Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeenteKrimpenerwaard;
Besluit:
vast te stellen de Nadere regels Wmo Krimpenerwaard 2026.
3 Persoonsgebonden budget (pgb): voorwaarden en kwaliteit
3.2 Pgb bij hulp door formele hulp
3.2.1 Verplichtingen aan de hulpverlener bij formele hulp
Wmo
De eisen van de formele hulpverlener met rechtspersoonlijkheid die zorg verleent, moet ingeschreven staan bij de KvK.
3.2.2 Kwaliteitseisen aan de formele hulpverlener
Wmo
1De formele hulpverlener beschikt over relevante diploma’s die nodig zijn voor het geven van de hulp die nodig is. De gemeente beoordeelt of dit nodig is.
2De formele hulpverlener werkt voor het verlenen van hulp met een plan van aanpak. Deze is besproken met de inwoner en gemeente en is afgestemd op de behoeften van de inwoner.
3De formele hulpverlener werkt, op een aantoonbare manier, aan de doelen die de inwoner samen met de consulent van de gemeente heeft opgesteld. De hulpverlener werkt daarbij actief en integraal samen met andere zorgverleners in het belang van de inwoner.
4De formele hulpverlener weet wat hij kan en mag en kan dus aangeven wanneer andere ondersteuning is gewenst of wanneer op- of afgeschaald kan worden.
5De formele hulpverlener draagt zorg voor een evaluatieverslag over de resultaten die bereikt worden door de inzet van de begeleiding.
6De gemeente eist van de formele hulpverlener dat deze in het bezit is van een VOG, namelijk screeningsprofiel 45 (gezondheidszorg en welzijn van mens en dier) als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor beroepskrachten en andere personen die voor hun beroep met zijn cliënten in contact kunnen komen. De VOG mag niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop de zorgverlener voor de aanbieder ging werken. De gemeente kan bepalen dat elke drie jaar de VOG opnieuw moet worden aangevraagd. Een aanbieder die hulpmiddelen of woningaanpassingen levert hoeft niet te voldoen aan bovenstaande eis.
7Een formele hulpverlener die vanwege gestelde opleidingseisen niet in een register kan worden ingeschreven, maar minimaal beschikt over een relevante opleiding op tenminste MBO 4 niveau, kan worden ingezet ten aanzien van te bieden hulp als deze bestaat uit de producten begeleiding individueel (basis), logeren (basis) en vervoer.
8De formele hulpverlener heeft bij een incident of calamiteit een meldplicht aan de gemeente en/of de IGJ. Huiselijk geweld en kindermishandeling worden altijd gemeld bij Veilig Thuis.
9De formele hulpverlener is niet bekend bij de gemeente vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleiding, fraude en/of uitbuiting van personeel.
10Bovengenoemde kwaliteitseisen worden door de gemeente getoetst.
3.3 Pgb bij hulp door informele hulp (sociaal netwerk)
3.3.1 Wmo-hulp door personen uit het sociaal netwerk
Wmo
1Wmo-hulp kan worden uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk in de vorm van een pgb.
2Wmo-hulp door een persoon uit het sociaal netwerk kan niet bij: beschermd of beschut wonen en vervoer.
3Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.
3.3.2 Kwaliteitseisen aan de informele hulpverlener (sociaal netwerk)
Wmo
1Als een inwoner leerbaar is, wordt verwacht dat de hulpverlener zich richt op het aanleren van vaardigheden in plaats van taken overnemen.
2De informele hulpverlener werkt actief samen met andere zorgverleners in het belang van de inwoner die hulp ontvangt.
3De informele hulpverlener werkt aantoonbaar aan de doelen die de inwoner samen met de gemeente heeft opgesteld.
4Van een informele hulpverlener wordt verwacht dat hij weet wat hij wel en niet kan doen, en dat hij aangeeft wanneer extra hulp nodig is of wanneer minder ondersteuning voldoende is.
5De informele hulpverlener zorgt voor een evaluatieverslag over de resultaten die bereikt worden door de inzet van de begeleiding.
6De informele hulpverlener moet, wanneer dit wordt gevraagd, beschikken over een VOG zijnde screeningsprofiel 45, die niet ouder is dan 3 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van de zorgverlening. De gemeente kan bepalen dat elke drie jaar de VOG opnieuw moet worden aangevraagd. De kosten worden niet betaald vanuit de gemeente.
