Gemeentelijke regelgeving

Onderwijsachterstandenbeleid gemeente Hulst 2025-2026

Gemeente Hulst · geldt sinds 23 mei 2025

Aanhef

Inhoudsopgave

1Inleiding en leeswijzer

2Terugblik

3Wettelijke opdracht

4Visie

5Doelen

6Voorschoolse educatie

•Zeeuws-Vlaamse definitie voor doelgroeppeuters VE

•Toeleiding

•Bereik

•Uitvoering

•Voorschoolse educatie in de vakantieperiode

•Monitoring VE

7VVE: doorgaande lijn

8Basisonderwijs

•Zomerschool

•Anderstalige nieuwkomers

9Integratie en segregatie

10Samenhang met overig beleid

•Startgroepen/Voorscholen

•Samenwerking tussen opvang, onderwijs en jeugd

11Planning

12Begroting

Bijlage 1. SOK

Bijlage 2. Kinderopvang activiteiten OAB

Bijlage 3. Afspraken ten aanzien van de doorgaande lijn

Bijlage 4. Resultaatafspraken VVE

Bijlage 1. SOK

Samenwerkingsovereenkomst

Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE)

Jeugdgezondheidszorg GGD-Zeeland,

Voorschoolse voorzieningen, Vroegschoolse voorzieningen, Gemeenten regio Zeeuws-Vlaanderen

1Algemeen

Inleiding

In de wet is in artikel 167 WPO lid 1 vastgelegd dat burgemeester en wethouders met betrekking tot VVE ten minste jaarlijks overleg voeren en zorgdragen voor het maken van afspraken over:

a.met het oog op een zo groot mogelijke deelname van het aantal kinderen aan voorschoolse educatie:

1°. het vaststellen welke kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal in aanmerking komen voor voorschoolse educatie,

2°. de wijze waarop die kinderen worden toegeleid naar voorschoolse en vroegschoolse educatie, en

3°. de organisatie van een doorlopende leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie, en

b.resultaten van vroegschoolse educatie.

Op grond van artikel 167 WPO lid 2 dienen burgemeester en wethouders overleg te voeren en afspraken te maken, voor onderdeel a, met de bevoegde gezagsorganen van scholen en de houders van kindercentra als bedoeld in de Wet Kinderopvang en voor onderdeel b met de bevoegde gezagsorganen van scholen. Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken.

In 2003 sloten de Zeeuws-Vlaamse partners (schoolbesturen, kinderopvanginstellingen, GGD-JGZ en drie gemeenten), de Zeeuws-Vlaamse samenwerkingsovereenkomst VVE af. Hiermee geven we uitvoering aan het bepaalde in artikel 167 lid 1, onderdeel a, sub 1 en 2 en lid 2. Daarnaast leveren we een bijdrage aan artikel 167 lid 1, onderdeel a, sub 3.

Periodiek actualiseren we de samenwerkingsovereenkomst. Nu, in 2024 actualiseren we opnieuw de afspraken. Deze samenwerkingsovereenkomst vervangt de afspraken, zoals deze in 2021 zijn vastgesteld.

Daar waar in dit document ‘ouders’ staat geschreven, bedoelen wij vanzelfsprekend ouder(s) en/of verzorger(s) en/of wettelijk vertegenwoordiger(s).

Doel

De Zeeuws-Vlaamse partners basisonderwijs, kinderopvang, GGD-JGZ en gemeenten werken samen om achterstanden bij kinderen te voorkomen en bestrijden. Door middel van deze bijgestelde samenwerkingsovereenkomst hernieuwen we de afspraken om de toeleiding van ‘doelgroeppeuters’ (voor definitie zie bijlage 1) tot de voorschoolse voorzieningen (met een specifiek VVE-aanbod) te verbeteren en daarmee de doorgaande lijn tussen voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen te bevorderen.

Om onderwijsachterstanden te voorkomen is het van belang om kinderen die risico lopen op een achterstand bij aanvang van de basisschool te laten deelnemen aan voorschoolse educatie. Voorschoolse educatie is een onderdeel van voor- en vroegschoolse educatie. VVE zet in op het bevorderen van taal, rekenen, sociaal-emotionele en motorische ontwikkeling. Het aanbod aan voorschoolse educatie is er in Zeeuws-Vlaanderen voor alle peuters, waarbij doelgroepkinderen vanaf de leeftijd van 2,5 jaar een extra urenaanbod krijgen.

