Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregel jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026

Gemeente IJsselstein · geldt sinds 22 oktober 2026

Aanhef

Het college van IJsselstein

gelet op de Jeugdwet, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026,

besluit vast te stellen de volgende:

Beleidsregel jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026.

Juridisch en beleidsmatig kader

•Jeugdwet

•Regeling Jeugdwet

•Jeugdnota gemeente IJsselstein 2023-2026

•Project financiële beheersmaatregelen jeugd

•Verordening jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026 (Verordening)

Definities

•Team Sociaal Domein: ambtelijke medewerkers die namens het college het hiervoor genoemd juridisch kader uitvoeren.

•Wet: de Jeugdwet

Hoofdstuk 2. Voorliggende en andere voorzieningen

2.2 Andere voorzieningen/afbakening aanpalende wetgeving

2.2.1 Wet langdurige zorg

De Wlz is voorliggend op de Jeugdwet. Dit betekent dat wanneer iemand toegang heeft tot deze wet, de benodigde zorg en ondersteuning ook vanuit deze wet betaald wordt.

Er wordt geen voorziening vanuit de wet ingezet:

•wanneer een jeugdige een Wlz-indicatie heeft of er redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige deze indicatie zou kunnen krijgen;

•als jeugdige en ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit voor de Wlz, terwijl er wel redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige deze zou kunnen krijgen.

Het Team Sociaal Domein neemt een melding op gebruikelijke wijze in behandeling en start een onderzoek, ook als zij weet dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) ondersteuning vanuit de Wlz ontvangt of denkt dat hij daarop aanspraak kan maken. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat de hulpvraag voldoende is/kan worden opgelost met zorg vanuit de Wlz als andere voorziening. Er is dan geen reden voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening jeugdhulp.

Sommige vormen van hulp biedt de Wlz niet en vallen dus altijd onder het bereik van de wet (bijv. jeugd-ggz of pleegzorg). Een Wlz-indicatie en jeugdhulp kunnen dus naast elkaar bestaan.

Uitzondering is wanneer de jeugdige verblijf en behandeling van dezelfde instelling ontvangt en de behandeling van de psychische stoornis niet los is te zien van de Wlz behandeling. Bij verblijf zonder behandeling, volledig pakket thuis, modulair pakket thuis en persoonsgebonden budget valt de behandeling van de psychische stoornis onder de wet.

Waar nodig wordt in afwachting van het besluit vanuit de Wlz, jeugdhulp geboden tot het moment dat er een besluit is genomen.

Als de jeugdige met een Wlz-indicatie vervoer naar de locatie waar jeugdhulp geboden wordt nodig heeft, valt dat onder de wet.

De Jeugdwet en de Wlz verschillen op de volgende punten:

▪︎ De Jeugdwet biedt zorg en ondersteuning aan de jeugdige zelf, maar ook aan het systeem van de jeugdige. De Wlz gaat niet uit van een herstelgedachte ten opzichte van de wet.

▪︎ De Wlz is bedoeld om jeugdigen (en volwassenen) met een blijvende beperking zorg te bieden. Om toegang te krijgen tot een Wlz-voorziening worden twee toetsingscriteria gehanteerd: ontwikkelperspectief en 24-uurs zorg.

▪︎ Omdat de Jeugdwet een leeftijdsrestrictie bevat, is er per definitie sprake van tijdelijke zorg. Anders dan de Jeugdwet biedt de Wlz levenslange en levensbrede zorg.

De toegangscriteria voor Wlz zijn opgenomen in de Wlz en beleidsregels indicatiestelling Wlz. Ook jeugdigen onder de acht jaar kunnen toegang krijgen tot de Wlz. Het CIZ toetst op het criterium ‘gebruikelijke zorg’, hierbij speelt de leeftijd van de jeugdige een rol.

2.2.2 Zorgverzekeringswet

De Zvw is voorliggend op de Jeugdwet. De Zvw wordt uitgevoerd door zorgverzekeraars en regelt medische zorg die gericht is op genezing en behandeling, thuisverpleging/wijkverpleging en kortdurende GGZ.

Voor de Zvw geldt dat:

▪︎ Alle verzorging die samenhangt met geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt onder de Zvw. Dus ook de verzorging van kinderen die noodzakelijk is door een gezondheidsprobleem of verpleegkundige verzorging in de eigen omgeving.

