Gemeentelijke regelgeving

BOPA-beleid gemeente Krimpenerwaard 2025

Gemeente Krimpenerwaard · geldt sinds 24 juni 2025

Aanhef

Inleiding BOPA

1Achtergrond en aanleiding

Met ingang van 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Hierdoor zijn er een aantal wetten vervallen waarop de beleidsregels van de gemeente Krimpenerwaard waren gebaseerd. Het gaat hier om de volgende wet- en regelgeving:

-De Wet ruimtelijke ordening (Wro);

-De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);

-Het Besluit omgevingsrecht (Bor);

-Wet milieubeheer (Wmb);

-Het Bouwbesluit 2012 (Bb).

Voorheen was het mogelijk om via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen. Deze omgevingsvergunning bood flexibiliteit ten opzichte van een bestemmingsplan. Een initiatief dat niet paste binnen de regels van een bestemmingsplan kon via deze omgevingsvergunning worden toegestaan.

Nu de Wabo per 1 januari 2024 vervallen is, kan er geen gebruik meer worden gemaakt van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. De instrumenten van de Omgevingswet zijn nu geldend.

Onder de Omgevingswet krijgen we de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), die flexibiliteit biedt ten opzichte van een omgevingsplan. Een initiatief dat niet past binnen de regels van een omgevingsplan kan via de BOPA-omgevingsvergunning worden toegestaan.

Dit betekent dat de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan vergelijkbaar is met de BOPA-omgevingsvergunning. Maar er zijn wel processuele en inhoudelijke verschillen. Dit zal nader uitgelegd worden onder: ‘5. Verschil Wabo en BOPA.’

De gemeente Krimpenerwaard gaat beleidsneutraal over. Dit betekent dat de oude beleidsregels opnieuw het toetsingskader vormen bij de beoordeling van de BOPA-omgevingsvergunning.

2De omgevingsplanactiviteit

Bij de omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaat er een binnenplanse (OPA) en een buitenplanse variant (BOPA).

Een omgevingsplanactiviteit is een activiteit die voldoet aan de regels in het omgevingsplan, maar waar toch een vergunningplicht voor geldt. Zowel de binnenplanse als de buitenplanse omgevingsplanactiviteit vallen onder het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ (OPA) die wordt gedefinieerd in de Omgevingswet:

Omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:

a.een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonderomgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan, (OPA)

b.een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonderomgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of (BOPA)

c.een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan (BOPA).

Verder wordt de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook gedefinieerd in de Omgevingswet:

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:

a.een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

b.een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;

3De BOPA

De gemeente Krimpenerwaard kan onder de Omgevingswet op verschillende manieren initiatieven faciliteren. Eén van die manieren is het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. (BOPA)

Er zijn twee situaties waarin een initiatief valt onder het begrip BOPA:

1Het omgevingsplan bevat een vergunningplicht voor het initiatief. De vergunning kan niet binnenplans verleend worden, omdat het initiatief niet past binnen de beoordelingsregels die voor deze vergunningplicht in het omgevingsplan staan.

2Het omgevingsplan bevat geen vergunningplicht voor het initiatief, maar het initiatief is in strijd met algemene regels in het omgevingsplan.

In beide situaties is het initiatief in strijd met regels in het omgevingsplan. Het kan alleen ‘buitenplans’ worden vergund met een BOPA-omgevingsvergunning. Voorwaarde daarvoor is dat het past binnen de beoordelingsregels voor een BOPA-omgevingsvergunning die in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan.

4Toetsingskader BOPA

Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend:

•met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

Dit is de algemene beoordelingsregel voor de BOPA. Deze vloeit voort uit art.8.0a lid 2 Bkl:

“Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.”

•als daarbij voldaan wordt aan de (specifieke) beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.

5Verschil Wabo en BOPA

De omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan lijkt dus op de BOPA-omgevingsvergunning, maar er zijn belangrijke verschillen. Zoals hierboven al blijkt, vloeit uit het Besluit kwaliteit leefomgeving voort dat getoetst zal worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is breder dan voorheen onder de Wabo. Verder is het vooroverleg (integrale beoordeling) onder de Omgevingswet belangrijker geworden en kan participatie nu verplicht worden gesteld.

Reguliere procedure

De hoofdregel is dat de reguliere procedure van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt gevolgd (artikel 16.62, Omgevingswet). Dit betekent dat er onder de Omgevingswet meer sprake is van een termijn van 8 weken in plaats van 26 weken onder de Wabo. Dit komt, omdat de Omgevingswet standaard uitgaat van de regulier procedure (8 weken). Alleen bij uitzondering kan de uitgebreide procedure van afdeling 3.4 Awb van toepassing zijn.

Onlosmakelijke activiteiten

Vanuit de Wabo moesten onlosmakelijke activiteiten gelijktijdig en in één aanvraag worden aangevraagd. Dit criterium bestaat onder de Omgevingswet niet meer. De aanvrager mag nu zelf bepalen welke aanvragen hij indient en in welke volgorde hij dit doet. Dit komt ook terug in art. 5.7 lid 1 van de Omgevingswet en de uitzondering hierop staat in lid 4 van dit artikel. Verder heeft het bevoegd gezag in dit geval een inspanningsverplichting in de zin van art. 3:20 Awb. Dit betekent dat het bevoegd gezag de aanvrager informeert over andere op aanvraag te nemen besluiten, waarvan het bevoegd gezag kan aannemen dat deze nodig zijn om de beoogde activiteit te kunnen uitvoeren.

Omgevingsvergunning van rechtswege (Lex Silencio Positivo)

Onder de Wabo werd een vergunning automatisch verleend (reguliere procedure), wanneer de beslistermijn voorbij was. De vergunning van rechtswege is afgeschaft met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Bestuurlijke afwegingsruimte

Onder de Wabo was het afwijken van de regels van een bestemmingsplan altijd een ruimtelijke afwijking. Daarbij vormde het uitganspunt dat geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening mocht zijn. Nu gaat het om een afwijking van de regels in een omgevingsplan en het gaat om een evenwichtige toedeling van functies aan een locatie. Naast een ruimtelijke afwijking kan er bijvoorbeeld ook een afwijking zijn op het gebied van bijvoorbeeld gezondheid. Dit betekent dat er onder de Omgevingswet nu meer bestuurlijke afwegingsruimte is en er sprake is van een bredere reikwijdte.

