6 Jeugdsubsidies
6.2 Muzikale vorming
6.2.1 De lesgeldbijdrageregeling:
Uitwerking uitgangspunten
1Doelstelling/ activiteiten
Bevordering van instrumentaal muziekonderwijs. Algemeen Muzikale Vorming, waarin op een speelse manier kennis gemaakt wordt met algemene muzikale begrippen en de beginselen van het notenschrift, komt niet voor subsidieverlening in aanmerking.
2Producten / activiteiten / diensten
Het bieden van muziekonderwijs in de periode van 1 augustus tot en met 31 juli van het daarop volgende jaar.
3Subsidiegrondslag
De lesgeldbijdrage bedraagt maximaal 50% van het door de docent bij de (ouders van de) leerling in rekening te brengen lesgeld.
4Nadere subsidievoorwaarden
-Subsidie wordt, in afwijking van de normale peildatum, verstrekt aan leerlingen die op 1 augustus voorafgaande aan de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd, de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt.
-De lesgeldbijdrage wordt berekend per natuurlijke persoon voor een periode van één schooljaar voor maximaal één instrument.
-De docent dient de subsidieaanvraag geclusterd in voor al zijn leerlingen die voldoen aan de eisen om in aanmerking te komen voor deze bijdrage en daarvan ook daadwerkelijk gebruik willen maken.
-Een aanvraag tot verlening van de lesgeldbijdrage wordt uiterlijk 15 november, gedurende het kalenderjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, ingediend.
5Nadere vereisten bij de aanvraag
Bij de aanvraag tot het verkrijgen van een lesgeldbijdragen moeten de volgende gegevens worden verstrekt:
-De naam, woonplaats en geboortedatum van de leerling,
-Het instrument waarvoor muziekonderwijs wordt gevolgd,
-De duur van de cursusperiode, en
-Het aan de docent verschuldigde lesgeld.
6Nadere voorwaarde
De docent houdt een aanwezigheidsregistratie bij en informeert de gemeente uiterlijk 1 juli indien een leerling minder dan 80% van de lessen heeft gevolgd. De gemeente vordert de totaal verstrekte lesgeldbijdrage ten behoeve van die leerling dan terug van de docent.
Subsidiebudget
Voor de lesgeldbijdrageregeling is maximaal € 21.000,- beschikbaar.
Dit bedrag wordt naar rato verdeeld over het aantal leerlingen.
De bijdrage is maximaal € 150,00 per persoon.
6.2.2 Muziekverenigingen
Uitgangspunten
Dit onderdeel is van toepassing op Harmonie, Brassbands, Drumbands en Tamboer- en Fanfarekorpsen.
Uitwerking uitgangspunten
1Doelstelling activiteiten
De gemeentelijke inwoners tot 18 jaar de mogelijkheid bieden de amateurkunst te beoefenen in georganiseerd en groepsverband.
2Producten/ activiteiten / diensten
Verzorgen van muzieklessen aan jongeren tot 18 jaar.
3Subsidiegrondslag
Het totaal aantal jeugdleden bij de muziekverenigingen.
4Nadere subsidievoorwaarde
De organisatie dient minimaal één openbaar optreden per jaar binnen de gemeente te verzorgen.
Subsidiebudget
Voor de muziekverenigingen is maximaal € 6.620,- beschikbaar.
Dit bedrag wordt naar rato verdeeld over het aantal jeugdleden.
De bijdrage is maximaal € 150,00 per persoon.
8 Budgetsubsidies
8.7 Peuteropvang
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
College:
college van burgemeester en wethouders van de gemeente Koggenland;
Doelgroeppeuter:
kind, woonachtig in de gemeente Koggenland, van 2½ jaar tot het moment van uitstroom naar de basisschool dat op indicatie van het consultatiebureau of Zorgteam Koggenland in aanmerking komt voor VE;
Gemeente:
de gemeente Koggenland;
Gemeentelijk opslagtarief:
aanvullende subsidie per uur, waarmee houders de meerkosten van de peuteropvang en het aanbod van VE (die hoger zijn dan het landelijk maximum uurtarief) kunnen dekken;
Houder:
degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en met die onderneming een kinderopvanglocatie exploiteert die staat vermeld in het LRK;
Inkomensverklaring:
een verklaring van de Belastingdienst met daarop de inkomensgegevens over een bepaald belastingjaar;
Kinderopvang(locatie):
een locatie voor kinderopvang waar het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen centraal staat niet zijnde een locatie van gastouderopvang;
Landelijk maximum uurtarief:
door het ministerie van SZW vastgestelde landelijk maximum uurtarief voor de kinderopvangtoeslag voor de dagopvang;
LRK, Landelijk Register Kinderopvang:
het register waarin kinderopvangvoorzieningen zijn opgenomen die voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen;
