Aanhef
Samenvatting
Voor een veilige, leefbare en toekomstbestendige stad
De gemeente IJsselstein staat voor grote opgaven. De druk op de woningmarkt neemt toe, de historische binnenstad moet met zorg worden behouden, economische vitaliteit staat onder spanning en inwoners ervaren op diverse plekken in de stad leefbaarheidsproblemen. Tegelijkertijd vraagt de Omgevingswet — samen met de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen en de Wet goed verhuurderschap — om een meer integrale en transparante uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving.
De uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&H-strategie) van IJsselstein maakt integraal onderdeel uit van de beleidscyclus van de Omgevingswet Daarmee vormt dit document de strategische basis voor het jaarlijkse Uitvoeringsprogramma (UVP), de uitvoering én de monitoring via het jaarverslag. Door deze koppeling ontstaat een continue cyclus van analyseren, prioriteren, uitvoeren en evalueren (Big-8), waarmee de kwaliteit van de leefomgeving duurzaam wordt geborgd.
In deze cyclus worden beleidskaders uit de Omgevingsvisie, het Omgevingsplan, de APV en bijzondere wetten expliciet verbonden met de uitvoering van VTH-taken. Door deze verbinding worden beleidsdoelen structureel omgezet in uitvoerbare keuzes voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. De strategie is daarbij een opmaat naar een meer integraal VTH-beleid voor de hele fysieke leefomgeving, dat wil zeggen voor het omgevingsrecht en voor VTH-openbare orde en veiligheid (VTH-OOV). Vooral voor VTH-OOV ligt er nog een ontwikkelopgave. Die is op hoofdlijnen beschreven in deze strategie en wordt in een apart spoor nader uitgewerkt.
Werken waar het echt nodig is: risico’s en maatschappelijke opgaven centraal
De gemeente richt haar VTH-inzet nadrukkelijk op de thema’s waar de risico’s voor veiligheid, gezondheid en leefbaarheid het grootst zijn. Dat betreft in het bijzonder constructieve veiligheid, brandveiligheid, strijdig gebruik, illegale (ver)bouw, horeca en evenementen, overlast en de kwaliteit van de openbare ruimte. Bij de inzet en uitvoering zijn daarbij de komende jaren de volgende doelstellingen en principes leidend:
> Veilige gebouwen: voorkomen van constructieve en brandonveilige situaties door gerichte toetsing en toezicht.
> Voorkomen van illegale (ver)bouw en sloop: vroegtijdige signalering, tijdige interventie en consequente handhaving.
> Beheersen van strijdig gebruik: tegengaan van ongewenste bewoning, short-stay, kamerverhuur en andere vormen van oneigenlijk gebruik.
> Veilige en verantwoorde horeca: actuele en handhaafbare exploitatie- en Alcoholwetvergunningen en programmatisch toezicht op naleving.
> Verbeteren van leefbaarheid in wijken: terugdringen van overlast, afvalproblematiek en ongewenst gebruik van de openbare ruimte.
> Veilige evenementen: tijdige toetsing, duidelijke voorschriften en effectief toezicht tijdens publieksevenementen.
> Informatiegestuurde inzet: werken op basis van meldingen, hotspots, risicoanalyses en trends in veiligheid en leefomgeving.
Deze risicobenadering is niet alleen een technische exercitie; het is een manier van werken die maatschappelijke waarde centraal stelt. Veilig gebruik van gebouwen, beheersing van overlast en behoud van ruimtelijke kwaliteit zijn randvoorwaarden voor een leefbare stad. De prioriteiten bepalen de diepgang van toetsing, de intensiteit van toezicht en de snelheid en zwaarte van handhaven.
VTH als partner in stedelijke ontwikkeling
IJsselstein ziet VTH niet als een uitvoeringsdomein dat aan de zijkant opereert, maar als een essentieel instrument om de doelen van de gemeente te realiseren.
> Bij de woningbouwopgave draagt VTH bij door voorspelbare en tijdige vergunningverlening, het faciliteren van woningtoevoeging in de bestaande voorraad (splitsen, optoppen, herbestemmen) en het beschermen van bewoners via de Wet goed verhuurderschap.
> Rond het erfgoed houdt VTH toezicht op instandhouding, biedt het maatwerk bij verduurzaming van monumenten en treedt het consequent op bij schade aan cultureel erfgoed.
> Bij bodemverstorende activiteiten (bijvoorbeeld bij sloop) het voortijdig betrekken van Archeologie om onherstelbare schade te voorkomen.
> Voor economie, recreatie en toerisme biedt VTH (snel) duidelijkheid over de geldende regels en procedures (zoals APV en Omgevingswet) en beoordeelt aanvragen vanuit een ‘ja, mits’-benadering. Zo worden initiatieven die bijdragen aan de vitaliteit van de binnenstad en het buitengebied – zoals kleinschalige logies en nieuwe publieksfuncties – zorgvuldig mogelijk gemaakt binnen de gestelde kaders. Tegelijk wordt strak gestuurd op actualiteit van exploitatie- en Alcoholwetvergunningen en wordt via de Wet Bibob misbruik van vergunningen tegengegaan.
> Voor veiligheid en leefbaarheid werken handhavers zichtbaar en gebiedsgericht, samen met politie, Cazas Wonen, Stichting Pulse, wijkbeheer de Veiligheidsregio Utrecht (VRU, brandveiligheid en crisisbeheersing) en de Omgevingsdienst Utrecht (ODU, milieu en bouw). Zij signaleren vroegtijdig onveilige situaties en dragen bij aan het normaliseren van overlast, afvalproblematiek en strijdig gebruik.
Basis op orde: noodzakelijke randvoorwaarden voor een betrouwbare uitvoering
Een belangrijke rode draad in dit beleidsplan is het versterken van de uitvoeringskwaliteit. De gemeente kiest voor het op orde brengen en houden van de basis. Dit betekent onder meer:
> Actuele vergunningen: Verouderde of onvolledige (exploitatie)vergunningen worden opgeschoond of geactualiseerd. Vergunningen worden zo opgesteld dat ze uitvoerbaar en handhaafbaar zijn, en standhouden in bezwaar en beroep.
> Professionalisering van toezicht: De inzet wordt risicogestuurd, informatiegestuurd en gebiedsgericht. Toezichthouders zijn zichtbaar aanwezig en beschikken over actueel inzicht in risicolocaties.
> Volledig en modern instrumentarium: Naast waarschuwingen en last onder dwangsom zet de gemeente — waar nodig — ook zwaardere instrumenten in, zoals bouw- of gebruiksstops, bestuurlijke boetes, intrekking van vergunningen en sluiting van panden. IJsselstein beschouwt handhaving als een verantwoordelijkheid richting veilige en rechtvaardige leefomgeving.
> Digitale informatievoorziening op orde: De ontwikkeling van dashboards en informatiegestuurde processen ondersteunt het maken van keuzes, het monitoren van resultaten en het verbeteren van beleid.
> Integraal samenspel tussen beleid en uitvoering: VTH wordt structureel betrokken bij de actualisering van het omgevingsplan en andere beleidskaders, zodat regels uitvoerbaar zijn en toezicht niet wordt geconfronteerd met onduidelijk of verouderd beleid.
Preventie voorop: naleving begint bij duidelijkheid
IJsselstein kiest voor een stevige preventieve aanpak. Door heldere informatie, toegankelijke procedures, tijdig vooroverleg en goede communicatie worden veel overtredingen voorkomen. Toezichthouders en boa’s vervullen een belangrijke signalerende rol en werken nauw samen met ODU, VRU, politie en sociaal domein. Preventie is daarmee niet alleen informeren, maar ook vroeg signaleren, begeleiden en bemiddelen waar dat nodig is.
Een consequente en voorspelbare overheid
De gemeente wil voorspelbaar zijn in haar handelen: duidelijke verwachtingen vooraf, duidelijke beslissingen tijdens vergunningverlening en duidelijke consequenties bij overtredingen. IJsselstein hanteert de Landelijke Handhavingsstrategie en laat zien dat handhaving geen toevalligheid is, maar een ordelijk en transparant proces waarbij risico’s, motieven en omstandigheden worden meegewogen. Herstel staat daarbij voorop.
Toekomstbestendige organisatie
Met de komst van de Omgevingswet wordt van gemeenten verwacht dat zij beschikken over een competente, robuuste en wendbare VTH-organisatie. IJsselstein investeert daarom in deskundigheid, rolzuiverheid, samenwerking met de ODU en VRU en een heldere P&C-cyclus waarin doelen, monitoring en evaluatie centraal staan. De landelijke kwaliteitscriteria 3.0 zijn daarbij een belangrijk ijkpunt. Ook voor VTH-OOV geldt een ontwikkelopgave: het structureel borgen van werkprocessen, actualiteit van vergunningen, programmatisch horecatoezicht, wijkgericht werken en vaste samenwerking met politie, VRU en partners in de wijken.
Sturing via uitvoeringsprogramma en (jaarlijkse)evaluatie
Deze U&H-strategie beschrijft het kader met prioriteiten, doelstellingen en de wijze van inzet van VTH voor vier jaar. De concretisering daarvan vindt jaarlijks plaats via een uitvoeringsprogramma, met operationele doelstellingen en KPI’s (“Wat dit jaar bereiken en presteren?”). Het jaarverslag laat zien wat daarvan is gerealiseerd en welke ontwikkelingen een bijstelling van beleid of inzet vragen. Zo ontstaat een zichtbare, toetsbare en lerende beleidscyclus.
Kortom
Met deze U&H-strategie kiest IJsselstein voor een uitvoerbare, toekomstbestendige en maatschappelijke waardevolle VTH-inzet. Een aanpak die ruimte biedt aan initiatieven, risico’s beheerst, veiligheid versterkt, leefomgeving beschermt en de ambities van de stad mede mogelijk maakt — in goede samenwerking met inwoners, ondernemers en partners.
7. Organisatie en kwaliteitsborging
Organisatie, samenwerking en borging financiële middelen
Organisatie
De uitvoering van de VTH-taken die betrekking hebben op de bouwtechnische aspecten van activiteiten en op milieu laat de gemeente uitvoeren door de ODU. De VTH-taken op basis van het omgevingsrecht die de gemeente zelf uitvoert zijn de toetsing van verzoeken om een omgevingsplan activiteit en de juridische handhaving en het afhandelen van bezwaar en beroep. De VRU is adviseur van de gemeente en de ODU waar het gaat om brandveiligheid en voert (geprioriteerde) controles uit op het brandveilig gebruik. De VTH-taken die betrekking hebben op openbare orde en veiligheid (OOV) worden geheel door de gemeente zelf uitgevoerd. De vergunningverlening (APV, bijzondere wetten) en ontheffingen worden verzorgd door het team ‘Klant’. Toezicht en handhaving gebeurt door het team ‘Veiligheid’.
De taken die de verschillende medewerkers hebben zijn (door de ODU, VRU en de gemeente) vastgelegd in functieomschrijvingen. Daarbij is er scheiding van functies tussen vergunningverlening, advies, toezicht en handhaving. Voor de uitvoering is in de basis de volgende capaciteit beschikbaar (peildatum 1 januari 2026).
VTH-Omgevingsrecht (Bouw en RO)
Het grootste deel van de VTH-taken omgevingsrecht wordt in opdracht van de gemeente door de ODU uitgevoerd. Voor de bouw- en RO-taken (inclusief erfgoed) is dit ruim 9 fte. Met de ODU is een (meerjarige) dienstverleningsovereenkomst afgesloten. Jaarlijks worden waar nodig maatwerkafspraken gemaakt. De gemeente doet zelf de plantoetsing en toetsing aan welstand, de juridische afwikkeling van de handhaving en de beleidsadvisering VTH.
Taakgebied
capaciteit (FTE) gemeente
capaciteit (FTE) ODU
Vergunningverlening (advisering RO)
0,6 fte
5,3 fte
Toezicht
-
3,3 fte
Juridische inzet*
0,2 fte
0,3 fte
Overige inzet VTH bouwtaken
0,5 fte
0,4 fte
Totaal
1,3 fte
9,3 fte
* Dit is de indicatieve inzet door de gemeente en de ODU; het gaat om meerdere fulltime en deeltijd-juristen. Bij de ODU worden deze fulltime ingezet op VTH. Bij de gemeente ook voor overige (bestuurlijk)juridische zaken. De juridische inzet van de ODU is verdisconteerd in de diverse producten en is op het moment van opstellen van de U&H-strategie niet separaat aan te geven.
VTH-OOV
De uitvoering van de VTH-OOV taken gebeurt door de gemeente zelf. De capaciteit is daarbij verdeeld over drie teams: Klant (vergunningen), Handhaving (toezicht en handhaving) en Veiligheid (beleid, ondersteuning Bibob). Voor de uitvoering van de VTH-OOV taken is circa 10 fte beschikbaar.