6Procedure

Een van de speerpunten van de Omgevingswet is dat de procedures korter moeten. Onder de Wabo moest in veel gevallen automatisch de uitgebreide procedure worden gevolgd (26 weken + verlenging van 6 weken). Onder de Omgevingswet is de termijn standaard de reguliere voorbereidingsprocedure (8 weken + verlenging van 6 weken). Wel kan de gemeente er in specifieke gevallen voor kiezen om bij BOPA-procedures de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing te verklaren. Het college van B&W is zelfstandig bevoegd gezag voor het verlenen van vergunningen die in strijd zijn met het omgevingsplan, indien de gemeenteraad geen lijst met gevallen maakt waarop hij verzwaard adviesrecht wil hebben. Het bevoegd gezag kan besluiten bij aanzienlijke gevolgen en/of meerdere bedenkingen de uitgebreide procedure te volgen. Er moet dan worden voldaan aan de voorwaarden van artikel 16.65 lid 4 Omgevingswet. Dit kan per aanvraag worden besloten. Bij de toepassing van het BOPA-beleid wordt mede rekening gehouden met de speerpunten van de Omgevingsvisie Krimpenerwaard.

Hoofdstuk 2 Buitenplanse afwijkingsbevoegdheid Krimpenerwaard 2021

1. Inleiding

1.1 Doelstelling

Het doel is het verschaffen van een helder en consistent beleid voor omgevingsvergunningen voor de activiteit ‘handelen in strijd met de ruimtelijke ordening’ op basis van artikel 2.12 Wabo en artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Zo verschaft de regeling inzicht in de relevante afwegingscriteria en het plaatselijke toepassingsbereik en wordt daarnaast de basis geboden voor een zorgvuldige motivering en een efficiënte afdoening van aanvragen.

1.2 Beleidsnotitie 2021

Deze beleidsnotitie vervangt de Beleidsregels buitenplanse afwijkingsbevoegdheid 2015, gemeente Krimpenerwaard. De afgelopen periode is in de praktijk gebleken dat in voorkomende gevallen het beleid uit 2015 te kort schiet en dat te vaak een beroep op de hardheidsclausule gedaan moest worden. In samenhang met de uitgangspunten van de Omgevingswet die naar alle waarschijnlijkheid in 2024 inwerking treedt en diverse jurisprudentie is er behoefte ontstaan aan een nieuwe beleidsnotitie. In deze beleidsnotitie wordt meer ruimte geboden voor maatwerk en het meedenken met initiatiefnemers. Het initiatief wordt centraal gesteld en op zichzelf beoordeeld op wenselijkheid. Hiertoe zijn algemene afwegingscriteria geformuleerd. Daarnaast zijn specifieke nadere voorwaarden geformuleerd, die deels aansluiten bij de oude beleidsregels en waar mogelijk verruiming bieden. Deze verruiming is vormgegeven door het hanteren van richtlijnen. Deze richtlijnen geven aan wat in globale zin als maximale invulling gezien dient te worden. Het is een richtlijn waar dus onder voorwaarden, goed gemotiveerd en in samenspraak met de gemeente, vanaf geweken kan worden. Hierdoor is maatwerk mogelijk.

1.3 Begripsomschrijvingen

Voor de begripsomschrijvingen wordt verwezen naar Bijlage II, Hoofdstuk I, artikel 1 Besluit omgevingsrecht (Bor). In aanvulling op de begripsomschrijvingen van Bijlage II Bor:

Achtererfgebied: het feitelijk achtererfgebied inclusief het deel van het perceel dat grenst aan openbaar gebied.

Bebouwde kom: Voor het bepalen van de bebouwde kom is de feitelijke situatie en de aard van de omgeving van belang. Criteria die hierbij gehanteerd worden:

-waar houdt de bebouwing feitelijk (nagenoeg) op;

-de verkeerstechnische regeling uit de wegenverkeerswet heeft geen doorslaggevende betekenis;

-er is sprake van geconcentreerde bebouwing met een samenhangende structuur welke overwegend een woon- en verblijffunctie heeft;

-Intensief bebouwde dijk- en polderlinten kunnen beschouwd worden als bebouwde kom mits sprake is van dichte bebouwingsstructuur met overwegend een woon- en verblijfsfunctie;

Kernwinkelgebied(en): Aaneengesloten gebieden in de kernen met een hoge concentratie aan detailhandel, horecaondernemingen en commerciële dienstverlening. Binnen de kernwinkelgebieden wordt gestreefd naar de optimale uitbouw van deze activiteiten. In de bestemmingsplannen hebben de kernwinkelgebieden veelal de bestemming ‘gemengde doeleinden’, ‘centrumgebied’ of ‘centrumdoeleinden’.

Privacy: Een besluit mag niet in strijd zijn met artikel 50 Burgerlijk wetboek boek 5.

Ruimtelijke motivering: Er moet aan een besluit een deugdelijke motivering ten grondslag liggen. Dat houdt in dat gemotiveerd moet worden waarom de ontwikkeling in planologisch opzicht aanvaardbaar is en er moet blijken dat een afweging is gemaakt van de met de ontwikkeling gemoeide belangen. De ruimtelijke motivering moet aansluiten bij de algemene afwegingscriteria.

1.4 Wijze van meten

Voor de wijze van meten wordt verwezen naar Bijlage II, Hoofdstuk I, artikel 2 Besluit omgevingsrecht (Bor).

2. Beleidsregels

2.1 Algemene afwegingscriteria

1Er dient voldaan te worden aan de geldende milieuwetgeving, waaronder de:

•Wet milieubeheer, in zoverre dat de activiteit na een beoogde functiewijziging (als bedoelt in artikel 4 lid 9 en 11 in bijlage II van het Bor) niet voorkomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het besluit m.e.r.;

2Er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van:

•Het woon- en leefklimaat, waaronder mede verstaan:

o Hinder;

o Bezonning;

o Privacy;

o Gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden

•Het straat en bebouwingsbeeld ofwel de specifieke stedenbouwkundige context – in het verlengde daarvan dient voldaan te worden aan redelijke eisen van welstand (w.o. ook materialisatie);

In algemene zin geldt terughoudendheid wat betreft bouwen voor de voorgevel en boven de bestaande bouwhoogtes in de directe nabije omgeving; Er dient aansluiting gezocht te worden bij omliggende bebouwing bij gelijke bouwblokken.