Actualisatie

Met ingang van 1 april 2024 geven we een vervolg aan de uitvoering van de afspraken in deze overeenkomst.

Communicatie en afstemming

•De schoolbesturen en bestuurders kinderopvang zijn primair verantwoordelijk voor de communicatie van deze afspraken binnen hun organisaties.

•De jeugdverpleegkundigen in de werkgroep JGZ-KO-gemeente zijn verantwoordelijk voor de communicatie over de nieuwe werkwijze zoals geformuleerd in deze notitie naar de jeugdverpleegkundigen binnen de teams Terneuzen, Hulst en Sluis.

•De voor-, vroegscholen en GGD-JGZ hebben afspraken over de afstemming/ communicatie over kinderen. Hieronder vallen ook doelgroepkinderen.

Privacy en gegevensdeling

In de provincie Zeeland wordt voor verwijzing van met VVE geïndiceerde kinderen gebruik gemaakt van de VVE monitor. Voor deze monitor is tussen Dimensional Insight (VVE Monitor) en de GGD een verwerkingsovereenkomst opgesteld (bijlage 3).

Als kinderen in aanmerking komen voor een VVE indicatie wordt er, met toestemming van de ouders, door de GGD via de VVE- monitor doorverwezen naar een VVE locatie naar keuze. Deze VVE locatie ontvangt vervolgens de naam, het geslacht, de geboortedatum van het kind en adres, telefoonnummer en email van ouder(s). Deze gegevens worden gebruikt om de plaatsing van het kind te realiseren.

Gemeenten verwerken geen data en persoonsgegevens. Ook zien gemeenten geen kindgegevens en zien zij in de VVE Monitor alles alleen op een geaggregeerd niveau.

Bij de samenwerking en contacten tussen de verschillende organisaties worden de reguliere eisen op het gebied van privacy en de AVG in acht genomen, evenals de afspraken binnen de eigen organisaties.

In artikel 167 van de WPO is het volgende vastgelegd over privacy en gegevensdeling:

“Een houder van een kindercentrum of peuterspeelzaal verwerkt persoonsgegevens met als doel de bevordering van een goede doorstroom naar het basisonderwijs. De gegevens die een houder van een kindercentrum of peutergroep verplicht overdraagt aan het bevoegd gezag van een basisschool over leerlingen die op de basisschool zijn ingeschreven, zijn het programma van voorschoolse educatie dat een leerling heeft gevolgd en de duur van het programma dat is gevolgd. Houders van kindercentra of peuterspeelzalen maken afspraken met de basisscholen binnen een gemeente over de wijze van gegevenslevering. De bewaartermijn voor de overgedragen gegevens is twee jaar nadat het kind het kindercentrum of peuterspeelzaal heeft verlaten.”

In het kader van ouderbetrokkenheid gaan we er in beginsel van uit dat iedere bespreking rondom een kind samen met de ouders plaatsvindt.

Geheimhouding

Partijen nemen conform de toepasselijke wettelijke bepalingen en ongeacht de duur van deze samenwerkingsovereenkomst strikte geheimhouding in acht over elkaars organisatie, over informatie die ten behoeve van de uitvoering van deze samenwerkingsovereenkomst bij en/of tussen partijen bekend wordt en vertrouwelijk is.

Beveiliging

Partijen nemen ieder voor zich adequate technische en organisatorische maatregelen om informatie te beschermen tegen verlies of onrechtmatige verwerking, waaronder ten minste het bewaren, verstrekken, verzenden en archiveren van informatie.

Melding van datalekken

In het geval dat er onbedoeld informatie van een betrokkene terecht komt bij een onbedoelde ontvanger, dan is er sprake van een beveiligingsincident. Degene die dit constateert meldt dit onmiddellijk bij hun bestuur, zodat deze in de rol van verwerkersverantwoordelijk, de benodigde acties kan ondernemen en melding maakt van een datalek.

