b.wanneer de hulp ingaat en, indien van toepassing, hoe lang de hulp duurt;
c.hoe en door wie de hulp wordt gegeven; en
d.welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden.
3Geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit ook vermeld:
a.voor welk doel het geld wordt gegeven;
b.wanneer het geld wordt betaald;
c.hoe vaak het geld wordt betaald.
4Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval ook vastgelegd:
a.waarvoor het pgb bedoeld is;
b.hoe hoog het pgb is;
c.wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt;
d.hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en
e.welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden.
5De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook, indien van toepassing, over wat de inwoner zelf moet betalen.
2.6 Uitzonderingen
2.6.1 Spoedeisende gevallen
Wmo | Jeugdwet
In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente:
a.het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;
b.het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning.
2.7 Versnelde aanvraag
2.7.1 Versnelde aanvraag Wmo
Wmo
1De gemeente kan beslissen dat voor inwoners die voldoende bekend zijn bij de gemeente een telefonische aanvraag wordt toegestaan. Er is dan sprake van een versnelde aanvraag. Een versnelde aanvraag is in ieder geval mogelijk in de volgende gevallen:
a.de aanvraag is een herindicatie voor hulp bij het huishouden;
b.de aanvraag gaat over een bestaande voorziening die al is toegekend en het laatste ondersteuningsverslag is niet ouder dan 36 maanden;
c.de inwoner heeft een lopende Wlz-indicatie. De inwoner vraagt een vervoers-, woon-, of rolstoelvoorziening aan. Verder staat de inwoner open voor hulp en zijn er geen zorgen over de veiligheid van de inwoner;
d.als het gaat om hulp die wordt aangevraagd ter overbrugging van de aanvraag voor een Wlz-indicatie;
e.de voorziening of hulp die is toegekend niet meer voldoet en volgens de gemeente kan zonder nieuw uitgebreid onderzoek een indicatie worden gegeven.
2Een versnelde aanvraag is ook mogelijk als de inwoner bemoeizorg heeft ontvangen en het noodzakelijk is dat de hulp snel kan worden ingezet.
3Een versnelde aanvraag is niet mogelijk als:
a.de inwoner en de gemeente het niet eens zijn over de in te zetten hulp;
b.de aanvraag om een pgb gaat;
c.als het om een complexe situatie gaat;
d.als een jeugdige betrokken is bij de hulpvraag;
e.de inwoner behoefte heeft aan een gewone aanvraag, bijvoorbeeld omdat de versnelde aanvraag te ingewikkeld is, en een verslag wenst;
f.als het om omvangrijke hulp gaat;
g.als het om te bereiken doelen gaat waar de inwoner mee moet instemmen (bij begeleiding).
4De gemeente kan altijd besluiten om in een andere situatie toch akkoord te gaan met een versnelde aanvraag, maar kan ook altijd besluiten om af te zien van een versnelde aanvraag.
2.7.2 Versnelde aanvraag Jeugdhulp
Jeugdwet
1De gemeente kan beslissen dat voor inwoners die voldoende bekend zijn bij de gemeente een versnelde aanvraag wordt toegestaan. Een versnelde aanvraag is in ieder geval mogelijk in de volgende gevallen:
a.de aanvraag is een herindicatie voor jeugdhulp;
b.de aanvraag gaat over een bestaande voorziening die al is toegekend en het laatste ondersteuningsverslag is niet ouder dan 12 maanden; of
c.als volgens de gemeente een beschikking kan worden gegeven zonder nieuw uitgebreid onderzoek.
2Een versnelde aanvraag is niet mogelijk als:
a.de inwoner en de gemeente het niet eens zijn over de in te zetten hulp;
b.de aanvraag om een pgb gaat;
c.als het om een complexe situatie gaat;
d.de inwoner behoefte heeft aan een gewone aanvraag, bijvoorbeeld omdat de versnelde aanvraag te ingewikkeld is, en een verslag wenst; of
e.als het om omvangrijke hulp gaat;
3De gemeente kan altijd besluiten om in een andere situatie toch akkoord te gaan met een versnelde aanvraag, maar kan ook altijd besluiten om af te zien van een versnelde aanvraag.
2.7.3 Jeugdwet via arts e.a.
Jeugdwet
1De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdondersteuner huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jeugdige doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.
2De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. Alleen doorverwijzingen naar gecontracteerde hulp komt in aanmerking voor vergoeding van de gemeente.
3De gemeente stuurt over de jeugdhulp een besluit per brief naar de inwoner. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.
4 Wonen en meedoen in een veilige en gezonde omgeving
4.1 Zelfstandig en veilig wonen
4.1.1 Geschikte woning
Wmo
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is.
2De gemeente beoordeelt of een woningaanpassing of een verhuizing de goedkoopste adequate oplossing is. Hierbij spelen de volgende factoren een rol:
a.zijn er aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen?
b.de kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen. Als de woningaanpassing meer gaat kosten dan € 7.000,00 wordt verhuizen als de goedkoopste adequate oplossing gezien;
c.volkshuisvestelijke afwegingen en noodzakelijke vergunningen;
d.de woning moet binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn;
e.sociale omstandigheden;
f.afstemming met andere voorzieningen;
g.werksituatie;
h.verandering in woonlasten;
i.wooncomfort;
j.is de inwoner huurder of eigenaar van de woning;
k.de wil van de inwoner om te verhuizen;
l.overige specifieke omstandigheden.
3Als de gemeente beoordeelt dat een woningaanpassing de goedkoopste adequate oplossing is dan wordt deze door de gemeente verstrekt. Verder geldt:
a.Als de gemeente beoordeelt dat verhuizen de goedkoopste adequate oplossing is dan verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte woning, als deze beschikbaar is.
b.De gemeente verstrekt bij een verhuizing een verhuiskostenvergoeding van maximaal € 2.700,00 als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
•de inwoner was nog niet bekend met de beperkingen bij het accepteren van de huidige woning.
•de inwoner woont zelfstandig en verhuist ook naar een zelfstandige woning die het gehele jaar bewoond mag worden;
•de inwoner verhuist naar een woning binnen Nederland.
•er is sprake van acute medische situaties en niet alleen van beperkingen die het gevolg zijn van ouderdom.
Het bedrag van € 2.700,00 kan worden besteed aan de verhuizing en aan wand-, vloer- en raambekleding. Het bedrag wordt uitbetaald na goedkeuring van de gemeente en na ontvangst van het definitieve huur- of koopcontract.
c.De inwoner wil niet verhuizen. De gemeente kan een vergoeding verstrekken ter hoogte van de verhuiskostenvergoeding van maximaal € 2.700,00. Dit is een tegemoetkoming voor de inwoner om de eigen woning aan te passen, de meerkosten zijn voor eigen rekening van de inwoner. De inwoner kan dan geen aanspraak meer maken op andere woonvoorzieningen van de gemeente voor kosten die hij niet zou hebben gemaakt als hij was verhuisd op moment van het besluit van de gemeente.
d.Er is geen passende woning beschikbaar is. De gemeente verstrekt in dit geval de noodzakelijke woningaanpassingen.
4De gemeente verstrekt niet altijd hulp-op-maat in de vorm van een woonvoorziening. De gemeente geeft geen hulp-op-maat in de volgende situaties:
a.de beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt;
b.de inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerswoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen;
c.de inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een seniorencomplex, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische deuropeners;
d.als de inwoner hulp-op-maat vraagt voor voorzieningen in gemeenschappelijke ruimtes. In deze situatie is de eigenaar, verhuurder of Vereniging Voor Eigenaren verantwoordelijk voor de voorzieningen;
e.als het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden. Ook wordt geen hulp-op-maat verstrekt als de noodzaak voor de hulp-op-maat het gevolg is van achterstallig onderhoud aan de woning;
f.de inwoner is zonder dringende reden verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft verleend;
g.de inwoner heeft een Wlz-indicatie en staat op de wachtlijst voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wlz;
h.de inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft verleend.
5Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt, als:
a.de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven;
b.de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om, of als
c.de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner.
6De actuele tarieven zijn gepubliceerd in de nadere regelgeving van de gemeente Krimpenerwaard.
4.1.2 Een schone en leefbare woning
Wmo
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij als gevolg van een beperking zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden volgens algemene hygiënische normen. Het kan hierbij gaan om:
a.het schoon en leefbaar houden van de woning waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico's van bewoners voorkomen.
b.het beschikken over schone en draagbare kleding;
c.het beschikken over primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden;
d.het voeren van regie over het doen van het huishouden.
2De hulp-op-maat houdt in dat de inwoner de voorziening 'hulp bij het huishouden' krijgt.
3Als er in het huishouden van de inwoner jeugdigen zijn, dan kan de hulp-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke zorg, namelijk het verzorgen en opvangen van deze jeugdigen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.
4Definitie van het resultaat: Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne- eisen.
•Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.
•Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
5De afbakening van de ruimtes waarop de voorziening betrekking heeft: De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap/overloop.
6De afbakening van activiteiten die onder de voorziening vallen en welke niet: Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van de ondersteuning bij het huishouden.
7De normering van de voorziening: Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp, maken we gebruik van het meest recente Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning HHM.
8Maatwerk, ondersteuning op maat: Het normenkader ziet op maatwerk voor de individuele inwoner. In het normenkader is aangegeven hoeveel tijd nodig is als sprake is van volledige overname van het huishouden bij de omschreven ‘gemiddelde cliëntsituatie’ (ofwel ‘ijk-cliënt’) en op grond waarvan minder als mogelijk of meer als nodig ondersteuning wordt geboden
9Uitgangspunten bij het vaststellen van het aantal minuten bij de voorziening schoon en leefbaar huis:
a.Meer inzet wordt alleen geïndiceerd indien het huisdier een begeleidend karakter heeft, zoals een hulphond en de noodzakelijkheid daarvan is getoond.
b.De inrichting van de woning is niet van invloed op de hoogte van de indicatie en er wordt standaard geen extra aantal minuten (meer inzet) afgegeven.
c.De bewerkelijkheid van de woning is niet van invloed op de hoogte van de indicatie en er wordt standaard geen extra aantal minuten (meer inzet) afgegeven.
d.De omvang van de woning is niet van invloed op de hoogte van de indicatie en er wordt standaard geen extra aantal minuten (meer inzet) afgegeven.
e.Strijkvrije kleding is een voorliggende voorziening en/ of algemeen gebruikelijke voorziening en daardoor bestaat er geen noodzaak voor een strijkvoorziening.
f.De boodschappendienst (o.a. digitale bezorgingsdienst supermarkten) is een voorliggende en/of algemeen gebruikelijke voorziening en daardoor bestaat er geen noodzaak voor een boodschappen voorziening.
g.Het aantal minuten wordt naar boven afgerond naar 5 hele minuten.
4.1.3 Beschermd wonen
Wmo
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van beschermd wonen. De inwoner heeft deze woonvorm nodig als gevolg van psychische of psychosociale problemen. Beschermd wonen kan worden ingezet als dit de inwoner helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving. De doelstellingen van beschermd wonen zijn herstel, werken aan een stabiel leven, veilig en gezond wonen, meer op de eigen benen leren staan en het weer meedoen aan de maatschappij.
2De toegang tot beschermd wonen vindt plaats via de gemeente Gouda.
3Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels over beschermd wonen die zijn vastgelegd in de verordening en de nadere regels van centrumgemeente Gouda: Zorg en ondersteuning (Wmo) | Gemeente Krimpenerwaard
4.1.4 Maatschappelijke opvang
Wmo
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Deze opvang is bedoeld voor de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten en zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. Dit als gevolg van psychische of psychosociale problemen of de dreiging van huiselijk geweld. Met maatschappelijke opvang wordt ook de Vrouwenopvang en Jongeren Onder Dak bedoeld.
2De toegang tot maatschappelijke opvang vindt plaats via de gemeente Gouda.
3Buiten kantoortijden kan de inwoner zich direct melden bij de partij die de opvang in Gouda uitvoert.
4Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels over maatschappelijke opvang die zijn vastgelegd in de verordening van Gouda zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Gouda: Zorg en ondersteuning (Wmo) | Gemeente Krimpenerwaard
4.1.5 Beschut wonen
Wmo
1De gemeente zorgt er voor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van beschut wonen. Beschut wonen is bedoeld voor bewoners die uitstromen uit beschermd wonen, maatschappelijke opvang en verblijfszorg jeugdzorg én om instroom te voorkomen.
2Beschut wonen is een woonvorm met een gemeenschappelijke ruimte, waar begeleiding doordeweeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaar.
3Bij beschut wonen is het uitgangspunt scheiden van wonen en zorg. Dit betekent dat de inwoner zelf de huur betaalt. De inwoner kan in aanmerking komen voor beschut wonen als de inwoner 18 jaar of ouder is en door psychiatrische problematiek, psycho-sociale problematiek, Ivb-problematiek, verslaving of een combinatie hiervan niet zelfstandig kan wonen. Er is 24-uurs bereikbaarheid nodig, de hulpvraag van de inwoner kan worden uitgesteld.
4De gemeente beoordeelt of de inwoner in aanmerking komt voor beschut wonen. Er is wel een regionale plaatsingscommissie voor beschut wonen en een regionale wachtlijst.
4.2 Mantelzorg
4.2.1 Ondersteuning mantelzorger
Wmo
1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven, hulp-op-maat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken.
2De hulp-op-maat houdt in dat een professionele hulpverlener de mantelzorg voor een korte periode overneemt, dat er ondersteuning voor de zorgvrager of respijtzorg wordt ingezet of dat een pgb wordt verstrekt om hulp in te kopen die kan worden ingezet om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten.
4.2.2 Mantelzorgwaardering
Wmo
1De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering beschikbaar. De mantelzorgwaardering is een blijk van waardering voor het werk van de mantelzorger. Ook onderstreept de mantelzorgwaardering het belang van mantelzorgers voor de samenleving.
2De mantelzorgwaardering wordt verstrekt in de vorm van een Krimpenerwaardcadeaubonnen ter waarde van € 100,00 (tarief per 1 juli 2023). Voor het actuele tarief kan de inwoner terecht op de website van de gemeente: Zorg en ondersteuning (Wmo) | Gemeente Krimpenerwaard
4.2.3 Voorwaarden mantelzorgwaardering
Wmo
1Een mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd door de mantelzorger of de inwoner die hulp ontvangt. Er moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:
a.de mantelzorg wordt minimaal drie maanden verleend met minimaal acht uur per week;
b.de inwoner die hulp ontvangt is inwoner van de gemeente Krimpenerwaard. Deze voorwaarde geldt niet voor de mantelzorger;
c.de mantelzorger verleent intensieve hulp;
d de mantelzorger geeft geen betaalde hulp aan de inwoner.
2De mantelzorgwaardering moet worden aangevraagd bij WelZijn Krimpenerwaard via een aanvraagformulier.
3De mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd in de periode tussen 1 maart en 1 november van het lopende jaar.
4Elke mantelzorger kan maximaal 1 waardering ontvangen.
4.7 Vervoersvoorziening
4.7.1 Scootmobiel
Wmo
De gemeente kan aan de inwoner een scootmobiel verstrekken. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:
a.een scootmobiel is ter vervanging van de loop- en/of de fietsfunctie;
b.de inwoner is in staat om zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen;
c.de inwoner heeft een vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning binnen de gemeente of woonkern;
d.er moet een stallingsruimte, voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt, aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden. De scootmobiel dient gestald te worden in een daarvoor geschikte, overdekte, geventileerde ruimte (alleen bij natte accu's); en
e.de inwoner is in staat om — na instructie - op veilige wijze gebruik te maken van een scootmobiel.
f.indien de inwoner gebruik kan maken van de hulpmiddelenpool van Stichting WelZijn Krimpenerwaard, wordt er geen scootmobiel of driewielfiets verstrekt.
g.indien de inwoner in een doelgroepen- of appartementengebouw woont, wordt er geen stalling verstrekt door de gemeente. Dit is de verantwoordelijkheid van de woningeigenaar, VVE en of woningcorporatie.