•Monumentale en/of cultuurhistorische waarden;

Het advies van de daartoe aangewezen adviseurs is hierin leidend;

•Landschappelijke en/of natuurlijke waarden;

•De beleving van groen- en waterstructuren;

•De (verkeers)veiligheid;

3Er wordt – voor zover van toepassing – tegemoetgekomen aan gemeentelijke ambities en beleidsuitgangspunten op het gebied van:

o Duurzaamheid;

o Gezondheid;

o Klimaatadaptatie;

4Er dient voldaan te worden aan de behoefte aan parkeergelegenheid conform het op dat moment geldende parkeerbeleid.1 Indien van toepassing dient daarnaast voldaan te worden aan voldoende gelegenheid voor laden en lossen;

5Er dient voldaan te worden aan overige, voor een concrete situatie van toepassing zijnde, beleidsuitgangspunten, die in vooroverleg met de gemeente kenbaar worden gemaakt. Hierbij kan gedacht worden aan een visie, masterplan of programma voor het betreffende gebied/ initiatief;

6Er dient aangetoond te worden dat er afdoende overleg met de omgeving heeft plaatsgevonden conform het participatiebeleid Krimpenerwaard 2021 of diens rechtsopvolger.

2.2 Beleidsregels en Richtlijnen

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen in aanmerking:

2.2.1 Bijbehorende bouwwerken

(Bijlage II Bor, artikel 4, eerste lid)

Lid

Bepaling Bor

Aanvullende voorwaarden Bor

Gemeentelijke richtlijnen en voorwaarden

1.

Een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, gelegen binnen de bebouwde kom.

Richtlijn is dat er geen grotere oppervlakten in het achtererfgebied worden gebouwd, dan wat er vergunningsvrij mogelijk is.

Voor een losstaand bijbehorend bouwwerk geldt als richtlijn dat deze aansluit bij de goot- en nokhoogte genoemd in het bestemmingsplan.

Afwijken van deze hoogte kan overwogen worden indien:

-Ruimtelijk gezien passend

-Aansluiting bij dakhelling van het hoofdgebouw

Voor een aangebouwd bijbehorend bouwwerk zijn de volgende richtlijnen van toepassing:

1Maximaal 50 procent van de oppervlakte van het achtererfgebied;

2Maximale diepte is 4 meter ten opzichte van het oorspronkelijke hoofdgebouw;

3De goothoogte is gelijk of lager dan de bestaande goothoogte van het hoofdgebouw;

4De bouwhoogte sluit aan bij de hoogte van het bestaande hoofdgebouw;

5Bij verlenging van het hoofdgebouw moet de dakhelling gelijk zijn aan het bestaande hoofdgebouw.

Wanneer het bestemmingsplan onbedoeld vergunningvrij bouwen in het achtererfgebied uitsluit, bijvoorbeeld als de bestemming niet overeenkomt met het al sinds jaar en dag aanwezige legale gebruik, dan kan gebruik worden gemaakt van de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid. In dat geval mogen de maximale maten die van toepassing zijn op vergunningvrij bouwen niet worden overschreden.

In het voorerfgebied, voor zover geen andere legale bebouwing aanwezig, is de richtlijn dat bijbehorende bouwwerken niet toegestaan zijn. Toepassing van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid is toegestaan voor erkers tot een diepte van maximaal 1,50 meter, een breedte van maximaal 2/3 van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel (tot een maximum breedte van 3,50 meter) en een hoogte van maximaal 0,30 meter boven de eerste verdiepingsvloer. De afstand van de erker tot het openbaar gebied moet minimaal 2,00 meter bedragen.

In het voorerfgebied, indien reeds legale bebouwing aanwezig is op het betreffende perceel of in de directe nabijheid, waarbij sprake is van een vergelijkbare situatie volgt een beoordeling op basis van de algemene afwegingscriteria.

Zijerfgebied

Voor een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij woningen en woongebouwen is toepassing van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid toegestaan als deze ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. De volgende richtlijnen zijn hierbij van toepassing:

a) De zijgevel van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ligt minimaal 1 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wanneer deze grenst aan openbaar toegankelijk gebied. In het geval dat het perceel grenst aan een waterpartij of -gang ligt de zijgevel 1,5 meter uit de rand van het water.

b) De voorgevel van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ligt minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn van het oorspronkelijke hoofdgebouw.

c) De voorgevelbreedte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is maximaal 60% van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel van het hoofdgebouw en is in ieder geval niet breder dan 4 meter.

d) De bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk met alleen een platte afdekking bedraagt maximaal 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw en is in ieder geval niet hoger dan de goothoogte van het hoofdgebouw.

e) De goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk met een kap bedraagt maximaal 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw en is in ieder geval niet hoger dan de goothoogte van het hoofdgebouw.

f) De bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk met een kap is ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

g) De dakvorm en dakhelling van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk moeten gelijk zijn aan die van het hoofdgebouw. De richtlijn is dat een dakkapel is niet toegestaan.

Bij toepassing van deze bevoegdheid wordt alleen gekeken naar de afwijking. De voorwaarden die op grond van het bestemmingsplan al geregeld worden en niet strijdig zijn, worden buiten beschouwing gelaten (bestemmingsplan is leidend).

2.

Een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, gelegen buiten de bebouwde kom, mits

a.Niet hoger dan 5 meter, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf;

b.De oppervlakte niet meer dan 150 m2 per achtererfgebied.

2.2.2 Gebouw ten behoeve van infrastructurele voorziening

(Bijlage II Bor, artikel 4, tweede lid)

2.

Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2 lid 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat lid genoemde eisen, mits voldaan wordt aan:

a.Niet hoger dan 5 meter;

b.Maximale oppervlakte van 50m2

Geen nadere voorwaarden.

2.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of een gedeelte daarvan

(Bijlage II Bor, artikel 4, derde lid)

3.

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.Niet hoger dan 10 meter;

b.Maximale oppervlakte van 50m2.

Erf- of perceelafscheidingen

Richtlijn hekwerken: medewerking wordt verleend aan een grotere hoogte dan 2 meter als dit uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is.

Richtlijn erfafscheidingen: grenzend aan het openbaar gebied, voor zover gelegen 1 meter achter de voorgevellijn, zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 meter als deze van het openbaar gebied wordt afgescheiden met een groenstrook met een breedte van ten minste 1,00 meter. Wanneer de erfafscheiding direct aan het openbaar gebied grenst, dan is een erfafscheiding tot 2 meter toegestaan als deze vanaf 1 meter hoogte een transparante uitstraling heeft (een transparant hekwerk met begroeiing).