Taakgebied
Aantal medewerkers
capaciteit (FTE)
Vergunningverlening APV en bijzondere wetten
2
1,8 fte
Toezicht en handhaving
7
7,0 fte
Handhaving (juridische inzet)
1
0,8 fte
Overige inzet VTH OOV (ondersteuning Bibob)
1
0,1 fte
Totaal
11
9,7 fte
De weergegeven capaciteit is een momentopname van de uren die de gemeente beschikbaar heeft voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Deze raming geeft inzicht in de basisinzet per taakveld, maar is geen exacte weergave van de feitelijke inzet gedurende het jaar. De feitelijk benodigde én beschikbare capaciteit wordt telkens jaarlijks vastgesteld in het uitvoeringsprogramma VTH, waarin actuele ontwikkelingen, risico’s, prioriteiten en trends worden meegewogen. Met het oog op een betere voorspelling van de benodigde eigen gemeentelijke capaciteit investeert de gemeente in de ontwikkeling van eigen kengetallen, het (nog beter) monitoren van ede uitvoering en het op basis daarvan bijsturen van de uitvoering.
Samenwerking
De uitvoering van de VTH-taken in IJsselstein is sterk afhankelijk van een goede samenwerking met de belangrijkste ketenpartners. Met de Veiligheidsregio Utrecht (VRU) en de Omgevingsdienst Utrecht (ODU) zijn de afspraken vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst en jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s. Daarin staan de taken, verantwoordelijkheden, producten, kwaliteitsafspraken en rapportages die deze organisaties voor de gemeente uitvoeren. De VRU richt zich daarbij vooral op brandveiligheid, evenementenveiligheid en risicobeheersing, terwijl de ODU verantwoordelijk is voor vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van milieu en specialistische bouw- en gebruikstaken. Beide organisaties rapporteren periodiek over hun inzet en resultaten, en stemmen programmatisch af met de gemeente.
Met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) heeft de gemeente afspraken over afstemming in ruimtelijke processen, watervergunningen, waterveiligheid en signalering in het buitengebied. Deze samenwerking is niet in een afzonderlijke DVO vastgelegd, maar is een vast onderdeel van de reguliere omgevingsprocessen, het projectoverleg en de advisering bij vergunningen en plannen.
De samenwerking met politie en Openbaar Ministerie verloopt via de lokale driehoek (burgemeester, politie en OM). Binnen dit overleg worden de prioriteiten op het gebied van openbare orde, veiligheid en ondermijning vastgesteld. Ook worden gezamenlijke toezicht- en handhavingsacties gecoördineerd, bijvoorbeeld rondom horeca, evenementen, jeugdoverlast en ondermijning. Het strafrecht speelt in het kader van bouw- en sloopactiviteiten en erfgoed een zeer beperkte rol. Afstemming vindt casusgericht plaats. Dat wil zeggen beperkt zich tot het doen van aangifte of het zoeken van afstemming bij gevaarlijke situaties in de vorm van brand- of instortingsgevaar, schade, letsel of een vermoeden van ondermijning. De afstemming met de politie in het kader van milieubelastende activiteiten loopt via de ODU. In bijlage 7 is een volledig overzicht van de ketenpartners opgenomen.
Taakverdeling
De gemeente is bevoegd gezag en verantwoordelijk voor kaderstelling, prioritering, regie en juridische handhaving. De ODU voert de gemandateerde uitvoerende taken uit (o.a. technische bouwtoets, bouwtoezicht en milieutaken) en rapporteert periodiek over voortgang en bevindingen. De VRU levert waar van toepassing advies en/of toezicht op brandveiligheidsaspecten. De jaarlijkse werkafspraken worden vastgelegd in het UVP.
Financiële middelen
De benodigde financiële middelen voor de formatie zijn conform artikel 13.10 van het Omgevingsbesluit (meerjarig) geborgd in de begroting. Waar nodig zijn incidentele middelen beschikbaar. De middelen dekken de volledige VTH-keten: vergunningverlening, toezicht, handhaving, juridische afhandeling van bezwaar en beroep, administratieve ondersteuning, beleidsontwikkeling en kwaliteitsborging. Voor taken die direct samenhangen met vergunningverlening worden leges geheven, waarmee een deel van de uitvoeringskosten wordt gedekt. De gemeentelijke algemene middelen voorzien in de financiering van toezicht, handhaving en overige VTH-taken waarvoor geen leges kunnen worden geheven.
In de meerjarenbegroting is structureel € 2,28 mln opgenomen voor de inzet van de ODU, waarvan € 1,15 mln voor de VTH-bouwtaken, en € 127.000 voor de eigen inzet van de gemeente (juridische capaciteit, advisering vanuit RO). Totaal € 1,64 mln. Daarnaast zijn er financiële middelen beschikbaar voor een flexibele inzet van de ODU. De jaarlijkse inzet van de ODU voor de uitvoering van de VTH-taken omgevingsrecht. In 2025 was dit circa € 500.000. Voor de inzet van VTH-OOV is structureel € 2,09 mln opgenomen in de meerjarenbegroting.
Meerjarenbegroting
2026
2027
2028
2029
Vaste formatie ODU (VTH-bouwtaken)
€ 1,51 mln
€ 1,51 mln
€ 1,51 mln
€ 1,51 mln
Vaste formatie ODU (VTH-milieutaken)
€ 771.000
€ 771.000
€ 771.000
€ 771.000
Incidentele middelen
p.m.
p.m.
p.m.
p.m.
Eigen formatie gemeente VTH-omgevingsrecht
€ 127.000
€ 127.000
€ 127.000
€ 127.000
Formatie OOV
€ 2,09 mln
€ 2,09 mln
€ 2,09 mln
€ 2,09 mln
Voor de taken die bij de ODU zijn ondergebracht is een (meerjarige) dienstverleningsovereenkomst afgesloten. De benodigde middelen daarvoor zijn in de meerjarenbegroting (programma’s 2. Openbare Orde en Veiligheid en 3. Wonen en Ruimte) vastgelegd. In inzet en middelen worden jaarlijks waar nodig op maat bijgesteld. Op basis van de jaarlijkse prognoses van werkvoorraad en de capaciteitsramingen wordt beoordeeld of de beschikbare middelen toereikend zijn. Indien tijdens het jaar afwijkingen in werkdruk of taakvolume ontstaan, kan het college besluiten tot bijsturing binnen de beschikbare budgetten of tot een aanvullende financiële afweging in de P&C-cyclus. Hiermee wordt verzekerd dat de gemeente de VTH-taken continu, zorgvuldig en binnen de wettelijke kwaliteitseisen kan blijven uitvoeren.
Kwaliteitsborging
Heldere rolverdeling, functiescheiding en juridisch fundament
Kwaliteit vraagt om een duidelijke verdeling van rollen en verantwoordelijkheden. Functiescheiding tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving – en tussen bouw- en gebruiksfase – waarborgt objectieve besluitvorming. Rolzuiverheid wordt uitgangspunt: de adviseur adviseert, de vergunningverlener toetst en besluit, en de toezichthouder/handhaver controleert en treedt op. Afwijken van deze lijn kan uitsluitend na een expliciet collegebesluit. Er wordt gewerkt met actuele beleidsregels en worden vergunningen, met name exploitatievergunningen, geactualiseerd om een stevig en handhaafbaar juridisch fundament te behouden.
Deskundigheid
Door het onderbrengen van een groot deel van de VTH-taken bij de ODU is de kwaliteit van de uitvoering geborgd. Hiermee voldoet IJsselstein aan de vereisten uit artikel 13.6 (deskundigheid), 13.7 (continuïteit) en 13.8–13.9 (organisatorische kwaliteit en functiescheiding).
Kwaliteitsborging door de ODU
De ODU borgt de kwaliteit van de uitvoering door te werken met vastgestelde werkprocessen, toezicht- en handhavingsstrategieën, die regionaal uniform zijn afgestemd. Zij monitort systematisch de uitvoering, koppelt output en outcome in rapportages en toetst steekproefsgewijs of werkafspraken met ketenpartners worden nageleefd. Daarnaast worden kwaliteitsdoelen gehanteerd voor vergunningverlening, toezicht, handhaving en dienstverlening, waarmee de naleving van wettelijke kwaliteitseisen wordt geborgd. Jaarlijks vindt evaluatie plaats met de deelnemende gemeenten, waarbij prioriteiten, inzet en strategieën worden bijgesteld. Ook zorgt de ODU voor deskundigheid, continuïteit en objectiviteit in de uitvoering, onder meer via functiescheiding en rollen die onafhankelijk van het bevoegd gezag kunnen opereren.
Jaarlijks wordt getoetst of wordt voldaan aan de landelijke kwaliteitscriteria 3.0. Waar dat niet het geval is worden zo nodig aanvullende maatregelen getroffen. Daar waar de gemeente niet zelfstandig over voldoende kritieke massa beschikt om bepaalde complexe taken uit te voeren, brengt de gemeente die uitvoering onder bij de ODU, wordt ondersteuning gezocht via intergemeentelijke samenwerking of externe expertise. De gemeente motiveert in dergelijke gevallen welke aanvullende maatregelen worden getroffen om alsnog te voldoen aan de eisen van deskundigheid, onafhankelijkheid en zorgvuldige oordeelsvorming, conform de systematiek uit artikel 13.9 van het Omgevingsbesluit. Door het onderbrengen van de taken bij de ODU is ook de continuïteit in de uitvoering geborgd.
Goede verbinding tussen VTH-omgevingsrecht en OOV
Veel vraagstukken in de stad raken meerdere wettelijke domeinen tegelijk: strijdig gebruik, brandveiligheid, horeca, evenementen en leefbaarheid in wijken. Een sterke verbinding tussen VTH-omgevingsrecht (gemeente en ODU) en VTH-OOV is essentieel. Afstemming vindt zowel plaats via gezamenlijke casuïstiekbespreking als via het ‘ogen-en-oren-principe’, waarbij toezichthouders, handhavers en ODU-toezichthouders elkaar informeren over risico’s, signalen en ontwikkelingen. Dit bevordert een integrale aanpak van strijdig gebruik, brandveiligheid, horeca, evenementen en leefbaarheidsvraagstukken in de wijken. De verbinding tussen de VTH-taken omgevingsrecht en VTH-OOV wordt daarom verder versterkt.
Ontwikkelopgave OOV
De komende jaren ligt er voor VTH-OOV een duidelijke opgave om te groeien naar een meer risico- en informatiegestuurde, gestructureerde en professioneel geborgde uitvoering. Dat geldt vooral in de horeca, evenementen en toezicht in de openbare ruimte. De basisstructuur van het team handhaving is op orde, maar verdere verbetering van processen, werkafspraken en kwaliteit is nodig. Dit vraagt om het actualiseren en vastleggen van werkprocessen en werkinstructies, het aanwijzen van taakaccenthouders, het op orde brengen van middelen en faciliteiten en vaste overleg- en afstemmingsmomenten. Opleiding en training blijven essentieel, net als de verdere ontwikkeling van de wijkboa. Ook wordt de samenwerking met politie, VRU, ODU en interne teams structureel versterkt via een handhavingsarrangement en duidelijke afspraken over rollen en informatie-uitwisseling.
Gesloten beleids- en uitvoeringscyclus
Een goed sluitende beleids- en uitvoeringscyclus is essentieel om de kwaliteit van de uitvoering duurzaam te waarborgen. Daarbij is het van belang dat de beleidscyclus van de Omgevingswet en de VTH-cyclus – zowel voor het omgevingsrecht als voor de OOV-taken – naadloos op elkaar aansluiten. Dit begint met het jaarlijks vaststellen van prioriteiten, gebaseerd op trends, signalen, risico’s, nieuwe opgaven en de ervaringen uit de uitvoering. Deze prioriteiten worden vervolgens nader gespecificeerd in het uitvoeringsprogramma, waarin de inzet van zowel de ODU als de gemeentelijke organisatie wordt vertaald naar duidelijke keuzes en de centrale vraag wordt beantwoord: wat moet dit jaar met de beschikbare inzet worden bereikt?
Door het jaar heen wordt de voortgang samen met de ODU gemonitord. Dit gebeurt aan de hand van kwartaalgesprekken en managementrapportages. De monitoring is enerzijds de basis om waar nodig te kunnen bijsturen. Dat wil zeggen in inzet (capaciteit), prioriteiten en aanpak. Daarbij gaat het zowel om een goede bedrijfsvoering als om het sturen op resultaten (en effecten). Anderzijds is de monitoring een belangrijke basis voor de verantwoording naar de gemeenteraad en evaluatie. De laatste kan – samen met een jaarlijkse actualisering van de omgevings- en risicoanalyse – aanleiding zijn om het uitvoeringsbeleid bij te stellen en het nieuwe uitvoeringsprogramma op te stellen.
Uitvoeringsagenda 2026-2027
In het proces om tot de U&H-strategie te komen is duidelijk geworden dat organisatie en uitvoering op een aantal punten nog een ontwikkelopgave ligt. Enerzijds gericht op het voldoende in controle kunnen met het oog op de kwaliteit, doelmatigheid en continuïteit in de uitvoering. Anderzijds gericht op een goed samenspel tussen beleid en uitvoering én tussen de gemeente en de ketenpartners, waaronder de Omgevingsdienst Utrecht (ODU). De belangrijkste elementen van de ontwikkelopgave in brede zin zijn samengevat als volgt:
•Het meer informatiegestuurd werken en het daartoe opzetten en doorontwikkelingen van een goed dashboard/monitoringsysteem om zowel bedrijfsmatig als beleidsmatig (de resultaten van) de uitvoering te kunnen monitoren en in de beleids- en uitvoeringscyclus te kunnen bijsturen
•Het beter verankeren van de koppeling tussen beleid en uitvoering en vooral de terugkoppeling van uitvoering naar beleid. Dit heeft onder andere gevolgen voor de wijze van rapporteren over de uitvoering, ook door de ODU: meer gericht op voor het beleid en de gemeente relevante inhoudelijke bevindingen (realisatie doelstellingen, relevante ontwikkelingen) en niet alleen of vooral op inzet en productie.