4.7.2 Handbike
Wmo
De gemeente kan aan de inwoner een handbike verstrekken. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:
a.de inwoner is aangewezen op een rolstoel;
b.de inwoner is in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand te verplaatsen;
c.de inwoner heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte, die niet op een andere manier kan worden opgelost;
d.er dient een toegevoegde waarde te zijn als de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning of voor grotere afstanden wordt verstrekt.
4.7.3 Autoaanpassing
Wmo
1Als de inwoner door beperkingen niet in staat is om openbaar vervoer te bereiken en/of te gebruiken kan de gemeente een autoaanpassing toekennen. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:
a.de inwoner kan geen gebruik maken van een andere vervoersvoorziening of de autoaanpassing is de goedkoopste aanpassing van het vervoerprobleem;
b.er geldt een afschrijvingstermijn van ten minste zeven jaar, de auto moet dan ook een levensduur van minimaal zeven jaar hebben. Een uitzondering hierop zijn de voorzieningen die naar een andere auto overgezet kunnen worden.
2Er wordt geen autoaanpassing verstrekt als de inwoner de autoaanpassing voor het werk gebruikt.
5 De vormen van de hulp
5.3 Persoonsgebonden budget
5.3.1 Voorwaarden
Wmo | Jeugdwet
1In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmo-hulp of jeugdhulp gaat. De voorwaarden uit de Wmo, Jeugdwet. de nadere regels en in de voorwaarden uit deze paragraaf gelden bij de beoordeling van het recht op een pgb.
2Als het gaat om een pgb aanvraag voor jeugdhulp motiveert de inwoner waarom de hulp in natura niet voldoet.
3De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het pgb-budgetplan. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen, de hoogte van het tarief en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren, op kwaliteit toetsen en als de inwoner aan de voorwaarden voldoet van het eerste lid zal de gemeente daarna het pgb toekennen. De inwoner is verplicht om van het model pgb-budgetplan gebruik te maken en te ondertekenen dat door de gemeente aan de inwoner wordt verstrekt.
4De gemeente kent een pgb pas toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het pgb horen op een goede manier kunnen uitvoeren. De gemeente vindt de inwoner of zijn vertegenwoordiger in ieder geval niet in staat om aan pgb verbonden taken (het beheren en uitvoeren van taken) verantwoord te kunnen uitvoeren als er sprake is van:
a.problematische schuldenproblematiek;
b.ernstige verslavingsproblematiek;
c.aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
d.een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
e.een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;
f.een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
g.het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;
h.twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid;
i.gebleken overbelasting;
j.als er sprake is van een indicatie voor hulp bij financiën of administratie;
k.een situatie waarin de vertegenwoordiger zelf hulp-op-maat ontvangt.
5Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:
a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of vertegenwoordigers en een vrij besteedbaar bedrag;
b.reiskosten;
c.bonussen;
d.het voeren van een pgb-administratie;
e.hulp bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en
f.kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s).
6De inwoner moet het pgb-budget besteden aan de doelen zoals beschreven in het ondersteuningsplan en de hulp die via het besluit is toegekend. Een overschrijding van het budget komt voor rekening van de inwoner.
7De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties:
a.hulp in een spoedeisende situatie;
b.uit het door de inwoner ingediende pgb-budgetplan blijkt dat de kwaliteit van de hulp onvoldoende gewaarborgd is. De gemeente voert hierbij een controle uit naar de kwaliteit van de aanbieder.
c.uit het door de inwoner ingediende pgb-budgetplan blijkt niet dat hulp voldoende zal bijdragen aan het resultaat dat de hulp moet bereiken. De gemeente voert hierbij een controle uit naar de kwaliteit van de hulpverlener.
d.de inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de pgb-beheerder is dezelfde persoon als de hulpverlener of werkt voor dezelfde organisatie als de hulpverlener.
e.de inwoner kan het pgb niet zelf beheren en in de omgeving van de inwoner is geen andere persoon die dit beheer kan overnemen. De gemeente beoordeelt hierbij of de inwoner of de andere personen voldoende vaardigheden hebben om het pgb te beheren.
8U mag geen vast maandloon afspreken met uw zorgverlener(s). Uw zorgverlener wordt alleen na een declaratie van de geleverde uren uitbetaald.
5.3.2 Kwaliteitseisen aan het pgb
Wmo | Jeugdwet
De kwaliteit van de formele hulp die met het pgb ingekocht wordt moet minimaal voldoen aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare hulp leveren. Verder zijn de kwaliteitseisen voor zowel de formele als informele hulp zoals genoemd in de nadere regels, Wmo en Jeugdwet van toepassing: Nadere regels Wmo Krimpenerwaard 2024 | Lokale wet- en regelgeving en Nadere regels Jeugdhulp Krimpenerwaard 2024 - informatie | Lokale wet- en regelgeving
5.3.3 Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk
Wmo | Jeugdwet
1Bij de beoordeling of sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een pgb betaald kan worden, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol:
a.het type hulp dat wordt geleverd;
b.de frequentie van de hulp;
c.een tijdelijke hulpvraag of hulp over een lange periode;
d.is het mogelijk dat de hulpverlener een keer kan overslaan;
e.kwaliteit van de hulp;
f.heeft de persoon uit het sociaal netwerk de minimale noodzakelijke opleiding voor de te verstrekken hulp als het gaat om begeleiding;
g.de persoon uit het sociaal netwerk is niet overbelast, en er is ook geen sprake van een dreigende overbelasting;
h.de persoon uit het sociaal netwerk kan kwalitatief goede hulp bieden en planmatig te werken.
2Hulp door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien.
3De gemeente kan in de nadere regels bepalen voor welke vormen van hulp het sociaal netwerk niet ingezet kan worden.
5.3.4 Hoogte en tarief pgb
Wmo | Jeugdwet
1Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
a.van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de le of 2e graad van de inwoner:
•personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), die beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en die voldoet aan de kwaliteitscriteria, of;
•personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en voldoen aan de kwaliteitscriteria.
b.informele hulp is:
•hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in het eerste lid onder a;
•hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het eerste lid onder a, maar bloed- of aanverwanten in de le of 2e graad zijn van de inwoner.
2Uitgangspunt is dat het tarief van een pgb niet hoger is dan de hoogte van het tarief van de zorg in natura. Indien er meerdere tarieven gehanteerd worden in dezelfde categorie van ingekochte zorg in natura, dan geldt het laagste CAO-tarief.
3Binnen de Wmo heeft de gemeente verschillende pgb tarieven voor de volgende vormen van hulp:
a.hulp bij het huishouden:
•de persoon die in dienst is van een zorgaanbieder, of als professioneel freelancer of zelfstandige zonder personeel werkzaam is, ontvangt maximaal het laagste hulp in natura tarief.
•de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt het uurtarief dat gelijk is aan het wettelijke minimum uurloon, rekening houdend met de vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.
b.auto-aanpassing:
•voor een auto-aanpassing geldt dat de hoogte van het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs voor de noodzakelijke aanpassingen aan de hand van twee offertes, daarbij moet worden voldaan aan een programma van eisen van de gemeente. De gemeente kan een tegenofferte opvragen.
•de kosten van de noodzakelijke aanpassingen worden gebaseerd op de goedkoopst aanpasbare auto;
•de autoaanpassingen en de daarmee eventueel samenhangende kosten worden bepaald aan de hand van door de inwoner opgevraagde twee onafhankelijke offertes, waarbij de prijs van de leverancier die de goedkoopst adequate voorziening kan leveren doorslaggevend is. De gemeente is gemachtigd om een tegenofferte op te vragen, waarbij de economisch meest voordelige offerte uitgangspunt is voor verdere besluitvorming. De gemeente houdt bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhoudskosten, (inclusief keurings-, en reparatiekosten) en verzekeringskosten.
•opties over de uitrusting van de auto, zoals automatische transmissie, stuurbekrachtiging en airco, zijn van vergoeding uitgesloten.
c.sportvoorziening:
•voor een sportvoorziening geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes, daarbij moet worden voldaan aan een programma van eisen van de gemeente. De gemeente kan een tegenofferte opvragen. De gemeente houdt bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhoudskosten, (inclusief keurings-, en reparatiekosten) en verzekeringskosten.
d.het bezoekbaar maken van een woning in de gemeente Krimpenerwaard voor de inwoner die zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling in de gemeente Krimpenerwaard. Het bezoek voor de inwoner is noodzakelijk voor het hebben van structurele sociale contacten en de inwoner de woning niet op een normale manier kan bereiken. De aanpassing moet uitgevoerd worden door een erkende aannemer. De hulp-op-maat wordt berekend op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes, maar daarbij moet wel worden voldaan aan een programma van eisen van de gemeente. De gemeente kan een tegenofferte opvragen. De maximale kosten bedragen € 7.000,00.
e.vervoersvoorzieningen, rolstoel, hulpmiddelen, roerende woonvoorzieningen en woningaanpassingen: voor deze producten geldt dat het pgb maximaal het bedrag is dat de gemeente zou betalen voor de hulp in natura. De gemeente houdt bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhoudskosten , (inclusief keurings-, en reparatiekosten) en verzekeringskosten. De gemeente kan een programma van eisen opstellen waaraan de voorziening moet voldoen.
f.losse woonvoorzieningen: de gemeente stelt het bedrag voor de losse woonvoorziening vast op basis van een door de gemeente goedgekeurde offerte. Het bedrag kan verhoogd worden met kosten voor onderhoud of reparatie bij elektrische voorzieningen. Als de gemeente een onderhoudscontract heeft met een leverancier voor onderhoud en reparatie, gelden de prijzen uit dat onderhoudscontract.
g.Voor de voorzieningen die worden genoemd in het derde lid onder b tot en met f geldt dat de kosten die zijn ontstaan door nalatigheid van de inwoner niet worden vergoed.
4Binnen de Jeugdwet heeft de gemeente verschillende pgb tarieven voor de volgende vormen van hulp:
a.behandeling: de persoon die in dienst is van een zorgaanbieder, of als professioneel freelancer of zelfstandige zonder personeel werkzaam is, ontvangt maximaal het laagste hulp in natura tarief.
5Binnen de Wmo en Jeugdwet heeft de gemeente verschillende pgb tarieven voor de volgende vormen van hulp:
a.individuele begeleiding:
•de persoon die in dienst is van een zorgaanbieder, of als professioneel freelancer of zelfstandige zonder personeel werkzaam is, ontvangt maximaal het laagste hulp in natura tarief.
•de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt het uurtarief dat gelijk is aan het wettelijk minimum uurloon inclusief vakantiegeld en vakantie-uren als het gaat om begeleiding Jeugdhulp en Wmo.
b.dagbesteding: de persoon die in dienst is van een zorgaanbieder, of als professioneel freelancer of zelfstandige zonder personeel werkzaam is, ontvangt maximaal het laagste hulp in natura tarief.
c.logeeropvang en logeerverblijf ter ontlasting van mantelzorger/time-outvoorziening:
•de persoon die in dienst is van een zorgaanbieder, of als professioneel freelancer of zelfstandige zonder personeel werkzaam is, ontvangt maximaal het laagste hulp in natura tarief.
•de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt een tegemoetkoming van maximaal € 42,50 per etmaal met een maximum van € 129,- per kalendermaand.
d.eigen vervoer van en naar dagbesteding;
•de vergoeding wordt berekend op basis van de belastingvrije kilometervergoeding.
6Het voor de inwoner geldende maximale tarief per uur, dagdeel of etmaal, zoals wordt vastgesteld op de dag van de toekenning, blijft gedurende de looptijd van de toekenning ongewijzigd, met uitzondering van eventuele indexaties van de bedragen.
7Als de uitgaven aan hulp hoger zijn dan het door de gemeente pgb tarief, betaalt de inwoner zelf het verschil.
8Als de informele of formele hulpverlener de hulp wil aanbieden tegen een lager tarief dan de tarieven die in dit artikel worden genoemd, is het mogelijk van de tarieven van dit artikel af te wijken. De gemeente neemt in het besluit op dat een lager tarief wordt verstrekt, en dat dit tarief op verzoek van de inwoner is vastgesteld.
9Alle bedragen die in dit artikel worden genoemd gelden op 1 juli 2023. De gemeente kan de tarieven indexeren. Voor actuele tarieven kan de inwoner terecht op de website van de gemeente: Zorg en ondersteuning (Wmo) | Gemeente Krimpenerwaard en Informatie over de huidige contracten | GR JW .
5.3.5 Verantwoording pgb
1De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. De gemeente kan hierbij het gebruik van een standaard evaluatieverslag verplicht stellen.
2Als een inwoner hulp in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die feitelijk geleverd is.
5.3.6 Opschorten pgb
De gemeente kan aan de Sociale Verzekeringsbank vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen, totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als:
a.de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;
b.de inwoner niet langer aangewezen is op de voorziening;
c.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die bij een pgb horen; of
d.de inwoner het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.
6 Afspraken tussen inwoner en gemeente
6.1 Hoe gaan we met elkaar om?
6.1.1 De rol van de gemeente
Wmo | Jeugdwet | Awb
1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.
b.De inwoner heeft, om zijn hulpvraag te bespreken, altijd recht op een gesprek op het gemeentekantoor, bij de inwoner thuis, of telefonisch.
c.De gemeente helpt de inwoner om zijn hulpvraag bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.
d.De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.
e.De gemeente respecteert de privacy van de inwoner.
f.De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.
g.De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.
h.De gemeente wijst de inwoner op de mogelijke hulp van de onafhankelijke cliëntondersteuner.
2De gemeente reageert op een professionele manier als een gedraging van de inwoner ontoelaatbaar is. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:
•zijn rechten en plichten;
•wat er van hem wordt verwacht;
•welke gedraging niet deugt;
•wat de reactie van de gemeente is op de gedraging; en
•waarom de gemeente tegen de gedraging optreedt.
b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren. De inwoner kan dat op de volgende manier doen:
•telefonisch;
•in een persoonlijk gesprek met de medewerker op het gemeentekantoor;
•schriftelijk;
•digitaal;
•via e-mail.
c.De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:
•de ernst van het ontoelaatbare gedrag;
•de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden;
•de persoonlijke situatie van de inwoner; en
•dringende redenen.
d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (in het geval de hulp is stopgezet).
6.1.2 De rol van de inwoner
Wmo | Jeugdwet | Awb
1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn hulpvraag. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:
a.De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn hulpvraag op te lossen.
b.De inwoner werkt mee aan de oplossing van zijn hulpvraag als de gemeente hulp verleent.
c.De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.
2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn hulpvraag zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:
a.De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.
b.De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft binnen twee weken nadat de gemeente om de informatie heeft gevraagd van de inwoner.
c.De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.
6.2 Beëindigen en terugvorderen voorziening
6.2.1 Beëindiging voorziening
Wmo | Jeugdwet
1De gemeente kan een voorziening beëindigen als:
a.de voorziening niet langer passend of nodig is;
b.er gebruik gemaakt kan worden van een andere voorziening;
c.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;
d.de voorziening is verstrekt op grond van (bij Wmo-hulp met opzet) aangeleverde onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;
e.de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;
f.de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld;
g.de inwoner niet binnen zes maanden, of vijftien maanden bij een woningaanpassing gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is;
h.de inwoner met een pgb niet in het hoofdverblijf verblijft: het pgb kan dan na 6 weken worden beëindigd.
