Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen,
gelezen het voorstel van 10 september 2025 met kenmerk 56779-2025,
gelet op artikel 2.21 van de Wet hersteloperatie toeslagen en Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit vast te stellen de
Beleidsregels Brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Kampen
Hoofdstuk 2 Doel van de brede ondersteuning
2.1 Doelstellingen
De brede ondersteuning omvat vijf leefgebieden. Per leefgebied is een doelstelling geformuleerd die weergeeft wat nodig is om een nieuwe start te kunnen maken:
a.financiën: in staat zijn een financieel gezonde huishouding te voeren;
b.gezin: samenleven en opgroeien in een veilige omgeving waarin kinderen zich kunnen ontwikkelen;
c.gezondheid: mentaal en fysiek welzijn ervaren;
d.werk: ten minste over een startkwalificatie beschikken en/of duurzaam kunnen deelnemen in een arbeidsproces;
e.wonen: een veilige en betaalbare plek om te wonen.
2.2 Uitzonderingen brede ondersteuning
De brede ondersteuning is niet gericht op financieel herstel en biedt geen compensatie voor schade uit het verleden. Het maken van een nieuwe start in de toekomst staat centraal. Hoewel binnen de brede ondersteuning veel mogelijk is, is de brede ondersteuning niet allesomvattend.
De gemeente hanteert als uitgangspunt dat de volgende zaken in de basis geen onderdeel zijn van de brede ondersteuning:
a.algemene inkomensondersteuning of inkomensaanvulling;
b.ondersteuning op andere leefgebieden dan genoemd in hoofdstuk 1;
c.vergoeding van schade zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet;
d.vergoeding van schulden, tenzij sprake is van betalingsachterstanden in een bedreigende situatie en alleen wanneer aanvullende voorzieningen worden ingezet om herhaling te voorkomen;
e.kosten voor voorzieningen die zijn gemaakt voordat de rechthebbende toegang kreeg tot de brede ondersteuning, tenzij sprake was van een bedreigende situatie of de rechthebbende de noodzaak van de voorziening kan aantonen;
f.kosten voor een advocaat voor het proces van vergoeding van schade, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet.
2.3 Doelgroep brede ondersteuning
De brede ondersteuning kan starten zodra aanvragers van de kinderopvangtoeslag zich hebben aangemeld bij de UHT. Wanneer uit de integrale beoordeling blijkt dat iemand niet als gedupeerde ouder wordt erkend, komt deze persoon niet langer in aanmerking voor brede ondersteuning. In bezwaar gaan tegen die beslissing heeft daarbij geen opschortende werking, zie ook hoofdstuk 6. Kinderen, ex-toeslagpartners en nabestaanden krijgen na erkenning door de UHT toegang tot de brede ondersteuning. De gemeente gaat bij de UHT na of iemand inderdaad rechthebbend is.
De gemeente verleent toegang tot brede ondersteuning aan:
1rechthebbenden die niet eerder via de brede ondersteuning een nieuwe start hebben gemaakt;
2het gezin van de rechthebbende, waarbij de samenstelling van het gezin op het moment van aanmelding leidend is voor de brede ondersteuning;
3in overleg met de gemeente waar rechthebbende inwoner is, in bijzondere situaties ook aan rechthebbenden die geen inwoner van de gemeente Kampen zijn, bijvoorbeeld wanneer sprake is van verhuizing of detentie;
4een rechthebbende minderjarige die in aanmerking komt voor de kindregeling, als deze:
a.jonger is dan zestien jaar en onder het gezag van een inwoner staat, of;
b.jonger is dan zestien jaar en feitelijk verblijft bij een inwoner die een van de gezaghebbers is, of;
c.zestien jaar of ouder is en zelf inwoner is.
Hoofdstuk 3 Aanvraag brede ondersteuning, eerste gesprek en vaststellen hulpvraag
3.1 Aanvraag brede ondersteuning
1De gemeente neemt aanvragen voor toegang tot brede ondersteuning zowel schriftelijk als mondeling in ontvangst.
2De gemeente stelt vast of de aanvrager rechthebbende is, zoals omschreven in hoofdstuk 2.3.
3Rechthebbenden kunnen ook bij de UHT aangeven in aanmerking te willen komen voor brede ondersteuning, waarna de UHT via haar gegevensportaal contactgegevens verstrekt aan de gemeente en de gemeente deze per ontvangstdatum als aanvraag in behandeling neemt.
4Aanvragers die geen rechthebbende blijken te zijn, worden hierover telefonisch en schriftelijk geïnformeerd door de gemeente en warm doorverwezen naar reguliere ondersteuning.
3.2 Eerste gesprek en vaststellen hulpvraag
1De gemeente nodigt de rechthebbende binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag, telefonisch uit voor een eerste gesprek.
2De rechthebbende bepaalt of het eerste gesprek plaatsvindt bij deze persoon thuis, in het stadhuis, of op een andere locatie.
3Bij het eerste gesprek zijn altijd twee medewerkers van de gemeente aanwezig.
4Het eerste gesprek is bedoeld om het ondersteuningsproces toe te lichten en de situatie van rechthebbende, en eventueel het gezin, in kaart te brengen.
5In de hierna volgende gesprekken wordt samen met de aanvrager, op basis van de doelstellingen zoals omschreven in hoofdstuk 2.1, per leefgebied de eventuele hulpvraag vastgesteld.