7De informele hulpverlener heeft bij een incident of calamiteit een meldplicht aan de gemeente en/of de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Huiselijk geweld en kindermishandeling worden altijd gemeld bij Veilig Thuis.
8De informele hulpverlener is bij de gemeente niet bekend vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleiding en/of fraude.
9Bovengenoemde kwaliteitseisen worden door de gemeente getoetst.
Bijlage 1. Richtlijn begeleiding
Individuele begeleiding is bedoeld voor inwoners die zelfstandig wonen en onder de Wmo vallen, beperkt zelfredzaam zijn en niet volledig door het eigen sociale netwerk, maatschappelijke partners of andere partijen in de sociale basis kunnen worden ondersteund, vanwege het intensieve dan wel specifieke karakter van de zorgvraag.
Beperkingen in zelfredzaamheid en participatie
Er is sprake van beperkingen in zelfredzaamheid en participatie als het zelfstandig nemen van besluiten of oplossen van problemen niet vanzelfsprekend is. Wanneer de inwoner hulp nodig heeft bij het regelen van dagelijkse bezigheden of bij het aanbrengen van dagelijkse routine en structuur, niet goed begrijpt wat anderen zeggen of zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken. Als gevolg van deze problematiek is er bijsturing van taken vereist door een professional, omdat de situatie anders verslechtert en/of waardoor de veiligheid van de inwoner en/of zijn omgeving in gevaar zijn. De beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie kunnen het gevolg zijn van belemmeringen op de volgende terreinen:
Beperkingen in cognitief functioneren
Beperkingen in cognitief functioneren kunnen het gevolg zijn van GGZ- en psychosociale problematiek, een Licht Verstandelijke Beperking (LVB) of (Niet) Aangeboren Hersenletsel ((N)AH), als ook dementie. Als gevolg van de beperkingen in het cognitief functioneren ondervindt de inwoner belemmeringen in het dagelijkse leven en kan zich bijvoorbeeld sociaal niet goed redden. Er is vaak sprake van leerproblemen en soms ook van (ernstige) gedragsproblemen. Er kan ook sprake zijn van meervoudige problematiek zoals een combinatie van NAH met bijkomende GGZ- en psychosociale problematiek. Cognitieve beperkingen uiten zich in problemen met het geheugen, de snelheid van het denken, aandacht en concentratie, taalbegrip en uiten van taal, plannen, organiseren en overzicht bewaren of problemen in de waarneming. In het geval van dementie is er sprake van structurele beperkingen in oriëntatie en geheugen, waarbij er problemen zijn met het herkennen van personen en omgeving en desoriëntatie. Er vaak hulp nodig is bij het uitvoeren van (eenvoudige) taken en het vasthouden van een structuur gedurende de dag.
Beperkingen in psychisch en psychosociaal functioneren
Er is sprake van beperkingen in het psychisch functioneren van de inwoner als er regelmatig hulp nodig is vanwege problemen die veroorzaakt worden door een psychische en emotionele gesteldheid. Dit kan het denken, voelen en handelen zodanig beïnvloeden dat er structurele beperkingen ontstaan die leiden tot aanzienlijke belemmering van zelfredzaamheid en participatie. Deze beperkingen kunnen het gevolg zijn van GGZ- en psychosociale problematiek, zoals een stoornis in het autisme spectrum. Vaak gaat het om meervoudige (complexe) problematiek, soms om ernstige psychiatrische problematiek. Wanneer er sprake is van een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) is er altijd sprake van een combinatie van medische en sociale problematiek.
Lichamelijke beperkingen
Er is sprake van lichamelijke beperkingen wanneer inwoner wordt belemmerd door een verminderde/afwezige werking van lichamelijke functies (bijvoorbeeld handfunctie) waardoor structurele beperkingen ontstaan die leiden tot aanzienlijke belemmering van zelfredzaamheid en participatie. Deze lichamelijke beperking kan het gevolg zijn van lichamelijke problematiek als ook GGZ-problematiek of Aangeboren- of Niet Aangeboren Hersenletsel. Hierdoor is er hulp nodig bij het uitvoeren van taken en mogelijk moeten er taken worden overgenomen. Een (later in het leven optredende) lichamelijke beperking kan ook leiden tot gedragsproblematiek en/of een beperking in het cognitief en emotioneel functioneren van de inwoner, zoals bijvoorbeeld het geval is bij dementie of Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH).