Vlaggenmasten

Richtlijn

a.Maximale hoogte 8 meter;

b.4 per woning/ bedrijfslocatie.

Constructies/aluminium frames met reclame-uitingen

Toegestaan op bedrijfs- en kantoorbestemmingen, alsmede op gronden met maatschappelijke doeleinden (culturele, educatieve, sociale, medische, levensbeschouwelijke en/of maatschappelijke doeleinden) met als richtlijn:

a.Maximaal hoogte 4 meter;

b.Maximale lengte 6 meter

2.2.4 Dakkapellen, dakopbouwen of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw

(Bijlage II Bor, artikel 4, vierde lid)

4.

Dakkapellen, dakopbouwen of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw

Dakkapellen

Als richtlijn dient gehanteerd te worden:

Aan de plaatsing van een dakkapel wordt medewerking verleend mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a.Bij meerdere dakkapellen op een dakvlak of op meerdere aaneengesloten dakvlakken zijn de dakkapellen regelmatig gerangschikt op horizontale lijn, dus niet boven elkaar;

b.Bij een individueel hoofdgebouw is een dakkapel gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding gevel;

c.De onderzijde van een dakkapel is meer dan 0,5 meter en minder dan 1,0 meter boven de dakvoet;

d.De bovenzijde van een dakkapel is meer dan 0,8 meter onder de daknok, zowel aan de voor- als achterzijde;

e.Op een mansardedak is een dakkapel alleen toegestaan in het onderste deel van het dakvlak, met de bovenkant gelijnd aan de knik in het dakvlak.

Op het voordakvlak geldt in afwijking van het vorenstaande:

a.Niet meer dan een dakkapel per hoofdgebouw;

b.De zijkanten van een dakkapel zijn meer dan 1,00 meter uit het hart van de woningscheidende bouwmuur of vanaf de buitenzijde van de zijgevel. Bij twee-onder-een-kapwoningen is ook een gecentreerde dakkapel op het gezamenlijke dakvlak mogelijk;

c.De hoogte van een dakkapel is maximaal 1,50 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim; de breedte van de dakkapellen samen is maximaal 2/3 van de breedte van het dakvlak gemeten tussen het hart van de woningscheidende bouwmuren of buitenzijde van de gevels met een maximum van 3,50 meter.

Op het zijdakvlak geldt in afwijking van het vorenstaande:

a.De zijkanten van een dakkapel zijn meer dan 0,80 meter uit het hart van de scheidende bouwmuur of vanaf de buitenzijde van de gevel;

b.De hoogte van een dakkapel is maximaal 1,75 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim;

c.De breedte van de dakkapellen samen is maximaal 2/3 van de breedte van het dakvlak gemeten tussen het hart van de woningscheidende bouwmuren of de buitenzijde van de gevels.

Op het achterdakvlak geldt in afwijking van het vorenstaande:

a.De zijkanten van een dakkapel zijn meer dan 0,80 meter uit het hart van de scheidende bouwmuur of vanaf de buitenzijde van de gevel;

b.De hoogte van een dakkapel is maximaal 1,75 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim;

c.Bij een tussengebouw over de volledige breedte van het dakvlak mogelijk, mits de plaatsing en maatvoering aansluiten op de al aanwezige dakkappelen.

Dakopbouwen

Aan een dakopbouw aan het hoofdgebouw kan medewerking worden verleend.

Hierbij zijn de volgende richtlijnen van toepassing:

1De hoofdvorm van de woning herkenbaar blijft;

2Indien gelegen in het zij-erf, dient deze ondergeschikt te zijn en dezelfde dakhelling van de hoofdwoning te hebben;

3In het achtererf kan een dakopbouw alleen gerealiseerd worden op de vergunningsvrije aanbouw.

Voor een dakopbouw op hoofdgebouw geldt de richtlijn dat medewerking verleend kan worden.

2.2.5 Antenne-installaties

(Bijlage II Bor, artikel 4, vijfde lid)

5.

Een antenne-installatie, mits

Maximale hoogte 40 meter;

Wanneer er argumenten zijn om wél medewerking te verlenen, bijvoorbeeld om het optimale dekkingsniveau van de kernen te kunnen garanderen of om ‘blind-spots’ (alsnog) te voorzien van optimale mobiele dekking, dat wordt op basis van maatwerk beoordeeld.

Bij de belangenafweging worden bij de Beoordeling van de geschiktheid van de locatie alle relevante omgevingsfactoren betrokken. (Zie algemene afwegingscriteria)

Richtlijn is dat solitaire masten met een antenne-installatie niet worden toegestaan.

2.2.6 Installaties bij glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling

(Bijlage II Bor, artikel 4, zesde lid)

6.

Een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998

Geen nadere voorwaarden.

2.2.7 Installaties bij agrarische bedrijven voor duurzame energie

(Bijlage II Bor, artikel 4, zevende lid)

7.

Installaties bij agrarische bedrijven Waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen.

In het kader van de Gebiedsovereenkomst Veenweiden worden innovaties bij agrarische bedrijven gestimuleerd

Nadere voorwaarden:

a) Positief advies van de agrarische beoordelingscommissie;

b) Positief advies van de Omgevingsdienst Midden-Holland;

Richtlijn:

Maximale bouwhoogte 15 meter.

2.2.8 Gebruik van gronden voor niet-ingrijpende herinrichting openbaar gebied

(Bijlage II Bor, artikel 4, achtste lid)

8.

Het gebruiken van gronden voor een niet ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied.

Geen nadere voorwaarden.

2.2.9 Gebruik van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten

(Bijlage II Bor, artikel 4, negende lid)

9.

Het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

-

Niet worden toegestaan:

-Wijziging van het gebruik ten behoeve van een prostitutiebedrijf, seksinrichting, escortbedrijf en/of sekswinkel;

-Vestiging van nieuwe horecagelegenheden buiten de kernwinkelgebieden;

-Vestiging van nieuwe detailhandelsvestigingen buiten de kernwinkelgebieden.

Aanvullende aandachtspunten op de algemene afwegingscriteria:

Mer-beoordelingsplicht; kolom 1 Besluit mer; Wet geluidhinder, artikel 76a en 110c (o.a. Besluit hogere waarden);

Ladder voor duurzame verstedelijking;

Provinciaal beleid;

2.2.10 Gebruik recreatiewoning voor bewoning

(Bijlage II Bor, artikel 4, tiende lid)

10.