•Het in beter in balans brengen van prioriteiten, doelstellingen en capaciteit door het gebruik van een goed calculatiemodel met prognoses over de werkvoorraad en (eigen) kengetallen voor de inzet.
•Een verbetering van het samenspel met en aansturing van de ODU, inclusief de wijze van rapporteren.
•Investeren in deskundigheidsontwikkeling.
Voor de realisatie van de uitvoeringsagenda wordt een plan van aanpak opgesteld.
Bijlage 2: Uitvoeringskader preventie
Doel en uitgangspunten
Preventie vormt de basis van de VTH-aanpak van IJsselstein. Door vroegtijdig inzicht, duidelijke communicatie en samenwerking met inwoners, ondernemers en partners, wil de gemeente overtredingen voorkomen en naleving bevorderen. Preventie draagt zo bij aan een veilige, leefbare en duurzame stad. De belangrijkste uitgangspunten:
> Voorkomen is beter dan handhaven: voorkomen dat overtredingen ontstaan door onduidelijkheid of gebrek aan kennis.
> Heldere communicatie: regels, procedures en verwachtingen worden begrijpelijk uitgelegd.
> Samenwerking en signalering: toezichthouders, handhavers, VRU en ODU fungeren als oren en ogen in de stad.
> Participatie en vertrouwen: inwoners en ondernemers worden actief betrokken bij plannen en besluiten.
Invulling preventie
Preventie wordt vormgegeven door:
Inzicht en vroegsignalering
Voldoende zicht op wat er speelt in de wijken, bedrijventerreinen en het buitengebied is essentieel.
> Toezichthouders, handhavers, wijkregisseurs en de ODU voeren gebiedsschouwen uit om risico’s vroegtijdig te signaleren (verrommeling, strijdig gebruik, brandveiligheid, ondermijning).
> Bevindingen worden structureel gedeeld in de integrale wijkaanpak en gebruikt voor het uitvoeringsprogramma.
> Er wordt gewerkt aan een informatiegestuurde werkwijze, waarin toezicht- en vergunningsdata worden gekoppeld aan meldingen en klachten.
2Voorlichting en communicatie
Duidelijke en toegankelijke informatie voorkomt veel overtredingen.
> De gemeente verzorgt voorlichting via website, sociale media en wijkcommunicatie over regels, procedures en vergunningplichten.
> In elk contactmoment (aanvraag, melding, toezicht) wordt uitleg gegeven over regelgeving en veilig gedrag.
> Jaarlijks wordt een thema-campagne uitgevoerd (bijv. brandveiligheid in panden, afval in de wijk, bouwen zonder vergunning).
> In samenwerking met ODU en VRU wordt ingezet op bewustwording rond duurzaamheid, brandveiligheid en milieuregels.
Voorlichting en communicatie vindt plaats in samenspel met de afdeling communicatie van de gemeente.
3Vooroverleg en conceptverzoeken
Initiatiefnemers kunnen plannen vooraf bespreken om onnodige procedures te voorkomen.
> De gemeente biedt ruimte voor vooroverleg bij complexe initiatieven en conceptverzoeken via het DSO.
> Daarbij wordt getoetst aan het omgevingsplan en de beleidskaders.
> Positieve conceptadviezen geven richting aan verdere planuitwerking; bij negatieve adviezen wordt gewezen op alternatieven of mogelijkheden tot aanpassing.
4Bemiddeling en participatie
Wanneer (nog) geen overtreding is vastgesteld, maar wel overlast of spanning bestaat, zet de gemeente bemiddeling in.
> De bemiddeling richt zich op het vinden van aanvaardbare oplossingen voor alle betrokken partijen.
> Handhavers, Stichting Pulse of toezichthouders VTH kunnen optreden als neutrale gesprekspartner.
> Deze aanpak voorkomt escalatie en draagt bij aan begrip en naleving vanuit de samenleving.
5Lerende organisatie en feedback
Preventie is ook leren van ervaring. Bevindingen uit toezicht, klachten en vergunningverlening worden periodiek geëvalueerd. Deze signalen leiden tot verbetering van planregels, beleidskaders en communicatie. Er wordt een jaarlijkse evaluatie opgenomen in het VTH-jaarverslag met aandacht voor effecten van preventie.
Monitoring preventiestrategie
Doel inzet preventie
Indicator
Meetmoment
Escalatie voorkomen
Percentage bemiddelingstrajecten dat leidt tot de-escalatie van de situatie zonder handhaving (KPI: 70%).
Jaarlijks
Bijlage 3: Uitvoeringskader vergunningverlening
1Doel en uitgangspunten
De vergunningverlening is het startpunt voor een veilige, gezonde en goed georganiseerde leefomgeving.
Het doel van de vergunningverlening is:
> Het mogelijk maken van initiatieven die bijdragen aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
> Het beoordelen en borgen van veiligheid, leefbaarheid en duurzaamheid via duidelijke en consistente toepassing van regelgeving.
> Het voorkomen van overtredingen door een voorspelbaar en transparant proces.
> Het bevorderen van vertrouwen tussen overheid, inwoners en ondernemers door tijdige, zorgvuldige en toegankelijke besluitvorming.
De vergunningverlening is daarmee de eerste schakel in de nalevingsketen en draagt rechtstreeks bij aan de veiligheid, leefbaarheid en kwaliteit van IJsselstein.
Vergunningverlening vindt plaats binnen de uitgangspunten van de Omgevingswet, de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) en de Wet VTH. Voor IJsselstein gelden de volgende leidende principes:
> Mogelijk maken waar het kan, begrenzen waar het moet: Ontwikkelingen worden gefaciliteerd zolang deze passen binnen het omgevingsplan, beleid en wetgeving.
> Integrale afweging: Alle relevante belangen – ruimtelijk, bouwkundig, milieutechnisch, brandveilig, cultuurhistorisch en sociaal – worden in samenhang beoordeeld.
> Gebiedsgericht en risicogericht werken: De inzet van capaciteit en diepgang van de toetsing hangen af van de risico’s voor veiligheid, gezondheid, milieu en leefkwaliteit.
> Zorgvuldigheid en rechtsgelijkheid: Vergunningen worden getoetst op basis van actuele wet- en regelgeving, beleidsregels en vastgestelde toetsingskaders.
> Transparante dienstverlening: Inwoners en ondernemers worden tijdig geïnformeerd over procedures, vereisten en termijnen via het DSO en persoonlijk contact.
> Samenwerking en kennisdeling: Vergunningverlening gebeurt in nauwe samenwerking met de ODU (bouw/milieu/erfgoed), VRU (brandveiligheid), MooiSticht (welstand en erfgoed) en OOV/politie (veiligheid/Bibob).
Toetsingskaders
Voor het behandelen en beoordelen van aanvragen hanteren wij de volgende vaste toetsingskaders. Deze kaders komen voort uit de wet en/of ons vastgestelde beleid.
Omgevingswet, Omgevingsbesluit, Omgevingsregeling
De Omgevingswet (Ow), Omgevingsbesluit (Ob), Omgevingsregeling (Or) bieden het algemene landelijk kader voor de beoordeling en toetsing van aanvragen omgevingsvergunningen. In deze wettelijke regelingen staan alle algemene wettelijke eisen voor het indienen en behandelen van aanvragen omgevingsvergunningen. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet betreft het de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling. Daarnaast wordt het onder de Omgevingswet mogelijk om in het omgevingsplan bijvoorbeeld de indieningseisen voor het indienen van aanvragen omgevingsvergunningen vast te leggen.
Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl)
Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) geeft landelijk geldende regels voor de technische eisen waaraan bouwwerken dienen te voldoen.
Omgevingsplan
De gemeente toetst iedere omgevingsvergunningaanvraag aan de geldende planologische kaders. Deze liggen voornamelijk vast in het geldende (tijdelijk) omgevingsplan, waarin regels zijn opgenomen over onder andere de geldende bestemmingen, definities, gebruiksvoorschriften, bouwvoorschriften, afwijkingsregels en overgangsregels. Doel hiervan is om de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente IJsselstein te beschermen en te borgen. Indien een aanvraag niet past binnen de geldende planologische kaders kan in bepaalde gevallen alsnog een vergunning verleend worden, bijvoorbeeld door middel van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse-) omgevingsplanactiviteit (Opa of Bopa). Er wordt dan getoetst of het initiatief voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Toetsing vindt plaats aan de hand van het beleid of een bij de aanvraag ingediende ruimtelijke onderbouwing.
Slopen
De gemeente heeft de taak risico's die kunnen ontstaan bij de sloop van bouwwerken en asbestverwijdering door particulieren, beheersbaar te houden. Als dergelijke activiteiten worden uitgevoerd is men wettelijk verplicht dit minimaal vier weken, en in sommige specifieke gevallen binnen vijf dagen, van tevoren te melden conform het Bouwbesluit 2012 art. 1.26 en/of het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (per 1 januari 2024 voornamelijk Besluit bouwwerken leefomgeving, Bbl). Een dergelijke melding moet binnen acht dagen gedaan worden als het een melding asbestverwijdering door particulieren betreft.
Slopen binnen een gebied met een archeologische verwachtingswaarde kan schade aan archeologisch erfgoed opleveren. Bij sloopwerkzaamheden in een gebied met archeologische verwachtingswaarde moet de initiatiefnemer eerst in het omgevingsplan controleren of een archeologisch onderzoek vereist is, omdat de bodem wordt verstoord. Als de ingreep boven de drempelwaarden komt, moet hij een gecertificeerd archeologisch bureau inschakelen en het onderzoeksrapport meesturen met de omgevingsvergunning. Tijdens de uitvoering geldt de meldplicht voor toevalsvondsten, waarbij het werk tijdelijk moet worden stilgelegd. Het opzettelijk achterwege laten van een melding is op grond van de Wet economische delicten (WED) strafbaar.
APV-vergunningen/ontheffingen/meldingen
In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) heeft de gemeente de mogelijkheid om voor activiteiten die in de leefomgeving plaatsvinden regels op te nemen. Doel hiervan kan liggen in de bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en/of de bescherming van het milieu.
Intrekken van vergunningen
Oude ongebruikte vergunningen kunnen worden ingetrokken. Hiervoor passen we ons beleid Beleidsregels intrekken omgevingsvergunning (artikel 5.39 en 5.40 Omgevingswet) toe.
Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)
Met de invoering van de Wkb per 1 januari 2024 dient de opdrachtgever voor bouwwerken die binnen Gevolgklasse 1 (vooralsnog alleen nieuwbouw) vallen een Bouwmelding in te dienen. Deze melding dient uiterlijk 4 weken voor de start van de bouw gedaan te zijn. Twee dagen voor de start van de bouwwerkzaamheden dient er een startmelding gedaan te zijn. Aan het eind van het bouwproces dient er een gereedmelding gedaan te worden. Het zogenaamde dossier bevoegd gezag wordt dan ingediend bij de gemeente. Hierin dient onder andere de akkoordverklaring van de kwaliteitsborger aanwezig te zijn. De belangrijkste rol van de gemeente heeft betrekking op:
> Beoordelen en registreren van de bouwmelding en bij oplevering de gereedmelding.
> Controleren tijdens de bouw van aspecten die buiten de Wkb vallen (omgevingsplan, brandveilig gebruik)
> Handhaven in situaties waar bijvoorbeeld wordt gebouwd zonder melding, de kwaliteitsborger niet gecertificeerd is of de kwaliteitsborger geen akkoordverklaring kan afgeven.
Evenementenvergunning/-melding
In de APV (art. 2.24 en 2.25) is geregeld wanneer voor een evenement een vergunning is vereist of wanneer kan worden volstaan met een melding. Een aanvraag voor een evenementenvergunning wordt getoetst aan zowel de APV als aan landelijke wet- en regelgeving. Zodra een aanvraag ontvankelijk is wordt advies gevraagd aan interne en externe adviseurs. Als de vergunning kan worden verleend of de melding voldoet, wordt deze verzonden en gepubliceerd.
Exploitatievergunning
Voor de exploitatie van een openbare inrichting is op grond van de APV (art. 2.27 en 2.28) een vergunning van de burgemeester vereist. In de APV staan tevens categorieën genoemd waarvoor de vergunningplicht niet geldt of wanneer er een ontheffing van de vergunningplicht kan worden verkregen. In de APV staan de toetsingsgronden vermeldt. Er wordt onder andere gekeken naar het omgevingsplan, het levensgedrag van de ondernemer en de leefbaarheid in de directe omgeving van de openbare inrichting. Zodra een aanvraag ontvankelijk is en de benodigde adviezen zijn ontvangen, wordt deze inhoudelijk beoordeeld en vindt besluitvorming plaats. Een exploitatievergunning is persoonsgebonden en niet overdraagbaar.