Ouderbijdrage:
de vergoeding die ouders betalen voor peuteropvang. Deze wordt berekend op basis van het gezamenlijk inkomen en is mede afhankelijk van een eventueel van de belastingdienst te ontvangen kinderopvangtoeslag;
Ouder(s):
ouder(s) of verzorger(s) van de peuter;
Peuter:
kind, woonachtig in de gemeente Koggenland, in de leeftijd van 2 jaar tot het moment van uitstroom naar de basisschool;
Peuteropvang:
kinderopvang in de vorm van peuterplaatsen en VE-peuterplaatsen;
Peuterplaats:
plaats voor een peuter in de kinderopvang, niet zijnde hele dagopvang, waarvan op twee verschillende dagen van totaal 8 uur per week en 40 weken per jaar gebruik wordt gemaakt;
Reguliere peuter:
peuter die geen doelgroeppeuter is of een doelgroeppeuter die jonger is dan 2,5 jaar;
Stamgroep vaste groep kinderen in de kinderopvang met eigen pedagogisch medewerkers en een eigen groepsruimte als basis;
VE, voorschoolse educatie:
kinderopvang met een aanbod van een VE-programma;
VE-peuterplaats:
plaats voor een doelgroeppeuter in de kinderopvang, niet zijnde hele dagopvang, waarvan op tenminste drie verschillende dagen van totaal 16 uur per week en 40 weken per jaar gebruik wordt gemaakt;
VE-programma:
een voorschools programma waarin op een gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling van peuters wordt gestimuleerd op het gebied van rekenen, taal, motoriek, en sociaal-emotionele ontwikkeling;
VNG-adviestabel:
tabel voor ouderbijdragen voor het peuterwerk afgestemd op de Landelijke Kinderopvangtoeslagtabel van enig jaar, zoals die door de VNG bekend gemaakt wordt.
Artikel 2 Doel
De subsidie is bedoeld om alle peuters zo goed mogelijk voor te bereiden op de basisschool en onderwijsachterstanden zoveel mogelijk te voorkomen.
Deze nadere regels hebben als doel, het verlenen, verantwoorden en vaststellen van subsidie voor peuters die gebruik maken van (VE-)peuterplaatsen in de kinderopvang en voor het aanbod van (VE-)peuterplaatsen in kleine kernen.
Artikel 3 De subsidieaanvraag
1De subsidie wordt aangevraagd door de houder voor kinderopvanglocaties die in het LRK zijn geregistreerd binnen de gemeente Koggenland.
2De aanvraag dient te worden gedaan op basis van het aantal bezette (VE-)peuterplaatsen op peildatum 1 april van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar en de te factureren ouderbijdragen.
3Voor de aanvraag maakt houder gebruik van een door het college vastgesteld aanvraagformulier voor budgetsubsidie in combinatie met een daarvoor bestemd aanvraagformat.
4Voor het bepalen van het inkomen van ouders wordt uitgegaan van de inkomensverklaring(en) over het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van opvang (T-2) of indien de gezinssituatie daarom vraagt, op een andere toereikende manier.
Artikel 4 De grondslag voor de subsidieverlening per peuter
1De subsidie wordt berekend over maximaal 40 weken per kalenderjaar. Indien de periode van opvang minder bedraagt dan 40 weken, wordt de subsidie naar rato vastgesteld.
2Het college subsidieert de volgende bedragen aan de houder:
a.per bezette peuterplaats, van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, 320 uur maal het landelijk maximum uurtarief minus de in rekening gebrachte ouderbijdrage;
b.per bezette VE-peuterplaats, van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag 640 uur maal het landelijk maximum uurtarief minus de in rekening gebrachte ouderbijdrage over 320 uur;
c.per bezette VE-peuterplaats, van ouders met recht op kinderopvangtoeslag, 320 uur maal het landelijk maximum uurtarief;
d.per doelgroeppeuter die op 1 januari van het kalenderjaar waarvoor de subsidie wordt gevraagd gebruik maakt van een VE-peuterplaats, een subsidiebedrag voor de inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker VE.
e.voor alle bezette peuterplaatsen waarvoor op basis van deze regeling subsidie wordt verstrekt, een subsidie per uur conform het gemeentelijk opslagtarief.
3Alle onder lid 2 genoemde subsidiebedragen worden jaarlijks aangepast met de indexering die het ministerie van SZW hanteert voor de aanpassing van het landelijk maximum uurtarief, tenzij er gegronde redenen voor het college zijn om hiervan af te wijken;
4Voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag wordt de ouderbijdrage berekend op basis van het gezinsinkomen en de VNG adviestabel.
Toelichting bij Artikel 4.