2Als de inwoner in een ziekenhuis of instelling verblijft wordt de lopende pgb tot maximaal een maand na opname doorbetaald aan de zorgverlener. Na deze maand wordt de situatie opnieuw beoordeeld en wordt door de gemeente besloten welke hulp noodzakelijk is, welke financiering daarbij passend is. Het pgb kan dan beëindigd worden.
3De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).
6.2.2 Terugvordering voorziening
Wmo | Jeugdwet | Burgerlijk Wetboek
1De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Ook het pgb dat is verstrekt voor hulp kan door de gemeente worden teruggevorderd. Ook kan een verstrekte voorziening worden opgehaald. Terugvorderen of een voorziening ophalen kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de redenen voor beëindiging die genoemd worden in artikel 6.2.1., eerste lid, onder c, d, e, en f van deze verordening.
2De vordering kan worden geïnd door middel van verrekening, als bedoeld in artikel 3.3 lid 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
6.3 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?
6.3.1 Controle
Jeugdwet 1 Wmo
1De gemeente kan controleren of de inwoner recht heeft op een voorziening en of hij de juiste voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. Bij de controle worden de methodes van controle zorgvuldig toegepast en de gemeente gaat zorgvuldig om met de informatie van de inwoner. Voor de controle kan de gemeente gebruik maken van:
a.huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet;
b.bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij het UWV, de Belasting-dienst en andere gemeenten;
c.signalen en tips van organisaties of particulieren;
d.andere passende onderzoeksmethoden.
2De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.
3Bij beëindiging van de voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.
6.3.2 Voorkomen van fraude
Wmo I Jeugdwet
De gemeente treft de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte hulp-op-maat en pgb’s te waarborgen en misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:
1De gemeente informeert inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten, en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
2De gemeente zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;
3De gemeente verricht zo nodig, al dan niet met tussenkomst van derden, onderzoek bij aanbieders die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Krimpenerwaard onderhouden;
4De gemeente maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;
5De gemeente beperkt waar nodig de looptijd van de indicaties en voert periodiek controles uit bij indicaties;
6De gemeente bezoekt inwoners en locaties, waarbij door middel van een schouw een feitelijk onderzoek gedaan wordt naar de ervaringen met en de uitvoering van de geboden ondersteuning;
7De gemeente monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen;
8De gemeente voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een pgb op:
•de regiemogelijkheden van de inwoner of degene die de inwoner als vertegenwoordiger wenst in te schakelen;
•de kwaliteit van de invulling van het door de inwoner te overleggen pgb-plan, mede met het oog op de te bereiken resultaten;
•de kwaliteit van de door de inwoner in te schakelen hulpverlener.
6.3.3 Privacy
Wmo I Jeugdwet
Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.
6.3.4 Toezichthouders
Wmo I Jeugdwet
1De gemeente wijst een of meer toezichthouders aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
2De toezichthouder kan op basis van eigen en onafhankelijk inzicht een werkprogramma opstellen.
6.3.5 Beleidsplan
Wmo I Jeugdwet
1De gemeente stelt een regionaal beleidsplan toezicht en handhaving vast. In dat plan legt de gemeente vast hoe zij fraude aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners en zorgaanbieders zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving).
2In het beleidsplan staat in ieder geval:
a.wat de gemeente precies met toezicht en handhaving bedoelt;
b.wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over hun rechten en plichten (voorlichting);
c.welke maatregelen hoe en wanneer ingezet kunnen worden; en
d.hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude en fouten tegen te gaan.
Bijlage 1 Opgroeien en opvoeden
Normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders
Inleiding
De meeste kinderen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Ouders maken zich wel eens zorgen en hebben vragen over de opvoeding en het opgroeien van hun kinderen.
Dat is normaal en laat zien dat ouders betrokken zijn bij hun kind en het beste voor hun kind willen. Naast plezierige en liefdevolle situaties zijn er ook momenten dat opvoeden lastig is. Druk gedrag, tegendraadsheid, teruggetrokkenheid, verlegenheid, onzekerheid; het zijn tot op zekere hoogte normale verschijnselen bij kinderen, vaak gebonden aan de ontwikkelingsfase waarin zij zitten. Het (leren) omgaan met deze verschijnselen is de gewone opgave voor ouders, beroepsopvoeders, zoals pedagogisch medewerkers en leerkrachten, buurten en culturele gemeenschappen, basisvoorzieningen, vrijetijdsvoorzieningen en voor gemeenten.
Naar problemen bij het opvoeden van kinderen en naar risicofactoren is al veel onderzoek gedaan. Maar als we een gezonde, veilige en kansrijke ontwikkeling van kinderen willen bevorderen, zouden we juist meer kennis moeten hebben van de ‘gewone’, niet-problematische opvoeding. Daarom voeren we in deze notitie een literatuurverkenning uit naar factoren die een gezonde, veilige en kansrijke opvoeding en ontwikkeling kenmerken, en naar factoren die daarop een bedreigende of juist een beschermende invloed hebben.
We beschrijven verschillende theoretische modellen over ontwikkeling en sluiten vervolgens vooral aan bij het levensloopmodel waarin veel aandacht is voor beschermende factoren en het versterken van opvoedingsvaardigheden. Vanuit het levensloopmodel geven we per leeftijdsgroep een overzicht van de belangrijke ontwikkelingstaken van jeugdigen en van de opvoedingsopgaven die daar voor volwassenen tegenover staan.
Sommige kinderen en hun ouders hebben door de omstandigheden waarin zij opgroeien en opvoeden te maken met extra uitdagingen. Dat geldt onder meer voor kinderen van ouders met een verstandelijke beperking, kinderen in gezinnen met geldzorgen, kinderen van ouders met een migratieachtergrond, maar bijvoorbeeld ook voor kinderen die zelf psychosociale problemen hebben, bijvoorbeeld door een lichte verstandelijke beperking of adhd.
Omdat een aanzienlijk aantal gezinnen in Nederland een migratieachtergrond hebben, gaan we in deze notitie specifiek in op de invloed van cultuur en migratie op de ontwikkelingstaken van jeugdigen en de opvoedingsopgaven van ouders.
Tot slot beschrijven we factoren die het vervullen van ontwikkelingstaken kunnen bedreigen, zogenoemde risicofactoren, of juist positief beïnvloeden, ook wel beschermende factoren genoemd. Wie een positieve ontwikkeling van kinderen en jongeren wil bewerkstelligen moet inzetten op het bevorderen van die beschermende factoren.
1Theorieën over de ontwikkeling van kinderen
Onder de term ontwikkeling verstaan we alle veranderingen in het menselijk gedrag die samenhangen met de leeftijd. Kenmerkend voor ontwikkeling is dat het een proces is dat in een vaste volgorde verloopt en onder normale omstandigheden onomkeerbaar is; het is cumulatief en gaat in de richting van eenvoudig naar complex (Verhulst, 2017).
Over het verloop van de ontwikkeling van jeugdigen bestaan diverse theorieën. De beschrijving hierna is vooral gebaseerd op Goosens en Luyckx (in Slot & van Aken, 2019).
1.1Psychoanalyse
De psychoanalytische theorie gaat ervan uit dat ontwikkeling wordt gestuurd door onbewuste strevingen of driften die voortdurend in conflict komen met beperkingen vanuit de sociale omgeving. Deze theorie legt dan ook veel nadruk op de rol van emoties. Daarnaast wordt verondersteld dat ontwikkeling gestuurd wordt door interne voorstellingen die jeugdigen opbouwen van de belangrijke personen in hun leven en van hun ouders in het bijzonder.
Psychoanalyse heeft veel aandacht voor de ontwikkeling van identiteit en autonomie, waaruit essentiële ontwikkelingstaken voortvloeien. Uitgangspunt is dat kinderen en jongeren moeten loskomen van de afhankelijkheid van ouders en een niveau van autonomie moeten ontwikkelen dat past bij hun leeftijd. Jongeren dienen daarnaast seksualiteit te integreren in hun persoonlijkheid.
1.2Cognitieve theorieën
Cognitieve theorieën
1Beschrijving van de drie theorieën gebaseerd op Prodia, 2019.
leggen de nadruk op de ontwikkeling van het denken. Voorbeelden zijn de cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget, de informatieverwerkingstheorieën en de socioculturele theorie van Vygotsky. Elke theorie probeert een antwoord te bieden op een of meerdere basisvragen.
1.2.1 De theorie van Piaget
De cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget stelt dat denken een constructie is van schema’s of mentale structuren in de hersenen. Vanaf de geboorte zijn de zenuwcellen (neuronen) in onze hersenen reeds minimaal georganiseerd in schema’s. Door de invloed van genetische factoren veranderen de schema’s van kinderen op hetzelfde moment op een gelijkaardige manier. Daarnaast gaat Piaget er van uit dat elk kind aan de constructie van zijn eigen mentale schema’s werkt. Kinderen construeren actief kennis door hun omgeving te exploreren en te manipuleren. Ze verwerken nieuwe informatie uit de buitenwereld door processen van assimilatie (het opnemen of integreren van wat waargenomen wordt in een bestaand schema) en accommodatie (het aanpassen van het schema op basis van wat waargenomen wordt). Zo vinden kinderen telkens opnieuw een balans tussen hun cognitieve schema’s enerzijds en informatie uit de buitenwereld anderzijds.
De cognitieve ontwikkeling verloopt volgens Piaget stapsgewijs, dus discontinu. Van zuigeling tot adolescent doorlopen kinderen vier kwalitatief verschillende stadia: sensomotorisch, preoperationeel, concreet-operationeel en formeel-operationeel.
Vervolgonderzoek heeft een aantal van de basisideeën van Piaget weerlegd. Cognitieve veranderingen verlopen eerder gradueel en continu dan abrupt en stadiumgebonden. Piaget onderschatte daarnaast de kracht van taal. De taalontwikkeling beïnvloedt voortdurend de cognitieve ontwikkeling. Piaget hield verder te weinig rekening met sociale en culturele invloeden op ontwikkeling. Ondanks deze kritiekpunten heeft Piaget belangrijke inzichten opgeleverd, bijvoorbeeld dat kennis ontstaat uit ervaring, door het actief exploreren met voorwerpen.
1.2.2 De informatieverwerkingstheorie
Aanhangers van de informatieverwerkingstheorie gaan na in welke mate kinderen van verschillende leeftijden qua denken kwantitatief van elkaar verschillen. Ze beschouwen het menselijk brein als een systeem dat meer of minder informatie waarneemt (input), verwerkt en organiseert (proces) en een gedragsreactie genereert (output). Cognitieve ontwikkeling is een continu proces. In deze theorie is er veel aandacht voor executieve functies die onder meer plannen, zelfregulatie en mentale flexibiliteit mogelijk maken. Deze functies leiden tot diverse ontwikkelingstaken voor kinderen.
1.2.3 De theorie van Vygotsky
De socioculturele theorie van Vygotsky
2De theorievorming van Vygotsky wordt soms bij de contextuele theorieën ondergebracht.
beschouwt de cognitieve ontwikkeling als een sociaal geme-dieerd proces. Dat betekent dat ontwikkeling alleen kan plaatsvinden door de wederzijdse beïnvloeding tussen het kind en de mensen in zijn omgeving. Taal en regels of afspraken voor bijvoorbeeld spel zijn essentieel om de externe wereld te kunnen internaliseren. Kinderen leren problemen oplossen via hun interacties met volwassenen en meer ervaren leeftijdgenoten. Door met anderen te spelen en samen te werken leren ze wat belangrijk is en leren ze hun omgeving beter begrijpen. Van Vygotsky komt het begrip ‘zone van naaste ontwikkeling’, dat betrekking heeft op de potentiële ontwikkelingsmogelijkheden van een individu. Ontwikkelingsopdrachten die zich in die zone bevinden, kan het kind niet meteen zelfstandig vervullen, maar wel met enige hulp. Ontwikkelingsopdrachten buiten de zone zijn zelfs met hulp te moeilijk, wat tot frustratie of zelfmiskenning kan leiden, of juist te makkelijk, wat ook frustratie of verveling als gevolg kan hebben.
1.3Contextuele theorieën
In deze theoretische benaderingen wordt geprobeerd de rol die de sociale omgeving speelt in de (psychologische) ontwikkeling in detail te beschrijven. Met de term ‘context’ wordt verwezen naar de relatie van een persoon met een groep anderen die belangrijk voor hem zijn.
1.3.1 De ecologische theorie
Deze theorie is het meest expliciet uitgewerkt in het ecologisch model van Bronfenbrenner (zie schema). Dit model biedt een gedetailleerde beschrijving van de omgeving waarin psychosociale ontwikkeling plaatsvindt.
De ecologische theorie beschrijft vijf niveaus in de interactie tussen mens en omgeving die allemaal direct of indirect invloed hebben op de ontwikkeling van jeugdigen. De eerste vier van deze niveaus, systemen genoemd, zijn hiërarchisch geordend en worden voorgesteld als concentrische cirkels:
1Microsysteem: een verzameling relaties en activiteiten in de onmiddellijke, persoonlijke omgeving van een kind of jongere. Het gaat dan om het gezin, maar ook de groep van leeftijdgenoten en de kinderopvang of school, en tegenwoordig ook de applicaties en (social) media die kinderen benutten. Dit is het systeem dat een kind of jongere het meest direct beïnvloedt.
2Mesosysteem: de wederzijdse verbindingen en processen die optreden tussen twee of meer microsystemen zoals het contact dat ouders hebben met de kinderopvang of school en het contact van jongeren met bijvoorbeeld het jongerenwerk.
3Exosysteem: systemen waarmee een kind of jongere niet zelf contact heeft maar die toch invloed hebben op gedrag en ontwikkeling. Voorbeelden zijn het werk van ouders of hun sociale netwerken; wat daar gebeurt kan invloed hebben op het opvoeden door ouders. Hieronder vallen ook ontwikkelingen op het gebied van marketing/reclame of technologische ontwikkelingen (smartphones, smart-toys en -speakers) die bepalend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen.
4Macrosysteem: het niveau dat het verst verwijderd is van de onmiddellijke ervaring van de jeugdige zoals de cultuur waarin iemand leeft, maatschappelijke instellingen, de regering (dus wet en regelgeving, sociaaleconomische factoren).
Verder onderscheidt Bronfenbrenner het chronosysteem. De sociale omgeving van de persoon verandert ook in de tijd. Essentieel zijn vooral belangrijke overgangen in de tijd, door Bronfenbrenner de ‘ecologische transities’ genoemd. Bronfenbrenner was er van overtuigd dat de historische context een belangrijke rol uitoefent op de ontwikkeling van mensen, maar heeft dit niet uitgewerkt.
1.3.2 De culturele dimensie van opvoeding
Bronfenbrenner beperkt de culturele dimensie van de opvoeding in zijn ecologisch model tot het macroniveau. Super & Harkness (1986) hebben een theoretisch raamwerk ontwikkeld dat meer rekening houdt met de culturele dimensie van opvoeding: de ‘developmental niche’. Die dimensie bevat drie subsystemen:
•settingen: fysieke en sociale settingen waarin een kind leeft;
•verzorgings- en opvoedingsgewoonten die cultureel bepaald zijn;
•psychologie van de opvoeders: de opvattingen van ouders over kinderen en over de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van kinderen.
Deze drie subsystemen vormen de context waarin het kind opgroeit. De dagelijkse settingen waarin een kind zich bevindt, oefenen de belangrijkste culturele invloeden op dat kind uit. Deze settingen kunnen per cultuur verschillen.
De kern van de ‘developmental niche’-theorie is dat opvattingen van ouders de opvoedingsgewoonten en settingen waarin kinderen participeren in cultureel opzicht structureren. In diverse samenlevingen, zoals de Nederlandse, zijn de sociale en fysieke settingen waarin kinderen opgroeien de laatste decennia sterk veranderd onder invloed van urbanisatie, industrialisatie en modern onderwijs.