Alcoholwet
De Alcoholwet (Aw) vereist dat ieder bedrijf of organisatie die alcoholhoudende dranken schenkt en/of verkoopt daarvoor een vergunning/ontheffing bezit. De aanvraag/ontheffing wordt getoetst aan persoonseisen (leeftijd, onbesproken gedrag, niet onder curatele), inrichtingseisen (minimale afmetingen, toezicht, geen onverenigbare activiteiten) en eisen aan de leidinggevende (aanwezigheid). Het eventueel uitvoeren van een Bibob-toets is gekoppeld aan het aanvragen van een exploitatievergunning (als voorwaarde voor een Aw-vergunning. De Aw-vergunning is persoons- en inrichting-gebonden en is voor onbepaalde tijd afgegeven.
Wet Bibob
De Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur), geeft de gemeente de mogelijkheid de achtergrond van een bedrijf of persoon te laten onderzoeken. Als er ernstig gevaar dreigt dat de vergunning of de subsidie wordt misbruikt voor criminele activiteiten, dan kan de gemeente de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning of subsidie intrekken. De gemeente IJsselstein past de Wet Bibob risicogestuurd toe. In de interne Bibob-beleidsregels (2018) is vastgelegd dat bij bepaalde vergunningen en transacties altijd een Bibob-toets wordt uitgevoerd (moet-bepaling). Dit geldt onder meer voor:
> Vergunningen voor seksinrichtingen en escortbedrijven;
> Aanvragen binnen aangewezen risicobranches (zoals afvalverwerking, kamer- en logiesverhuur, wellness, autohandel, smart- en growshops, sportscholen, vechtsportgala’s en shisha-lounges);
> Aanvragen binnen daartoe op basis van art. 2.76 APV aangewezen risicogebieden;
> Situaties waarin de officier van justitie om een Bibob-advies verzoekt.
Daarnaast kan de gemeente een Bibob-toets uitvoeren wanneer daar signalen of indicatoren voor zijn (kan-bepaling), bijvoorbeeld bij:
> Aanvragen voor een exploitatie- of evenementenvergunning, Alcoholwetvergunning of omgevingsvergunning voor bouwen;
> Vastgoedtransacties, subsidies en overheidsopdrachten.
De inzet is om de komende jaren toe te werken naar een bredere inzet van Bibob op meerdere terreinen, wat wil zeggen niet alleen VTH. Dit als onderdeel van de ontwikkelopgave van OOV.
Toetsingssystematiek en toetsniveaus Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
De bedoeling van de Omgevingswet is dat initiatiefnemers meer ruimte krijgen voor initiatieven maar ook zelf meer verantwoordelijkheid hebben voor deze initiatieven. Overheden, ondernemers én inwoners zijn (samen) verantwoordelijk voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. En dus niet alleen de overheid. Het risicogericht werken volgt deze gedachtenlijn. Door risicogericht te werken zet IJsselstein de beschikbare capaciteit in daar waar de (bouw en omgevings)risico’s het grootst zijn en waarvoor onze deskundigheid en kennis (het meest) nodig is. Deze verdeling in inzet is gelegitimeerd omdat bij de behandeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen moet worden bepaald of het aannemelijk is dat aan deze normen wordt voldaan. Deze aannemelijkheidstoets biedt enige ruimte om te kunnen variëren in diepgang van toetsing. Door risicogericht te werken kunnen activiteiten met een verlaagd risico minder uitputtend worden getoetst dan activiteiten met een verhoogd risico.
Bij het risicogericht toetsen komt de prioritering van de activiteiten, zoals bepaald in de risicoanalyse, samen met het diepteniveau waarop een aanvraag om een omgevingsvergunning getoetst wordt aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij het toetsniveau wordt uitgegaan van het toetsprotocol (LTB 2025 Bbl BrisToets) van de Vereniging van Bouw- en woningtoezicht (Vbwt). De gemeente gaat net als de Vbwt uit van vier toetsniveaus die van toepassing kunnen zijn op de bepalingen in het Bbl. In het protocol zijn de toetsniveaus gespecificeerd voor de verschillende gebruiksfuncties (wonen, bijeenkomsten, celfuncties, gezondheidszorg, industrie, kantoor, logies, onderwijs, sport, winkelfunctie, overige).
De keuze voor het toe te passen toetsniveau vindt plaats op basis van de in deze U&H-strategie vastgestelde risicosturing en prioritering. Activiteiten en bouwwerken met een verhoogd risicoprofiel worden met meer diepgang beoordeeld dan activiteiten met een beperkt risicoprofiel.
Ter operationalisering van deze risicosturing hanteert de Omgevingsdienst Utrecht (ODU) een regionaal afgestemd categoriemodel. Dit model wordt toegepast door de gemeenten die de bouwtaken bij de ODU hebben belegd en dient als indelingsinstrument om aanvragen op basis van risicokenmerken toe te delen aan een bepaald toetsniveau (bijvoorbeeld globaal, representatief of integraal).
Voor de inhoudelijke beoordeling van aanvragen maakt de ODU gebruik van het vastgestelde toetsprotocol (BrisToets/VBWT). In dit protocol is per activiteit en per toetsniveau uitgewerkt welke onderdelen en voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) worden beoordeeld.
Het categoriemodel bepaalt daarmee het niveau van toetsing, terwijl het inhoudelijke toetsprotocol vastlegt welke voorschriften en onderdelen binnen dat niveau worden getoetst. Beide instrumenten vormen gezamenlijk de technische uitwerking van de in deze strategie vastgestelde risicogestuurde aanpak.
Toetsniveau
Omschrijving
4Zeer hoog risico: Integraal toetsen
Alles toetsen. Getoetst wordt of de uitgangspunten die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten getoetst/nagerekend.
3Hoog risico: Representatief toetsen
Toetsing van de belangrijkste onderdelen. Getoetst wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. De na te rekenen aspecten worden bepaald op basis van de resultaten van de visuele toets.
2Gemiddeld risico: Visueel toetsen
Kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk? Getoetst wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn.
1Laag risico: Uitgangspunten toetsen
Bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Getoetst wordt of de globale uitgangspunten op de stukken, die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergeven. Als gegevens niet aanwezig zijn de ontvankelijkheidtermijn is verstreken zonder dat de gemeente hiervan melding heeft gegeven, dan kan de vergunning hier niet meer op worden aangehouden/geweigerd.
Naast de vaste risicobepaling en de daarbij behorende toetsniveaus is er, te allen tijde ruimte om op basis van kennis en kunde per aanvraag om omgevingsvergunning een inschatting te maken of het bepaalde toetsniveau in dat specifieke geval adequaat is. In de praktijk betekent dit dat er in specifieke gevallen gemotiveerd afgeweken kan worden van het vastgelegde niveau.
Belangrijk uitgangspunt bij de uitvoering is dat het toezichtniveau (hoe vaak en hoe gedetailleerd controleren?) bij een bouwactiviteit gelijk is aan het toetsniveau bij een vergunningverzoek.
Het niet toetsen van een aanvraag om een omgevingsvergunning aan de bouwtechnische eisen uit het Bbl (‘toetsniveau 0’) kwam voorheen niet voor. Met de komst van de Wkb is echter de rol van de gemeente tijdens het bouwproces veranderd. De inwerkingtreding van de Wkb heeft aan de voorkant tot gevolg dat er in het kader van vergunningverlening geen bouwtechnische toets meer plaatsvindt voor gevolgklasse 1 bouwwerken (vooralsnog alleen nieuwbouw, later ook verbouw). De preventieve toets van het bouwplan aan de bouwregelgeving vooraf wordt vervangen door toetsing en toezicht door private kwaliteitsborgers. Het betreft (met uitzondering van monumenten en archeologie en als er sprake is van constructieve gelijkwaardigheden) de volgende gevolgklasse 1 bouwwerken:
> Vrijstaande eengezinswoningen, twee-onder-een-kapwoningen en rijtjeswoningen, inclusief eventuele garages en andere soorten aanbouwen;
> Woonboten en andere drijvende woningen;
> Vakantiehuisjes en andere vakantieverblijven;
> bedrijfshallen en fabriekspanden incl. bijbehorende gebouwen van maximaal twee verdiepingen;
> Fiets- en voetgangersbruggen;
> Overige bouwwerken bedoeld voor wegen (geen viaducten en dergelijke), vaarwegen, stroomvoorziening, en dergelijke als ze niet hoger dan 20 meter zijn.
Voor het behandelen en beoordelen van aanvragen hanteren wij de volgende vaste toetsingskaders. Deze kaders komen voort uit de wet en/of ons vastgestelde beleid.
Algemene werkwijze
De vergunningverlening sluit aan op het procesmodel van de Omgevingswet en volgt een uniforme, transparante en risicogerichte werkwijze. Het proces omvat de fasen van aanvraag tot start toezicht. Vergunningaanvragen en meldingen met betrekking tot de Omgevingswet (Ow) worden ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), dat gekoppeld is aan het zaaksysteem. Aanvragen en meldingen voor milieubelastende activiteiten (Mba’s) worden rechtstreeks doorgestuurd naar de ODU. Via de samenwerkingsmodule binnen het DSO vindt afstemming plaats met ketenpartners zoals de VRU, MooiSticht en het Waterschap.
1Intake en vooroverleg
Initiatiefnemers kunnen plannen vooraf bespreken via een informatieverzoek, vooroverleg of conceptaanvraag. Het informatieverzoek is bedoeld om op hoofdlijnen te toetsen of een plan haalbaar is. In het vooroverleg worden vervolgens de relevante beleids- en juridische kaders, benodigde vergunningen en onderzoeken besproken, evenals participatie en mogelijke knelpunten. Bij complexe initiatieven wordt het plan besproken aan de Omgevingstafel, waarbij de gemeente, ODU, VRU en andere relevante partners aansluiten.
Doel is om de formele procedure soepeler, sneller en efficiënter te laten verlopen en vroegtijdig knelpunten te signaleren.
2Ontvangst en behandeling van de aanvraag
Aanvragen worden via het DSO geregistreerd en beoordeeld op volledigheid. De casemanager bewaakt de integraliteit, coördineert de benodigde adviezen en ziet toe op de wettelijke beslistermijn.
De reguliere procedure kent een beslistermijn van acht weken, die éénmalig kan worden verlengd met zes weken.
Als een aanvraag niet compleet is, wordt de aanvrager verzocht om aanvulling; de termijn wordt dan opgeschort conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij meervoudige aanvragen geldt de procedure van de activiteit met de zwaarste toetsingsgrondslag. De uitgebreide procedure (maximaal 26 weken) is van toepassing in de bij de Ow aangewezen gevallen, zoals m.e.r.-plichtige besluiten, Natura 2000-activiteiten, rijksmonumenten of aanvragen met aanzienlijke maatschappelijke impact.
3Advisering en afstemming
De gemeente toetst aanvragen aan het omgevingsplan, beleidsregels en verordeningen.
> De ODU voert de bouwtechnische, milieutechnische, constructieve en archeologische toetsing uit;
> De VRU adviseert over brandveiligheid en evenementen;
> MooiSticht beoordeelt plannen op welstand, monumenten en beeldkwaliteit; bij Rijksmonumenten de RCE;
> OOV en politie worden betrokken bij risicovolle vergunningen, zoals horeca of evenementen waarvoor een Bibob-toets geldt.
Bij meervoudige aanvragen of aanvragen met een ander bevoegd gezag (provincie of Rijk) brengt het college binnen vier weken een gemotiveerd advies uit.
4Besluitvorming
Het college van burgemeester en wethouders besluit over vergunningverzoeken. Aan vergunningen worden duidelijke, handhaafbare en begrijpelijke voorschriften verbonden.
Bij integrale projecten wordt gestreefd naar één gecombineerde vergunning en besluitmoment.
De aanvrager ontvangt tussentijdse updates via het DSO, en besluiten worden gepubliceerd op overheid.nl met toelichting over bezwaar en beroep.
5Werkwijze bij intrekking ongebruikte vergunningen
Na één jaar controleert de toezichthouder of een bouwactiviteit is gestart of afgerond.
Indien niet gestart, wordt contact opgenomen met de vergunningverlener om te bepalen of de vergunninghouder nog gebruik wil maken van de vergunning.
Bij voortzetting kan de vergunning éénmalig met maximaal één jaar worden verlengd.
Indien geen uitvoering plaatsvindt, stelt de casemanager een ontwerpbesluit tot intrekking op; de vergunninghouder krijgt vier weken voor zienswijze. Daarna volgt een definitief besluit dat wordt bekendgemaakt.
Monitoring vergunningstrategie
doel vergunningverlening
indicator
Meetmoment
Kwaliteit van de vergunningen
% vergunningen met bezwaar/beroep dat standhoudt (KPI: 90%)
Jaarlijks
Zorgvuldige en tijdige besluitvorming
% vergunningen binnen wettelijke termijn afgehandeld (KPI: 90%)
Halfjaarlijks
Dienstverlenend zijn in het meedenken over oplossingen
Aantal initiatieven voor woningtoevoeging (splitsing, optoppen, transformatie) dat dankzij vooroverleg mogelijk is gemaakt.