Het resultaat van de individuele begeleiding is het bereiken en behouden van een zo groot mogelijke zelfredzaamheid en/of participatie, waarbij de cliënt individueel wordt ondersteund door een begeleider. Het resultaat kan ook zijn dat de ondersteuning kan worden afgebouwd of overgedragen kan worden aan maatschappelijke partners in de sociale basis.
Bij het onderzoek of de maatwerkvoorziening individuele begeleiding noodzakelijk is worden de volgende elementen betrokken:
•er is sprake van zware en/of chronische problematiek op meerdere levensgebieden en/of;
•het gaat om (complexe) problematiek die specifieke expertise vraagt; wanneer de inwoner ook in behandeling is (geweest), dient bij het bieden van de begeleiding advies ingewonnen te worden bij een behandelaar;
•het gaat om (complexe) problematiek die door de intensiviteit (langdurig regelmatig schema) en/of momenten waarop de begeleiding plaats moet vinden, niet kan worden uitgevoerd door maatschappelijke partners in de sociale basis;
•inwoner is onvoldoende in staat eigen kracht in te zetten en/of heeft een zwak of afwezig netwerk. Er is voldoende ontwikkelperspectief om de eigen kracht van de cliënt te vergroten en/of het eigen netwerk te benutten;
•de situatie van de inwoner is instabiel of de veiligheid is in het geding
•begeleidingsvormen die zich richten op (of onderdeel zijn van) behandeling en (alternatieve) therapieën vallen onder de Zorgverzekeringswet. Dit is geen individuele begeleiding zoals omschreven in deze leidraad.
Een beroep doen op andere wetgeving en meervoudige domeinoverstijgende problematiek
De Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo. De Wlz kan voorliggend zijn als blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid en/of permanent toezicht nodig is. De Zvw kan voorliggend zijn als behandeling mogelijk is. Wanneer de doelgroep te maken heeft met meervoudige domeinoverstijgende problematiek op het terrein van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Participatiewet wordt voor een goede afstemming van de ondersteuning gezorgd.
Afbakening met de zorgverzekeringswet
Wanneer er geen sprake is van geneeskundige zorg en ook geen risico daarop, maar wel behoefte aan lijfgebonden of lichaamsgerichte zorg, valt persoonlijke verzorging onder de Wmo en niet onder de zorgverzekeringswet. De behoefte aan persoonlijke verzorging hangt samen met de behoefte aan begeleiding. Bij zorgen over mogelijke verzwakking/ verergering van de klachten is het van belang dat de Wmo-aanbieder afstemt met de wijkverpleegkundige of andere specialist, zodat tijdig de behoefte aan geneeskundige zorg, of risico daarop, wordt gesignaleerd.
In geval de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, gaat het aanvragen van persoonlijke verzorging via de Zorgverzekeringswet voor op het eventueel bieden van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo. Indien de enige huisgenoot van belanghebbende vanwege zijn/haar werk fysiek niet aanwezig is, wordt dit betrokken bij de afweging of de gebruikelijke hulp daadwerkelijk geleverd kan worden.
Persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 kan dan bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL).
Bijlage 2. Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Een Algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen. Deze voorzieningen komen niet in aanmerking voor een vergoeding van de gemeente. Het hangt altijd van de omstandigheden van de inwoner af of iets als algemeen gebruikelijk wordt gezien. De gemeente beoordeelt dit.
De gemeente merkt op 1 januari 2026 in ieder geval de volgende voorzieningen als algemeen gebruikelijk aan (zie artikel 1.5.4. Verordening Jeugdhulp en Wmo Krimpenerwaard 2026):
Vervoer
a.fiets (standaardfiets, fiets met verlaagde instap, fiets met trapondersteuning/hulpmotor);
b.bromfiets;
c.autoaanpassingen (bijvoorbeeld automatische transmissie; elektrisch bedienbare ramen; warmtewerend glas; airco);
d.een standaard buggy voor kinderen tot de leeftijd van 4 jaar;
e.openbaar vervoer.