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Om te zorgen voor veiligheid en de juiste hulp is het van belang dat signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling goed in beeld zijn bij mensen die hier in hun werk zicht op hebben. De ‘Wet Verplichte Meldcode Huiselijk Geweld en kindermishandeling’ verplicht een aantal beroepsgroepen, waaronder de partners van deze samenwerkingsovereenkomst, om te werken met een meldcode. De meldcode is een stappenplan voor professionals om bij signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling te bepalen of een melding bij Veilig Thuis nodig is én of er hulp verleend/ georganiseerd kan of moet worden.

Per 01 januari 2019 is de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling aangescherpt. Melden bij Veilig Thuis wordt de norm bij vermoedens structurele onveiligheid. Ook als professionals zelf nog hulp kunnen verlenen in de lokale zorg. Veilig Thuis heeft een radarfunctie.

Elke organisatie die met de meldcode werkt, heeft een beroepscode en een aandachtfunctionaris. Deze implementeert de meldcode in de organisatie, bewaakt de procedures, is aanspreekpunt voor de ketenpartners en adviseert en ondersteunt medewerkers die met deze signalen worden geconfronteerd of daarover twijfelen.

2Inhoudelijke uitvoeringsafspraken

De diverse partijen hebben met betrekking tot de toeleiding van de peuters de volgende afspraken gemaakt.

Overleg

1De coördinator van het kerngroep overleg/ clusteroverleg neemt het initiatief voor een overleg tussen de voor- en vroegschoolse voorziening, minimaal twee keer per jaar. JGZ schuift hierbij op uitnodiging aan. (Indien van toepassing)

Uitvoeringsafspraken jeugdgezondheidszorg GGD-Zeeland (ZVL)

Zie bijlage 2: Zie stroomschema VE-monitor (bijlage 2) en verwerkingsovereenkomst Dimensional Insight (bijlage 3).

Uitvoeringsafspraken voorschoolse voorzieningen

1De voorschoolse voorzieningen moeten ingeschreven zijn in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) en zijn geregistreerd voor VVE.

2De voorschoolse voorzieningen werken met een erkend VVE programma.

3De voorschoolse voorzieningen die in het LRK geregistreerd zijn voor VVE bieden aan doelgroepkinderen een VVE-aanbod conform het wettelijk kader en de gemeentelijke subsidievoorwaarden.

4Doelgroepkinderen krijgen voorrang op niet-doelgroepkinderen bij plaatsing.

5Na definitieve vaststelling van de VVE-indicatie door JGZ, wordt het kind digitaal aangemeld via de VVE- monitor bij de voorschoolse voorziening.

6De voorschoolse voorziening signaleert op basis van KIJK! bij de jeugdverpleegkundige.

7Het is de verantwoording van de organisaties om de KIJK! op de juiste datum in te vullen en het ‘vinkje’ doelgroepkind VVE aan te zetten en te houden in KIJK!.

8De doelgroepkinderen die een erkend VVE programma krijgen aangeboden, worden gevolgd in hun ontwikkeling aan de hand van de registratiemethode KIJK!-peuters. Deze registratie wordt tenminste drie maal tijdens de peuterperiode afgenomen (2 jaar 6 maanden, 3 jaar 2 maanden, 3 jaar 10 maanden).

9Wanneer een kind een VVE-indicatie en verwijzing heeft gekregen, maar in de praktijk pas later start en er daardoor nog geen volledig beeld is, worden bij het eerstvolgende KIJK!-moment (dus bij 2 jaar en 6 maanden of 3 jaar en 2 maanden) enkel de basiskenmerken, risicofactoren en de taal ingevuld.

Indicatiestelling

10Als in de voorschoolse voorziening de indruk bestaat dat een niet-doelgroepkind een ontwikkelingsachterstand heeft, wordt een registratie KIJK!-peuters gedaan. Als uit deze registratie blijkt dat het kind een taal/spraak ontwikkelingsscore in de Nederlandse taal heeft welke ten minste 4 maanden onder het niveau van leeftijdsgenootjes ligt en er naar het professionele oordeel van de pedagogisch medewerker geen sprake is van ‘een sprongetje’ in de ontwikkeling van het kind signaleert de voorschool dit bij de jeugdverpleegkundige.