Jaarlijks
Verbetering klantgerichtheid
Gemiddelde tevredenheidsscore aanvragers (KPI: 7,5)
Jaarlijks
Voorkomen van het onbedoeld faciliteren van criminelen
Percentage aanvragen voor een exploitatie- of Omgevingswetvergunning die betrekking hebben op een voor ondermijning gevoelige branche, waarbij conform de Bibob-beleidsregel een Bibob-toets is uitgevoerd (KPI 2029: 100%)
Halfjaarlijks
Bijlage 4: Uitvoeringskader toezicht
Doel en uitgangspunten
Toezicht is een essentieel onderdeel van de nalevingsketen. Door zichtbaar, risicogestuurd en gebiedsgericht toezicht te houden, draagt VTH bij aan een veilige, schone en leefbare stad. Het doel van toezicht is:
> Het bevorderen van naleving van wet- en regelgeving door tijdige signalering en toezicht.
> Het voorkomen van onveilige, ongezonde of ongewenste situaties in de leefomgeving.
> Het versterken van vertrouwen in de overheid door voorspelbaar en transparant optreden.
> Het signaleren van trends en risico’s die leiden tot beleidsverbetering of bijsturing van het omgevingsplan.
Het toezicht sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingswet, de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) en de Kwaliteitscriteria 3.0.
De gemeente IJsselstein werkt vanuit de volgende principes:
> Risicogericht: De inzet van toezicht wordt bepaald op basis van risico’s voor veiligheid, gezondheid, milieu, erfgoed en leefkwaliteit.
> Gebiedsgericht en integraal: Toezichthouders kijken breder dan hun eigen taakveld. Meldingen en signalen uit de wijk worden integraal opgepakt met partners (ODU, VRU, OOV, Cazas Wonen, Stichting Pulse, politie).
> Zichtbare aanwezigheid: Handhavers en toezichthouders zijn zichtbaar in de stad en fungeren als herkenbaar aanspreekpunt voor inwoners en ondernemers.
> Informatiegestuurd werken: De inzet van toezicht is gebaseerd op gegevens uit meldingen, klachten, toezichtregistraties en risicomodellen.
> Voorkomen gaat vóór herstellen: Het gesprek met initiatiefnemers en ondernemers wordt zoveel mogelijk benut om overtredingen te voorkomen.
> Samenwerking en kennisdeling: Toezicht gebeurt in nauwe samenwerking met ODU, VRU, politie, waterschap en omliggende gemeenten.
Toetsingskaders
Toezicht vindt plaats binnen de wettelijke kaders van de Omgevingswet, de APV, de Alcoholwet en de gemeentelijke verordeningen. De belangrijkste toetsings- en controlekaders zijn:
Toezichtdomein
Kaderwetgeving
Toetsingsdocument / norm
Bouwen
Omgevingswet, Bbl, Wkb
Toets- en toezichtprotocol BWT (ODU), controleverslagen bouwveiligheid
Brandveilig gebruik
Omgevingswet, Wet veiligheidsregio’s
Controlelijst VRU brandveilig gebruik, evenementenprotocol
Milieu-inrichtingen
Bal, Besluit milieubeheer
ODU-toezichtmatrix milieu, inspectierapportages
APV en openbare orde
APV IJsselstein 2023
APV (afval, bijplaatsing, terrassen, reclame, honden)
Evenementen en horeca
Alcoholwet, APV, Wet Bibob
beleidsregels evenementen en exploitatie
Illegaal gebruik / bewoning
Omgevingswet, Omgevingsplan (i.o.)
Toetsingskader strijdig gebruik, woonkwaliteit en veiligheid
Erfgoed en monumenten
Erfgoedwet, Welstandsnota
Controlelijst MooiSticht, bouwinspectie erfgoed, controlelijst ODU (archeologie)
De controles worden uitgevoerd op basis van vooraf vastgestelde toezichtprotocollen, waarin per type activiteit de diepgang, frequentie en werkwijze zijn vastgelegd. De ODU hanteert hiervoor de toezicht- en inspectiematrix die jaarlijks wordt afgestemd met de gemeente.
Toetsnivaus en controles in kader bouwproces (bouwtechnisch toezicht)
Evenals bij het beoordelen van vergunningaanvragen wordt bij het toezicht risicogestuurd gewerkt. Het toetsniveau van het toezicht en het aantal controles rond een bouwactiviteit is in lijn met de risico-inschatting bij de vergunningverlening. De basis is ook hier het toetsprotocol van de Vwbt (LTB 2025 Bbl BrisToets).
Toetsniveau
Beschrijving
Toezichtstrategie
Werkwijze
4Zeer hoog risico – integraal toezicht
Volledige toetsing en controle op alle onderdelen van de activiteit. Gecontroleerd wordt of alle uitgangspunten correct zijn en of berekeningen, constructies, materialen, installaties en brandveiligheidsvoorzieningen voldoen aan de eisen. Van ieder te toetsen aspect worden de resultaten gecontroleerd en zo nodig nagerekend.
5–10 controles per project: start, fundering, casco, installatie, brandveiligheid, eindcontrole en oplevering.
Intensieve begeleiding en toezicht. Alle disciplines (ODU, VRU, gemeente) nemen deel aan inspecties. Elk controlepunt wordt geregistreerd in het VTH-systeem.
3Hoog risico – representatief toezicht
Controle op de belangrijkste, representatieve onderdelen van het bouwproject. Uitgangspunten worden gecontroleerd op juistheid en aannemelijkheid. Van de belangrijkste onderdelen worden berekeningen steekproefsgewijs gecontroleerd of nagerekend.
5–7 controles per project, afhankelijk van complexiteit en omvang.
Focus op risicovolle onderdelen zoals constructie, brandcompartimentering, vluchtroutes en brandveilig installaties. Bij afwijkingen wordt opgeschaald naar niveau 4.
2Gemiddeld risico – visueel toezicht
Toezicht op de uitvoering aan de hand van visuele waarnemingen en toetsing van plausibiliteit van de uitgangspunten. Controle of werkzaamheden conform vergunning en regelgeving worden uitgevoerd.
3–5 controles per project: start, ruwbouw, brandveiligheid, eindcontrole.
Bezoeken worden gecombineerd met informatiegestuurd toezicht. Eventuele afwijkingen leiden tot aanvullend dossieronderzoek of herstelbezoek.
1Laag risico – administratief / steekproef
Toezicht op basis van dossiercontrole en steekproefsgewijze fysieke inspecties. Controle of de stukken voldoende informatie bevatten en of de uitvoering aannemelijk overeenkomt met de vergunning.
Steekproefsgewijs (ca. 10–20%), doorgaans één controle tijdens of na afronding van het werk.
Administratieve controle via het VTH-systeem. Fysieke inspectie alleen bij signalen, klachten of herhaalde overtredingen.
Controle naar aanleiding van een klacht, melding of handhavingsverzoek
Klachten, meldingen en handhavingsverzoeken kunnen belangrijke signalen zijn dat zich mogelijk een risico voordoet. Om deze reden streeft de gemeente ernaar om elke melding/klacht of elk handhavingsverzoek binnen één week in behandeling te nemen. Soms is dit door een groot aantal meldingen tegelijkertijd niet mogelijk, en moeten er meldingen en handhavingsverzoeken in de werkvoorraad blijven staan. Daarbij wordt een risico-inschatting gemaakt en wordt een prioriteit aan het signaal toegekend. In dat geval worden de volgende termijnen gehanteerd:
De frequentie van toezicht naar aanleiding van meldingen is, zowel bij vergunninggebonden als niet-vergunninggebonden toezicht, ongeacht de prioritering, minimaal eenmaal. Wanneer er sprake is van een handhavingsverzoek, wordt de toezichtfrequentie verhoogd naar driemaal. Afhankelijk van de bewijslast kan er meer of minder toezicht plaatsvinden.
Prioriteit
Termijn reactie
4Zeer hoog
1week
3Hoog
2weken
2Matig
3weken
1Laag
4weken
Prioritering en toezichtfrequentie
Het toezicht binnen IJsselstein is risicogestuurd ingericht. Dat betekent dat toezichtcapaciteit wordt ingezet op de activiteiten en locaties waar de risico’s voor de fysieke leefomgeving, veiligheid, gezondheid en leefbaarheid het grootst zijn. De prioritering sluit aan op de risico- en omgevingsanalyse in hoofdstuk 4 van de U&H-strategie, de uitvoeringskaders voor vergunningverlening en handhaving (bijlagen 3 en 5) en de afspraken met ketenpartners zoals ODU, VRU, politie, MooiSticht en OOV.
Door toezicht op deze manier te ordenen ontstaat een transparante, uitlegbare en uitvoerbare systematiek waarin duidelijk is wat voorrang krijgt, waarom dat zo is en welke frequentie daarbij hoort. Dit sluit aan bij de eisen uit het Omgevingsbesluit en de handreiking van de provincie Utrecht voor de beleids- en uitvoeringscyclus. In de prioritering worden vier niveaus onderscheiden:
Prioriteit
Omschrijving
Zeer hoog
Activiteiten die een direct en acuut risico vormen voor veiligheid, gezondheid, erfgoed, openbare orde of ondermijning krijgen de hoogste aandacht en worden onmiddellijk en intensief, waar nodig integraal met ketenpartners, fysiek gecontroleerd.
Hoog
Activiteiten die een aanzienlijk risico opleveren voor structurele veiligheid, gebruiksveiligheid, leefbaarheid, milieu of ruimtelijke kwaliteit worden planmatig en met gerichte, frequente toezichtinzet gevolgd.
Matig
Activiteiten die wel een structurele maar geen acute impact hebben op de leefomgeving worden periodiek of thematisch gecontroleerd, doorgaans op basis van administratief en gericht fysiek toezicht.
Laag
Activiteiten met beperkte risico’s voor veiligheid, leefbaarheid, milieu of erfgoed worden in principe signaalgestuurd opgepakt, eventueel aangevuld met steekproeven of lichte administratieve controles.
De vier prioriteitsniveaus zijn het algemene kader voor risico-gestuurd toezicht. In de volgende toezichttabellen is dit uitgewerkt per toezichtsgebied, zodat zichtbaar wordt welke toezichtwijze en frequentie bij elk niveau hoort. Daarmee wordt concreet hoe de prioriteiten worden toegepast binnen de domeinen bouwen, sloop, gebruik, horeca, evenementen, erfgoed, ondermijning, openbare ruimte en buitengebied. Deze uitwerking zorgt voor eenduidige keuzes in toezichtinzet en maakt het mogelijk capaciteit effectief te richten op de activiteiten met de grootste risico’s.
1Bouwen en verbouwen
Toezicht op bouwen en verbouwen richt zich op het borgen van constructieve veiligheid, brandveiligheid en naleving van vergunningvoorschriften. De frequentie en diepgang zijn afgestemd op de risico’s die tijdens de bouwfase kunnen ontstaan.
Prioriteit
Activiteiten
Toezichtwijze + frequentie
Zeer hoog
Risicovolle bouw, GK3, complexe constructies
Intensief fysiek toezicht: 5–10 controles per bouwfase
Hoog
Illegale (ver)bouw, acuut veiligheidsrisico
Gericht fysiek toezicht: beoordeling binnen 48 uur, controle binnen 7 dagen
Matig
Reguliere GK2-(ver)bouw
Gericht fysiek toezicht: 3–5 controles per bouwfase
Laag
Vergunningsvrije GK1-bouw
Signaalgestuurd toezicht: steekproef 10–20% of bij meldingen
2Sloop
Bij sloopwerkzaamheden staan veiligheid, asbest en het voorkomen van ongecontroleerde of illegale sloop centraal. De prioriteit bepaalt of toezicht direct fysiek, administratief of signaalgestuurd plaatsvindt.
Prioriteit
Activiteiten
Toezichtwijze + frequentie
Zeer hoog
Illegale sloop, acuut gevaar, asbest
Intensief fysiek toezicht: altijd direct fysiek na melding
Hoog
Meldingsplichtige risicovolle sloop
Administratief + gericht fysiek toezicht: volledige toets + fysieke controle bij risico
Matig
Reguliere sloopmeldingen
Administratief toezicht: volledige dossierbeoordeling
Laag
Niet-meldingsplichtige sloop
Signaalgestuurd toezicht
3Gebruik (omgevingsplan)
Toezicht richt zich op het voorkomen van onrechtmatig, strijdig of hinderlijk gebruik van gebouwen, percelen en functies in strijd met het omgevingsplan. Dit omvat o.a. illegale bewoning, kamerverhuur, logies, bedrijfsmatigheid op woonlocaties en verkeerd gebruik van bijgebouwen.
Prioriteit
Activiteiten
Toezichtwijze + frequentie
Zeer hoog
Gebruik met acuut risico zoals illegale bewoning, overbewoning, onveilige logies, ondermijning.
Intensief fysiek toezicht: direct handelen, spoedcontrole binnen 24–48 uur, frequente vervolgcontroles.