Woonvoorzieningen:
a.toiletpot en verhoogd/ hangend toilet, losse toiletverhoger, toiletstoel;
b.renovatie (vervangen lavet door douche);
c.airconditioning woonruimte;
d.kooktoestellen algemeen;
e.zonwering (binnen en buiten);
f.alle vormen van kranen (eenhendel-mengkranen, thermostaatkranen en glijstangset);
g.intercom;
h.afzuigkap boven kooktoestel;
i.(teruggebogen) deurkrukken;
j.regulier aanrechtblad;
k.douchezitjes, douchestoelen en badzitjes;
l.beugels (wand/vloer), grepen (wand/vloer) en drempelhulpen;
m.renovatie (van bijvoorbeeld badkamer of keuken);
n.waterbed;
o.spoelföhn;
p.technische hulpmiddelen (zoals domotica of een robotstofzuiger).
Rolstoelen/scootmobielen:
a.accessoires die niet medisch noodzakelijk zijn, maar als wel nuttige accessoires aangeboden worden:
b.regenpakken, winterbekleding, been/voetenzak;
c.rolstoelhandschoenen;
d.accessoires als asbak, bandenpomp, bagagetas, rolstoelovertrek en spaakbeschermers.
Bijlage 3. Richtlijn gebruikelijke hulp
Algemeen
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als een leefeenheid gemeenschappelijk in een woning woont.
In het onderzoek wordt beoordeeld of de gevraagde hulp en ondersteuning tot de gebruikelijke hulp behoort en of de gebruikelijke hulp ook echt geleverd kan worden.
Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties:
•kortdurend: er is uitzicht op herstel. Het gaat meestal om een periode van maximaal drie maanden;
•langdurig: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp langer dan zes maanden nodig zal zijn.
In kortdurende situaties is het uitgangspunt dat deze als gebruikelijk wordt aangemerkt, omdat dit normaal gesproken niet voor overbelasting zorgt. In langdurige situaties is de hulp waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere inwonende huisgenoten) moet worden geleverd, algemeen gebruikelijke hulp.
Algemene uitzonderingen
Afhankelijk van de individuele situaties kan hulp, die naar algemeen aanvaarde maatstaven als gebruikelijke kan worden beschouwd hier toch niet gebruikelijk zijn.
Bijvoorbeeld wanneer:
•Uit onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, handicap of probleem, of dat deze kennis/vaardigheden mist en deze ook niet kan aanleren, waardoor de taken niet overgenomen kunnen worden.
•In een leefeenheid overbelasting dreigt, doordat, door de (chronische) uitval van iemand uit de leefeenheid gezinsleden alsnog onevenredig belast worden.
•De leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot. Ondersteuning in de vorm van een hulp-op-maat voorziening zal dan van korte duur zijn (3-6 maanden) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hierbij is artikel 2.3.4. lid 2c uit verordening van toepassing.
•Hetzelfde geldt als een partner/ouder door het plotseling overlijden van de andere ouder overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.
•De zieke partner/huisgenoot zich in de terminale levensfase bevindt.
Er wordt daarbij telkens onderzoek gedaan naar de verhouding tussen draagkracht en draaglast van de inwoner. Zie het kopje ‘Beoordeling van overbelasting’ onder de Richtlijn bij (dreigende) overbelasting van partner, ouder, (volwassen) kind en/of andere huisgenoten.
Fysieke afwezigheid
Als de huisgenoot van een hulpvrager vanwege werk fysiek niet aanwezig is voor een aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen, wordt hiermee bij het indiceren rekening gehouden. De afwezigheid van de huisgenoot moet verplicht zijn en horen bij zijn werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode dus sprake van een éénpersoonshuishouden en kan geen gebruikelijke hulp worden geleverd. Wanneer de fysieke afwezigheid van de partner minder dan zeven etmalen is, zal altijd onderzocht worden of de huisgenoot hulp kan verlenen.
Zorgplicht bij echtscheiding
Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp voor het huishouden en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners.
Huishoudelijke taken
Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken.
•Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen/opwarmen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen;
•Uitstelbare taken zijn wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen.
Bijdrage van kinderen en jong-volwassenen aan het huishouden
Als de leefeenheid van de inwoner ook bestaat uit kinderen, dan gaat de gemeente ervan uit, dat de kinderen een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Hierbij wordt gekeken naar de leeftijd en het psychosociaal functioneren van het kind. Dit is hulp-op-maat. Ook wordt naar het sociale netwerk van het gezin gekeken.
Kinderen van 5 tot 18 jaar
•Kinderen tot 5 jaar dragen niet bij aan de huishouding.
•Kinderen van 5 tot en met 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, kleding in de wasmand gooien.
•Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, dus rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.