Hoofdstuk 4 Beschikking en plan van aanpak
4.1 Beschikking
1De gemeente zorgt ervoor dat de rechthebbende maximaal acht weken na het eerste gesprek een beschikking ontvangt, met daarin:
a.een verlening van toegang tot de brede ondersteuning, inclusief een minstens op hoofdlijnen vastgesteld plan van aanpak, of;
b.een gemotiveerde weigering van de toegang tot de brede ondersteuning.
2De gemeente kan de termijn voor het opstellen van een plan van aanpak, benoemd in het eerste lid, met maximaal vier weken verlengen.
4.2 Het plan van aanpak
1De gemeente stelt samen met de rechthebbende een plan van aanpak op, waarbij de situatie van de rechthebbende op het moment van het eerste gesprek het startpunt vormt.
2Het plan van aanpak omschrijft:
a.hoe stapsgewijs en in samenhang naar de doelstellingen die de rechthebbende per leefgebied heeft, wordt toegewerkt; en
b.welke voorzieningen zijn toegekend om de rechthebbende op adequate en duurzame wijze in staat te stellen deze doelstellingen te bereiken.
3Het plan van aanpak bevat een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, als de rechthebbende:
a.achttien jaar of ouder is; en
b.in aanmerking komt voor de kindregeling; en
c.naar oordeel van de gemeente in een problematische schuldsituatie zit; en
d.binnen de termijn, bedoeld in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, een aanvraag heeft ingediend; en
e.bereid is hulp te aanvaarden om de financiële situatie in kaart te brengen en te stabiliseren.
4De gemeente kan tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak samen met de rechthebbende aanvullen en nieuwe of andere voorzieningen toekennen, waarbij geldt dat materiële voorzieningen tot maximaal zes maanden na het eerste gesprek toegekend kunnen worden.
5De in het plan van aanpak vastgestelde doelstellingen zijn alleen te wijzigen wanneer zich gedurende de uitvoering van het plan van aanpak nieuwe feiten en omstandigheden voordoen die een wijziging noodzakelijk maken.
Hoofdstuk 5 Voorzieningen toekennen en verstrekken
5.1 Voorzieningen
1De gemeente verstrekt aan rechthebbende de voorzieningen die in het plan van aanpak aan rechthebbende zijn toegekend.
2Bij het toekennen van voorzieningen houdt de gemeente onder meer, maar niet uitsluitend, rekening met de volgende zaken:
a.de vaardigheden van de rechthebbende;
b.de draagkracht en financiële armslag van de rechthebbende;
c.de omvang en samenstelling van het huishouden van de rechthebbende;
d.het duurzame karakter van de voorziening;
e.hoe de voorziening de rechthebbende in staat stelt om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken.
3Voorzieningen kunnen materieel en immaterieel zijn, waarbij geldt dat:
a.een materiële voorziening een zaak is die noodzakelijk is om belemmeringen van de rechthebbende bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken;
b.een immateriële voorziening een vorm van hulpverlening of dienst is die nodig is voor de ontwikkeling van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties van de rechthebbende voor het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak.
4De gemeente kan, voordat een voorziening wordt toegekend, de rechthebbende vragen om medewerking om te kunnen bepalen of een beoogde voorziening voldoet in relatie tot de voorwaarden die in het tweede en derde lid zijn benoemd.
5.2 Weigeren voorzieningen
De gemeente kan weigeren een voorziening toe te kennen, wanneer:
a.de gevraagde voorziening al vóór het eerste gesprek, of zonder overleg met de gemeente, is gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij op dat moment sprake was van een bedreigende situatie of de rechthebbende de noodzaak van de voorziening kan aantonen;
b.de voorziening niet voldoet aan de voorwaarden zoals omschreven in hoofdstuk 5.1, tweede en derde lid;
c.de rechthebbende niet de medewerking heeft verleend, zoals omschreven in hoofdstuk 5.1, vierde lid.
Hoofdstuk 6 Beëindiging brede ondersteuning
6.1 Beëindiging brede ondersteuning
1De brede ondersteuning eindigt wanneer de gemeente van oordeel is dat de rechthebbende een nieuwe start in het kader van herstel heeft kunnen maken, maar uiterlijk twee jaar na het eerste gesprek, zoals bedoeld in artikel 2.21, vierde lid, sub b, van de wet.
2Wanneer de inwoner die brede ondersteuning ontvangt, niet-rechthebbende blijkt te zijn, beëindigt de gemeente de brede ondersteuning binnen dertig dagen nadat de Dienst Toeslagen de gemeente hierover heeft geïnformeerd, zoals bedoeld in artikel 2.21, zesde lid, van de wet.
3De brede ondersteuning eindigt verder wanneer de rechthebbende:
a.om beëindiging van de brede ondersteuning verzoekt;
b.tijdens de uitvoering van de brede ondersteuning het contact met de gemeente weigert en ondanks herhaalde oproepen geen contact meer opneemt, waardoor de uitvoering van de brede ondersteuning naar oordeel van de gemeente niet langer mogelijk is.
4Wanneer de brede ondersteuning eindigt, bevestigt de gemeente dat via een beschikking waarin staat toegelicht waarom de ondersteuning eindigt.
5Wanneer de brede ondersteuning eindigt, nodigt de gemeente de rechthebbende uit om weer in contact te treden als daartoe de behoefte ontstaat.
6Wanneer de rechthebbende bij het beëindigen van de brede ondersteuning nog niet alle doelstellingen uit het plan van aanpak heeft bereikt, zorgt de gemeente in samenspraak met de rechthebbende voor een warme overdracht naar de reguliere ondersteuning.