▪︎ Een aanvullende zorgverzekering is voorliggend op de Jeugdwet.

▪︎ Voor verzorging geldt:

o Begeleidende verzorging is Jeugdwet.

o Geneeskundige verzorging en verpleging is Zvw. Het accent bij deze zorgverlening ligt op de medische zorg.

o Palliatief terminale zorg is Zvw.

▪︎ Voor gespecialiseerde behandeling geldt:

o Bij een verstandelijke beperking valt behandeling onder de Jeugdwet.

o Bij een lichamelijke ziekte of lichamelijke beperking valt behandeling meestal onder de Zvw.

o Bij een zintuiglijke handicap valt de behandeling onder de Zvw.

o Bij psychiatrische problemen valt behandeling onder de Jeugdwet.

▪︎ Het is mogelijk dat jeugdigen tegelijkertijd hulp ontvangen vanuit de Jeugdwet en de Zvw. Hiervoor geldt ook de plicht tot afstemming.

▪︎ Indien de jeugdige problemen ervaart als gevolg van ouderproblematiek, wordt naast hulp aan de jeugdige vanuit de Jeugdwet, ook hulp ingezet voor de ouders vanuit de Zvw (bijvoorbeeld in geval van GGZ of verslavingsproblematiek).

Jeugd-GGZ zit niet in het basispakket van de zorgverzekering. Zorgverzekeraars kunnen deze hulp wel via een aanvullende verzekering aanbieden. Hoewel gemeenten zorgen voor de kwaliteit, toegang en beschikbaarheid van hulp aan jongeren met psychische problemen en stoornissen blijft een klein deel van de jeugd-GGZ door de zorgverzekeraar betaald, namelijk:

▪︎ Behandeling van lichte psychische klachten door de huisarts of praktijkondersteuner GGZ.

▪︎ Medicijnen tegen psychische aandoeningen voor jongeren die niet in een instelling zitten (ofwel: medicijnen die inwoners zelf met een recept bij de apotheek kunnen ophalen).

▪︎ Daarnaast zijn er nog andere behandelingen of zaken die onder de Zvw vallen en dan met name in de aanvullende verzekering:

o Speltherapie: 3 tot 14 jaar.

o Vaktherapie: sommige vormen.

o Psychomotorische kindertherapie (tot of rond 12 jaar): leren stress reguleren, emoties verwerken en ervaringen opdoen met ander gedrag.

o Soms: counseling.

Een aanvullende verzekering is niet verplicht in Nederland en kan niet afgedwongen worden. Indien ouders wel een aanvullende verzekering hebben, wordt die eerst aangesproken voor bovenstaande behandelingen, alvorens er mogelijk vanuit de Jeugdwet hulp kan worden ingezet.

Deze vormen van behandeling kunnen alleen aanvullend vanuit de Jeugdwet ingezet worden wanneer deze hulp op basis van de norm van verantwoorde werktoedeling en kwaliteitscriteria uit de Jeugdwet voldoende als veilig, goed en doeltreffend wordt geacht.

2.2.3. Wet maatschappelijke ondersteuning

Hulpmiddelen voor jeugdigen, zoals woningaanpassingen of rolstoelen, worden vanuit de Wmo verstrekt. Wanneer een jeugdige naast een hulpvraag voor jeugdhulp ook een hulpmiddel nodig heeft, betrekt het Team Sociaal Domein hun Wmo-collega voor beoordeling van dat deel van de hulpvraag.

Daarnaast wordt de Wmo-medewerker ook betrokken door het Tean Sociaal Domein wanneer er bij ouders sprake is van een hulpvraag die valt onder de Wmo.

Wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wmo zorgt het Team Sociaal Domein ervoor dat de Wmo-medewerker tijdig wordt betrokken voor een warme overdracht. Indien het Team Sociaal Domein niet de wettelijke verwijzer is, zorgt de betrokken jeugdhulpaanbieder voor een tijdige overdracht. Zie verder hoofdstuk 5 van deze beleidsregels.

