3. Uitvoering
3.3. Opbreken
3.3.1. Opbreken verharding
1Het opbreken van de verharding dient zorgvuldig te geschieden, zodat geen bestratingsmateriaal onnodig wordt beschadigd en verloren gaat.
2Het materiaal dient binnen handbereik te worden opgeslagen.
3Verlies, vermissing of beschadiging van het materiaal is voor rekening van de vergunninghouder, tot het tijdstip waarop de werkzaamheden zijn opgeleverd aan de gemeente.
3.3.2. Opbreken gesloten verharding
1Gesloten verharding mag niet worden opengebroken tenzij anders is overeengekomen met de gemeente.
2Indien in uitzonderingsgevallen en onder nader te bepalen voorwaarden door de gemeente het opbreken van de gesloten verharding wordt toegestaan dienen door de vergunninghouder tijdelijke voorzieningen te worden getroffen voor verdichting.
3Indien een kabel en/of leiding onder gesloten verharding wordt gelegd, moet een mantelbuis worden geboord of geperst met een dekking van minimaal 0,75 meter.
4De boring moet van binnenuit geschieden.
5De buiseinden dienen minimaal 0,75 meter uit te steken, tenzij dit niet mogelijk is. Dan wordt in afstemming met de gemeente bepaald hoever de buiseinden uit moeten steken.
8 Slotbepalingen
8.1. Toezicht
De gemeente houdt toezicht op de voorwaarden waaronder vergunningen verstrekt zijn en de werkzaamheden uitgevoerd dienen te worden.