Ouders hebben dan drie mogelijkheden om op deze veranderingen te reageren:
•Ze adopteren nieuwe waarden en normen naast de oude.
•Ze vervangen de oude door de nieuwe waarden en normen.
•Ze blijven vasthouden aan hun traditionele opvattingen.
1.3.3 De levenslooptheorie
Deze theorie is uitgewerkt om tijdgebonden invloeden op de ontwikkeling van jeugdigen mee te nemen. In iedere levensfase geldt een aantal ontwikkelingstaken. Omdat niet iedere jeugdige die ontwikkelingstaken op dezelfde wijze aanpakt, wordt in de levenslooptheorie gesproken over ‘ontwikkelingstrajecten’. Voor iedere ontwikkelingstaak zijn er verschillende mogelijkheden voor het vervolgtraject. Ontwikkeling kan dan ook verschillende vormen aannemen en diverse routes volgen.
De flexibiliteit van de levensloop wordt ook beïnvloed door de veerkracht van een jeugdige. Met het begrip ‘plasticiteit’ wordt het vermogen aangeduid om de oude vorm weer aan te nemen nadat iemand iets heeft meegemaakt dat niet prettig was. Het begrip ‘veerkracht’ staat voor krachten in het individu of de omgeving waarop iemand een beroep kan doen en die een gunstig verloop van de ontwikkeling kunnen bevorderen.
De ontwikkelingstrajecten van jeugdigen worden ook bepaald door risicofactoren zoals stress en beschermende factoren zoals sociale steun. Daarnaast heeft de maatschappij een sterke invloed doordat verschillende ‘tussenstations’ in een ontwikkelingstraject maatschappelijk zijn bepaald. De levenslooptheorie spreekt in dit verband over ‘sociale paden’, bijvoorbeeld de volgorde van opleiding afmaken, werk zoeken, gezin vormen. Iedere jeugdige legt een specifiek ontwikkelingstraject af langs de sociale paden die de maatschappij aangeeft.
Voor het verloop van de ontwikkeling is een aansluiting tussen de eigenschappen van het individu en de kenmerken van de omgeving van groot belang. Een goede aansluiting houdt in dat de kenmerken van de omgeving aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van individuen.
1.4 Dynamische systeemtheorie
Deze theorie ziet de persoon en zijn hele sociale context - in ruimte en tijd - als een samenhangend geheel dat voortdurend in beweging is. Dat geheel wordt beschreven als een systeem van relaties tussen persoon en ouders, leeftijdgenoten, de cultuur of de historische periode waarin een jeugdige opgroeit. De verschillende onderdelen of relaties van het systeem werken op elkaar in, maar het systeem als geheel streeft ook naar een intern evenwicht.
Deze theorie steunt op een mensvisie die aansluit op de meer positieve aspecten van het gedrag zoals veerkracht, zelfregulering en zelfcontrole. In de psychologie gericht op adolescenten heeft dat bijvoorbeeld geleid tot een nadruk op de positieve ontwikkeling van jongeren waarin de eerste plaats hun talenten tot ontwikkeling komen. Bijvoorbeeld, adolescenten krijgen steeds meer vaardigheden waardoor ze hun eigen ontwikkeling kunnen sturen, maar doen dat wel altijd samen met belangrijke mensen in hun leven zoals ouders, leeftijdgenoten, leraren en begeleiders in het jeugdwerk. Deze positieve psychologie legt, net als het levensloopmodel, veel nadruk op beschermende factoren.
1.5Theorieën vullen elkaar aan
Omdat de ontwikkeling van jeugdigen complex is en veel verschillende aspecten heeft, bestaan er uiteenlopende theorieën die de nadruk op een van die aspecten leggen: het leren omgaan met emoties (psychoanalyse), het steeds beter leren denken (cognitieve theorieën) en de invloed van de sociale omgeving (contextuele theorie en dynamische systeemtheorie). Door theorieën te combineren is een meer omvattende theorie over ontwikkeling mogelijk (Goosens en Luyckx in Slot & van Aken, 2019). De psychoanalytische en cognitieve theorie geven een goed overzicht van de algemene ontwikkelingslijn voor het ontwikkelen en versterken van de eigen identiteit en het ontwikkelen van steeds meer autonomie. De contextuele theorieën benaderen vooral hoe concrete leefomstandigheden de ontwikkeling een eigen kleur geven, waarbij de levenslooptheorie oog heeft voor risicofactoren en beschermende factoren in de ontwikkeling en het model Harkness & Super culturele aspecten naar voren brengt. De dynamische systeemtheorie (positieve psychologie) wil vooral, met het sterke geloof in de positieve eigenschappen van jeugdigen, de leefomstandigheden verbeteren en de ontwikkeling in positieve zin beïnvloeden. Denken vanuit beschermende factoren past het beste bij de contextuele theorieën (levensloopmodel) en de dynamische systeemtheorie, waaronder de positieve psychologie.
2De rol van opvoeders in de ontwikkeling van kinderen
Het gezin is de eerste belangrijke omgeving waarin kinderen opgroeien. Het gezin biedt kinderen liefde, bescherming, veiligheid, ondersteuning en stimulering. Kinderen leren culturele regels, waarden en normen, en kunnen binnen veilige grenzen gedragingen en vaardigheden leren en oefenen. Ouders zijn de eerstverantwoordelijken voor de opvoeding van hun kinderen. In het gezin en bij de ouders ligt de basis voor een gezonde, veilige en kansrijke ontwikkeling (Daamen & Ince, 2014).
Opvoeding is een specifieke vorm van interactie tussen ouders en kinderen waardoor gewoonten, vaardigheden en inzichten worden overgedragen die het kind in staat stellen een eigen identiteit te ontwikkelen en adequaat te functioneren in de maatschappij. Opvoeding kan worden gezien als een transactioneel proces, waarin ouders en kinderen elkaar wederzijds beïnvloeden in relatie met de specifieke omgeving van het gezin. Zowel factoren in het kind, de ouders en de omgeving hebben invloed op dit proces. Sommige factoren beïnvloeden de opvoeding positief, andere bedreigen de opvoeding (Blokland, 2010).
2.1Pijlers van opvoedingskwaliteit
De kwaliteit van de opvoeding rust op twee pijlers. De eerste pijler betreft de affectieve band tussen ouders en kinderen, de mate waarin ouders betrokken zijn bij hun kind, de emotionele ondersteuning die zij hun kind bieden en de ruimte die zij hun kind geven om eigen initiatieven te ontplooien. Bij de eerste pijler hoort ook het ondersteunen en stimuleren van de ontwikkeling van het kind: samen praten, uitleg geven, spelen, voorlezen. De tweede pijler betreft het bieden van structuur en houvast en de noodzaak om ongewenst gedrag tijdig te corrigeren. Het gaat dan om het stellen van regels en grenzen aan het gedrag van kinderen en het toezicht houden op wat ze doen. Het evenwicht tussen ondersteunen en structureren wordt als belangrijk kenmerk genoemd voor het beoordelen van een opvoedingssituatie (Maccoby, 1994; Blokland, 2010).
Tijdens de opvoeding wordt de ontwikkeling van een kind wordt positief beïnvloed door (Sanders, 2012):
•Een veilige en stimulerende omgeving
Om zich goed te kunnen ontwikkelen hebben kinderen liefde, veiligheid en bescherming nodig. In een veilige omgeving kunnen kinderen ongestoord spelen. Verder is het belangrijk dat kinderen bezigheden hebben die hen boeien en stimuleren en zijn afgestemd op hun leeftijd. Ouders bieden kinderen de kans om spelenderwijs te ontdekken, te spelen. Ze doen activiteiten met hun kind en hebben een goede interactie met het kind, wat wil zeggen dat ze gesprekjes hebben met het kind, initiatieven van het kind volgen en het kind informatie en uitleg geven.
•Positieve ondersteuning
Complimenten en aanmoediging versterken de band tussen ouders en kinderen en bevorderen gewenst gedrag van de kinderen. Positieve steun stimuleert kinderen om de vaardigheden te ontwikkelen die ze nodig hebben voor een goede sociale aanpassing en helpt ook om moeilijkheden en tegenslag te overwinnen. En dat bevordert weer de veerkracht en zelfredzaamheid van kinderen.
•Aansprekende discipline
Kinderen ontwikkelen zich het beste wanneer de omgeving duidelijk en voorspelbaar is en positief gedrag wordt versterkt. Aansprekende discipline betekent dat ouders duidelijke regels stellen, op een heldere manier instructies geven en snel en doortastend reageren wanneer kinderen ongewenst gedrag vertonen.
•Realistische verwachtingen
Ieder kind is uniek en ontwikkelt zich in zijn eigen tempo. Belangrijk is dat de verwachtingen van ouders in overeenstemming zijn met de leeftijd en de ontwikkeling van hun kind. Wanneer ouders te veel van hun kind verwachten of juist te weinig kunnen er problemen ontstaan.
•Goed voor jezelf zorgen
Geen enkele ouder is perfect. Opvoeden is iets dat iedereen met vallen en opstaan leert. Voor ouders die goed voor zichzelf zorgen en genoeg rust en ontspanning krijgen, is het makkelijker om geduldig, consequent en beschikbaar voor hun kinderen te zijn.
2.2 Opvoedingsvaardigheden
Kinderen ontwikkelen zich doordat ze bepaalde ervaringen opdoen. Dat zijn ervaringen met hun ouder(s), (professionele) opvoeders, andere mensen in hun omgeving en de materiële omgeving. Wij beperken ons hier tot de rol van ouders en andere directe opvoeders in het contact met het kind en de intermediërende rol die zij hebben voor de ervaringen die kinderen opdoen in interactie met andere personen en de materiële omgeving. We beschrijven hier kort de basale vaardigheden van opvoeders die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen. Het gaat bij deze vaardigheden om interactievaardigheden in het directe contact met het kind en om vaardigheden in het creëren van voorwaarden om de ontwikkeling van het kind zo goed mogelijk te laten verlopen.
In de literatuur krijgen interactievaardigheden van opvoeders de nodige aandacht. Vaardigheden die in dat verband veel genoemd worden zijn: het bieden van emotionele ondersteuning (sensitieve responsiviteit of sensitiviteit), het respecteren van de autonomie van kinderen, structuur bieden en grenzen stellen, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren en begeleiden van interacties tussen kinderen (vooral in de kinderopvang). Onderzoek heeft laten zien dat deze vaardigheden samenhangen met het welbevinden en de ontwikkeling van kinderen, zowel in de thuissituatie (Meij, Zevalkink & Hubbard, 1994) als in kinderopvangsituaties (Riksen-Walraven, 2006).
Of het nu gaat om een baby of een puber, de volgende vijf opvoedingsvaardigheden zijn in iedere situatie en in elke ontwikkelingsfase van een kind belangrijk. De zesde vaardigheid is van toepassing op situaties waarin kinderen bij elkaar zijn zoals in de kinderopvang of op school.
1Emotioneel ondersteunen
Emotionele ondersteuning bieden is het kind een gevoel van geborgenheid geven zodat het zich veilig en op zijn gemak voelt. Hierdoor kan een kind zijn aandacht richten op zijn omgeving en is hij vrij om nieuwe indrukken op te doen en te leren van wat hij ervaart. Concreet betekent emotioneel ondersteunen dat de opvoeder op een positieve manier duidelijk zijn of haar betrokkenheid laat blijken bij wat het kind doet en ervaart, bijvoorbeeld door troosten, complimentjes geven, aanmoedigen en interesse tonen.
2Respect voor autonomie
Wanneer een kind zich emotioneel ondersteund voelt door de opvoeder, gaat het op verkenning uit. Het is van belang dat de opvoeder het kind daarbij zo veel mogelijk de ruimte geeft en het respecteert in zijn autonomie. In de praktijk van de opvoeding betekent respect voor autonomie: de zelfstandigheid bevorderen en de eigenheid van het kind respecteren. Respect voor de autonomie houdt in:
•het kind de ruimte geven om zoveel mogelijk zelf te doen en zelf te ontdekken;
•de inbreng van het kind positief waarderen;
•mét het kind praten, in plaats van tegen het kind of over zijn hoofd heen;
•het kind voorbereiden op wat er komen gaat.
3Structuur bieden en grenzen stellen
Om tegemoet te komen aan de groeiende behoefte aan zelfstandigheid en autonomie van het kind is het van belang dat het kind ervaart dat er een vaste structuur is en dat er grenzen zijn. Hoewel dit aspect lijnrecht tegenover het vorige lijkt te staan (hoe meer regels, hoe minder ruimte voor eigen inbreng van het kind), geeft het bieden van structuur juist het houvast dat het kind nodig heeft om zelfstandig activiteiten te ondernemen.
4Informatie en uitleg geven
Om de wereld te leren begrijpen heeft een kind informatie en uitleg nodig. Het is belangrijk dat die informatie en uitleg aansluit bij de behoefte, de belevingswereld, de aandacht en het ontwikkelingsniveau van het kind. Naarmate de informatie van betere kwaliteit is, draagt deze meer bij aan de ontwikkeling van het kind. Met behulp van de informatie kan het kind zelfstandig verder met waar hij mee bezig is, krijgt hij het gevoel dat hij serieus genomen wordt, en wordt hij zekerder van zichzelf.
5Ontwikkelingsstimulering
Bij ontwikkelingsstimulering gaat het om de acties die ondernomen worden om kinderen te begeleiden bij het vergroten van vaardigheden en kennis, passend bij hun ontwikkelingsniveau en potenties. Het gaat daarbij om verschillende ontwikkelingsgebieden zoals cognitieve ontwikkeling, taalontwikkeling, motorische ontwikkeling en sociaal emotionele ontwikkeling.
6Begeleiden van interacties
Kinderen komen zowel thuis als in de kinderopvang, op school, bij verenigingen en online in aanraking met andere kinderen. Tijdens het ‘samenleven’ in groepen hebben kinderen onderling contact. Deze ervaringen kunnen hun sociaal emotionele ontwikkeling zowel positief als negatief beïnvloeden. Daarom is het belangrijk dat een opvoeder of beroepskracht oog heeft voor deze interacties en deze goed kan begeleiden. Dat betekent niet alleen dat de ouder of beroepskracht negatieve situaties zoals ruzie in goede banen leidt, maar ook dat zij positieve interacties tussen kinderen opmerkt, waardeert en beloont.
Het begeleiden van interacties, dat bij het sociaal leren van het kind in de groep een belangrijke rol speelt, bestaat vooral uit het opmerken en aanmoedigen van kinderen.
2.3Overige vaardigheden
Naast de directe interactie met het kind, heeft de opvoeder ook gedeeltelijk invloed op ervaringen die het kind opdoet met anderen buiten het gezin en met de materiële omgeving van het kind. Dit vraagt vaardigheden van opvoeders in het creëren van voorwaarden voor een goede ontwikkeling van het kind. Zo kan in samenspraak met het kind gekozen worden voor bepaalde activiteiten, bepaald speelgoed, een bepaalde school of een bepaalde sportclub en kunnen (bepaalde) vriendschappen al dan niet gestimuleerd worden. Vaak zullen opvoeders die eerdergenoemde interactievaardigheden goed beheersen, de overige vaardigheden die we hier noemen ook wel bezitten. Zij zijn immers in staat om in het algemeen keuzes te maken die goed zijn afgestemd op het kind.