2.2.4 Passend onderwijs

Scholen zijn verantwoordelijk voor het bieden van een passende onderwijsplek aan elke leerling, ook als de leerling extra ondersteuning nodig heeft. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. Deze verplichting geldt zowel voor leerlingen die al op school zitten als voor nieuw aangemelde leerlingen. De afbakening tussen de zorgplicht van scholen en de jeugdhulpplicht van gemeenten is niet altijd even duidelijk.

Grofweg kan het volgende onderscheid gemaakt worden: extra ondersteuning die primair is gericht op het leerproces, is de verantwoordelijkheid van de school. Als extra ondersteuning ook op andere leefgebieden nodig, dan kan de gemeente (deels) verantwoordelijk zijn.

2.2.4.1. Ontwikkelperspectief Plan

Om te bepalen of er jeugdhulp noodzakelijk is op school is er in alle gevallen eerst een Ontwikkelperspectief Plan (hierna: OPP) nodig. Deze wordt door school opgesteld en ouders moeten akkoord gaan met het handelingsdeel uit het OPP.

School is verplicht om bij elke leerling een OPP op te stellen wanneer er extra ondersteuning nodig is, ook in het regulier onderwijs. In dit OPP moet minimaal opgenomen zijn:

▪︎ De verwachte uitstroombestemming van de leerling;

▪︎ De onderbouwing van de verwachte uitstroombestemming van de leerling (met in elk geval een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren);

▪︎ Een beschrijving van de te bieden ondersteuning en begeleiding en - indien aan de orde - de afwijkingen van het (reguliere) onderwijsprogramma (handelingsdeel).

Zonder OPP kan er geen jeugdhulp worden ingezet, omdat de ondersteuningsbehoefte op school dan niet beoordeeld kan worden.

Op basis van de gestelde resultaten uit het OPP en de benodigde ondersteuning kan worden bepaald of er ook resultaten zijn die gaan over jeugdhulp en niet over het volgen van onderwijs.

Het kan zijn dat doelen tweeledig zijn en alleen deels onder de wet vallen. Dan wordt alleen voor dat deel jeugdhulp ingezet.

2.2.4.2. Begeleiding

Inhoudelijke huiswerkbegeleiding wordt nooit vergoed vanuit de wet, dit is de verantwoordelijkheid van ouders en school. In sommige gevallen valt begeleiding bij plannen en structureren wel onder de wet, namelijk bij jeugdhulp met een somatische of psychiatrische aandoening of een verstandelijke of zintuigelijke beperking. Deze begeleiding is dan gekoppeld aan concrete doelen (niet zijnde; alleen het kunnen maken van huiswerk) en tijdsperiode met als resultaat betere zelfredzaamheid en participatie van de jeugdige.

Een leerling kan door zijn gedrag moeilijkheden hebben in de omgang met andere leerlingen. Als gevolg hiervan kunnen leerproblemen ontstaan. De ondersteuning of begeleiding bij deze problemen valt onder de zorgplicht van scholen. Ook tijdelijke begeleiding door een orthopedagoog of een psycholoog kan onder die zorgplicht vallen.

Een intelligentietest of onderzoek kan nodig zijn voor onderwijs aan leerlingen, bijvoorbeeld een onderzoek naar hoogbegaafdheid. Als uit het onderzoek blijkt dat een leerling hoogbegaafd is, kan het onderwijs daarop afgestemd worden. In dat geval is het onderzoek primair gericht op het leerproces. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. Het Team Sociaal Domein hoeft hiervoor geen voorziening te treffen. Een intelligentieonderzoek kan wél onder de verantwoordelijkheid van het Team Sociaal Domein vallen als het onderdeel is van een (breder) diagnoseproces in het kader van jeugdhulp.

Begeleiding tijdens de schooluren valt soms ook onder de wet als er extra toezicht nodig is tijdens vrije lessen of activiteiten die niet direct zien op het leerproces van het kind zoals het speelkwartier, het lopen naar de gymlessen etc. Om de jeugdhulp goed aan te laten sluiten bij het onderwijs zijn samenwerkingsafspraken nodig.