Taken van een 18-23 jarige
Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze een gedeelte van de huishoudelijke taken overneemt wanneer de belangrijkste verzorger uitvalt. Van een 18-23 jarige wordt verwacht de volgende taken uit te kunnen voeren:
•schoonhouden van de badkamer en toilet, keuken en een kamer,
•de was doen,
•boodschappen doen,
•maaltijd verzorgen,
•afwassen en opruimen.
Bij deze taken gaat het om 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden eten geven en begeleiden.
Vanaf 23 jaar wordt van iemand verwacht de huishoudelijke taken volledig over te nemen.
Gebruikelijke hulp bij de functies Persoonlijke Verzorging en Begeleiding
Deze paragraaf gaat over het bepalen van gebruikelijke hulp bij de functies Persoonlijke Verzorging (PV) en Begeleiding (BG). Deze richtlijn is gebaseerd op de voormalige Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014. Het hangt af van de sociale relatie welke zorg mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer zorg mensen elkaar horen te geven. Hiermee wordt verduidelijkt dat een inwoner redelijkerwijs niet is aangewezen op ondersteuning vanuit de Wmo wanneer die naar algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving moet worden geboden.
Hoofdregels gebruikelijke hulp PV en BG
Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties. Dit geldt ook voor PV en BG. Algemeen aanvaarde maatstaven:
•De ondersteuning bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen op basis van de Wmo 2015 kan ook lijfsgebonden zijn. Het zogenaamde criterium lijfsgebonden zorg is geen onderscheidend criterium voor het bepalen van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de zorgverzekeraar en de gemeente voor het verlenen van zorg en ondersteuning aan mensen die daarop zijn aangewezen. Voor de Zorgverzekeringswet geldt het criterium van de behoefte aan geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop. Voor de Wmo 2015 geldt het criterium voor de behoefte aan ondersteuning voor zelfredzaamheid, vastgesteld volgens de vereisten van het zorgvuldig onderzoek.
•In kortdurende situaties moet alle PV en BG door de gebruikelijke helper worden geboden.
•In langdurige situaties is de zorg waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving aan de inwoner moet worden geboden gebruikelijke hulp.
Persoonlijke Verzorging
Partners onderling
Kortdurende situaties
Van partners wordt verwacht dat zij elkaar Persoonlijke Verzorging bieden als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie (hierbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden) met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de inwoner, dat hulp-op-maat ondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Bijvoorbeeld wanneer de partner een been breekt.
Deze zorg valt buiten de aanspraken van de gemeentelijke ondersteuningsplicht. De zorgplicht van partners onderling betreft de persoonlijke, lichaamsgebonden zorg in de vorm van assistentie bij, of overname van alle activiteiten die onder de functie PV vallen. Maar ook aandacht en begeleiding bij een aandoening horen hierbij. Gebruikelijke hulp is altijd van toepassing, hier wordt niet van afgeweken, ook niet vanwege geloofsovertuiging, culturele achtergrond of vanwege een gezinssituatie waarin partners ruzie hebben.
Langdurende situaties
Als vanaf de start van de zorgsituatie duidelijk is dat de zorgsituatie een langdurig karakter heeft, is er geen sprake van gebruikelijke hulp. Er hoeft dan dus niet eerst drie maanden ‘gebruikelijke hulp’ door partners geleverd te worden, voordat hulp-op-maat ondersteuning kan worden geïndiceerd.
Volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling
Persoonlijke Verzorging van volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten, anders dan partners onderling, is geen gebruikelijke hulp.
Aanleren aan derden
Het aanleren van handelingen op het gebied van Persoonlijke Verzorging aan derden (familie, vrienden) is gebruikelijke hulp. Als anderen dan de gebruikelijke helper de handelingen uitvoeren als de gebruikelijke helper niet aanwezig is, wordt van de gebruikelijke helper verwacht dat hij die handelingen zelf aan de desbetreffende persoon aanleert.
Begeleiding
Partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling
Kortdurende situaties
Alle begeleiding van de inwoner door de sociale omgeving is gebruikelijke hulp als sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de inwoner, dat hulp-op-maat ondersteuning daarna niet langer nodig is. Het gaat over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.
Langdurige situaties
Als het gaat om een chronische situatie is de Begeleiding van een volwassen inwoner gebruikelijke hulp wanneer die Begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een inwoner:
•Het geven van BG aan een inwoner op het terrein van de maatschappelijke participatie.
•Het begeleiden van inwoner bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort.
