Aanhef
De raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel;
Besluit, na het lezen van het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 augustus 2024, om:
1De Nota Vaste Activa 2025 vast te stellen.
2Naar aanleiding van het toerekenen van de uren aan investeringen, niet toereikendekredieten van reeds beschikbare investeringen via de eerst volgende begrotings-wijziging bij te stellen.
2. Activeren
2.1 Soorten Activa
2.1.1 Materiële vaste activa
Het BBV (artikel 35) kent drie soorten materiële vaste activa, te weten:
•Investeringen met een economisch nut.
•Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
•Investeringen met economisch nut, waarvoor ter dekking van de kosten een heffing kan worden geheven
Het concrete verschil tussen deze investeringen is dat investeringen met een economisch nut de mogelijkheid bieden middelen te genereren en/of verhandelbaar zijn, investeringen met een maatschappelijk nut hebben die mogelijkheid over het algemeen niet.
Volgens het eerste lid van artikel 59 van het BBV worden alle investeringen geactiveerd. Dit geschiedt voor het volledige bedrag van de investering. Dit betekent dat reserves niet in mindering op het actief mogen worden gebracht.
Volgens artikel 62 lid 2 moeten financiële bijdragen van derden wél in mindering gebracht worden op de waardering van het actief, als zij een directe relatie hebben met het actief.
Investeringen met een economisch nut zijn verhandelbaar en/of kunnen bijdragen aan genereren van middelen. Voorbeelden hiervan zijn gebouwen en grond.
Investeringen met een maatschappelijk nut genereren geen inkomsten, maar vervullen wel duidelijk een publieke taak. Het betreft investeringen in bijvoorbeeld wegen, water en groenvoorzieningen.
Investeringen met een economisch nut waarvoor ter dekking van de kosten een heffing kan worden geheven (riool en afval) moeten apart op de balans worden opgenomen, omdat de regelgeving over de verslaggeving van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing en de daaraan gerelateerde lasten tot onduidelijkheden in fiscale procedures hebben geleid. Mede gezien de juridische consequenties, die een onjuiste kostentoerekening aan deze taken kan hebben, is deze categorie in het leven geroepen.
2.1.2 Immateriële vaste activa
In overeenstemming met het BBV (artikel 34) worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
•Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio.
•Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief.
•Bijdragen aan activa in eigendom van derden.
Kosten voor het afsluiten van geldleningen mogen, volgens de BBV voorschriften, worden geactiveerd.
In artikel 63 lid 7 van het BBV is bepaald dat alle passiva – waaronder dus schulden – tegen nominale waarden moeten worden gewaardeerd. Dat houdt in dat de lening voor het totaalbedrag van de aangegane schuld moet worden opgenomen. Het verschil tussen het schuldbedrag en het uitgekeerde bedrag, het (dis)agio, kan naar keuze al dan niet worden geactiveerd. Vanwege het voorzichtigheidsprincipe worden deze kosten en de kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen direct ten laste van de exploitatie gebracht. Het uitgangspunt van de gemeente Krimpen aan den IJssel is, dat de financiering plaatsvindt met eigen vermogen. Als het noodzakelijk of gewenst is om te financieren met vreemd vermogen worden de kosten van het sluiten van geldleningen niet geactiveerd maar direct ten laste van het resultaat gebracht.
Het saldo van agio en disagio wordt direct op de exploitatie verantwoord
1Het saldo van agio en disagio direct op de exploitatie te verantwoorden.
2De kosten van het sluiten van geldleningen niet te activeren.
Kosten van onderzoek en ontwikkeling
Kosten van onderzoek en ontwikkeling mogen alleen geactiveerd worden als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden (BBV artikel 60):
•Het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen;
•De technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vast staat;
•Het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren;
•De uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.
Als niet aan de hiervoor genoemde verplicht gestelde voorwaarden wordt voldaan, mogen de kosten van onderzoek en ontwikkeling voor plannen niet worden geactiveerd maar moeten deze in één keer ten laste van de exploitatie worden gebracht.