Daarnaast spelen ook andere vaardigheden van opvoeders een rol. Opvoeders kunnen wat goed gaat bij het kind en in de omgeving versterken. Wanneer zich problemen voordoen of dreigen voor te doen rondom of met het kind, moeten opvoeders in staat zijn deze het hoofd te bieden. Voorbeelden zijn: een moeder gaat op school praten met de leerkracht omdat ze vermoedt dat het kind gepest wordt, een leerkracht gaat praten met ouders omdat het kind op school weinig contact heeft met andere kinderen, een vader gaat praten met de voetbaltrainer omdat zijn zoon in een ander team is geplaatst dan al zijn vriendjes.
Tot slot spelen algemene probleemoplossingsvaardigheden ook een rol. Veel opvoeders hebben grote veerkracht en goede probleemoplossingsvaardigheden zodat zij een positieve ontwikkeling versterken en problemen voorkomen. Dat is echter niet bij alle opvoeders het geval. Opvoeders die om welke reden dan ook in moeilijke omstandigheden verkeren, bijvoorbeeld door verslaving, financiële problemen of relatieproblemen, lopen het risico dat dit zijn weerslag heeft op de opvoeding van het kind.
3Ontwikkelingstaken van kinderen en jongeren
De ontwikkeling van kinderen begint bij al de bevruchting en wordt beïnvloed (of bepaald) door een wisselwerking tussen aanleg, biologische rijping en de (sociale) omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt.
De ontwikkeling van de hersenen is in de eerste twee jaar van het leven van een kind van groot belang. Alle kinderen worden geboren met de aanleg om complexe hersenfuncties te ontwikkelen. De jonge hersenen zijn een zeer ontvankelijk deel van het lichaam, met een groot aantal zenuwcellen en onderlinge verbindingen tussen deze zenuwcellen. Hersenontwikkeling is echter afhankelijk van de juiste ervaringen. De interactie tussen kind en omgeving is bepalend voor welke connecties gevormd worden en welke al gemaakte verbindingen blijven bestaan. Positieve interacties tussen kinderen en hun opvoeders beïnvloeden rechtstreeks het brein. In een omgeving die voorziet in voldoende en geschikte stimulatie, bijvoorbeeld doordat die rijk is aan taal, zal de genetische aanleg van het kind zich goed ontwikkelen (Oats et al. 2012).
Gedurende de eerste levensjaren wordt de basis gelegd voor het verdere leven. Zo hebben de eerste jaren in het leven van een kind een grote impact op onder meer het gedrag, de ontwikkeling van taal en denken, het vermogen om te leren, de gevoeligheid voor ziekten en de gezondheid en welzijn. Verschillen die ontstaan blijken daarna moeilijk te compenseren (Roseboom, 2018).
In de loop van de ontwikkeling van baby naar volwassene is een opgaande lijn te constateren naar een steeds hoger niveau van functioneren. Daarin zijn verschillende ontwikkelingsfasen te onderscheiden. In iedere fase worden kinderen met nieuwe ontwikkelingstaken
3Ook wel ontwikkelingsopgaven genoemd.
geconfronteerd: opgaven die kenmerkend zijn voor een bepaalde periode in de ontwikkeling en die om bepaalde vaardigheden vragen. Een ontwikkelingstaak is bijvoorbeeld het opbouwen van een goede gehechtheidsrelatie met de opvoeder of goed kunnen omgaan met leeftijdgenoten. Het kind of de jongere moet zich vaardigheden eigen maken om die taken te kunnen vervullen (Meij & Ince, 2013; Goosens & Luyckx in Slot & van Aken, 2019).
Ontwikkelingstaken hebben betrekking op alle aspecten van het psychologisch functioneren zoals lichaamsbeleving, gevoelsleven, de taal, het denken, executieve vaardigheden en de integratie in de maatschappij.
Ontwikkeling vindt plaats onder invloed van (Goosens & Luyckx in Slot & van Aken, 2019):
•leeftijd: biologische rijping en lichamelijke veranderingen, invloed van hormonen en hersenontwikkeling.
•omgevingsfactoren: kansen en steun vanuit de opvoedomgeving, input (zoals lesstof op school) en verwachtingen van de omgeving (gezin, school en vriendengroep).
•geschiedenis: (ingrijpende, traumatische) historische gebeurtenissen, bijvoorbeeld een oorlog of een pandemie (corona), of maatschappelijke veranderingen zoals de opkomst van sociale media.
•individuele levensgebeurtenissen: biologische of omgevingsfactoren die niet gekoppeld zijn aan leeftijd of tijdgebonden context, bijvoorbeeld een ziekte, echtscheiding of werkloosheid.
Op grond van deze verschillende invloeden op ontwikkeling kunnen we drie soorten ontwikkelingstaken onderscheiden:
1Taken die in alle tijden gelden voor alle jeugdigen van een bepaalde leeftijd zoals het opbouwen van identiteit en autonomie;
2Taken die gelden voor jeugdigen die leven in een bepaalde periode of een bepaalde omgeving zoals het leren van vaardigheden om door middel van sociale media online met anderen in contact te komen;
3Taken die enkel gelden voor een beperkt aantal jeugdigen die met grote persoonlijke veranderingen worden geconfronteerd in hun leven zoals de gevolgen van migratie, echtscheiding of met beperkingen door ziekte of handicap (Goosens en Luyckx in Slot, 2019).
3.1Ontwikkelingstaken per leeftijdsgroep
We beschrijven hier kort de belangrijkste thema’s en ontwikkelingstaken die in verschillende leeftijdsgroepen centraal staan en bieden per leeftijdsgroep een kort overzicht met voorbeelden van ontwikkelingstaken en bijbehorende vaardigheden. Van de drie soorten ontwikkelingstaken die we hierboven vermeld hebben beperken we ons hier tot de eerste twee, dus ontwikkelingstaken die gelden voor alle jeugdigen in verschillende leeftijdsgroepen. De aangegeven leeftijdsperiodes zijn globaal en moeten ook niet al te strikt worden gehanteerd. Het gaat om de kritieke periodes waarbinnen bepaalde thema’s extra veel aandacht vragen en verdienen. Als een ontwikkelingstaak volbracht is, blijft het thema ook daarna nog steeds belangrijk. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar wordt het in het schema opgenomen in de fase waarin het thema het meeste speelt. Zo begint de ontwikkeling van taal en denken al bij de geboorte, maar krijgt die een sterke impuls vanaf twee jaar. Ook liggen de leeftijden niet vast, maar kunnen ze per individu verschillen. Het ene kind is eerder toe aan sommige ontwikkelingstaken dan het andere kind. Ieder kind is uniek in het tempo en de manier waarop het bepaalde ontwikkelingstaken voltooit. Sommige kinderen en jongeren krijgen wat later of juist wat eerder met bepaalde ontwikkelingstaken te maken.
Het volgende overzicht is ontleend aan de overzichten van Slot & van Aken (2019); Spanjaard & Slot (2015); Timmermans, Heerwaarden, Pijpers & Carmiggelt (2015), Meij& Ince, 2013; Aarsen e.a. (2010), Dawson & Guare (2009), Van Yperen (1994), Nikken & de Vries (2020).
3.2Ontwikkelingstaken voor kinderen van 0 tot 2 jaar
De belangrijkste ontwikkelingstaak voor het kind is in deze periode het opbouwen van een veilige gehechtheidsrelatie met een of meer volwassenen. Veilig gehechte kinderen kunnen hun opvoeder ge-bruiken als veilige basis van waaruit zij hun omgeving kunnen verkennen. In de loop van het tweede jaar worden autonomie en individuatie steeds belangrijker. Het kind gaat steeds meer initiatief nemen en kan onafhankelijk van de opvoeder succes en bevrediging bereiken. In deze periode wordt de basis gelegd voor vertrouwen in anderen en voor vertrouwen in de eigen competentie.
3.2.1 Taken en vaardigheden van 0 tot 2 jaar:
•Veilige hechting: het zoeken van nabijheid bij een ouder of opvoeder, het ervaren van continuiteit, het gebruiken van ouders en opvoeders als veilige basis;
•Lichaamsbeheersing en fysiologische zelfregulatie: zindelijkheid, zien, horen, eten, drinken, objecten vastpakken, zitten, kruipen, lopen en klauteren;
•Omgaan met ouder(s) en familie: onderscheid maken tussen ouder en een vreemde, zonder paniek alleen kunnen zijn;
•Exploratie en spelen: doelgericht spelen met voorwerpen, spelen naast andere kinderen;
•Autonomie & individuatie: dingen zelf doen, weten dat je een individu bent met eigen wensen en voorkeuren, verschuiving van externe regulatie (door opvoeders) naar zelfsturing/zelfregulatie.
3.3Ontwikkelingstaken voor kinderen van 2 tot 4 jaar
In deze periode ontwikkelt het kind het vermogen zich iets voor te stellen dat er niet meer is, evenals het vermogen tot imitatie. Ook komt de taalontwikkeling op gang. Er is sprake van een duidelijke opbouw van kennisstructuren en symbolische of representationele vaardigheden (begin van ‘alsof-spel’, probleemoplossend spel, oog voor verhaaltjes en dagelijkse routines). In de loop van het derde jaar beginnen leeftijdgenootjes een rol te spelen (begin van samenspelen). De peuter moet in staat zijn constructief met leeftijdgenootjes om te gaan en niet voortdurend in conflict met of afzondering van hen te zijn. Dit vereist ook communicatieve vaardigheden. In deze periode ontwikkelt het kind ook het vermogen om zich aan te passen aan de eisen die opvoeders stellen (socialisatie), eerst op grond van externe regulatie en vervolgens door middel van zelfcontrole van het kind (zindelijkheid, impulscontrole, afblijven van sommige dingen). De zelfredzaamheid neemt toe (bijvoorbeeld zelf eten, aankleden, smartphone of tablet bedienen). Tenslotte is ook de identificatie met de sekserol als jongen en meisje een centraal thema in deze periode.
3.3.1 Taken en vaardigheden van 2 tot 4 jaar:
•Taalvaardigheden: gesproken taal begrijpen, zinnen maken, een boodschap overbrengen, iets vertellen; voor kinderen met migrantenachtergrond Nederlands als tweede taal leren. Zelfsturing/zelfregulatie
4Executieve functies beginnen zich al de eerste maanden te ontwikkelen. Respons-inhibitie en werkgeheugen zijn al voor 1 jaar in enige mate te zien bij kinderen. Tussen 1 en 4 ontstaan emotie-regulatie, volgehouden aandacht en begin van flexibiliteit.Inhibitie ontwikkelt zich vooral tussen 3 en 5 jaar (Dawson en Guare, 2009).
: kunnen beheersen van emoties en gedrag, bijvoorbeeld behoeften uitstellen, impulsen controleren, irrelevante of onaangepaste prikkels onderdrukken (inhibitie) en omgaan met frustratie.
•Constructieve omgang met leeftijdgenoten: samen spelen, initiatief nemen, iets delen.
•Zelfredzaamheid: met bestek eten, zichzelf wassen, jezelf aan- en uitkleden.
•Sekserol: identificatie met de rol als jongen en meisje.
3.4 Ontwikkelingstaken voor kinderen van 4 tot 6 en 6 tot 12 jaar
In deze periode neemt de autonomie verder toe. Dit uit zich in de kleuterperiode ook in het snel toenemend vermogen van het kind om voor zichzelf te zorgen (zichzelf wassen en aan- en uitkleden, eten). Bij kleuters komt de gewetensontwikkeling en ontwikkeling van schaamtegevoelens op gang. Verder begint vanaf cira 7 jaar het vermogen tot decentratie (andermans perspectief leren zien) zich te ontwikkelen. In de omgang met leeftijdgenoten moet het kind leren zijn egocentrische houding steeds meer te laten varen. Het vermogen om wederkerige relaties op te bouwen met vriendjes en vriendinnetjes en het geaccepteerd worden door de groep is dan een belangrijke ontwikkelingstaak. Tot slot wordt het kind in deze periode geconfronteerd met de maatschappelijke eis om te leren lezen, schrijven en rekenen. Daarnaast moet het zich in de schoolse situatie een taakhouding eigenmaken om zich gedurende (steeds) langere tijd te concentreren op schoolse taken. In de omgang met de leerkracht is het noodzakelijk om de leerlingrol aan te nemen. Met toenemende cognities en sociaal-emotionele ervaringen kunnen kinderen steeds beter een moreel standpunt innemen over wat goed, slecht, eerlijk of onrechtvaardig is. Hun vermogen om fantasie en werkelijkheid van elkaar te onder-scheiden wordt steeds genuanceerder. Vanaf circa 9 jaar zijn kinderen in staat om hun eigen ideeën, fantasieën en gedachten te beschouwen en daar emotioneel afstand van te nemen.
3.4.1 Taken en vaardigheden van 4 tot 6 jaar:
•Schoolse vaardigheden/deelname basisonderwijs: concentratie, taalvaardigheid, opdrachten leren uitvoeren, in groepsverband functioneren;
•Taakgerichtheid: langere tijd met een taak bezig zijn, actieve leerhouding;
•Gebruik van digitale apparaten die meer motorische vaardigheden verlangen en van de digitale wereld;
•Zich gezinsnormen eigenmaken, leren je aan regels te houden;
•Omgang met leeftijdgenoten: vriendschappen sluiten, samen spelen, initiatief nemen, voor jezelf opkomen.
•Gewetensontwikkeling;
•Ontwikkeling van schaamtegevoelens;
•Nemen van deelverantwoordelijkheden thuis: uitvoeren van kleine taakjes, zorgen voor huisdieren.
3.4.2 Taken en vaardigheden van 6 tot 12 jaar:
•Vergroten zelfstandigheid ten opzichte van ouders/opvoeders: privacy, een eigen mening en verantwoordelijkheid;
•Gebruik van basale infrastructuren: vervoer, geld, vrije tijdsvoorzieningen, digitale apparaten en de digitale wereld (internet en sociale media);
•Zelfsturing/zelfregulatie: herkennen en bijsturen van emoties: herkennen en benoemen van eigen gevoelens, risicovolle impulsen opmerken, beheersen of bijsturen;Schoolse vaardigheden: taal- en communicatievaardigheden, in groepsverband functioneren, concentreren op taken, schoolse vaardigheden (lezen, schrijven, rekenen) eigen maken;
•Relaties met leeftijdgenoten: aanknopen en onderhouden van wederkerig vriendschappen, geven en nemen in spel, eenvoudige conflicten oplossen, laten merken dat je de ander aardig vindt, vanaf ongeveer 8 jaar sociale media benutten voor contacten;
•Zich verplaatsen in anderen: je inleven in situaties die je niet zelf meemaakt, de bedoelingen en belangen kunnen inschatten van andere kinderen en van volwassenen, rekening houden met wensen/belangen van anderen.
3.5Ontwikkelingstaken voor jongeren van 12 tot 16 jaar
In deze periode staat een verdergaande emotionele zelfstandigheid van het kind centraal. De overgang naar het voortgezet onderwijs geeft daarvoor een belangrijke aanzet. Ook treden er in deze periode lichamelijke veranderingen op, die het begin van de puberteit markeren. Het kind moet ten opzichte van het eigen lichaam, ten opzichte van leeftijdgenoten en ten opzichte van de ouders een nieuwe eigen positie gaan innemen. Het kind wordt minder afhankelijk van de ouders en de vriendengroep wordt zijn referentiekader. Seksualiteit gaat een steeds grotere rol spelen in de omgang met leeftijdgenoten. Het (leren) aangaan en onderhouden van sociale contacten en vriendschappen staan in deze periode centraal. Een en ander leidt tot een nieuw waardensysteem en een nieuw gevoel van persoonlijke identiteit en het ontwikkelen van een positieve houding ten opzichte van opleiding, beroepskeuze en samenleving.
3.5.1 Taken en vaardigheden van 12 tot 16 jaar:
•Cognitieve flexibiliteit
5Onderdeel van executieve functies. Dit ontwikkelt zich al eerder maar in deze fase erg sterk.