2.2.4.3. Vrijstelling

Bij een aanvraag voor jeugdhulp voor een jeugdige die (tijdelijk) niet naar school gaat, moet er sprake zijn van een vrijstelling of moet de aanvraag hiervoor lopen. Zonder vrijstelling, of zonder dat deze in aanvraag is, is er sprake van ongeoorloofd verzuim. Het is dan in de eerste plaats belangrijk dat leerplicht betrokken is/wordt om met ouders in gesprek te gaan over het weer volgen van onderwijs en wat daarvoor nodig is. Indien nodig of gewenst kan het Team Sociaal Domein, met toestemming van ouders, hierbij aansluiten om mee te denken. Het Team Sociaal Domein beoordeelt in hoeverre de jeugdige jeugdhulp nodig heeft, omdat de oorzaak van het niet (volledig) kunnen volgen van onderwijs komt door specifieke problematiek die onder de wet valt. Voor dat deel wordt jeugdhulp ingezet.

School moet beoordelen welke vorm van onderwijs kan worden geboden. Opvang op zichzelf, omdat een leerling niet volledig naar school kan is geen jeugdhulp, maar valt onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs.

2.2.4.4. Onderwijs Zorgarrangement (OZA)

Een OZA is een integrale samenwerking tussen onderwijs en de gemeente waarin naast ondersteuning vanuit het onderwijs (Passend Onderwijs) door de gemeente begeleiding als maatwerkvoorziening Jeugdhulp wordt ingezet. Deze arrangementen zijn er zowel in het regulier als het speciaal onderwijs en worden voor groepen kinderen georganiseerd.

De integrale samenwerking tussen onderwijs en de gemeente en de gezamenlijke financiering vanuit passend onderwijs en jeugdhulpbudget, zijn de kerncomponenten van een OZA. Indien er geen sprake is van een gezamenlijke samenwerking én gezamenlijke financiering, betreft het geen OZA vanuit de jeugdhulp.

De jeugdhulpregio Lekstroom en de betrokken onderwijsinstelling bekijken steeds per situatie hoe het OZA het beste vorm kan worden gegeven. De jeugdhulpregio Lekstroom en de onderwijsinstelling maken daarbij afspraken over de benodigde inzet vanuit passend onderwijs en jeugdhulp, de beoogde doelen, monitoring en wie de regie voert. Het gaat immers om maatwerk. In het geval van OZA moet het wel duidelijk zijn dat de ondersteuning van de jeugdige breder is dan alleen ten aanzien van de leerproblemen. Indien bij de ondersteuning alleen sprake is van leerproblemen dan betreft het geen OZA en is dit aan het onderwijs.

2.2.5 Afstemming met kinderopvang

Kinderopvang is ook voor kinderen met een beperking voorliggend als algemene voorziening. Alleen in uitzonderlijke situaties, als een kind extra begeleiding nodig heeft die niet door pedagogisch medewerkers kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan er een maatwerk voorziening worden ingezet.

Hoofdstuk 3. Toelichting vormen van jeugdhulp

3.1 Pleegzorg

3.1.1 Pleegvergoeding, toeslagen en vergoeding bijzondere kosten

De pleegvergoeding is bedoeld voor de kosten van de verzorging en de opvoeding van de in het gezin of bij pleegouder geplaatste jeugdige. De vergoeding bestaat uit een basisbedrag dat kan worden vermeerderd met een toeslag of verminderd met een korting. Een toeslag kan worden toegekend bij crisisplaatsing, bij de opvang van drie of meer pleegkinderen of de opvang van een pleegkind met een verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke beperking. Een korting kan worden toegepast voor de periode dat het pleegkind in verband met bijzondere omstandigheden tijdelijk elders verblijft. Zie ook artikel 5.1 en 5.2 van de Regeling Jeugdwet. De hoogte van het basisbedrag wordt jaarlijks vastgesteld door de Rijksoverheid, evenals het bedrag dat maximaal als toeslag kan worden toegekend. De pleegzorgaanbieder verstrekt de pleegvergoeding en beslist over de toekenning van toeslagen en toepassing van kortingen.

Een pleegoudervoogd dan wel een pleegouder die een pleegkind opvangt, kan rechtstreeks bij de pleegzorgaanbieder een vergoeding voor ‘bijzondere kosten’ aanvragen, voor zover:

•de kosten naar het oordeel van de pleegzorgaanbieder redelijkerwijs noodzakelijk zijn en

•niet voldaan kunnen worden uit de pleegvergoeding of toeslagen

•voor deze kosten geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt

•de kosten redelijkerwijs niet zijn te verhalen op de onderhoudsplichtige ouders

Het bovenstaande is ook van toepassing bij vrijwillige pleegzorg. Voorbeelden van kosten waarvoor een vergoeding ‘bijzondere kosten’ kan worden aangevraagd zijn een door school gevraagde ouderbijdrage, bijdrage voor een schoolreis, kosten voor zwemles voor het A-diploma, de aanschaf van een laptop/schoolboeken, van een fiets, van kleding in verband met een bepaalde beroepsopleiding of paspoort of Europese identiteitskaart.