11Wanneer een kind géén VVE-indicatie heeft op het moment dat de KIJK! wordt ingevuld, signaleren de voorscholen in elk geval bij de jeugdverpleegkundige wanneer het kind een taal/spraak ontwikkelingsscore in de Nederlandse taal heeft welke ten minste 4 maanden onder het niveau van leeftijdsgenootjes ligt èn er naar het professionele oordeel van de pedagogisch medewerker geen sprake is van ‘een sprongetje’ in de ontwikkeling van het kind.

Overdracht

12De voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen verplichten zich tot een warme overdracht van het doelgroepkind. Houders van voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen verplichten zich tot het maken van afspraken over:

a.de wijze waarop de warme overdracht plaats vindt.

b.de inhoud van de warme overdracht.

Minimaal te verstrekken gegevens zijn: het programma dat is gevolgd, de duur van dit programma en de KIJK!-registratie. Aangevuld met de afspraken rondom de doorgaande lijn en de clusterplannen (indien van toepassing). Hierbij wordt altijd gehandeld volgens de kaders van de AVG.

Uitvoeringsafspraken vroegschoolse voorzieningen

1Houders van voorschoolse voorzieningen en basisonderwijs verplichten zich tot het maken van afspraken over de wijze van warme overdracht en de inhoud hiervan. Minimaal te verstrekken gegevens zijn: het programma dat is gevolgd, de duur van dit programma en de KIJK!-registratie. Ouders/verzorgers worden hier altijd actief bij betrokken

2Over de monitoring van vroegschoolse educatie in het basisonderwijs kunnen nadere afspraken worden gemaakt met de gemeente.

3Tijdens het intakegesprek op de vroegschool wordt de gezinssituatie nagevraagd en worden mogelijke jongere broertjes en zusjes toegeleid naar de voorschoolse voorziening.

4De afspraken rondom de doorgaande lijn en de clusterplannen worden uitgevoerd

3Monitor en evaluatie

Monitoring vindt plaats aan de hand van de VVE- monitor. De monitoring/ evaluatie vindt twee keer per jaar plaats na de tel data, te weten eind mei en eind november. Tijdens deze monitoringsmomenten worden gegevens van kinderopvangorganisaties en gemeenten naast elkaar gelegd. Voor deze bijeenkomst worden deze gegevens met elkaar gedeeld.

In de subsidieverantwoording peuterwerk/VVE leveren de voorschoolse voorzieningen het volgende aan:

Informatie

Bron

Wie levert aan

Aantal peuters per peildatum 1 oktober + 1 april per groep/locatie

Registratie voorschools

Voorschoolse voorziening

Aantal doelgroeppeuters per peildatum 1 oktober + 1 april bij de voorschoolse voorziening

Registratie voorschools

Voorschoolse voorziening

Met het basisonderwijs kunnen aparte afspraken worden gemaakt over het registreren en aanleveren van gegevens in het kader van de verplichte resultaatafspraken VVE.

De samenwerkingsovereenkomst VVE Zeeuws-Vlaanderen wordt iedere twee jaar geëvalueerd. De evaluatie van de samenwerkingsafspraken op uitvoeringsniveau maakt onderdeel uit van het clusteroverleg/ kerngroepoverleg.

Bijlage 1: Zeeuws-Vlaamse doelgroep definitie VVE

Doelgroep definitie VVE (voorschoolse periode)

Kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar

•die een feitelijke achterstand hebben óf die een hoog risico lopen op spraak/taalachterstand in de Nederlandse taal bij aanvang van de basisschool en waarbij ouder(s) onvoldoende in staat zijn om de ontwikkeling van het kind zodanig te stimuleren dat deze achterstand wordt ingelopen, en/of;

•waarvan het opleidingsniveau van (beide) ouder(s) ten hoogste mbo-1 niveau of lager is, en/of;

•waarbij de thuistaal niet Nederlands is èn (beide) ouder(s) een opleidingsniveau heeft van mbo-2 niveau of lager, en/of;

•waarbij uit de onderbouwde observatie gegevens van JGZ/GGD of de samenwerkingspartners (onderwijs, opvang, toegang) naar oordeel van JGZ/GGD blijkt dat het kind baat heeft bij VE vanwege een sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand en/of;

•waarvan de ouders in de schuldsanering of schuldhulpverlening via de gemeente zitten.