: regels kunnen toepassen in nieuwe situaties;
•Positie ten opzichte van de ouders: minder afhankelijk worden van de ouders en het bepalen van een eigen plaats binnen de veranderende relaties in het gezin en de familie, risico’s durven nemen en eigen grenzen leren trekken;
•Onderwijs of werk: kennis en vaardigheden opdoen om later een beroep te kunnen uitoefenen en een keuze maken ten aanzien van werk;
•Vrije tijd: zelfstandig activiteiten in de vrije tijd kunnen ondernemen en de tijd zinvol kunnen doorbrengen (op tijd kunnen stoppen, compulsief gedrag weten te vermijden);
•Autoriteit en instanties: accepteren dat er instanties en personen boven je gesteld zijn, binnen geldende regels en codes opkomen voor eigen belang;
•Gezondheid en uiterlijk: zorgen voor goede voeding en een goede lichamelijke conditie, een uiterlijk waar je je prettig bij voelt en het inschatten en vermijden van risico’s;
•Sociale contacten en vriendschappen: contacten leggen en onderhouden, oog hebben voor wat contacten met anderen kunnen opleveren, je openstellen voor vriendschap, vertrouwen geven en nemen, wederzijdse acceptatie;
•Sociale media en internet: zelfstandig (zonder hulp van ouders) informatie vinden en delen, informatie en berichten wegen, onderscheid maken tussen de virtuele en de reële werkelijkheid, gevaren onderkennen;
•Intimiteit en seksualiteit: seksualiteit integreren in je persoonlijkheid, ontdekken wat mogelijkheden, wensen en grenzen zijn bij jezelf en bij anderen.
3.6Ontwikkelingstaken voor jongeren van 16 tot 23 jaar
In deze periode vindt de overgang van jeugd naar volwassenheid plaats. De jongere komt los van het ouderlijk gezag en zoekt zijn weg naar onafhankelijkheid, zelfstandigheid en zelfredzaamheid. De jongere ontwikkelt zijn eigen identiteit met eigen waarden en normen, duidelijke meningen en standpunten. Emotionele stabiliteit neemt in deze periode ook toe. Studie- en beroepskeuze, werk en op eigen benen leren staan (financieel onafhankelijk worden, op kamers gaan en zelfstandig huishouden voeren) staat in deze periode centraal. Ook worden duurzame vriendschappen en (intieme)relaties aangegaan.
3.6.1 Taken en vaardigheden van 16 tot 23 jaar:
•Cognitieve flexibiliteit: regels kunnen toepassen in nieuwe situaties;
•Onderwijs of werk: een opleiding afronden met een diploma/arbeidskwalificatie, een baan vinden, omgaan met collega’s en leidinggevende;
•Eigen woonsituatie: zorgdragen voor je eigen kamer en spullen, omgaan met huisgenoten, zoeken van en zorgdragen voor een plek waar je goed kunt wonen, zorgdragen voor voldoende financiële middelen;
•Emotionele zelfstandigheid: vanuit zelfstandigheid contact met ouders en andere familieleden opnieuw vormgeven;
•Leren omgaan met andere of tegenstrijdige verwachtingen van gezin en omgeving (geldt m.n. voor jeugd met niet-westerse migratieachtergrond) en inschatten welke vaardigheden in welke culturele context passend zijn;
•Sociale contacten en vriendschappen: contacten opbouwen en onderhouden, duurzame vriendschappen aangaan waarbij de kwaliteit van de vriendschappen belangrijker is dan het aantal (online) vrienden;
•Intimiteit en seksualiteit: aangaan van en ervaring opdoen met (duurzame) Relaties;
•Vrije tijd: ondernemen van activiteiten in de vrije tijd en het zinvol en prettig doorbrengen van de tijd waarin je geen verplichtingen hebt;
•Zelfredzaamheid: de weg weten en voor jezelf opkomen ten aanzien van allerlei instanties en regels waarmee je als meerderjarige te maken krijgt;
•Gezondheid en uiterlijk: zelfstandig zorgdragen voor een goede lichamelijke conditie, goede voeding en het inschatten en vermijden van risico’s.
4Opvoedingsopgaven voor ouders
De ontwikkeling die kinderen doormaken vraagt steeds om aanpassing van het opvoedingsgedrag van ouders. In elke ontwikkelingsfase moeten ouders dat gedrag afstemmen op wat hun kind kan of nog moet leren (Oudhof, de Wolff, de Ruiter e.a., 2013). In deze paragraaf geven we een beschrijving van de algemene opvoedingsopgaven waar ouders in verschillende periodes voor staan en de (normale) problemen die zich in de verschillende leeftijdsgroepen van jeugdigen kunnen voordoen. Deze beschrijving is ontleend aan Van Yperen (1994), Meij & Ince (2013), Timmermans e.a. (2015) en Slot & van Aken (2019), Nikken & de Vries (2020).
4.1 Opvoedingsopgaven bij kinderen van 0 tot 2 jaar
In deze periode staan de opvoeders voor de opgave sensitief en responsief te reageren op de behoeften en signalen van het kind (emotionele ondersteuning). In het tweede jaar, waarin autonomie en individuatie een overheersend thema is, wordt het daarnaast belangrijk dat de opvoeder het kind zoveel mogelijk de kans geeft om zelf dingen te ontdekken en zo zijn eigen competentie te ervaren (respect voor autonomie). Anderzijds wordt het ook steeds vaker nodig om de situatie voor het kind te structureren en duidelijke grenzen te stellen. Tot slot is het belangrijk dat opvoeders de ontwikkeling van hun kind spelenderwijs stimuleren (Mesman, 2010), bijvoorbeeld door veel te praten met het kind, met elkaar te spelen en voor te lezen (of te vertellen). Gedrag van kinderen dat in deze periode soms voor opvoeders lastig kan zijn en waaraan ze het hoofd moeten (kunnen) bieden heeft te maken met slapen en eten, huilen, scheidingsangst, angst voor vreemden en voor onbekende situaties.
4.2 Opvoedingsopgaven bij kinderen van 2 tot 4 jaar
Voor de opvoeder blijven de eerdergenoemde opvoedingsopgaven bestaan: emotionele steun bieden, autonomie erkennen, structureren en grenzen stellen van belang. Gezien de toenemende intellectuele en sociale behoeften van het kind wordt in deze periode ook een steeds groter beroep gedaan op praten met het kind en informatie en uitleg geven over hoe dingen werken. Verder spelen ook waarden en normen een grotere rol en wordt praten wat hoort, moet en mag belangrijker. Wil het proces van internalisatie van maatschappelijke eisen enigszins harmonieus verlopen, dan moet de opvoeder soepel kunnen omgaan met de onzekerheid of twijfel van het kind over de (externe) eisen die nu aan hem gesteld worden.
Gedrag van kinderen dat in deze periode lastig kan zijn voor ouders heeft te maken met angst voor vreemden en onbekende situaties, koppigheid, driftbuien, ongehoorzaamheid, druk gedrag, zeurgedrag of driftbuien om beeldschermen (eindeloos) te mogen gebruiken of geadverteerde producten te kopen en niet zindelijk worden. Dergelijk gedrag is in deze leeftijdsperiode heel normaal en meestal van voorbijgaande aard. Toch kunnen ouders moeite hebben om met dit gedrag om te gaan of zich er zorgen over maken.
4.3 Opvoedingsopgaven bij kinderen van 4 tot 6 en van 6 tot 12 jaar
Voor opvoeders is het ook in deze periode van groot belang om kinderen een (cognitief) stimulerende omgeving aan te bieden, hun autonomie te bevorderen en hen de gelegenheid te geven met leeftijdgenoten om te gaan. Het is belangrijk dat opvoeders kinderen leren in de omgang met leeftijdgenoten open te staan en respectvol om te gaan met verschillen in bijvoorbeeld etniciteit en sekse, en dat zij de omgang met leeftijdgenoten met verschillende achtergronden stimuleren. Daarnaast blijft ook het bieden van structuur en het stellen van duidelijke grenzen in deze periode van belang.
De kans op acceptatie door leeftijdgenoten is groter wanneer het kind een gezinssituatie kent waarin warmte, begrip en wederkerigheid in de relaties belangrijk zijn. Kinderen krijgen dan meer zelfvertrouwen, een positiever zelfbeeld, leren zich inleven in anderen en warmte te tonen, enzovoort. Dit maakt de omgang met leeftijdgenoten makkelijker.
Ook in deze periode zien we de eerdergenoemde basisdimensies terug: emotionele ondersteuning, respect voor autonomie, structuur bieden en grenzen stellen, en uitleg en informatie geven. Kinderen kunnen zich beter concentreren en ontwikkelen meer doorzettingsvermogen in schoolse taken wanneer leerkrachten beschikken over goede interactievaardigheden en ouders positieve waardering hebben voor leren en school.
Normale uitdagingen voor de opvoeding zijn in deze periode ruzies (inclusief cyberpesten vanaf ongeveer 8 jaar), concentratieproblemen, lage (school)prestaties, niet naar school willen, incidenteel stelen of vandalisme, angst voor fantasiemonsters (tot ongeveer 8 jaar), zorgen over ernstig wereldnieuws (vanaf ongeveer 8 jaar) en overmatig beeldschermgebruik, vooral voor gamen en films en series kijken.
4.4 Opvoedingsopgaven bij jongeren van 12 tot 16 jaar
In deze periode is het vooral belangrijk dat opvoeders de jongere ondersteunen bij het verder ontwikkelen van de eigen identiteit en het vinden van een nieuwe positie ten opzichte van leeftijdgenoten, ouders en andere mensen in de omgeving. De opvoeder moet de jongere in de gelegenheid stellen om te experimenteren met het opbouwen van een eigen waarden- en normensysteem. Daarbij is de leeftijd ook belangrijk want aan een twaalfjarige stel je andere eisen dan aan een zestienjarige. In deze periode staat de opvoeder voor de taak een meer symmetrische relatie op te bouwen met het kind en is een positieve voorbeeldfunctie van de opvoeder van groot belang.
Normale uitdagingen voor de opvoeding in deze periode zijn incidenteel gebruik van alcohol en drugs, twijfels over identiteit of toekomst, problemen met uiterlijk (onzeker door invloeden van (social) media), problemen met autoriteiten, cyberpesten (slachtoffer en dader), sexting, overmatig gamen, sociale media en Netflix gebruiken en incidenteel spijbelen.
4.5 Opvoedingsopgaven bij jongeren van 16 tot 23 jaar
De jongere bevindt zich in deze periode in de overgang van jeugd naar volwassenheid, gaat zich losmaken van het ouderlijk gezag en wordt praktisch en emotioneel zelfstandig. Gezinsverhoudingen veranderen in deze periode en zo ook de rol van opvoeders. Jongeren gaan steeds meer hun eigen leven leiden, gaan op kamers wonen en zelf keuzes maken. Soms kunnen jongeren hun ouders voorbij streven in bijvoorbeeld opleiding en kennis over gebruik van digitale apparatuur en sociale media. De rol van de opvoeders verandert in deze periode van sturend naar adviserend. Belangrijk is dat zij keuzes en initiatieven van de jongere respecteren, maar ook beschikbaar zijn bij vragen en moeilijkheden en -waar nodig en mogelijk- emotionele, praktische en financiële steun bieden.
Normale opvoedingsopgaven in deze periode hebben te maken met stemmingswisselingen, incidenteel gebruik van alcohol en drugs, twijfels over identiteit of toekomst en problemen met autoriteiten.
5Invloed van cultuur en migratie op ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven
Ruim een kwart van alle 0- tot 25-jarigen in Nederland heeft een migratieachtergrond. Veel van deze jeugdigen groeien op in gezinnen met culturele waarden en gebruiken die niet altijd aansluiten bij de cultuur van de meerderheid. Dit stelt zowel ouders als jeugdigen met een migratieachtergrond voor extra uitdagingen.
Ouders moeten flexibel zijn en een balans zien te vinden tussen de waarden van hun eigen cultuur en van de cultuur waarin zij wonen. Kinderen en jongeren moeten zich leren bewegen binnen verschillende culturele settingen met uiteenlopende eisen en verwachtingen. Daarmee hebben deze jeugdigen en hun ouders en opvoeders te maken met extra ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven. Gezien de grote omvang van deze groep besteden we expliciet aandacht aan de invloed van migratie op het opgroeien en opvoeden.
Nederland kent een grote diversiteit aan gezinnen met een migratieachtergrond. Zo zijn er gezinnen waarvan de ouders zelf migrant waren, gezinnen waarvan de grootouders migrant waren, gezinnen met een westerse en met een niet-westerse achtergrond. Van deze gezinnen is een deel naar Nederland gekomen als vluchteling. Hoewel de diversiteit in herkomst in Nederland groot is, bestaat de grootste groep, 67 procent, uit jeugdigen en gezinnen met een niet-westerse achtergrond: (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020). Binnen deze groep zijn de verschillen met de Nederlandse samenleving in opvoedcultuur ook het grootst. Hierbij dient te worden gewaakt voor generalisering. Tussen de diverse culturen en ook daarbinnen bestaat veel diversiteit; het maakt bijvoorbeeld (ook in Nederland) veel uit of ouders hoger of lager opgeleid zijn (Distelbrink e.a. 2017). Gezinnen met een niet-westerse achtergrond in Nederland hebben echter wel vaker een lage opleiding en laag inkomen. Dat kan van invloed zijn op de opvoeding, bijvoorbeeld door beperkte toegang tot educatieve materialen en activiteiten, of indirect door stress bij de ouders (Prevoo & Tamis-Le Monda, 2018).
5.1Nieuwe uitdagingen
De meervoudige culturele context waarin opvoeding en ontwikkeling in Nederland plaatsvindt, stelt nieuwe eisen aan zowel opvoeders als jeugdigen. Kinderen en opvoeders met een migratieachtergrond hebben te maken met (extra) uitdagingen die (deels) niet of in mindere mate gelden voor gezinnen met een van oorsprong Nederlandse achtergrond. Vooral ouders met een niet-westerse migratieachtergrond hebben vaak te maken met een verschil in opvoedcultuur tussen Nederland en het land van herkomst. Daardoor ervaren deze ouders meer onzekerheid en hebben ze minder houvast bij het opvoeden dan van oorsprong Nederlandse ouders (Distelbrink e.a. 2017).
Ouders uit verschillende culturen kunnen verschillende waarden en doelen nastreven binnen de opvoeding. Waarden zijn aspecten die voortkomen uit algemene culturele opvattingen over wat belangrijk is. Waarden dragen bij aan de doelen die ouders in de opvoeding nastreven (Prevoo & TamisLeMonda, 2018). Onderzoek naar opvoeding binnen een aantal niet-westerse culturen geeft inzicht in het denken over opvoeden en heersende opvoedpraktijken, alsmede in dillema’s die zich kunnen voordoen bij het opvoeden in Nederland. Bij een aantal ouders zijn belangrijke waarden in de opvoeding vooral collectivisme en conformiteit. Het hanteren van regels is hierbij van groot belang. Zeker als ze lager opgeleid zijn vinden ouders gehoorzaamheid, respect hebben voor andere volwassenen en beschaafd gedrag belangrijke opvoedingsdoelen. Zij zullen daarom gehoorzaamheid van groter belang vinden (Tuk e.a. 2010, Distelbrink e.a. 2017). De opvoedwaarden van ouders met een migranten-afkomst die zelf in Nederland zijn opgegroeid, liggen dichter bij die van oorspronkelijk Nederlandse ouders, zeker naarmate ouders hoger opgeleid zijn. Daarnaast treden er verschuivingen op richting meer autonomie. Steeds meer ouders met een migratieachtergrond vinden autonomie een belangrijke waarde. Daarentegen voeden vluchtelingenouders hun kinderen gemiddeld meer autoritair op dan autochtone Nederlanders (Tuk e.a. 2010, Distelbrink e.a. 2017).