Het gebruiken van een recreatiewoningvoor bewoning,

a.De recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

b.De bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet Milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden;

c.De bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en

d.De bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;

Richtlijn is dat aan hetpermanent bewonen vanrecreatiewoningen geenmedewerking wordtverleend.

2.2.11 Tijdelijk ander gebruik van gronden of bouwwerken

(Bijlage II Bor, artikel 4, elfde lid)

11.

Ander gebruik van gronden of bouwwerken danbedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10 vanBijlage II, artikel 4 Bor, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Met de initiatiefnemer dient een overeenkomst gesloten te worden waarin duidelijke afspraken worden gemaakt over het tijdstip van beëindiging van de tijdelijke afwijking.

3. Kostenverhaal

3.1 Planschade

Indien voor de uitvoering van een (bouw)plan een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk is, kan de gemeente een planschadeovereenkomst eisen. Per geval zal worden bekeken of een planschadeovereenkomst gesloten dient te worden tussen initiatiefnemer en de gemeente. Dit naar oordeel van de vergunningverlener. Alleen indien evident is dat geen sprake is van planschade kan worden afgezien van de planschadeovereenkomst. De eventuele planschadekosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Indien de initiatiefnemer niet tijdig besluit tot aangaan van de planschadeovereenkomst is het plan economisch niet uitvoerbaar. Dit is een reden om de aanvraag voor een omgevingsvergunning te weigeren.

3.2 Anterieure overeenkomst

Indien voor de uitvoering van een (bouw)plan een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk is, dient op basis van de Wet ruimtelijke ordening in voorkomende gevallen een anterieure overeenkomst gesloten te worden, Indien de financiële uitvoerbaarheid niet zeker gesteld kan worden, is de haalbaarheid van het plan onzeker. Dit is een reden om een aanvraag voor een omgevingsvergunning te weigeren.

Hoofdstuk 3 Nieuwe woningen buitengebied Krimpenerwaard

6. Uitwerking beleidsregels

6.1 Nieuwbouw na sloop

6.1.1.

In ruil voor sloop van tenminste 1000 m2 aan legale bestaande -niet karakteristieke- schuren of (voormalige) agrarische opstallen op eigen bouwperceel kan een nieuwe woning worden teruggebouwd. De voorwaarden genoemd onder 6.1.3 zijn van toepassing.

6.1.2.

Van hetgeen genoemd onder a kan worden afgeweken, waarbij de ondergrens van de te slopen oppervlakte aan bebouwing op eigen bouwbouwperceel 600 m2 is of bij de bouw van twee of drie woningen respectievelijk 1.600 m2 en 2.600 m2. De voorwaarden onder 6.1.3 zijn van toepassing, waarbij de voorwaarde onder 6.1.3, onder 2, zwaarder weegt dan wanneer er 1.000 m2 of meer gesloopt wordt.

6.1.3.

Nieuwbouw is mogelijk onder de volgende voorwaarden:

1Het aantal nieuw te bouwen woningen is maximaal drie;

2Er moet sprake zijn van een combinatie van maatregelen die de ruimtelijke kwaliteit op het bouwperceel verbeteren dan wel de ruimtelijke uitstraling naar de omgeving toe ten goede komen (zie bijlage I);

3Uitgangspunt is dat alle (niet karakteristieke) erfbebouwing/voormalige agrarische bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt;

4De woningen worden in de eerste lijn gebouwd, dus direct aansluitend aan de weg. Bij wijze van uitzondering is de bouw van woningen in de tweede lijn mogelijk. Er worden in dat geval extra eisen gesteld aan de positionering en vormgeving van die woning(en) al dan niet in combinatie met een verantwoorde landschappelijke inpassing;

5De nieuw te bouwen woning(en) heeft een inhoud van maximaal 800 m3. Als er meer dan 1.000 m2 wordt gesloopt, dan mag de oppervlakte boven de 1.000 m2 worden omgezet naar extra m3 voor de nieuw te bouwen woning. Daarbij wordt de volgende berekening gemaakt: per m2 aan extra gesloopte bebouwing boven de 1000 m2 geldt dat de maximale inhoud van de woning met 0,75 m3 mag worden verhoogd, waarbij de woning uiteindelijk een maximum inhoud van 1.000 m3 mag hebben (de 10% regeling als binnenplanse vrijstelling is in alle gevallen uitgesloten);

6De nieuw te bouwen woning(en) moeten op de locatie worden teruggebouwd waar gesloopt wordt. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken.

6.2 Toevoeging van extra woningen in bestaande opstallen en splitsing

6.2.1

Splitsing en verdere opdeling van (voormalige) agrarische woonboerderijen (inclusief ‘de Deel’) en overige woningen is toegestaan onder de voorwaarde dat de woningen voldoen aan de minimale eisen uit het Bouwbesluit (en onder de Omgevingswet het BBL).

6.2.2

Toevoeging van één extra woning per monumentale of karakteristieke schuur/bijgebouw is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

-Andere aanwezige schuren/bijgebouwen op het bouwperceel worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk bij de nieuw te realiseren woning;

-In sommige gevallen is het gewenst om de schuur waar de nieuwe woning in wordt gerealiseerd planologisch te koppelen aan de bestaande woning (bijvoorbeeld familie-erven). In dat geval levert de woning in de schuur niet per se een woonfunctie met een bouwtitel voor een nieuwe woning op. Bij het toevoegen van een woning kan het ook gaan om tijdelijke voorzieningen zoals (pre-) mantelzorgwoningen.

6.2.3

Het realiseren van meer, al dan niet zelfstandige, wooneenheden in karakteristieke en niet karakteristieke opstallen is bespreekbaar als het gaat om bijzondere en onderscheidende woonvormen of woonconcepten, voor zover die een (belangrijke) bijdrage kunnen leveren aan het behalen van strategische doelen uit de Omgevingsvisie.

6.3 Realisatie van bijzondere woonvormen

6.3.1

De realisatie van bijzondere woonvormen is mogelijk binnen de voorwaarden zoals genoemd in de artikelen 6.1 en 6.2.

6.3.2

Van hetgeen genoemd onder 6.3.1 kan in overleg met de gemeente worden afgeweken als het gaat om bijzondere en onderscheidende woonvormen of woonconcepten, voor zover die een (belangrijke) bijdrage kunnen leveren aan het behalen van strategische doelen uit de Omgevingsvisie.