Hoog
Strijdig gebruik met aanzienlijke leefbaarheids- of veiligheidsimpact zoals kamerverhuur met risico, strijdige bedrijvigheid.
Gericht fysiek toezicht: controle binnen 5 werkdagen, periodieke vervolgbezoeken.
Matig
Gebruik dat afwijkt van planregels zonder acuut risico, beperkte functiewijzigingen.
Administratief + gericht fysiek toezicht: periodieke controle (1× per 1–2 jaar).
Laag
Kleine of incidentele strijdigheden zonder veiligheids- of leefbaarheidsrisico.
Signaalgestuurd toezicht: inzet bij meldingen, steekproeven mogelijk.
4Brandveiligheid
Toezicht op brandveilig gebruik richt zich op het waarborgen van veilige ontvluchting, voldoende zelfredzaamheid en het voorkomen van brandgevaarlijke situaties tijdens het gebruik van een gebouw. Daarbij wordt gekeken naar gebruiksfuncties, aanwezigheid van publiek of slapende personen en de organisatorische maatregelen die nodig zijn om risico’s te beheersen.
Prioriteit
Activiteiten
Toezichtwijze + frequentie
Zeer hoog
Brandveilig gebruik met laag zelfredzaam publiek, nachtgebruik of grote publieksfuncties (zorg, logies, kinderopvang).
Intensief fysiek toezicht: jaarlijkse controle en extra toezicht bij signalen of wijzigingen.
Hoog
Publieksfuncties met normaal zelfredzame personen zoals horeca, scholen, sporthallen.
Gericht fysiek toezicht: controle 1× per 2 jaar, aanvullend toezicht bij evenementen of gebruikswijzigingen.
Matig
Gebouwen met beperkt brandveiligheidsrisico zoals kantoren met daggebruik, bedrijfsruimten zonder publiek.
Administratief + fysiek toezicht: 1× per 4 jaar.
Laag
Objecten met zeer beperkte risico’s onder algemene regels.
Signaalgestuurd toezicht: alleen inzet bij meldingen of opvallende signalen.
5Horeca
Het toezicht op horeca is gericht op veiligheid, leefbaarheid en naleving van de Alcoholwet en exploitatievoorwaarden. Prioriteiten worden bepaald op basis van risicoprofiel, overlastpatroon en het type inrichting.
Prioriteit
Activiteiten
Toezichtwijze + frequentie
Zeer hoog
Nachtzaken, locaties met structurele overlast
Integraal toezicht: jaarlijkse controle + extra acties bij overlast
Hoog
Alcoholverstrekkende horeca met verhoogde risico’s
Gericht fysiek toezicht: 1× per 2 jaar
Matig
Reguliere horeca
Administratief + fysiek toezicht: 1× per 2–3 jaar
Laag
Lichte daghoreca
Signaalgestuurd toezicht
In 2026–2029 wordt toezicht op horeca jaarlijks programmatisch uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma, inclusief themacontroles op sluitingsuur, alcoholverstrekking, geluid en terrasgebruik.
6Evenementen
Toezicht op evenementen waarborgt publiekveiligheid en ordelijke afwikkeling in de openbare ruimte. De toezichtinzet is afhankelijk van het risicoprofiel van het evenement (A, B of C).
Prioriteit
Activiteiten
Toezichtwijze + frequentie
Zeer hoog
Grote evenementen (Type C), binnenstadsevenementen
Integraal toezicht: voorcontrole, toezicht tijdens evenement, nazorg
Hoog
Type B-evenementen
Gericht fysiek toezicht: vooraf en op de dag zelf
Matig
Wijk- en buurtevenementen
Onderdeel surveillance
Laag
Type A-evenementen
Signaalgestuurd toezicht
7Erfgoed
Het erfgoedtoezicht beschermt de cultuurhistorische waarde van monumenten en het beschermd stadsgezicht. De risico’s bepalen de intensiteit van toezicht tijdens werkzaamheden en verbouwingen.
Prioriteit
Activiteiten
Toezichtwijze + frequentie
Zeer hoog
Ingrijpende verbouwingen, sloop of risicovolle werkzaamheden aan monumenten, Rijksmonumenten, monumenten met publieksfunctie
Integraal toezicht; 3–5 controles per bouwfase + Jaarlijkse inspectie Rijksmonumenten en monumenten met publieksfunctie
Hoog
Ingrijpen in beschermd stadsgezicht, grotere gevelwijzigingen
Gericht toezicht; 1–2 controles per bouwfase
Matig
Kleine wijzigingen (zonnepanelen, beperkte gevelaanpassing)
Overige monumenten
Administratief en fysiek toezicht; 1 controle
1× per 2 jaar gevelcontroles
Laag
Klein onderhoud
Signaalgestuurd toezicht
8Openbare ruimte (APV)
Toezicht in de openbare ruimte is gericht op orde, netheid en veiligheid, waaronder afval, terrassen, reclame-uitingen en hinderlijk gebruik. De inzet varieert van projectmatige acties tot signaalgestuurde controles.
Prioriteit
Activiteiten
Toezichtwijze + frequentie
Zeer hoog
Acute verstoringen van de openbare orde, direct gevaarlijke situaties en ernstige jeugdoverlast op hotspots.
Direct fysiek optreden + intensieve surveillance (vooral avonden/weekenden), meldingen direct oppakken, aanwezigheid tot rust is hersteld.
Hoog
Structurele overlast, herhaalde afvaldumpingen, belemmerende terrassen/uitstallingen en verkeersonveilige parkeersituaties.
Gerichte fysieke controles + gebiedsgerichte surveillance; hotspots 1× per kwartaal, meldingen binnen 5 dagen afhandelen.
Matig
Zwerfafval, verkeerd aanbieden afval, hondenoverlast, fietsoverlast en parkeren zonder direct risico.
Thematisch toezicht + reguliere surveillance; thema-acties 1–2× per jaar, meldingen beoordelen en gericht optreden bij herhaling.
Laag
Incidentele lichte verrommeling, kleine APV-overtredingen zonder veiligheids- of leefbaarheidsrisico.
Signaalgestuurd toezicht + beperkte surveillance; afhandeling op basis van meldingen en steekproeven.
9Ondermijning
Toezicht op ondermijning en het buitengebied richt zich op het signaleren en aanpakken van criminele inmenging, misbruik van panden en ongewenste ontwikkelingen. Waar nodig wordt integraal met ketenpartners opgetreden.
Prioriteit
Activiteiten
Toezichtwijze + frequentie
Zeer hoog
Sterke aanwijzingen voor criminele inmenging (drugs, wapens, mensenhandel), verdachte panden of percelen met acuut risico, signalen uit RIEC/politie over criminele bedrijfsvoering.
Directe integrale actie (politie, RIEC, OOV, BOA’s), spoedtoezicht ter plaatse, intensieve opvolging en frequente hercontroles.
Hoog
Verhuur aan onbekende of slecht traceerbare partijen, misbruik van woningen of bedrijfslocaties, verdachte activiteiten in het buitengebied (schuren, stallen, opslag).
Gerichte fysieke controles + gebiedsgerichte surveillance, minimaal 1× per kwartaal, met integrale controles bij toenemende risico’s.
Matig
Kwetsbare sectoren zonder concrete signalen (horeca, logistiek, detailhandel), ongebruikelijke transacties of bedrijfswisselingen die nadere toetsing vragen.
Thematisch toezicht + administratieve screening, fysieke controles 1× per 1–2 jaar of bij risicosignalen; koppeling met Bibob waar passend.
Laag
Reguliere ondernemers zonder risico-indicatoren, afwezigheid van meldingen of signalen van misbruik, incidentele afwijkingen zonder structurele aanwijzingen.
Signaalgestuurd toezicht + beperkte surveillance, inzet bij meldingen of opvallende signalen, eventueel steekproeven.
Werkwijze toezicht
Toezicht houdt in dat de gemeente controleert of activiteiten in de fysieke leefomgeving voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en de voorwaarden van verleende vergunningen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen nalevingstoezicht en opsporing. Nalevingstoezicht is het reguliere, planmatige toezicht op naleving van regels en vergunningen; opsporing is gericht op het vaststellen van overtredingen naar aanleiding van klachten, signalen of een redelijk vermoeden van een onrechtmatige situatie. Beide vormen kunnen elkaar aanvullen: nalevingstoezicht voorkomt overtredingen, opsporing herstelt ze.
Het toezichtproces kent verschillende stappen: voorbereiden, uitvoeren, overdragen, afstemming en rapportage.
1Voorbereiden
De voorbereiding van toezicht vindt plaats binnen het zaaksysteem, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen vergunninggebonden en niet-vergunninggebonden toezicht. De toezichthouder analyseert beschikbare informatie, zoals vergunningen, meldingen, bouwtekeningen, eerdere controles en signalen van andere afdelingen. Bij niet-vergunninggebonden toezicht worden aanvullende bronnen geraadpleegd, zoals luchtfoto’s, BRP-, KvK- en GIS-gegevens. Op basis van deze voorbereiding bepaalt de toezichthouder de toezichtstrategie en risicoclassificatie (volgens de toezichtmatrix) en stelt hij vast of de controle aangekondigd of onaangekondigd zal plaatsvinden.
2Uitvoeren van toezicht
Tijdens het toezicht wordt gecontroleerd of de activiteit in overeenstemming is met de verleende vergunning of met de algemene regels uit de Omgevingswet en het omgevingsplan. De toezichthouder legt waarnemingen systematisch vast, met datum, tijd, locatie, foto’s en bevindingen. Bij vergunninggerelateerd toezicht vindt dit plaats op vooraf vastgestelde momenten, afhankelijk van het risiconiveau (steekproef tot 10 controles per bouwproject). Bij niet-vergunninggebonden situaties wordt gewerkt op basis van signalen of thema’s, waarbij de toezichthouder als ogen en oren van de organisatie fungeert. Indien een overtreding wordt vermoed, bespreekt de toezichthouder dit ter plaatse of achteraf met de betrokkenen en beoordeelt hij of herstel, legalisatie of handhaving aan de orde is. Afhankelijk van de mogelijkheden tot legalisatie wordt of een bouwstop opgelegd of worden aanvullende bescheiden opgevraagd.
3Overdragen en afstemming
Wanneer sprake is van een (mogelijke) overtreding, draagt de toezichthouder de zaak over aan de handhavingsjurist. Dit gebeurt via het zaaksysteem, waarin alle bevindingen en bewijsmateriaal zijn opgenomen. Er vindt wekelijks overleg plaats tussen toezichthouders en juristen om zaken af te stemmen, prioriteiten te bepalen en te beslissen of bestuursrechtelijke maatregelen (zoals een last onder dwangsom of bestuursdwang) nodig zijn. Indien de overtreding betrekking heeft op brandveiligheid of evenementen, wordt afgestemd met de VRU, die bij herhaalde constatering een handhavingsadvies aan de gemeente kan geven. Ook de ODU en OOV worden betrokken bij complexe of integrale casussen, zoals milieuovertredingen of ondermijnende activiteiten.
4Rapportage en registratie
Na afloop van elke controle wordt een constateringsrapport opgesteld volgens het uniforme werkproces in het zaaksysteem. Hierin wordt vastgelegd: wie de controle uitvoerde, datum en locatie, aanleiding, betrokkenen, bevoegdheden, waarnemingen, bevindingen volgens de LHS(O)-systematiek, en de voorgestelde vervolgactie. De coördinator Toezicht en Handhaving ziet toe op de kwaliteit en uniformiteit van de rapportages. De uitkomsten worden gebruikt voor monitoring, risicobeoordeling en het jaarverslag VTH, zodat trends en naleefgedrag zichtbaar worden en beleid kan worden bijgesteld.
Integraal werken bij het toezicht
De gemeente haar ketenpartners houden op verschillende wijzen op verschillende zaken toezicht. De inzet is om waar mogelijk zoveel mogelijk integraal te werken. Dat is niet alleen effectief maar beperkt ook de toezichtlast voor degene die wordt gecontroleerd. Integraal toezicht kan op verschillende manieren worden ingevuld.
Controleren met elkaar
Waar mogelijk wordt integraal toezicht uitgevoerd. Dit betekent dat bij controles gebruik wordt gemaakt van andere actoren om expertises te bundelen en complexe situaties minder complex te maken. De gemeente speelt hierin een actieve rol door vooraf te beoordelen of andere belanghebbenden kunnen aansluiten bij de uitvoering van het toezicht.
Controleren na elkaar
Wanneer controles na elkaar worden uitgevoerd dient er op een integrale manier een vorm van informatiedeling plaats te vinden. Dit heeft als voordeel dat toezicht verspreid wordt over een langere periode. De gemeente speelt hier een actieve rol in door het hebben van afstemmingsgesprekken met partners die een toezichthoudende rol uitvoeren.
Controleren voor elkaar
Wanneer de situatie zich hiervoor leent, kan één toezichthouder een integrale rol op zich nemen om bijvoorbeeld ook het toezicht van een andere instantie uit te voeren. Dit geldt uitsluitend voor de minder complexe dossiers.