Voor sommige ouders is godsdienst een richtsnoer voor de opvoeding (Pels e.a. 2009, Tuk e.a. 2010, Distelbrink e.a. 2017). Vooral in islamitische gezinnen is de religieuze opvoeding een belangrijk punt van aandacht. Veel ouders zijn hier echter onzeker over. Het ontbreekt hen vaak aan adequate hulpbronnen, in de vorm van op hun behoeften toegesneden informatie en van (in)formele sociale steun (Distelbrink e.a. 2017). Ouders moeten bijvoorbeeld dilemma’s oplossen rondom de viering van islamitische feestdagen, toenemende orthodoxie of radicalisering
6Dit is ook een opgave waar opvoeders met Nederlandse achtergrond voor staan.
van kinderen en discriminatie. Vaak hebben zij geen antwoord op ‘waarom’-vragen over religieuze geboden en verboden (bijvoorbeeld over het vasten, het geven van aalmoezen, voedings-, kleding- en gedragsvoorschriften). Ook de toenemende islamofobie stelt hen voor uitdagingen (Distelbrink e.a. 2017).
Behalve de ouders hebben ook kinderen en jongeren met een migratieachtergrond te maken met extra uitdagingen. In het gezin, op school en onder vrienden moeten ze leren omgaan met verschillende culturele contexten
7Het leren omgaan met diversiteit in waarden, normen en gebruiken geldt uiteraard ook voor jeugdigen en opvoeders met Nederlandse achtergrond. Het gaat om een tweezijdig proces.
waarin sterk uiteenlopende eisen en verwachtingen kunnen gelden. Naast het leren van de eigen taal moeten deze kinderen en jongeren het Nederlands leren en zij moeten leren denken, voelen en handelen in meer dan één culturele context (Pels, 2000; Phalet & Saharso, 2003).
6Samenvattend overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen
Onderstaand overzicht is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt.
Leeftijd
Belangrijkste milieus
Ontwikkelingstaken
Opvoedingsopgaven
Normale uitdagingen
0-2 jaar
•Gezin
•Opvang
•Veilige hechting;
•Lichaamsbeheersing;
•Exploratie & spelen;
•Autonomie en individuatie.
•Soepele verzorging;
sensitief en responsief reageren op gedrag van het kind;
letterlijk beschikbaar zijn;
structuur bieden;
ruimte geven voor exploratie;
spelen en praten;
ontwikkeling stimuleren
•Voedingsproblemen;
slaapproblemen;
scheidingsangst;
angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties;
incidenteel huilen
2-4 jaar
•Gezin
•Buurt
•Opvang
•Media
•Representationele vaardigheid;
•Taalvaardigheid en denkontwikkeling;
•Zelfsturing (enige mate kunnen beheersen van emoties en gedrag);
•Constructieve omgang met leeftijdgenootjes;
•Socialisatie;
•Zelfredzaamheid;
•Sekserol-identificatie
•Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren);
•Respect voor autonomie én grenzen stellen;
•Bevorderen zelf- sturing (impulscontrole)
•Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties;
koppigheid;
driftbuien;
agressie;
ongehoorzaamheid;
druk gedrag;
niet zindelijk zijn;
zeuren/ driftbuien om beeldschermgebruik.
4-6 jaar
•Gezin
•Basisschool
•Opvang
•Verenigingen
•Mediaomgeving
•Schoolse vaardigheden
•Taal- en denkontwikkeling
•Executieve vaardigheden (zelfsturing)
•Gezinsnormen eigen maken, houden aan regels;
•Vriendschappen sluiten;
•Ontwikkeling gewetensontwikkeling / schaamtegevoelens;
•Digitale vaardigheden (apparaten gebruik beheersen/ besturen)
•Aanmoedigen sociaal gedrag
•Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes;
•Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender;
•Mediaopvoeding
•Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, mediagebruik, televisie)
•Loslaten en vertrouwen geven
•Niet gegronde angsten;
ruzies met leeftijdgenoten;
zindelijkheid;
schoolweigering;
gebrek zelfsturing.
6-12 jaar
•Gezin
•Opvang
•School
Verenigingen
•Peergroep
•Mediaomgeving
•Vergroten zelfstandigheid
•Gebruik infrastructuren (geld, vervoer, vrijetijdsvoorzieningen sociale media)
•Schoolsevaardigheden;
•Internet en sociale media vaardigheden;
•Acceptatie door leef- tijdgenoten;
•Sociaal gedrag: Samenwerken, conflicten oplossen
•Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid);
•Bewust leren omgaan met media (tijd, inhouden, contacten);
•Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdgenootjes;
respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender;
•Ondersteunen bij onderwijs;
waardering voor schoolprestaties;
•Ruzies, pesten;
concentratieproblemen;
laag prestatieniveau;
niet naar school willen;
incidenteel stelen of vandalisme;
overmatig gamen/ televisie/netflix, cyberpesten.
12-16 jaar
•Gezin
•School
•Verenigingen
•Peergroep
•Media omgeving
•Werkkring
•Emotionele en praktische zelfstandigheid;
•Ontwikkeling waardensysteem
•Afstand nemen van ouders - peergroep wordt referentiekader;
•Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden;
seksualiteit;
•Omgang met sociale media en gevaren onderkennen;
•Onderwijs en beroepsvoorbereiding.
•Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen;
•Toezicht houden;
Emotionele beschikbaarheid;
tolerantie voor experimenten;
leeftijdsadequaat structuur bieden en grenzen stellen;
voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag.
•Onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk;
Onderschatting of soms overschatting van zichzelf;
wisselend humeur;
incidenteel spijbelen;
incidenteel gebruik van alcohol en drugs;
twijfels over identiteit of toekomst;
problemen met autoriteiten;
overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer).
16-23 jaar
•Gezin
•School
•Verenigingen
•Peergroep
•Internetgroep
•Werkkring
•Overgang van jeugd naar volwassenheid;
•Loskomen van ouderlijk gezag;
ontwikkeling eigen waarden en normen;
onafhankelijkheid;
•Duurzame relaties aangaan;
•Meer symmetrische relatie aan gaan met de jongere;
Emotionele, financiële en praktische steun;
•Eigen keuzes en beslissingen laten maken;
Accepteren seksuele keuzes;
•Stemmingswisselingen;
•Incidenteel gebruik van alcohol en drugs;
twijfels over identiteit of toekomst;
problemen met autoriteiten.
7Risicofactoren en beschermende factoren
In het leven van kinderen en ouders gebeurt er doorlopend van alles; in het eigen gezin, in de directe omgeving of in de maatschappij. Al die gebeurtenissen zijn meer of minder van invloed op hoe een kind zich kan ontwikkelen.
In problematische situaties kan het beheersen van een ontwikkelingstaak of een opvoedingsopgave bedreigd worden door risicofactoren of juist profijt hebben van beschermende factoren. Risicofactoren zijn factoren die de kans vergroten dat een probleem ontstaat, in stand blijft of verergert. Beschermende factoren zijn factoren die de kans op het ontstaan of in stand blijven van een probleem verkleinen.
7.1De top tien van beschermende factoren
Behalve aan risicofactoren voor de ontwikkeling van kinderen wordt de laatste decennia nationaal en internationaal ook steeds meer aandacht besteed aan factoren die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van jeugdigen. Ince, Van Yperen en Valkestijn (2018) hebben op basis van literatuuronderzoek de belangrijkste factoren op een rij gezet.
Aan de hand van verschillende theoretische kaders en overzichtsstudies is een aantal factoren aan te wijzen waarvan het aannemelijk is dat ze bijdragen aan een positieve ontwikkeling van jeugdigen en risicofactoren kunnen compenseren. Behalve kenmerken van het kind (zoals geslacht, sociale instelling en een veerkrachtig temperament) zijn er factoren die betrekking hebben op vaardigheden van de jeugdigen (sociale competenties, emotionele competenties en gedragsmatige competenties). Bovendien zijn er factoren in de omgeving van de jeugdigen en dan met name in hun relaties met belangrijke volwassenen en instituties in de omgeving en de kansen die vanuit de omgeving aan hen geboden wordt.
Ince e.a. (2018) hebben daar de tien belangrijkste uitgelicht: de top tien van beschermende factoren. Hoewel we deze tien factoren afzonderlijk beschrijven, zijn ze veelal complementair en ondersteunen ze elkaar wederzijds. Het is dan ook van belang ze in samenhang en in aanvulling op elkaar te zien. Voor een uitgebreide verantwoording en beschrijving van de top tien beschermende factoren verwijzen we naar de publicatie van Ince e.a. ‘Top tien beschermende factoren voor een positieve ontwikkeling van jeugdigen’.
De tien beschermende factoren zijn:
1Sociale binding
Bij sociale binding gaat het om de emotionele band en het commitment van een kind met sociale relaties in het gezin, zijn vriendengroep, school en wijk. Concreet gaat het om warme, ondersteunende, affectieve relaties met het gezin en andere volwassenen in de omgeving. De basis hiervoor wordt gelegd in de relaties en interacties die een kind heeft met zijn opvoeders. De binding of hechting die op jonge leeftijd met ouders en andere verzorgers ontstaat, vormt de basis voor banden die later vorm krijgen met vrienden, school en gemeenschap. De kwaliteit van de relaties met deze andere domeinen speelt een essentiële rol in het zich ontwikkelen en opgroeien tot een gezonde volwassene.
2Kansen voor betrokkenheid
Om interpersoonlijke vaardigheden te kunnen ontwikkelen moeten kinderen en jongeren kansen krijgen om een concrete, betekenisvolle en gewaardeerde bijdrage te leveren aan verbanden waarvan zij deel uitmaken (familie, school, gemeenschap) door bijvoorbeeld: iemand helpen, meedoen in keuzes maken, klassenvertegenwoordiger zijn, als jongere voorlichting geven aan kinderen, iemand helpen, meedoen in keuzes maken, klassenvertegenwoordiger zijn, als jongere voorlichting geven aan kinderen.
3Prosociale normen
Voor een gezonde ontwikkeling is het nodig dat kinderen en jongeren opgroeien in een omgeving waarin duidelijke normen en waarden gelden en daarop gebaseerde concrete regels voor positief gedrag uitgedragen en nageleefd worden. Regels en grenzen moeten duidelijk zijn. Ook een duidelijk voorbeeld van prosociale waarden en normen die via media (denk Sesamstraat, Blues Clues, mr Barney) worden uitgedragen hebben decennia later nog invloed op de ontwikkeling van kinderen.
4Erkenning en waardering voor positief gedrag
Om hun sociaal gedrag te versterken is het van groot belang dat kinderen erkenning en waardering krijgen voor positief gedrag. Positieve bekrachtiging bepaalt hun motivatie om het gedrag in de toekomst te herhalen. Sociale bekrachtigers zijn essentieel voor het ontwikkelen van positief gedrag en kunnen afkomstig zijn uit het gezin, de school, de vriendengroep en de gemeenschap waartoe de jeugdige behoort.
5Steun van belangrijke volwassenen
Steun van ouders en andere volwassenen in de omgeving van jeugdigen, zoals pedagogisch medewerkers in de kinderopvang, leerkrachten en volwassenen in de buurt, is van belang voor het welbevinden en de voorspoedige ontwikkeling van kinderen. Kinderen met ondersteunende netwerken zijn veerkrachtiger en beter bestand tegen stresserende omstandigheden en hebben meer kans op te groeien tot gezonde volwassenen. Ook ouders zijn gebaat bij een goed sociaal netwerk. Ouders met een goed sociaal netwerk zijn meer ontspannen in de opvoeding, hebben meer zelfvertrouwen en gaan positievere relaties met hun kinderen aan.
6Constructieve tijdsbesteding
Bij constructieve tijdsbesteding van jeugdigen gaat het om kansen die geboden worden vanuit het gezin en de gemeenschap om in hun vrije tijd deel te nemen aan bijvoorbeeld creatieve, sociale of sportieve activiteiten (bijvoorbeeld muziek, theater sport, clubs of verenigingen). Dit kunnen ook online uitwisselingen zijn. Idealiter gaat het om activiteiten die jongeren in contact brengen met volwassenen/anderen die hen aanmoedigen en ondersteunen bij het ontwikkelen van hun talenten en vaardigheden. Constructieve tijdsbesteding gecombineerd met positieve relaties met leeftijdgenoten en volwassenen vormt een buffer tegen risico’s en de kans op risicovol gedrag vermindert.
0Competenties
Voor een positieve ontwikkeling van jeugdigen zijn sociale, emotionele en gedragsmatige competenties van belang. Ze blijken bij te dragen aan schoolsucces, prosociaal gedrag, goede relaties met vrienden en volwassenen en minder probleemgedrag.
Sociale competentie omvat een scala aan interpersoonlijke vaardigheden die jeugdigen helpen hun gevoelens, gedachten en gedrag te integreren om bepaalde sociale doelen te bereiken. Emotionele competentie is het vermogen om gevoelens en emotionele reacties van zichzelf en anderen te kunnen identificeren en er adequaat op te kunnen reageren. Sociale en emotionele competenties blijken bij te dragen aan schoolsucces, prosociaal gedrag, goede relaties met vrienden en volwassenen en minder probleemgedrag.
Gedragsmatige competentie heeft drie dimensies namelijk: non-verbale communicatie (door gezichtsuitdrukkingen, intonatie en dergelijke), verbale communicatie (bijvoorbeeld duidelijke vragen formuleren, effectief reageren op kritiek, gevoelens duidelijk verwoorden) en in actie komen (anderen helpen, weglopen van negatieve situaties, participeren in positieve activiteiten).
1Cognitieve vaardigheden
Bij cognitieve vaardigheden kan onderscheid gemaakt worden tussen algemene cognitieve vaardigheden, zoals logisch en analytisch denken en abstract redeneren, en specifieke cognitieve vaardigheden, zoals lees- en rekenvaardigheden, die belangrijk zijn voor schoolsucces.
2Schoolmotivatie
Schoolmotivatie is een belangrijke factor voor schoolsucces. Schoolmotivatie gaat over betrokkenheid bij leeractiviteiten, binding met school, prestatiemotivatie en positieve verwachtingen van eigen succes. Schoolmotivatie wordt onder andere beïnvloed door ouderlijke attitudes, ouderbetrokkenheid en aanmoediging. Daarnaast zijn normen en waarden die worden uitgedragen door de gemeenschap en de vriendengroep van groot belang.
3Positieve identiteit
Positieve identiteit gaat over hoe jongeren zichzelf zien in relatie tot de toekomst, eigenwaarde en gevoel van persoonlijke effectiviteit. Het werkt beschermend als de jeugdige de toekomst positief ziet, met eigenwaarde en gevoel, en de ervaring dat je zelf kunt bijdragen aan het bereiken van wat je wil.
7.2Risicofactoren
Kinderen en jongeren lopen een groter risico op ontwikkelingsproblemen wanneer er sprake is van een opeenvolging of opeenstapeling van verschillende negatieve factoren. Uit de literatuur blijkt dat een cumulatie van risicofactoren (in verschillende domeinen) een veel grotere kans geeft op ernstige problemen dan wanneer er sprake is van één risicofactor. Tevens is er sprake is van een ‘balanswerking’ tussen aanwezige risicofactoren en beschermende factoren. De balans tussen beschermende factoren en risicofactoren blijkt cruciaal voor het wel of niet problematisch verlopen van de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Problemen ontstaan wanneer er onvoldoende beschermende factoren zijn om de risicofactoren te compenseren (Van der Laan & Blom, 2006; Loeber & Farrington, 2012; O’Conell, Boat & Warner, 2009).