Deze achterstand wordt vastgesteld met behulp van vooraf bepaalde signaleringssystemen.

Te allen tijde geldt dat de professional een weloverwogen besluit neemt bij het afgeven van een VVE indicatie, waarbij in gesprek wordt gegaan met de ouders. Een afgegeven VVE-indicatie geldt tot het kind vier jaar wordt. Kinderen die niet in aanmerking komen voor een VVE-indicatie, worden bij ‘een verhoogd of hoog risico’ extra opgevolgd door JGZ.

Aandachtspunten bij de toepassing van de doelgroep definitie

•Uitgangspunt is dat er altijd advies wordt gevraagd aan de voorschoolse voorziening als het gaat om kinderen tussen 2 – 4 jaar, indien het kind hiervan al gebruik maakt.

•Wanneer een voorschoolse voorziening op basis van observatiegegevens constateert dat er zorgen zijn over de taalontwikkeling en/of sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind, dan kan de houder (met toestemming van de ouder(s) van het kind) in contact treden met JGZ/GGD.

•Wanneer ouders in staat worden geacht om de Nederlandse taal/spraak ontwikkeling van hun kind te stimuleren, dan krijgen zij hiervoor tips vanuit de JGZ.

•Wanneer sprake is van kind eigen factoren is mogelijk een andere interventie meer op zijn plaats dan VVE. Wanneer een kind wacht op plaatsing bij een gespecialiseerde instelling is een VVE-indicatie mogelijk gerechtvaardigd gedurende de wachttijd. De professional dient een weloverwogen besluit hierop te nemen. Wanneer een andere interventie plaats vindt, bestaat de mogelijkheid om daarnaast VVE in te zetten, bijv. omdat een TOS nog niet is vast te stellen op jonge leeftijd. De professional dient een weloverwogen besluit hierop te nemen.

•Kinderen die niet vallen onder de doelgroep definitie VVE, maar bij wie wel een noodzaak bestaat tot een aanbod van extra dagdelen op de voorschoolse voorziening, komen mogelijk in aanmerking voor opvang op Sociaal Medische Indicatie (indien van toepassing). Dit werkproces valt buiten de afspraken in deze samenwerkingsovereenkomst.

Vooraf bepaalde signaleringssystemen

Doelgroepkinderen worden door de JGZ onder andere op basis van SPARK /Van Wiechenmethode geïndiceerd. Voor de omgevingsanalyse maakt JGZ gebruik van de hiertoe ontwikkelde geldende richtlijn.

Doelgroepkinderen worden door de voorschoolse voorzieningen op basis van KIJK! gesignaleerd volgens de afspraken in deze overeenkomst.

Bijlage 2:Stroomschema VVE Monitor

Instroom via het consultatiebureau:

1De GGD- verpleegkundige stelt tijdens een consult vast dat een kind een VE-indicatie nodig heeft. Dit wordt besproken met de ouder(s). Als de ouder(s) instemmen met het afgeven van een indicatie kunnen zij een voorkeurslocatie aangeven. Dit wordt door de GGD- verpleegkundige ingevoerd in de VVE- monitor.

2De door de ouders gekozen aanbieder voor VE ontvangt een melding vanuit de VVE- monitor dat er een nieuwe toeleiding klaar staat.

3De VE-locatie start de plaatsingsprocedure en geeft aan in de VVE- monitor of het kind geplaatst is, op een wachtlijst staat of dat ouders alsnog hebben besloten geen VE af te nemen.

4Indien een ouder besluit geen VE af te nemen wordt dit, met de reden, geregistreerd in de VVE- monitor.

Indien een kind al geplaatst is op een groep:

Als een pedagogisch medewerker/ pedagogisch coach oordeelt dat een kind VE- indicatie nodig heeft, gaan zij in gesprek met ouders en GGD-verpleegkundige. Als deze het met elkaar eens zijn meldt de GGD- verpleegkundige het kind aan bij de VE- locatie naar keuze via de monitor.