De pleegzorgaanbieder is bevoegd tot bedragen van € 200,- zelfstandig te beslissen op een aanvraag vergoeding ‘bijzondere kosten’. Voor bedragen tussen de € 200,- en € 500,- moet de pleegzorgaanbieder overleggen met het Team Sociaal Domein. Voor het toekennen van een vergoeding ‘bijzondere kosten’ boven de € 500,- is nadrukkelijk toestemming van het Team Sociaal Domein vereist. De pleegzorgaanbieder kan de kosten die als vergoeding ‘bijzondere kosten’ aan pleegouders zijn toegekend, declareren bij de gemeente mits aan bovenstaande eisen is voldaan en de declaratie van een onderbouwing en financiële bewijsstukken is voorzien.

3.2 Andere vormen van wonen met begeleiding en/of behandeling

3.2.1 Crisishulp

Er is sprake van crisis als er binnen 24 uur iets moet gebeuren. Als problemen in een gezin acuut zijn en ambulante spoedhulp niet toereikend is, kunnen kinderen (onder 12 jaar) en jongeren (vanaf 12 jaar) maximaal 28 dagen geplaatst worden in een crisispleeggezin respectievelijk een crisisopvang. Tijdens het verblijf in de crisisopvang onderzoeken betrokkenen (hulpverleners, ouders en de jeugdige) samen wat het beste vervolg is voor de jeugdige en het gezin: terug naar huis of naar een plek buiten het gezin, bijvoorbeeld in een pleeggezin, gezinshuis of in een leef-, woon- of behandelgroep.

3.2.2 Hoogspecialistische jeugdhulp

De hoogspecialistische jeugdhulp is de zorg voor kinderen en jongeren in een zeer kwetsbare positie. Met 24-uurs behandeling moet de stabiliteit, veiligheid en positieve interactie tussen het kind en zijn omgeving herstellen. Het omvat de ‘producten’ driemilieuvoorziening, Jeugdzorg+ en klinische opnames.

Het zijn verblijfsvormen waar een noodzaak is tot toevoeging en inzet van specifieke expertise, namelijk kennis en ervaring met:

•jeugdigen die zeer ernstig ontregelend gedrag laten zien

•jeugdigen waarbij in hoge mate hechtingsproblemen en -stoornissen en trauma/PTSS spelen

•jeugdigen in gezinssystemen waarbij een veelzijdige combinatie van problematiek aanwezig is

•(wetenschappelijk en praktijk-onderbouwde) effectieve inzet van (groeps-) begeleiding en behandeling

In bijzondere gevallen kan het verblijf gesloten van karakter zijn: jeugdzorg plus. Dit betekent dat de jeugdige niet kan gaan en staan waar hij wil, omdat wordt ingeschat dat een jongere een gevaar is voor zichzelf of zijn omgeving. Gewerkt wordt aan terugkeer naar huis, een traject richting zelfstandigheid, een vervolgbehandeling of een langer durende zorg en ondersteuning of een lichtere vorm van jeugdhulp met verblijf, zoals verblijf in een pleeggezin, gezinshuis of in een leef- of woongroep.

3.4 Vervoer

3.4.1 Afwegingskader vervoer

Om voor vervoer van en naar de jeugdhulplocatie in aanmerking te komen:

•Heeft een jeugdige een indicatie voor een maatwerkvoorziening jeugdhulp; en

•Is sprake van een medische noodzaak dan wel een beperking in de zelfredzaamheid; en

•Is het niet mogelijk om op eigen kracht het vervoer te organiseren. Voor de eigen kracht geldt dat ouders hierin een rol hebben en dat hierbij het OV voorliggend is. Voor ouders met een minimuminkomen, waardoor reiskosten niet betaald kunnen worden, is de participatiewet voorliggend; en

•Is er geen andere regeling/voorziening waarvan de jeugdige gebruik kan maken voor het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening; en

•Bedraagt de afstand van de verblijfsplaats van de jeugdige tot de jeugdhulpvoorziening meer dan 6 kilometer. Bij een reisafstand binnen 6 kilometer wordt van ouders wordt verwacht dat zij dit zelf regelen, tenzij er zwaarwegende factoren zijn om hiervan af te wijken; en

•Vervoer dat onder de Zvw of Wlz valt wordt niet verzorgd vanuit de Jeugdwet.