Risicofactoren kunnen onderverdeeld worden in: factoren bij de jeugdige, factoren in het gezin en factoren in de wijdere omgeving (waaronder school, vriendengroep en buurt).
7.2.1 Factoren bij de jeugdige
De belangrijkste risicofactoren bij jeugdigen waarvan onderzoek heeft laten zien dat ze samenhangen met het vóórkomen van problemen zijn (O’ Conell e.a. 2009; Lipsey & Derzon, 1998; Groenendaal & Van Yperen, 1994; Hawkins, Catalano & Miller, 1992; Valkenburg & Piotrowski, 2016):
•biologische factoren, zoals prematuriteit en laag geboortegewicht, zwangerschapscomplicaties en genetische afwijkingen;
•moeilijk temperament;
•hyperactiviteit, impulsiviteit (of juist te sterke controle over emoties) en/of sterke prikkelbaarheid;
•een laag (verbaal) IQ of EQ (moeite met in- of meeleven met anderen vergroot de risico’s bij (online) contacten) en achterblijvende taalontwikkeling;
•ingrijpende gebeurtenissen, zoals ziekenhuisopname, mishandeling en de dood van één van de ouders.
7.2.2 Factoren in het gezin
Op gezinsniveau zijn onder meer de volgende risicofactoren aanwezig:
•Psychiatrische problematiek van één van de ouders, waarbij de mate van het sociaal functioneren van die ouder en de aantasting van het opvoedingsklimaat bepalend is;
•Problematische levensgeschiedenis van één of beide ouders, zoals incest, mishandeling en verwaarlozing;
•Problematische gezinsrelaties die tot uiting komen in: een ineffectieve, dwingende omgang van de ouder met het temperament van het kind, een autoritaire of (te) permissieve opvoedingsstijl, een lage gevoelsmatige betrokkenheid bij het kind, mishandeling, verwaarlozing, het ontbreken van een veilige hechting tussen ouder(s) en kind, en een disharmonische relatie tussen de ouders en een slechte communicatie binnen het gezin;
•Laag gezinsinkomen en stress door schulden en of werkloosheid;
•Ouders die zelf antisociaal gedrag vertonen, en ouders die een positieve houding hebben tegenover of gedrag vertonen rond geweld en criminaliteit en/of alcohol- en drugsgebruik;
•Ontbreken van familie of vrienden van het gezin die tot steun kunnen zijn.
7.2.3 Factoren in de wijdere omgeving van het kind
Hierbij kan onderscheid gemaakt in factoren op school, in de vriendengroep en in de buurt en samenleving:
•School: gebrek aan betrokkenheid bij de school, gebrek aan organisatie of controle op school en ontbreken van duidelijkheid over of stimulering van sociaal wenselijk gedrag binnen de school, slechte schoolresultaten, spijbelen en voortijdig schoolverlaten;
•Vriendengroep: omgang met leeftijdgenoten die probleemgedrag vertonen en/of lid zijn van een jeugdbende;
•Buurt en samenleving: sociale uitsluiting (jeugdigen hebben niet het gevoel deel uit te maken van de maatschappij), lage sociale cohesie in de buurt, weinig controle op gedrag in de buurt, onduidelijke normen in de wijk of normen die bevorderend zijn voor drugsgebruik, geweld en criminaliteit, de beschikbaarheid van alcohol en drugs, verkrijgbaarheid van vuurwapens, ontbreken van stimulering van sociaal wenselijk gedrag in de wijk, lage sociaaleconomische status (armoede).
•Mediaomgeving: mediagebruik waar kinderen nog te jong voor zijn door niet naleven van Kijk-wijzer/PEGI classificaties, ontbreken van leeftijdsaanduidingen in media-industrie,,of onhanteerbare normen, bijvoorbeeld social media officieel pas vanaf 16 jaar, games zonder regulatie van kansspelen (lootboxes), reclames voor tabak, alcohol, ongezonde producten, overdreven nadruk op schoonheid en succes op social media.
Samenvatting
Met de meeste kinderen en jongeren in Nederland gaat het goed. De waardering die zij hebben voor hun relatie met hun ouders is vergeleken met andere landen ook hoog (Inchley e.a., 2020). Om zich positief te kunnen ontwikkelen moeten jeugdigen zich op verschillende leeftijden vaardigheden eigenmaken om de taken waarvoor zij gesteld worden goed te kunnen vervullen. Aansluitend daarop krijgen ouders en andere opvoeders opvoedingsopgaven om de jeugdigen te ondersteunen en stimuleren bij het volbrengen van hun ontwikkelingstaken.
De meeste ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven gelden voor alle kinderen en ouders. Maar specifieke omstandigheden zoals kinderen met LVB-ouders, kinderen en ouders met migratieachtergrond of gescheiden ouders kunnen extra ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven meebrengen.
Het is belangrijk om al op jonge leeftijd van een kind aandacht te geven aan een veilige, ondersteu-nende en stimulerende omgeving. Daarnaast is de kwaliteit van de sociale interacties tussen het kind en zijn primaire opvoeders van doorslaggevende betekenis. Hiermee wordt immers de basis gelegd voor het vertrouwen van het kind in zichzelf en anderen. Dit zijn twee basale voorwaarden voor verdere competentieontwikkeling en daarmee voor het uitvoeren van toekomstige ontwikkelingsopgaven.
Omdat een kind wordt geconfronteerd met opeenvolgende ontwikkelingstaken is het belangrijk dat opvoeders beschikken over een goede leefomgeving en over vaardigheden om hun gedrag aan te passen aan de ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt. Bij veel kinderen komen in de loop van hun ontwikkeling ‘normale’ uitdagingen voor die voor ouders soms lastig kunnen zijn of hen zorgen baren. Het meeste ‘moeilijke’gedrag is normaal, komt vaak voor binnen bepaalde leeftijdsgroepen en is van voorbijgaande aard.
In het leven van jeugd en ouders zijn factoren te onderscheiden die het beheersen van ontwikkelingszaken en opvoedingsopgaven, en dus van een positieve ontwikkeling van jeugd, kunnen belemmeren (risicofactoren) en factoren die juist een positieve ontwikkeling bevorderen (beschermende factoren). Zowel risicofactoren als beschermende factoren kunnen liggen bij het individu, in het gezin, op school en in de buurt. Inzetten op beschermende factoren bij jeugd en gezin is van belang om tegenwicht te bieden aan eventuele risicofactoren en zo een positieve ontwikkeling van jeugdigen te bewerkstelligen.
Verder lezen
Voor meer verdiepende informatie over de onderwerpen die in dit document aan de orde zijn geweest kunnen de volgende bronnen geraadpleegd worden:
Cultuur en opvoeding
https://www.worldsupporter.org/en/chapter/41085-samenvatting-cultuur-en-opvoeding
Day, M., Badou, M. & van Breda, B. (2020). Geboren en getogen 2.0. Onderzoek naar de meervoudige identiteit van jongeren met een migratieachtergrond van de tweede en derde generatie. Utrecht: Kennisplatform Integratie & Samenleving.
Prevoo, M.J.L. & Tamis-LeMonda, C.S. (2018). Opvoeding en globalisering in westerse landen. In: Kind & Adsolescent (2018) 39:113-126.
Mediaopvoeding
https://www.nji.nl/nl/Kennis/Dossier/Mediaopvoeding
Nikken, P. & de Vries, D. (2020). De-schermwijzer: praktische gids voor (groot)ouders over schermtijd, social media, gamen en online veiligheid. Utrecht Kosmos.
Smithuijsen, D. (2020). Gouden Bergen. Portret van de digitale generatie. Amsterdam: Uitgeverij de Bezige Bij.
Valkenburg, P. & Piotrowski, J. (2016). Plugged in: How media attract and affect youth. Yale university Press.
Ouderschap en opvoeden
https://www.nji.nl/nl/Kennis/Dossier/Mediaopvoeding
https://www.nji.nl/nl/Kennis/Dossier/Sterke-basis-voor-de-jeugd
Strik, A. & Schoemaker, J. (bijgestelde 2e versie 2018). Interactievaardigheden. Een kindvolgende benadering. Amsterdam: Reed Business.
Positieve Ontwikkeling
Ince, D., Van Yperen, T. & Valkesteijn, M. (2018). Top tien beschermende factoren voor een positieve ontwikkeling van jeugdigen. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
Literatuur
•Aarssen, J. van der Bolt, L., Leseman, P. , Davidse, N., de Jong, M., Bus, A en J. Mesman. Redactie: Schouten, E. (2010). Zelfsturing als basis voor de ontwikkeling van het kind. Een oriëntatie vanuit wetenschap en praktijk. Utrecht: Sardes Speciale Editie nr. 9.
•Blokland, G. (2010). Over opvoeden gesproken : methodiekboek pedagogisch adviseren. Amsterdam: SWP Uitgeverij.
•Centraal Bureau voor de Statistiek (2020). Bevolking naar leeftijd en migratieachtergrond.
•Daamen, W. & Ince, D. (2014). Wat werkt bij het bevorderen van een positieve ontwikkeling van jeugdigen. Utrecht: Nederlands jeugdinstituut.
•Dawson, P., en R. Guare, (2009). Slim maar... Help kinderen hun talenten benutten door hun executieve functies te versterken. Amsterdam: Hogrefe.
•Distelbrink, M., Pels, T., Jansma, A. en R. van Gaag. (2012). Ouderschap versterken. Literatuurstudie over opvoeding in migrantengezinnen en de relatie met preventieve voorzieningen. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut Utrecht.
•Distelbrink, M., Pels, T. en C. Winkelman, (2017). Waardenopvoeding in diversiteit. Het begint met een gesprek. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut, Kennisplatform Integratie & Samenleving.
•Groenendaal, J.H.A. & van Yperen, T.A. (1994). Beschermende en bedreigende factoren. In: Rispens, J., Goudena, P. & Groenendaal, J. (red). Preventie van psychosociale problemen bij kinderen en jeugdigen. Houten/Zaventem: Bohn Stafleu van Loghum.
•Hawkins, J.D., Catalano, R.F. & Miller, J.Y. (1992). Risk and protective factors for alcohol and other problems in adolescence and early adulthood. Psychological Bulletin, 112 (1): 64-105.
•Ince, van Yperen & Valkesteijn ( 2018). Top tien beschermende factoren. Voor een positieve ontwikkeling van jeugdigen. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
•Inchley, J. e.a. redactie (2020). Spotlight on adolescent health and well-being. Findings from the 2017/2018 Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey in Europe and Canada. International report. Volume 1. Key findings. World Health Organization.
•Laan, A.M. van der & Blom, M. (2006). Jeugddelinquentie: risico’s en bescherming. Bevindingen uit de WODC Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit 2005. Den Haag: WODC.
•Lipsey, M.W. & Derzon, J.H. (1998). Predictors of violent or serious delinquency in adolescence and early adulthood: A synthesis of longitudinal research. In R. Loeber & D. Farrington (red.), Serious and violent juvenile offenders, pp. 86-105. Thousand Oaks: Sage.
•Loeber, R., & Farrington, D.P. (2012). Advancing knowledge about direct protective factors that may reduce youth violence. American Journal of Preventive Medicine, 43, S24-S27.
•Maccoby, E. E. (1994). The role of parents in the socialization of children: An historical overview. In R. D. Parke, P. A. Ornstein, J. J. Rieser, & C. Zahn-Waxler (Eds.), A century of developmental psychology (p. 589–615). American Psychological Association.
•Nikken, P. & de Vries, D. (2020). De-schermwijzer: praktische gids voor (groot)ouders over schermtijd, social media, gamen en online veiligheid. Utrecht Kosmos.
•Oates, Karmiloff-Smith, Johnson, (2012). Focus op de eerste kinderjaren 7. De hersenontwikkeling. The Open University Child and Youth Studies Group. Walton Hall, Milton Keynes. Verenigd Koninkrijk.
•O’Connell, M. E., Boat, T. & Warner, K. E. (2009). Preventing mental, emotional and behavioral disorders among young people. Washington D.C.: The National Academies press.
•Oudhof, M., de Wolff, M., de Ruiter, M., Kamphuis, M., L’Hoir, P. & Prinsen, B. (2013). JGZ Richtlijn Opvoedingsondersteuning voor hulp bij opvoedingsvragen en lichte opvoedproblemen. Utrecht: Nederlands Centrum Jeugdgezondheidszorg.
•Pels, T. (2000). De generatiekloof in allochtone gezinnen: mythe of werkelijkheid? In: Pedagogiek, jaargang 20 nr. 2, juni 2000.
•Pels, T., Distelbrink, M. en Postma, L. (2009a). Opvoeding in de migratiecontext. Review van onderzoek naar de opvoeding in gezinnen van nieuwe Nederlanders. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
•Pels, T., Distelbrink, M. en Tan (2009b). Meetladder diversiteit interventies. Verhoging van bereik en effectiviteit van interventies voor (etnische) doelgroepen; Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
•Pels, T., en M. Distelbrink, M. (2014). Opvoedingsthema’s in migrantengezinnen. Amsterdam: Kenniswerkplaats Tienplus.Roseboom, T. (2018). De eerste 1000 dagen. Het fundamentele belang van een goed begin vanuit biologisch, medisch en maatschappelijk perspectief. Utrecht: de Tijdstroom.
•Phalet, K. & Saharso, S. (2003). Jeugd. In: Migrantenstudies, Themanummer Jeugd, 2003, 19(4), 196-200.
•Prevoo, M.J.L. & Tamis-LeMonda, C.S. (2018). Opvoeding en globalisering in westerse landen. Verklaringen voor verschillen in ouder-kindinteracties. In: Kind en Adolescent (2018) 39:113126.
•Prodia Specifiek Diagnostisch Protocol bij cognitief zwak functioneren en verstandelijke beperking. Bijlage: Cognitieve Ontwikkelingstheorieën 14 maart 2019, gedownload 2 juni 2020
•Sanders, M. R. (2012). Development, evaluation, and multinational dissemination of the Triple P-Positive Parenting Program. Annual Review of Clinical Psychology, 8, 345-379.
•Slot, W. & van Aken, M. (redactie) (2019). Psychologie van de adolescentie. Basisboek. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff.
•Spanjaard, H. & Slot, W. (2015). Tijden veranderen, ontwikkelingstaken ook. Een ‘update’ van het competentiemodel. In: Kind en adolescent praktijk. Nr 3, september 2015, pp. 14-21.
•Super, C. & Harkness, J. (1986). The developmental niche: a conceptualization at the interface of child and culture. In: International journal of behavioral diversity. 9(4)545-569.
•Timmermans, M., van Heerwaarden, Y., Pijpers, F. & Carmiggelt, B. (2015). Ontwikkelingsaspecten en Omgevingsinteractie (O&O). Toelichting. Utrecht: Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ).
•Tuk, B., Mahamed , K. en A. Baabbi. (2010). Je wilt je kind niet kwijtraken. Utrecht: Pharos.
•U.S. Department of Health and Human Services, Substance Abuse and Mental Health Services Administration (2009). Risk and protective factors for mental, emotional, and behavioral disorders across the life cycle.
•Valkenburg, P. & Piotrowski, J. (2016). Plugged in: How media attract and affect youth. Yale university Press.
•Verhulst, F.C. (2017). De ontwikkeling van het kind. Assen: van Gorcum.
•Yperen, T. van (1994). Problemen in de ontwikkeling van kinderen. In: J. Rispens, P.P. Gouden & J.J.M. Groenendaal (red). Preventie van psychosociale problemen bij kinderen en jeugdigen. Houten/Zaventem: Bohn Stafleu Van Loghum.
Het Nederlands Jeugdinstituut is een onafhankelijk en betrokken kenniscentrum dat actuele kennis over jeugd, vakmanschap en de organisatie van het jeugdveld verzamelt, verrijkt, duidt en deelt.