Deze voorwaarden betekenen dat dergelijke kosten alleen dan mogen worden geactiveerd als de plannen over het actief waarvoor de kosten gemaakt worden al redelijk omlijnd zijn, de plannen uitvoerbaar zijn en de kosten in te schatten zijn. Vanaf het moment dat de investering besteksgereed wordt gemaakt is sprake van voorbereidingskosten die worden geactiveerd met het betreffende kapitaalgoed. Dat betekent dat deze voorbereidingskosten in de betreffende investeringsbegroting worden meegenomen en uiteindelijk met het totaalbedrag van de investering worden geactiveerd en afgeschreven op basis van de afschrijvingstermijn van het actief ten behoeve waarvan de voorbereidingskosten worden gemaakt. Voor het bepalen van de scheidslijn tussen onderzoekskosten en voorbereidingskosten wordt in het algemeen de start van het besteksgereedmaken genomen. Uitzondering op het bovenstaande zijn vervangingsinvesteringen, waarbij kosten voor onderzoek en ontwikkeling wel met het kapitaalgoed worden geactiveerd en afgeschreven, omdat vanaf het begin duidelijk is dat de inspanningen zijn gericht op realisatie van het kapitaalgoed.
De kosten van onderzoek en ontwikkeling voor grondexploitaties nemen een bijzondere positie in. Om deze kosten te mogen toerekenen aan de grondexploitatie dient te worden voldaan aan voorwaarden aanvullend op artikel 60 van het BBV, zoals opgenomen in de Notitie grondbeleid van de commissie BBV zijnde stellige uitspraken.
3De kosten voor onderzoek en ontwikkeling niet te activeren, tenzij het een vervangingsinvestering betreft.
Bijdragen aan activa in eigendom van derden
De categorie bijdragen aan activa in eigendom van derden behoeft een nadere toelichting. Deze kunnen worden geactiveerd als aan de volgende voorwaarden van het BBV (artikel 61) is voldaan:
•Er is sprake van een investering door een derde.
•De investering draagt bij aan de publieke taak.
•De derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en.
•De bijdrage kan worden teruggevorderd, als de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.
Als vast staat dat aan alle voorwaarden wordt voldaan moet de gemeente de bijdrage behandelen als was het actief in kwestie in bezit van de gemeente.
4Bijdragen aan activa in eigendom van derden, als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 61 BBV, te activeren.
2.1.3 Financiële vaste activa
Onder Financiële vaste activa worden volgens het BBV (artikel 36) verstaan:
•Kapitaalverstrekkingen aan:
○ deelnemingen;
○ gemeenschappelijke regelingen;
○ overige verbonden partijen.
•Leningen aan:
○ woningbouwcorporaties;
○ deelnemingen;
○ overige verbonden partijen.
•Overige (verstrekte) langlopende leningen.
•Uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd van één jaar of langer.
•Uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd van één jaar of langer.
•Overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer.
4. Afschrijvingen
4.2 Afschrijven
4.2.1 Afschrijvingstermijnen
Het BBV kent geen regels voor een sluitend systeem waaraan afschrijvingen moeten voldoen, wel zijn kaders gesteld. De belangrijkste zijn:
•De methoden volgens welke de afschrijvingen zijn berekend worden in de toelichting op de balans uiteengezet. Ook wordt aangegeven welke investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut worden geactiveerd, welke afschrijvingstermijn hiervoor wordt voorzien en welke reserves hiervoor naar verwachting beschikbaar zullen zijn (artikel 51);
•Afschrijvingen vinden plaats onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar (artikel 64 lid 1);
•Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur (artikel 64, lid 3);
•De afschrijvingstermijn voor kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio is gelijk aan de looptijd van de lening (artikel 64 lid 5);
De afschrijvingstermijn van een actief is afhankelijk van de gebruiksduur en wordt bepaald door de economische en technische levensduur. Omdat de economische levensduur gebaseerd is op een schatting zullen hiervoor richtlijnen moeten worden opgesteld voor de diverse activa. In bijlage 1 is een overzicht opgenomen waarin per activasoort de levensduur wordt weergegeven waarover wordt afgeschreven. Wanneer er redenen zijn om van de tabel af te wijken wordt in een apart voorstel aan de raad over de investering hiervoor een gemotiveerde onderbouwing opgenomen.
12De afschrijvingstermijnen te hanteren zoals beschreven in bijlage 2.
4.2.2 Afschrijving op gronden
Het afschrijven op gronden neemt een bijzondere plaats in omdat gronden duurzame goederen zijn die niet aan slijtage onderhevig zijn, er vindt geen duurzame waardevermindering plaats. Er bestaat dan ook geen noodzaak tot afschrijven.