Signaleren voor elkaar
De toezichthouder neemt tijdens de controle een actieve rol op zich om ook de ogen en oren te zijn voor andere beleidsvelden en/of bestuursorganen. Op deze manier kunnen signalen worden doorgegeven aan partners, die deze vervolgens vanuit hun expertise verder kunnen oppakken.
‘Slim’ toezicht
De slimme toezichthouder binnen de gemeente maakt gebruik van innovatieve programma’s, handreikingen en hulpmiddelen die beschikbaar zijn. Daarnaast vervult de toezichthouder de taak met inachtneming van de prioritering om dossiers te creëren die (bestuurlijk) draagvlak hebben. Zo blijft toezicht effectief en efficiënt wat moet resulteren in dat de toezichthouder betere resultaten kan behalen.
Monitoring toezichtstrategie
Doel toezicht
Indicator
Meetmoment
Snelle reactie op signalen en meldingen
% meldingen binnen 1 week opgepakt (KPI: 90%)
Halfjaarlijks
Systematisch en programmatisch uitvoeren van het toezicht
Realiseren toezichtfrequenties volgens de toezichtstrategie (KPI: 90%)
Halfjaarlijks
Bijlage 5: Uitvoeringskader handhaving
Doel
Handhaving is het sluitstuk van de nalevingsketen. Door consequent, proportioneel en transparant op te treden bij overtredingen, draagt VTH bij aan een veilige, leefbare en rechtvaardige stad. Handhaving waarborgt de rechtsgelijkheid, beschermt publieke waarden zoals gezondheid, veiligheid, milieu en ruimtelijke kwaliteit, en bevordert naleving op lange termijn. Het doel van handhaving is:
> Het herstellen van de rechtmatige situatie en het voorkomen van herhaling.
> Het bevorderen van naleving door een voorspelbare en geloofwaardige overheid.
> Het tegengaan van ondermijning en misbruik van regels of vergunningen.
> Het borgen van vertrouwen in de overheid door evenwichtig en zorgvuldig optreden.
Waar niet anders mogelijk kan de gemeente een situatie of activiteit tijdelijk gedogen. Gedogen kan uitsluitend in uitzonderlijke gevallen worden overwogen wanneer direct handhavend optreden zou leiden tot onevenredige gevolgen of disproportionele schade voor de betrokkene of derden, gelet op de aard en ernst van de overtreding, het te beschermen belang en de mogelijkheid tot legalisering. Dit kan onder meer het geval zijn bij onherstelbare economische of maatschappelijke schade, veiligheidsrisico’s die door abrupt ingrijpen ontstaan of situaties waarin een redelijk alternatief (nog) ontbreekt.
Uitgangspunten
De handhavingsstrategie van IJsselstein sluit aan op de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Belangrijkste uitgangspunten voor de gemeente zijn:
> Beginselplicht tot handhaving: Bij overtredingen wordt in beginsel handhavend opgetreden. Alleen bij concrete legalisatiemogelijkheden of zwaarwegende belangen kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken.
> Proportionaliteit en subsidiariteit: De zwaarte van het handhavingsmiddel staat in verhouding tot de aard en ernst van de overtreding. Eerst wordt gestuurd op vrijwillig herstel, daarna volgt bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhaving.
> Integrale benadering: Handhaving wordt waar nodig afgestemd met ketenpartners (ODU, VRU, politie, OM, RIEC, OOV). Zo nodig wordt gezamenlijk opgetreden bij ondermijnende of complexe overtredingen.
> Transparantie en rechtszekerheid: De inwoner of ondernemer weet waarom en op welke grond handhaving plaatsvindt. Besluiten zijn navolgbaar, gemotiveerd en toetsbaar.
> Voorkomen boven sanctioneren: Waar mogelijk zet de gemeente preventieve gesprekken en voorlichting in om escalatie en juridische procedures te voorkomen.
> Lerend systeem: Handhavingsresultaten leveren input op voor verbetering van vergunningverlening, toezicht en beleid.
Aanpak
Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO)
De gemeente IJsselstein hanteert bij de uitvoering van haar handhaving de uitgangspunten van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Daarmee wordt op een uniforme, transparante en proportionele wijze opgetreden bij overtredingen, met als hoofddoel het herstellen van de rechtmatige situatie en het bevorderen van naleving. De LHSO biedt een interventiematrix die handhavers helpt te bepalen welke maatregel passend is, afhankelijk van de ernst van de overtreding en het naleefgedrag van de overtreder.
Bestuurs- strafrechtelijke handhaving
De gemeente kiest in beginsel voor bestuursrechtelijke handhaving, omdat deze route laagdrempeliger, flexibeler en sneller is dan strafrechtelijke vervolging. Bestuursrechtelijke sancties kunnen direct worden ingezet door het college en zijn gericht op herstel van de overtreding. Pas wanneer sprake is van ernstige of herhaalde overtredingen, acuut gevaar, forse milieuschade of crimineel handelen, wordt geschakeld naar een strafrechtelijke aanpak door politie en het Openbaar Ministerie (OM) of een combinatie van beide. Een gecombineerde aanpak wordt bijvoorbeeld toegepast bij ondermijnende activiteiten, milieudelicten of illegale bewoning in combinatie met fraude of hennepteelt: het OM vervolgt strafrechtelijk, terwijl de gemeente bestuursrechtelijke maatregelen treft, zoals sluiting van panden of intrekking van vergunningen.
Herstelsancties
Binnen de bestuursrechtelijke aanpak hanteert de gemeente verschillende herstelsancties:
> Last onder dwangsom (LOD) – De overtreder wordt opgedragen binnen een vastgestelde termijn de overtreding te beëindigen. Wordt niet voldaan, dan verbeurt de dwangsom.
> Last onder bestuursdwang (LOB) – De gemeente beëindigt zelf de overtreding, bijvoorbeeld door illegale bouw stil te leggen of materialen te verwijderen. De kosten worden verhaald op de overtreder.
> Spoedeisende bestuursdwang – Bij direct gevaar of dreigende schade kan onmiddellijk worden ingegrepen; het besluit wordt achteraf vastgelegd.
Intrekking van een begunstigende beschikking – Wordt toegepast als een vergunninghouder stelselmatig handelt in strijd met de voorwaarden van zijn vergunning.
Begunstigingstermijnen en dwangsommen
Het toepassen van een last onder dwangsom gebeurt zorgvuldig en proportioneel, met herstel als belangrijkste doel. De dwangsom moet voldoende prikkelend zijn om naleving af te dwingen, maar mag niet zo hoog worden vastgesteld dat deze een straf vormt. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en de begunstigingstermijn gaat de gemeente in de basis uit van de landelijke leidraad en van de uitgangspunten van de Awb. De begunstigingstermijn wordt zo gekozen dat herstel realistisch mogelijk is, zonder dat feitelijk wordt gedoogd. Bij gedragsvoorschriften of eenvoudig herstel kan een korte termijn volstaan; bij complexer herstel wordt aangesloten op de benodigde herstelinspanning.
Een verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn wordt alleen gehonoreerd als de overtreder aantoonbaar en substantieel heeft gewerkt aan herstel en een korte extra periode naar verwachting tot volledig beëindigen van de overtreding zal leiden. Verlenging is niet aan de orde wanneer geen inspanning is verricht of wanneer uitstel geen effect zal hebben. Na het aflopen van de begunstigingstermijn volgt een controle. Als de overtreding is beëindigd, wordt de procedure afgesloten; zo niet, dan wordt de dwangsom van rechtswege verbeurd en start zo nodig een invorderingstraject.
De gemeente hanteert drie modaliteiten: een eenmalige dwangsom, een dwangsom per tijdseenheid of een dwangsom per overtreding. Bij een dwangsom per tijdseenheid of per overtreding wordt altijd een maximumbedrag vastgesteld. Standaard kiest de gemeente voor een dwangsom per tijdseenheid, omdat dit beter aansluit bij situaties waarin herstel iets later wordt afgerond zonder dat direct een zeer hoog bedrag wordt verbeurd. Waar wettelijk vereist wordt de overtreding opgenomen in de Wkpb-registratie. In uitzonderlijke situaties kan het bevoegd gezag daarnaast kiezen voor bestuursdwang of — wanneer andere maatregelen geen effect sorteren — (gedeeltelijke) intrekking van een vergunning.
De gemeente past bij al deze afwegingen de LHSO toe, waarin ernst, gevolgen, naleefgedrag en omstandigheden bepalend zijn voor de keuze en zwaarte van de interventie. In bijlage 6 zijn de door de gemeente gehanteerde dwangsommen en begunstigingstermijnen verder uitgewerkt. De dwangsommen en begunstigingstermijnen waar het gaat om het taakveld milieu zijn vastgelegd in de U&H-strategie Regio Utrecht 2026.
Handhavingsverzoeken
Handhavingsverzoeken van inwoners of organisaties worden door het college altijd zorgvuldig beoordeeld, ook wanneer het verzoek betrekking heeft op een overtreding met lage prioriteit. De gemeente heeft een beginselplicht tot handhaving, wat betekent dat alleen van optreden kan worden afgezien bij concreet zicht op legalisatie of bij een onevenredig nadeel voor het algemeen belang. De behandeling van handhavingsverzoeken vindt plaats volgens de uniforme procedure van de Awb; de verzoeker ontvangt altijd een gemotiveerd besluit over de afweging en de eventuele maatregelen.
Samenwerking
In de uitvoering van de handhaving wordt samengewerkt tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke partners. Binnen het bestuursrecht werkt IJsselstein nauw samen met de ODU (milieu, bouw) en de VRU (brandveiligheid en evenementen). Voor strafrechtelijke zaken is afstemming met politie, OM en RIEC essentieel, vooral bij ondermijningssignaleringen. Deze samenwerking zorgt ervoor dat handhaving daadkrachtig, proportioneel en effectief kan worden uitgevoerd.
Overtredingen eigen organisatie of andere overheden
Bij overtredingen door de gemeente zelf of andere overheidsinstanties geldt dezelfde lijn: ook de overheid is gebonden aan wet- en regelgeving en heeft een voorbeeldfunctie. Wanneer binnen de eigen organisatie overtredingen worden gesignaleerd, worden deze eerst via korte interne lijnen opgelost. Indien geen herstel volgt, wordt alsnog formeel handhavend opgetreden, zodat de integriteit van het handhavingssysteem gewaarborgd blijft.
Gedogen
Hoewel handhaving het uitgangspunt is, kan de gemeente in uitzonderlijke gevallen besluiten tot gedogen. Dit is geen recht van de burger, maar een bewuste bestuurlijke afweging van belangen. Gedogen wordt alleen toegepast als sprake is van tijdelijkheid, transparantie (schriftelijk vastgelegd in een gedoogbeschikking), geen risico’s voor veiligheid, gezondheid of milieu, concreet zicht op legalisatie (bijvoorbeeld bij een lopende vergunningaanvraag) en evenredigheid, wanneer direct handhaven onevenredige schade zou veroorzaken. Het wordt gebruikt bij overgangsperioden tussen regelingen, lopende aanvragen of tijdelijke situaties in afwachting van nieuw beleid. Elk besluit wordt juridisch getoetst, vastgelegd door het college met duidelijke voorwaarden en termijnen, en gemonitord en heroverwogen binnen de gestelde periode. Gedogen is daarmee een tijdelijke, transparante en controleerbare uitzondering op de handhavingsplicht.
Werkwijze
De handhavingsprocedure volgt een vaste, zorgvuldige systematiek die is gebaseerd op de Awb en de LHSO.
a.Constatering en kwalificatie van de overtreding
> Overtredingen worden vastgesteld via toezicht, klachten, signalen of meldingen.
> De bevindingen worden vastgelegd in een controleverslag en juridisch getoetst.
> Op basis van de ernst, omvang en risico’s wordt de overtreding gepositioneerd in de LHSO-matrix (gedrag vs. effect).
b.Afspraken maken over herstel (fase 1)
> Bij lichte of herstelbare overtredingen volgt eerst een waarschuwing of gesprek met de overtreder.
> De overtreder krijgt een redelijke hersteltermijn om de situatie in overeenstemming te brengen.
> De toezichthouder registreert het resultaat en controleert het herstel.
c.Bestuursrechtelijke handhaving met het oog op herstel (fase 2)
> Als herstel uitblijft, volgt een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang.
> De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en het effect op de leefomgeving.
> Bij spoedeisende of gevaarlijke situaties kan direct bestuursdwang worden toegepast.
d.Straffend optreden (fase 3)
> Bij ernstige of recidiverende overtredingen met opzet, onherstelbare (ernstige) schade, gevaarzetting of ondermijning wordt straffend opgetreden.
> Het kan leiden tot proces-verbaal, aangifte doen of een door de gemeente op te leggen bestuurlijke boete.
e.Nazorg en evaluatie
> Na afronding wordt gecontroleerd of de overtreding daadwerkelijk is beëindigd.
> Herhaalde overtredingen leiden tot hogere sancties of structureel toezicht.
> Bevindingen worden periodiek geëvalueerd en meegenomen in de risicoanalyse.