6.4 Bouwen van extra woningen

6.4.1

In afwijking van hetgeen bepaald in de voorgaande bepalingen is het bouwen van meerdere extra woningen bespreekbaar indien de locatie direct grenst aan, of direct aansluit bij, de dorpskernen of grotere bestaande bebouwingsclusters onder voorwaarde dat sprake is van een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing (zie bijlage I) en het aantal woningen past binnen de kaders van de woonvisie.

6.4.2

In afwijking van hetgeen genoemd in 6.4.1 worden waardevolle linten en gebieden met een hogere (provinciale) beschermingscategorie (categorieën 1 en 2) in beginsel uitgesloten voor een dergelijke ontwikkeling.

6.5 Een combinatie van sloop, toevoeging in bestaande opstallen, splitsing en/of bijzondere woonvormen

6.5.1

In overleg met de gemeente is een combinatie van genoemde regelingen, binnen de genoemde voorwaarden, bespreekbaar.

6.6 Aanvullende regels

6.6.1

In alle gevallen mag geen onevenredige afbreuk gedaan worden aan:

a.Het straat- en bebouwingsbeeld;

b.De cultuurhistorische waarden;

c.De landschappelijke- en natuurlijke waarden;

d.De verkeersveiligheid;

e.De milieusituatie;

f.De gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

g.De doelmatige inzameling van huishoudelijk afvalwater (riolering).

6.6.2

Voor alle locaties waar bebouwing gesloopt en/of toegevoegd wordt, wordt een erfinrichtingstekening gemaakt. Indien een bestemminsplanwijziging noodzakelijk is, wordt de erfinrichtingstekening hierin opgenomen. Op de erfinrichtingstekening moet in ieder geval worden weergegeven waar de auto’s geparkeerd worden en hoe de parkeerplaatsen landschappelijk worden ingepast.

6.6.3

Alle locaties waar bebouwing wordt gesloopt, krijgen een bestemming die herbouw van gesloopte bebouwing niet toestaat. Tevens wordt, indien van toepassing, de milieuvergunning ingetrokken of wordt afstand gedaan van de milieumelding.

6.6.4

Er wordt een privaatrechtelijke (anterieure) overeenkomst gesloten en indien nodig een planschadeovereenkomst / nadeelcompensatieovereenkomst afgesloten.

6.6.5

Er is sprake geweest van participatie: door initiatiefnemer is met direct omwonenden overleg gevoerd over de plannen. Een verslag van de participatie moet bij de aanvraag gevoegd worden en de resultaten daarvan aan de gemeente ter beschikking gesteld worden.

Hoofdstuk 4 kleine windmolens

5. Uitwerking beleid

5.1 Algemene voorwaarden:

a.Het verdient de voorkeur om in de eigen energiebehoefte te voorzien door middel van zonnepanelen op het dak. De mogelijkheden hiertoe moeten zijn verkend.

b.De windmolen is primair bedoeld om te voorzien in de eigen energiebehoefte;

c.De windmolens mogen een maximale as-hoogte van 15 meter hebben, dan wel maximaal 3 meter hoog bij een dakgebonden

2Hieronder valt ook gevelgebonden.

windmolen;

d.Windmolen(s) voldoen aan het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij een rotordiameter van meer dan 2 meter is een melding Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht en moet een akoestisch onderzoek en slagschaduwonderzoek aangeleverd worden;

e.De windmolen(s) moeten zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het gebied. Indien het initiatief bestaat uit meer dan één windmolen dan dient een landschappelijk inpassingsplan te worden aangeleverd dat vooraf met de gemeente besproken wordt. Uitgangspunt is dat bij plaatsing van meerdere windmolens deze achter elkaar worden geplaatst in lijn met de hoofdrichting van de huidige bebouwing en het landschap of naast elkaar in lijn met de weg;

f.De kleurstelling van de windmolen is ingetogen en afgestemd op het landschap. In zijn algemeenheid stellen we dat de windmolen geen onnatuurlijke kleur, maar een in de omgeving passende kleur moet hebben. Een (sobere) kleurstelling die erop gericht is om botsingen met vogels te vermijden geniet onze voorkeur. Er wordt geen gebruik gemaakt van reflecterende materialen. Bij plaatsing van een extra windmolen op een later tijdstip moet de inpasbaarheid in de omgeving opnieuw beoordeeld worden.

g.De afstand van een windmolen tot:

1gasinfrastructuur bedraagt niet minder dan 25 meter;

2hoogspanningsinfrastructuur bedraagt niet minder dan de maximale werpafstand

3De maximale afstand waarop een onderdeel van een windturbine bij falen terecht kan komen is de maximale werpafstanden bij overtoeren. Indien sprake is van nabijheid van hoogspanningsinfrastructuur dient TenneT om advies gevraagd te worden.

bij twee keer het nominaal toerental van de windmolen;

3de gevel van de woningen van derden of een andere bestemming waar mensen permanent verblijven, niet zijnde een bedrijfswoning bedraagt niet minder dan vier maal de ashoogte van de windmolen;

4openbaar gebied is zodanig dat de wieken of de constructie van de windmolen niet overhangt boven openbaar gebied.

h.Er is sprake geweest van participatie: door initiatiefnemer is met direct belanghebbenden overleg gevoerd over de plannen. Een verslag van de participatie moet bij de aanvraag gevoegd worden en de resultaten daarvan aan de gemeente ter beschikking gesteld worden;

i.Er wordt met initiatiefnemer een planschade/nadeelcompensatieverhaalsovereenkomst afgesloten;

j.Windmolens bij andere bestemmingen of locaties, behoudens die opgenomen onder 5.2, 5.3 en 5.4 zijn uitgesloten, met dien verstande dat plaatsing van windmolen(s) bij een maatschappelijke of sportbestemming

4Of hieraan gelijk te stellen bestemmingen.

binnen en buiten de bebouwde kom bespreekbaar is onder dezelfde voorwaarden als genoemd onder de in dit artikel genoemde voorwaarden en artikel 5.3;

k.De plaatsing van een windmolen (zowel grondgebonden als dakgebonden) blijft altijd maatwerk. De gemeente Krimpenerwaard kan daarom in voorkomende situaties nadere eisen stellen aan de plaats, omvang, het gebruik en de landschappelijke inpassing van windmolens of besluiten de aanvraag te weigeren, ten behoeve van:

o de bezonningssituatie;

o lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing;

o zichtlijnen of visuele hinder;

o het voorkomen van slagschaduw;

o risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten en gebieden zoals weidevogelgebieden, kroonjuweel, beschermde bomen, beschermde stads- en dorpsgezichten, molenbiotoop etc;

o de mogelijkheid tot voortzetting dan wel uitbreiding van een bestaand bedrijf;

o een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

l.Binnen één jaar nadat een kleinschalige windturbine definitief buiten gebruik is gesteld, deze bovengrondse constructie met de bijbehorende voorzieningen wordt verwijderd.