3.4.2 Pgb en vervoer

Er kan geen pgb voor formeel vervoer worden toegekend. Wanneer de jeugdige in verband met zijn problematiek moet worden begeleid tijdens het vervoer, wordt in eerste instantie van ouders verwacht dat zij zelf, of iemand uit hun netwerk, deze begeleiding bieden. De eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders en jeugdige worden conform artikel 11 uit de verordening beoordeeld. Alleen op hoge uitzondering kan een pgb begeleiding worden toegekend. Dit geldt alleen op het moment dat het kind meereist. Voor een ‘lege’ terugreis wordt geen pgb verstrekt.

Hoofdstuk 4. Het persoonsgebonden budget

4.2 Kwaliteitscriteria pgb

4.2.1 Pgb-vaardigheid budgetbeheerder

Om er zeker van te zijn dat bij toekenning een pgb goed wordt besteed, is het belangrijk dat de inwoner naar het oordeel van het Team Sociaal Domein voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen én in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

Als de jeugdige en/of ouders zelf niet beschikken over de benodigde vaardigheden om het pgb te beheren, kan in een aantal situaties toch een pgb worden verstrekt. Zo kan bijvoorbeeld iemand uit het netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger deze rol op zich nemen. Ook kan het zo zijn dat ouders worden gecompenseerd of ondersteund om te beschikken over de vaardigheden. In deze gevallen beoordeelt het team op basis van de individuele situatie of een pgb toegekend kan worden. Daarbij zijn naast de hierboven genoemde vereisten ook de volgende criteria van belang:

•Er mag geen sprake zijn van een onwenselijke vermenging van rollen, daarmee wordt bedoeld dat het beheer en de uitvoering van het pgb door dezelfde persoon worden gedaan. Slechts in uitzonderingssituaties is het toegestaan dat het beheer van het pgb en het uitvoeren van de ondersteuning door één en dezelfde persoon wordt gedaan. De uitzondering is alleen van toepassing bij een informeel pgb, voor professionele organisaties is deze uitzondering niet mogelijk. Er moet worden gemotiveerd waarom het niet mogelijk is om deze rollen te scheiden.

Criteria waarin aan de dubbelrol in ieder geval getoetst wordt zijn:

o Er is geen andere pgb-beheerder beschikbaar.

o Een andere zorgverlener is geen optie.

o De kwaliteit van de zorg is gewaarborgd.

•Bewindvoerders zijn wettelijk vertegenwoordigers die kunnen ondersteunen bij met name de financiële en administratieve kant van het pgb. Als de budgethouder wil dat zijn bewindvoerder het volledige budgetbeheer (dus naast de financiële ook de zorginhoudelijke kant) op zich neemt en de bewindvoerder daarmee akkoord gaat, dan zijn daartegen geen bezwaren. Het is echter geen eis dat een cliënt met een bewindvoerder het volledige budgetbeheer aan zijn bewindvoerder laat. Uit de wet volgt dat gedeeltelijke vertegenwoordiging mogelijk moet kunnen zijn.

Let op! De bewindvoerder kan de jeugdige en/of ouder(s) extra kosten in rekening brengen voor dit beheer. Deze kosten worden niet vergoed en mogen niet vanuit het pgb worden betaald.

•Mentoren zijn wettelijk vertegenwoordigers die taken en beslissingen met betrekking tot verzorging, behandeling, begeleiding en verpleging en dus niet-vermogensrechtelijke handelingen overnemen van betrokkenen. Ook wanneer er sprake is van een pgb. De mentor vervult geen financiële en administratieve rol. Daarom is een mentor alleen toegestaan als pgb beheerder als deze aangeeft betrokken te willen zijn bij de financiële en administratieve kanten van de zorg.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.