Als een situatie in aanmerking komt voor gedogen, volgt de gemeente een zorgvuldige werkwijze. Eerst wordt beoordeeld of aan de voorwaarden uit de gedoogstrategie is voldaan, zoals tijdelijk karakter, geen risico’s voor veiligheid of milieu en concreet zicht op legalisatie. Vervolgens wordt een gedoogbesluit voorbereid en onderbouwd, waarin het voornemen om te gedogen – indien mogelijk – ter inzage wordt gelegd zodat belanghebbenden hun zienswijze kunnen geven. Na weging van deze zienswijzen besluit het bevoegde bestuursorgaan om wel of niet te gedogen en worden, indien nodig, voorwaarden opgenomen ter bescherming van het algemeen belang. Alleen wanneer een schriftelijke gedoogbeschikking is vastgesteld, is sprake van formeel gedogen; in alle andere gevallen blijft handhaving in principe aan de orde.
Monitoring
Doel handhaving
Indicator
Meetmoment
Effectieve naleving door proportioneel optreden
% overtredingen dat ongedaan gemaakt is zonder dat de gemeente formeel heeft moeten optreden (KPI: 90%)
Halfjaarlijks
Consequent optreden
% overtredingen dat ongedaan gemaakt is door formeel optreden van de gemeente (KPI:100%)
Jaarlijks
% overtredingen met onherstelbare schade waar de gemeente een bestuurlijke boete heeft opgelegd (KPI: 90%)
Jaarlijks
% aangetroffen situaties met verhuurmisstanden (intimidatie, discriminatie, te hoge borg, ongewenste druk) dat is opgevolgd met een passende maatregel (KPI: 100%)
halfjaarlijks
Bijlage 6: Dwangsommen en begunstigingstermijnen
Taakveld
Overtreding
Modaliteit
Minimum
Termijn
Algemeen
Geen medewerking verlenen aan toezichthouder
Per overtreding
5.000
Direct
Ontbrekende onderzoek zoals preventieonderzoek, bodemonderzoek, energiebesparingsonderzoek, akoestisch onderzoek etc.
Ineens
3.000
8weken
Overleggen ontbrekende gegevens, zoals logboek, administratie, energienota, lekdichtheid, registratie, rapportage etc.
Ineens
1.000
4weken
Brandveiligheid
Geen melding of omgevingsvergunning brandveilig gebruik
Ineens
20.000
4weken
Niet naleven voorschriften brandveilig gebruik
Ineens
10.000
2weken
Niet naleven voorschrift omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik.
Ineens
10.000
8weken
Ontbreken document over adequate toepassing constructieonderdeel.
Ineens
3.000
1week
Overschrijden totaal onechte en/of ongewenste meldingen brandmeldinstallaties.
Per overtreding
5.000
direct
Aanleggen
Aanleggen, bouwen of slopen in strijd met (planregels) omgevingsplan
ineens
20.000
8weken
Aanleggen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning kwalificatie licht: zoals kabels en leidingen, ophogen etc.
ineens
10.000
8weken
Aanleggen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning kwalificatie middel: zoals heiwerkzaamheden, bodem verlagen, gronden afgraven etc.
Ineens
15.000
6weken
Aanleggen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning kwalificatie zwaar: zoals watergangen, oppervlakteverhardingen van wegen, regels t.a.v. archeologie etc.
Ineens
20.000
6weken
Bouwen
Bouwen zonder of in afwijking van omgevingsvergunning, kwalificatie licht: zoals erfafscheiding, tuinmeubilair, vlaggenmasten, schotelantennes, zonweringen etc.
Ineens
5.000
8weken
Bouwen zonder of in afwijking van omgevingsvergunning kwalificatie middel: zoals aanbouw aan bestaand hoofdgebouw, bijgebouw, overkapping, paardenbak, regels t.a.v. archeologie, afwijking van vergunning t.a.v. woning/bedrijfsgebouw etc.
Ineens
20.000
8weken
Bouwen zonder omgevingsvergunning kwalificatie zwaar: zoals een woning, bedrijfsgebouw etc.
Ineens
100.000
8weken
Bouwen in strijd met het Bbl, kwalificatie licht: zoals technische voorschriften bruikbaarheid etc.
Per week
10.000
8weken
Bouwen in strijd met het Bbl, kwalificatie middel: zoals technische voorschriften energiezuinigheid etc.
Per week
15.000
8weken
Bouwen in strijd met het Bouwbesluit, kwalificatie zwaar: zoals technische voorschriften veiligheid, gezondheid etc.
Per week
20.000
8weken
Slopen
Slopen zonder of in afwijking van omgevingsvergunning of een melding, kwalificatie licht: zoals het slopen van een bijgebouw zonder asbest etc.
Ineens
5.000
6weken
Slopen zonder of in afwijking van omgevingsvergunning of een melding, kwalificatie middel: zoals slopen zonder asbest (overig)
Ineens
10.000
6weken
Slopen zonder of in afwijking van omgevingsvergunning of een melding, kwalificatie zwaar: zoals slopen met (waarschijnlijk) asbest
Ineens
30.000
6weken
Monumenten
Verandering aan, op, in of bij een monument zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning.
Ineens
25.000
4weken
Verandering in beschermd stad- en dorpsgezichten zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning.
Ineens
20.000
4weken
Strijdig gebruik
Gebruik in strijd met omgevingsplan zoals verkeerd gebruik grond/erf, illegale handelingen buitengebied etc
Ineens
10.000
8weken
Strijdig gebruik omgevingsplan: wonen of bedrijfsmatige activiteiten waar niet toegestaan, etc.
Ineens
20.000
10weken
Voorschriften Bbl
Ontbreken voorzieningen of niet volgens eisen, kwalificatie licht: zoals rookmelder, blustoestel, vluchtrouteaanduiding, zelfsluitende deur, etc.
Per week
3.000
2weken
Ontbreken voorzieningen of niet volgens eisen, kwalificatie middel: zoals brandweeringang, brandmeldinstallatie, aankleding ruimten, verbindingsweg, etc.
Per week
6.000
4weken
Ontbreken voorzieningen of niet volgens eisen, kwalificatie zwaar: zoals ontruimingsinstallatie, bluswatervoorziening etc.
Per week
10.000
8weken
Stillegging bouw
In strijd met stillegging bouw of sloop bouwwerk – bouwen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning (cat. licht): erfafscheiding, tuinmeubilair, vlaggenmasten en soortgelijke bebouwing.
Per overtreding
10.000
Direct
In strijd met stillegging bouw of sloop bouwwerk – bouwen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning (cat. middel): aanbouw, bijgebouw, overkapping en soortgelijke bebouwing.
Per overtreding
15.000
Direct
In strijd met stillegging bouw of sloop bouwwerk – bouwen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning (cat. zwaar): nieuwe woning of bedrijfsgebouw en soortgelijke bebouwing.
Per overtreding
50.000
Direct
In strijd met stillegging bouw of sloop bouwwerk – bouwen in strijd met het bouwbesluit (veiligheidsvoorschriften).
Per overtreding
25.000
Direct
In strijd met stillegging bouw of sloop bouwwerk – bouwen in strijd met het bouwbesluit (overig).
Per overtreding
10.000
Direct
De dwangsommen en begunstigingstermijnen waar het gaat om het taakveld milieu zijn vastgelegd in de U&H-strategie Regio Utrecht 2026.
Bijlage 7: Lijst van ketenpartners
> Veiligheidsregio Utrecht (VRU): adviseert de gemeente IJsselstein over brandveiligheid en gezondheid bij vergunningverlening en voert het toezicht hierop uit, conform de afspraken in de dienstverleningsovereenkomst (DVO).
> Omgevingsdienst Utrecht (ODU): De omgevingsdienst voert voor de gemeente de VTH-taken op het gebied van bouwen en milieu uit en voorziet de omgevingsdienst de gemeente IJsselstein waar nodig met specialistisch (milieu)advies;
> Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDRS): Voor specifieke werkzaamheden en activiteiten is een vergunning nodig van HDRS. Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) met een waterbelang heeft HDRS een adviesrol;
> Politie en het Openbaar Ministerie: partner als het gaat om de strafrechtelijke handhaving en openbare orde en veiligheid;
> Staatsbosbeheer (SBB): samenwerkingspartner bij de groene handhaving;
> De provincie Utrecht: coördineert de samenwerking in vergunningverlening, toezicht en handhaving en is als bevoegd gezag voor natuurwetgeving verantwoordelijk voor de vergunningverlening en handhaving op grond van de Wet natuurbescherming.
> Rijksdienst voor cultureel erfgoed (RCE) en MooiSticht: Adviseur bij vergunningverzoeken die betrekking hebben op (rijks)monumenten.
> Adviescommissie Ruimtelijke kwaliteit: Advisering over welstand, erfgoed, beeldkwaliteit en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving (bij grote projecten).
Bijlage 8: Gebruikte afkortingen en begrippen
Afkorting / Begrip
Toelichting
APV
Algemene Plaatselijke Verordening. Lokale verordening met regels over de openbare orde, veiligheid, leefbaarheid en evenementen.
Aw
Alcoholwet. Regelt het schenken en verkopen van alcoholhoudende dranken en stelt eisen aan leidinggevenden en inrichtingen.
Bbl
Besluit bouwwerken leefomgeving. Geeft landelijke technische regels voor bouwwerken onder de Omgevingswet.
Bgbop
Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Regelt brandveilig gebruik van plaatsen zoals evenementenlocaties.
Bibob
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Geeft de gemeente bevoegdheid om te toetsen of een vergunning of transactie misbruikt kan worden voor criminele activiteiten.
Boa
Buitengewoon opsporingsambtenaar. Handhaver met opsporingsbevoegdheid in het publieke domein.
BOPA / OPA
(Buitenplanse) Omgevingsplanactiviteit. Activiteit waarvoor een vergunning nodig is om af te wijken van het omgevingsplan.
Bouwactiviteit
Activiteit gericht op het bouwen of verbouwen van bouwwerken; onder de Wkb deels onder toezicht van private kwaliteitsborgers.
B&W
College van burgemeester en wethouders, bevoegd gezag voor de uitvoering van gemeentelijke VTH-taken.
DVO
Dienstverleningsovereenkomst. Overeenkomst waarin afspraken met partners (zoals VRU of ODU) over taken, kosten en prestaties zijn vastgelegd.
Handhaving
Alle activiteiten gericht op het herstellen van een overtreding of het voorkomen van herhaling, variërend van waarschuwing tot bestuursdwang of boete.
IBT
Interbestuurlijk Toezicht. Provinciale taak om toezicht te houden op de uitvoering van wettelijke taken door gemeenten.
LHSO
Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht. Landelijk kader voor een zorgvuldige en proportionele aanpak bij overtredingen.
LTB 2025 BrisToets
Toetsprotocol van de Vereniging van Bouw- en Woningtoezicht voor het risicogestuurd toetsen van vergunningaanvragen aan het Bbl en het uitvoeren van toezicht
ODU
Omgevingsdienst Utrecht (fusie met RUD Utrecht per 1 januari 2026). Uitvoeringsdienst voor milieu, bouwtoetsing en specialistisch (milieu)advies.
OM
Openbaar Ministerie. Strafrechtelijke handhavingspartner voor gemeenten en politie.
OOV
Openbare Orde en Veiligheid. Beleidsveld gericht op veiligheid, crisisbeheersing, toezicht in de openbare ruimte en aanpak ondermijning.
Ow
Omgevingswet. Hoofdwet voor de fysieke leefomgeving. Bepaalt de kaders voor vergunningverlening, toezicht en handhaving door gemeenten, provincies en waterschappen.
PMO
Provinciaal Milieu Overleg. Overlegstructuur onder regie van de provincie Utrecht waarin samenwerking over vergunningverlening, toezicht, handhaving en natuurtoezicht wordt gecoördineerd.
Preventie
De inzet van communicatie, voorlichting en overleg om overtredingen en risico’s te voorkomen.
RIEC
Regionaal Informatie- en Expertise Centrum. Samenwerkingsverband dat gemeenten ondersteunt bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit.
Risicogestuurd toezicht
Toezichtstrategie waarbij inzet en frequentie worden afgestemd op de kans en de gevolgen van overtredingen.
RUD
Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht. Wordt per 2026 onderdeel van de nieuwe Omgevingsdienst Utrecht (ODU).
Toezicht
Het controleren van naleving van wet- en regelgeving, zowel programmatisch, projectmatig, thematisch als signaalgestuurd.
Vbwt
Vereniging Bouw- en Woningtoezicht. Branchevereniging die landelijke toets- en toezichtprotocollen ontwikkelt voor gemeenten.
VRU
Veiligheidsregio Utrecht. Adviseert over brandveiligheid en gezondheid bij vergunningverlening en voert het brandveiligheidstoezicht uit voor de gemeente IJsselstein.
VTH
Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving. De kerninstrumenten van de gemeente om naleving van regels in de fysieke leefomgeving te waarborgen.
Wkb
Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Regelt dat private kwaliteitsborgers toezicht houden op de bouwkwaliteit van bouwwerken binnen gevolgklasse 1 - nieuwbouw.
Wnb
Wet natuurbescherming. Wet die regels stelt voor bescherming van natuur, soorten en gebieden; uitvoering en vergunningverlening liggen bij de provincie.