5.2 Plaatsing bij (agrarische) bedrijven buiten bestaand stads- en dorpsgebied

Voor het plaatsen van een windmolen bij (agrarische) bedrijven gelden ten opzichte van 5.1 de volgende aanvullende voorwaarden:

a.Plaatsing is alleen mogelijk bij (agrarische) bedrijven buiten bestaand stads- en dorpsgebied;

b.In beginsel maximaal 1 windmolen per (agrarisch) bedrijf. Onder voorwaarden kan het plaatsen van maximaal 2 windmolens bespreekbaar zijn;

c.Indien in een lintbebouwing al windmolen(s) zijn geplaatst, geldt dat de hiervoor gekozen locatie in een erfensemble mogelijk trendsettend is voor volgende aanvragen in het lint;

d.Uitgangspunt is plaatsing van de windmolen binnen het bouwvlak. Pas indien aantoonbaar is dat dit niet tot de mogelijkheid behoort (ook bij het ontbreken van een bouwvlak) en er geen zwaarwegende bezwaren zijn, kan overwogen worden de windmolen buiten het bouwvlak te plaatsen mits direct grenzend aan het bouwvlak en dit niet leidt tot aantasting van de landschappelijke waarden. Indien niet binnen het bouwvlak geplaatst, moet de windmolen binnen het bestemmingsvlak geplaatst worden met een afstand tot het ruimtelijk ensemble van maximaal de tiphoogte.

5.3 Plaatsing bij bedrijventerreinen

Voor het plaatsen van een windmolen bij of op een bedrijventerrein gelden ten opzichte van 5.1 de volgende aanvullende voorwaarden:

a.Plaatsing is alleen mogelijk op/bij het bedrijventerrein;

b.In beginsel geldt een maximum van 1 windmolen per bedrijf. Onder voorwaarden kan het plaatsen van maximaal 2 windmolens bespreekbaar zijn. Hier zitten strengere voorwaarden aan voor wat betreft de landschappelijke inpassing;

c.Op een bedrijventerrein geniet het de voorkeur dat meerdere bedrijven samen het initiatief nemen. In dat geval wordt het maximum aantal windmolens in overleg met de gemeente bepaald aan de hand van alle geldende voorwaarden en de inpasbaarheid. Een inpassingsplan is in dat geval een vereiste (zie ook de toelichting);

d.Uitgangspunt is plaatsing van de windmolen op of direct grenzend aan het eigen bouwvlak. Een locatie aan de rand van het bestemmingsvlak bedrijventerrein is bespreekbaar.

5.4 Plaatsing bij woningen buiten bestaand stads- en dorpsgebied

Voor het plaatsen van een windmolen bij een woning (niet zijnde een agrarische of bedrijfswoning) gelden ten opzichte van 5.1 de volgende aanvullende voorwaarden:

a.Plaatsing is alleen mogelijk bij woningen buiten bestaand stads- en dorpsgebied

b.Er geldt een maximum van 1 windmolen per woning;

c.Een VAT windmolen tot 5 meter hoogte (totale hoogte) valt onder een bouwwerk geen gebouw zijnde;

d.Uitgangspunt is plaatsing binnen het bouwvlak. Indien dit aantoonbaar niet tot de mogelijkheden behoort (ook bij het ontbreken van een bouwvlak) en er geen zwaarwegende bezwaren zijn, kan plaatsing op eigen terrein binnen het bestemmingsvlak wonen bespreekbaar zijn. Indien niet binnen het bouwvlak geplaatst, moet de windmolen binnen het bestemmingsvlak geplaatst worden met een afstand tot het ruimtelijk ensemble van maximaal de tiphoogte.

e.Een gezamenlijk initiatief geniet de voorkeur;

f.Bij een gezamenlijk initiatief dient een landschappelijk inpassingsplan bij de aanvraag gevoegd te zijn.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Artikel 10.1 Intrekking oude regeling

Het college:

1trekt het Bopa-beleid gemeente Krimpenerwaard 2024 in;

2trekt de volgende beleidsregels in:

-beleidsregels buitenplanse afwijkingsbevoegdheid 2021, gemeente Krimpenerwaard;

-beleidsregels nieuwe woningen buitengebied Krimpenerwaard;

-beleidsnotitie kleine windmolens;

-Horecabeleid buitengebied gemeente Krimpenerwaard 2020;

-beleidsregels Bed & Breakfast en recreatiewoning Krimpenerwaard;

-beleidsregels pré-mantelzorgwoningen;

-beleidsregels tijdelijke tiny houses Krimpenerwaard 2021;

-Inrittenbeleid 2017 Gemeente Krimpenerwaard.

10.2 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking de dag na publicatie zoals beschreven in artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht, en zijn van toepassing op verzoeken om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit welke vanaf die datum worden ingediend.

10.3 Omgevingsvergunning van rechtswege (Lex Silencio Positivo)

De vergunning van rechtswege is komen te vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

10.4 Hardheidsclausule

In aanvulling op de mogelijkheid om op grond van artikel 4:84 van de Awb in individuele gevallen af te wijken van deze beleidsregels kan in ieder geval worden afgeweken van deze beleidsregels voor één van de hieronder genoemde gevallen:

a.gevallen met een maatschappelijk belang;

b.gevallen waarbij de beperkingen in dit beleid onevenredig zijn voor de aanvrager;

c.gevallen waarbij achteraf is gebleken dat er sprake is van een planologische omissie, waarvan het evident is dat deze wordt hersteld.

10.5 Citeertitel

Dit beleid wordt aangehaald als: BOPA-beleid gemeente Krimpenerwaard 2025.

Bijlage 1:

Hoofdstuk 3 Nieuwe woningen buitengebied Krimpenerwaard

Specifieke voorwaarden die van toepassing zijn bij de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing.