Gemeentesubsidie
Peuters van ouders ZONDER recht op KOT
Peuters van ouders MET recht op KOT
Reguliere peuters
basissubsidie peuterplaats:
8uur per week x landelijk maximum uurtarief minus ouderbijdrage over 8 uur (ouderbijdrage o.b.v. de VNG adviestabel)
+
opslag per uur:
8uur per week x gemeentelijk opslagtarief
basissubsidie peuterplaats:
geen*
+
opslag per uur:
8uur per week x gemeentelijk opslagtarief
VE-doelgroeppeuters
basissubsidie VE-peuterplaats: 16 uur per week x landelijk maximum uurtarief minus ouderbijdrage over 8 uur (ouderbijdrage o.b.v. de VNG adviestabel)
+
opslag per uur:
16uur per week x gemeentelijk opslagtarief
basissubsidie VE-peuterplaats:
8uur per week x landelijk maximum uurtarief (dit zijn de aanvullende VE-uren)*
+
opslag per uur:
16uur per week x gemeentelijk opslagtarief
* ouders nemen het basisaanbod van 8 uur per week af tegen het landelijk maximum uurtarief. Dit betalen zij volledig zelf en kunnen hierover kinderopvangtoeslag aanvragen. Alleen de extra VE-uren worden gesubsidieerd.
Artikel 5 De grondslag voor de subsidieverlening kleine kernen per locatie
1Het college subsidieert per locatie, naast de subsidie per peuter volgens Artikel 4, een vaste vergoeding voor vier peuterplaatsen van 320 uur per jaar, bestaande uit de subsidiebedragen zoals beschreven in Artikel 4 lid 2a en Artikel 4 lid 2e.
2Voor deze subsidie gelden de volgende voorwaarden:
a.het totale aanbod van kinderopvang van 0-4 jaar (niet zijnde gastouderopvang) beperkt zich in de betreffende kern tot één stamgroep;
b.de stamgroep is minimaal twee dagdelen per week geopend;
c.per week maken minimaal vier en maximaal acht peuters met een contract voor een (VE)peuterplaats, gebruik van de stamgroep; bij minder dan vier peuters of meer dan acht peuters per week, vervalt het recht op subsidie;
d.als het minimum aantal van vier tijdelijk niet wordt gehaald, maar aantoonbaar binnen zes maanden zicht is op een toename van het aantal peuters, dan blijft het recht op subsidie in de tussentijd bestaan; voor het bepalen van het aantal geplaatste peuters wordt gerekend met het gemiddelde aantal per maand.
Artikel 6 Subsidiebudget
Voor deze regeling geldt een maximum budget per jaar. Dit budget wordt jaarlijks vastgesteld door de gemeenteraad als onderdeel van de gemeentelijke begroting.
De subsidie wordt aan houders toegekend op basis van de rekenwijze als beschreven in artikel 4 van deze regeling.
Artikel 7 Bijzondere verplichtingen betreffende de houder
1De houder heeft een verplichting om:
a.Voorrang te verlenen aan doelgroeppeuters bij plaatsing op beschikbaar gekomen peuterplaatsen;
b.VE aan te bieden op alle groepen met gesubsidieerde peuters ongeacht of er doelgroeppeuters aanwezig zijn;
c.Peuters die woonachtig zijn in de gemeente Koggenland voorrang te verlenen bij plaatsing op beschikbaar gekomen (VE-)peuterplaatsen.
2De houder maakt gebruikt van het door het college beschikbaar gestelde format om het college op kwartaalbasis te informeren met betrekking tot het gemiddeld aantal bezette peuterplaatsen per maand en de gefactureerde ouderbijdragen aan ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.
3Indien het college daarom verzoekt, stelt houder haar de gegevens beschikbaar die van belang zijn voor het bepalen van de ouderbijdragen en het berekenen van de subsidie.
4De houder verplicht zich tot het naleven, verder ontwikkelen en verbeteren van het onderwijsachterstandenbeleid van de gemeente en de realisatie van de daarin opgenomen acties.
5Indien houder, als gevolg van de terugloop van de bezetting, overweegt om een locatie te sluiten, dan wordt hierover vóór de definitieve besluitvorming in overleg met de gemeente getreden.
Artikel 8 Vaststelling van de subsidie
1Houder dient jaarlijks, vóór 1 juni volgend op het jaar waarvoor de subsidie is verleend, een vaststellingsverzoek in dat bestaat uit een inhoudelijk en financieel verslag ten behoeve van de financiële verantwoording over het afgesloten boekjaar. Voor het financieel verslag wordt gebruik gemaakt van het gemeentelijke ‘Format monitoring en eindverantwoording subsidie peuteropvang en VE’.
2De vaststelling van de subsidie conform artikel 4 van deze regeling vindt plaats op basis van het werkelijk aantal kinderen dat bij de houder gedurende een jaar of een gedeelte van het jaar gebruik heeft gemaakt van de peuterplaatsen en VE-peuterplaatsen, het geldende uurtarief en het aantal uren dat per peuter gebruik is gemaakt van de opvang zoals vermeld op het format als bedoeld in artikel 3 lid 3. De werkelijk gefactureerde ouderbijdragen worden hierop in mindering gebracht.
3Bij het vaststellingsverzoek dient een verklaring van de accountant te zijn bijgevoegd die toeziet op het betreffende subsidiejaar. In de verklaring dient expliciet te zijn opgenomen dat de subsidie alleen is gevraagd en gekregen voor peuters die woonachtig zijn in de gemeente Koggenland en voldoen aan de begripsomschrijving zoals bedoeld in artikel 1.
Artikel 9 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager of de betreffende ouder afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.