•Het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Dit kan worden overgenomen door een niet-beperkte huisgenoot wanneer die taak altijd door de nu beperkte inwoner werd uitgevoerd.
Aanleren aan derden
Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de inwoner is gebruikelijke hulp.
Afweging gebruikelijke hulp
Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar wat aan tijdsbesteding bij die activiteit bij een gezond persoon gebruikelijk is. Daarbij omvat gebruikelijke hulp de zorg die iedereen nodig heeft (wassen, eten en dergelijke) maar ook de zorg die deze activiteiten in verband met gezondheidsproblemen vervangt.
Wanneer mensen elkaar bij ziekte of handicap langdurig meer zorg bieden dan wat binnen de sociale relatie gebruikelijk is, dan kan niet langer gesproken worden over gebruikelijke hulp. Voorbeeld: het is niet gebruikelijk dat een volwassene langdurig hulp nodig heeft bij de toiletgang.
Algemene uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp aan volwassenen en kinderen voor de functies PV en BG
1Voor zover iemand uit de sociale omgeving aantoonbare beperkingen van de gezondheid heeft en/of kennis/vaardigheden mist (en niet kan aanleren) om gebruikelijke hulp uit te voeren voor de inwoner wordt van hen geen bijdrage verwacht. De reden dat de gebruikelijke helper de vaardigheden niet kan aanleren, moet worden gemotiveerd en aangetoond.
2Voor zover de inwoner zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen bijdrage verwacht van de sociale omgeving.
Richtlijn bij (dreigende) overbelasting van iemand uit de sociale omgeving
Algemeen
De zorg voor een ziek kind, ouder, een zieke partner, of huisgenoot kan zo zwaar worden dat van overbelasting sprake is.
Voor zover iemand uit de sociale omgeving overbelast is of dreigt te raken, kan in een dergelijke situatie in eerste instantie enkel een kortdurende indicatie worden afgegeven. Hierbij geldt:
a.wanneer voor de partner, ouder, volwassen kind en/ of andere volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden en/of andere voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, moeten deze eigen mogelijkheden en/of andere voorzieningen worden gebruikt. Als sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde ondersteuning/zorg moet men die overbelasting opheffen door deze ondersteuning/zorg door (andere) hulpverleners uit te laten voeren/in te kopen;
b.voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke persoonlijke verzorging en/of begeleiding, gaat het verlenen van gebruikelijke persoonlijke verzorging en/of begeleiding voor op die maatschappelijke activiteiten.
c.bij overbelasting door een baan van te veel uren of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk. Steeds zal daarom moeten worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting bijvoorbeeld door het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden teruggedrongen, dit dan ook van een ouder, partner of huisgenoot wordt verwacht.
Beoordeling van overbelasting
Aan het indiceren van gebruikelijke hulp gaat het beoordelen van de overbelasting vooraf. Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Tekortschieten van het ‘coping mechanisme’ kan er de oorzaak van zijn; emotionele labiliteit en slapeloosheid het gevolg. Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of dit komt doordat er iets met de gebruikelijke helper zelf aan de hand is (draagkracht vermindering) en/of dat dit gevolg is van de ernst van de ziekte van het kind, ouder, de partner of huisgenoot (draaglast verhoging).
De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch gebruikelijke hulptaken moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij taken overnemen, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn de gebruikelijke hulp te leveren. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over het kind, de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Soms is het duidelijk dat de persoon uit de sociale omgeving overbelast is, maar soms ook niet. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel gebruiken behandelaars en hulpverleners vragenlijsten waarmee overbelasting (mede) onderbouwd kan worden. Niet alleen de omvang van de zorgtaken, maar ook de leveringsvoorwaarde van de zorg zijn van invloed op de belastbaarheid van de gebruikelijke helper. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van de gebruikelijke helper noodzakelijk is.
Klachten en symptomen die bij een aanpassingsstoornis (DSM-IV-TR) optreden, kunnen op overbelasting wijzen zonder dat van een stoornis in psychiatrische zin sprake hoeft te zijn. Het gaat om klachten en symptomen zoals:
•angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen;
•depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid;
•gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag;
•gecombineerd emotioneel en gedragsgestoord: depressie en/of angst
•gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag;
•lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen.
Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand (aan partner, ouder of kind) biedt. Wanneer de geldigheidsduur van het besluit verlopen is en een herindicatie wordt aangevraagd, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.