De geldende bestemmingsplannen

Voor het buitengebied zijn meerdere bestemmingsplannen vastgesteld. Binnen deze geldende bestemmingsplannen zijn verschillende regels opgenomen voor een goede ruimtelijke ordening. Hierin zijn bouwregels opgenomen voor het bouwen van onder andere woningen, bedrijfsgebouwen en erfbebouwing. De bouwregels stellen voorwaarden aan bijvoorbeeld de bouwhoogte, het aantal m2, rooilijnen, nokrichtingen en bouwvlakken.

Maar ook worden er in het bestemmingsplan eisen gesteld aan het behoud en herstel van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden, zoals de locatie van beschermde stads-en dorpsgezichten, ecologische oevers en de openheid, het verkavelingspatroon c.q. slotenpatroon en doorzichten.

De nota ruimtelijke kwaliteit

De identiteit en beleving van de omgeving komen samen in het begrip ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit heeft betrekking op onder meer landschap, stedenbouw, architectuur, openbare ruimte en erfgoed. In de nota ruimtelijke kwaliteit zijn binnen verschillende niveaus en gebieden criteria opgeschreven waaraan plannen worden getoetst. Voor de gebieden wordt er onderscheid gemaakt tussen verschillende gebieden in de kernen en het landelijk gebied. Deze gebiedsgerichte welstandscriteria moeten worden gezien als de gewenste eigenschappen van het bouwplan. De welstandscriteria zijn onderverdeeld in criteria betreffende de relatie met de omgeving van het bouwwerk, de bouwmassa, de architectonische uitwerking en materiaal en kleur. Op basis van de gebiedscriteria kan binnen de grenzen van het bestemmingsplan een gewogen oordeel gevormd worden over bouwplannen.

De provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland

De provincie heeft instructieregels opgesteld voor het invullen van nieuwe bestemmingsplannen. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. Ook wordt er gekeken of het gaat om een inpassing, aanpassing of transformatie van de locatie.

Binnen de beschermingscategorie 3, zijnde buitengebied, kunnen ontwikkelingen plaatsvinden die vallen onder de noemer inpassen, aanpassen en transformeren.

Binnen de beschermingscategorie 2, zijnde recreatiegebied en belangrijk weidevogelgebied, kunnen in beginsel ontwikkelingen plaatsvinden die vallen onder de noemer inpassen en aanpassen. Binnen de beschermingscategorie 1, zijnde Kroonjuweel cultureel erfgoed en Natuur Netwerk Nederland, kunnen in beginsel alleen ontwikkelingen plaatsvinden die vallen onder de noemer inpassen.

Daarnaast heeft de provincie voor de Krimpenerwaard de ruimtelijke kwaliteit in het gebiedsprofiel, de kwaliteitskaart en de cultuurhistorische atlas in kaart gebracht.

Krimpenerwaards Kookboek

In het kader van de Omgevingswet wil de gemeente bij nieuwe initiatieven vroegtijdig met de initiatiefnemers in gesprek. Hierbij willen we hen graag enthousiast maken om bij te dragen aan het versterken van de kwaliteiten van het landschap en de ontwikkeling van het buitengebied van de Krimpenerwaard. Het landschap is het resultaat van eeuwen ontwikkeling en vertelt het verhaal van het ontstaan van de Krimpenerwaard en haar cultuurhistorie. Het Krimpenerwaards Kookboek is een inspiratiekader dat het verhaal vertelt en richting geeft aan het gesprek met initiatiefnemers. Met het Krimpenerwaards Kookboek biedt de gemeente initiatiefnemers zowel informatie als een bron van inspiratie om ontwikkelingen op de juiste smaak te bereiden. Hierin zijn voor de zes belangrijkste ontwikkelingen ‘recepten’ ontwikkeld. Deze recepten maken gebruik van ‘ingrediënten’ (ordening) en ‘kruiden’ (inpassing) die kenmerkend zijn voor de Krimpenerwaard. De recepten laten zien hoe met de nieuwe ontwikkeling kan worden ingespeeld op de kenmerken van de plek. Ook hoe de ontwikkeling zodanig kan worden uitgewerkt dat daarmee niet alleen de ruimtelijke kwaliteiten behouden blijven, maar ook nieuwe kwaliteiten wordt toegevoegd. Idealiter wordt ons gebied met toevoeging van de juiste ingrediënten en kruiden ruimtelijk, sociaal, economisch en/of ecologische interessanter.

Bijlage 2:

Hoofdstuk 10 Inrittenbeleid

Bijlage 2.1 Situatietekeningen

Figuur A Enkele particuliere inritten

Figuur B Dubbele particuliere inritten

Figuur C Tweede particuliere inrit

Figuur D Particuliere inritten gesloten woonbebouwing (rijenbouw)

Bijlage 2.2 Standaard inritconstructies

Een inrit moet voldoen aan de vormgeving zoals is aangegeven in de ASVV 2012 of publicatie 228 (Uitritten en uitritconstructies) van het CROW. De inritten die binnen de gemeente Krimpenerwaard worden aangelegd zijn in beginsel allemaal constructief gelijk. De inritconstructie wordt bepaald door de gemeente en kan voor een particuliere inrit standaard bestaan uit 3 types:

Standaard inritconstructie type A

Standaard inritconstructie type B

Standaard inritconstructie type C

Inritten die afwijken van de standaard vormgeving moeten speciale aandacht krijgen. Er wordt alleen een andere constructie toegestaan wanneer daar een voldoende motivering voor is. Voorbeelden van andersoortige inritconstructies staan weergegeven op onderstaande afbeeldingen.

Foto 1: Voorbeeld van een inrit

Foto 2: Voorbeeld van een inrit

Particuliere inrit

•Inritten die een trottoir of fietspad met tegels kruisen:

Tegels van 4,5 cm dik worden vervangen door tegels van 8 cm dik.

•Inritten die een fietspad van asfalt kruisen:

Afhankelijk van de constructie van het fietspad zal het asfalt vervangen worden door een dikker asfaltpakket.

•Inritten die een groenstrook kruisen:

De inrit wordt bestraat met grijze betonstraatsteen keiformaat. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt, wanneer het straatbeeld vraagt om een andere, gelijksoortige bestrating.

Inritten bij bedrijven

Onder de inrit wordt als fundering een pakket van 25 centimeter puin verwerkt.

Standaard inritconstructie t.b.v. bedrijfsmatig gebruik type 1

Standaard inritconstructie t.b.v. bedrijfsmatig gebruik type 2

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.