4.2.3 Methoden van afschrijving
Er zijn verschillende methoden om op basis van de afschrijvingsduur te komen tot de afschrijving per periode waarvan de lasten worden toegerekend. De belangrijkste methoden zijn:
•Vast percentage van de aanschafwaarde (lineaire afschrijvingsmethode);
•Vast percentage van de boekwaarde (degressief afschrijven, niet gebruikelijk bij de overheid);
•Jaarlijks gelijkblijvende rente- en afschrijvingslasten (annuïtaire afschrijvingsmethode).
De standaard afschrijvingsmethode is in Krimpen lineair.
13De lineaire afschrijvingsmethode wordt toegepast bij vaste activa.
4.2.4 Wijziging van methode van afschrijving
Het BBV onderscheidt twee soorten wijzigingen:
a) een stelselwijziging: dit betreft een wijziging van de vrij te kiezen waarderings(activerings)grondslag;
b) een schattingswijziging: dit betreft een wijziging van een verwachte toekomstige gebruiksduur.
14Stelselwijzigingen en schattingswijzigingen met betrekking tot materiele vaste activa worden door de raad vastgesteld.
4.2.5 Extra afschrijven
Extra afschrijven is alleen toegestaan (en zelfs verplicht) als de boekwaarde van het actief hoger is dan het verwachte toekomstige economische nut. Zie hiervoor hoofdstuk 3.4 Afwaarderen activa.
Daarnaast wordt om praktische redenen een ondergrens van € 5.000 voor de boekwaarde aangehouden. Als een boekwaarde daalt onder de grens van € 5.000 wordt de boekwaarde in één keer afgeschreven.
15Boekwaardes < € 5.000 worden in één keer afgeschreven, met inachtneming van een eventuele restwaarde
4.2.6 Restwaarde
De restwaarde van investeringen is van tevoren veelal moeilijk in te schatten. Op grond van het voorzichtigheidsprincipe wordt er dan ook vanuit gegaan dat de restwaarde nihil is. Als bij inruil van een productiemiddel sprake is van een restwaarde levert dit in de regel een boekwinst op. In overeenstemming met de wetgeving wordt de boekwinst ten gunste van de exploitatie gebracht. Hierdoor wordt een inzichtelijk beeld verschaft in de waardering van de vervangende investering.
16Bij afschrijvingen op investeringen wordt geen rekening gehouden met een restwaarde.
BIJLAGE 1: Samenvatting
1Het saldo van agio en disagio direct op de exploitatie te verantwoorden.
2De kosten van het sluiten van geldleningen niet te activeren.
3De kosten voor onderzoek en ontwikkeling niet te activeren, tenzij het een vervangingsinvestering betreft.
4Bijdragen aan activa in eigendom van derden, als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 61 BBV, te activeren.
5Investeringen met een levensduur van vier jaar of minder en/of een aanschafwaarde lager dan € 25.000 niet te activeren maar ineens ten laste van de exploitatie te brengen.
6Klein en groot onderhoud heeft geen invloed op levensduur en wordt daarom niet geactiveerd.
7Significante kwaliteitsverbetering van een object (bijvoorbeeld renovatie) wordt gezien als een investering en wordt wel geactiveerd.
8Ambtelijke uren worden alleen toegerekend aan grondexploitaties en investeringen (exclusief overhead) > € 100.000.
9Afschrijvingen met betrekking tot investeringen maatschappelijk nut in buitenruimte worden gedekt door reserve maatschappelijk nut buitenruimte.
10De reserve maatschappelijke voorzieningen kan worden ingezet voor de dekking van afschrijvingslasten van een investering wanneer de raad daartoe besluit.
11De componentenmethode toepassen wanneer een actief bestaat uit meerdere, afzonderlijk van elkaar te vervangen, delen.
12De afschrijvingstermijnen te hanteren zoals beschreven in bijlage 2.
13De lineaire methode toe te passen voor de afschrijvingen van activa.
14Stelselwijzigingen en schattingswijzigingen met betrekking tot materiele vaste activa worden door de raad vastgesteld.
15Boekwaardes < € 5.000 worden in één keer afgeschreven, met inachtneming van een eventuele restwaarde.
16Bij afschrijvingen op investeringen wordt geen rekening gehouden met een restwaarde.
17Vrijval van kapitaallasten wordt gereserveerd en opgenomen als stelpost in de begroting.
18De afschrijving start op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin het actief gereed komt dan wel verworven wordt.