Bijlage 2. Kinderopvangactiviteiten OAB

Algemeen

Uitgangspunt voor ons aanbod aan jonge kinderen is betekenisvol spel. Via spel ontwikkelen kinderen precies die vaardigheden die ze nodig hebben om een stevig fundament te ontwikkelen waar de schoolse vaardigheden, later te ontwikkelen vaardigheden in het leven op kunnen worden gebouwd.

Als kinderen de kans krijgen om zich spelenderwijs te ontwikkelen, is dat de meest optimale wijze waarop emotionele, sociale, motorisch en cognitieve ontwikkeling kan plaats vinden. We streven naar het kunnen spelen, naar kwalitatief goed spel.

Het spel vraagt een goede begeleiding door de medewerker VE. Dit enerzijds door een bewust ingerichte, voorbereide speelomgeving. Anderzijds vraagt het een kwalitatief goede begeleiding van het spel en de activiteiten die aangeboden worden. Verkennen, Verbinding, Verrijken zijn vaardigheden die de ve medewerker inzet in de begeleiding van spel. Kwalitatief goed spel kenmerkt zich door uitermate hoge mate van betrokkenheid, zodat vanuit een state of flow, deep leavel learning kan plaats vinden.

Hoe beter we kunnen kijken naar kinderen (welbevinden en betrokkenheid) hoe beter we kunnen inspelen op wat zich aandient (kindinitiatieven), wat de kinderen ons laten zien en vertellen, hoe rijker de ontwikkeling. Om het kind de mogelijkheid te geven te ontdekken, te exploreren, betekenisvolle ervaringen op te doen in en context rijke speelomgeving, bieden wij een rijk en volledig basisaanbod.

Voor alle kinderen is er voldoende aanbod zijn waarmee ze zich optimaal verder kunnen ontwikkelen. Er wordt steeds aangesloten bij het ontwikkelingsniveau van de kinderen in de groep en dus ook bij de nieuwe (jonge) kinderen die tussentijds instromen. Het aanbod moet voor iedereen iets passends bieden.

Ongeacht welk kind er speelt en wat de ontwikkelingsleeftijd ook is, er is altijd iets dat aansluit bij het ontwikkelingsniveau van het kind.

Inrichting, activiteiten, spel, sensitief responsieve reacties, ruimte voor kind initiatieven, rust, tijd om te ontdekken, te ervaren, dragen bij aan de ontwikkeling. Kinderen laten zien in gedrag en vaardigheden in welke mate ze zich ontwikkelen.

Het spel van kinderen vraagt een goede begeleiding van de medewerker VE.

Hij of zij moet kinderen kunnen ondersteunen, met als doel kinderen de regie laten hebben over hun eigen spel. Het gaat om het spel verkennen, verbinden en verrijken.

Begeleiding tijdens het spelen vraagt kennis van ontwikkeling (observeren met het hoofd). Alleen daardoor is het mogelijk in te schatten wat je ziet én hoe je kunt bijdragen in verdere ontwikkeling van het kind. Het betekent ook observeren met je hart: kunnen inleven in wat je ziet, kennis hebben van het kind en weten welke mogelijke interventies er zijn om in te zetten (observeren met je handen = handelen). Is de juiste interventie ‘meespelen’, toevoegen van materialen, weghalen van materialen, voordoen, stimuleren dat een ander kind meespeelt, nabijheid of juist afstand? Afhankelijk van de observatie (hoofd, hart) maakt de pm-er een keuze (handen) en observeert ze het effect van de interventie.

Focus KOV activiteiten 2024-2026

Het realiseren van het bovenstaande is een proces van jaren. En we hebben in de vorige planperiode hiervoor een basis gelegd. Vanuit de verantwoordelijkheid voor VE als KOV willen in de huidige planperiode een verdere focus aanbrengen op spel en de doorgaande lijn in samenwerking en afstemming met het onderwijs. We doen dit door het gezamenlijk verkennen en ontwikkelen op locatie. Hiertoe zal ook per locatie een plan worden opgesteld met gezamenlijke speerpunten.

Daarnaast zetten we flankerend in op het herkennen en hanteren van gedrag & emoties in samenspraak met ouders kwaliteitsverbetering d.m.v. het locatie plan voor de VE groep en voldoende tijd en ruimte op de groep.

1.Spelenderwijs omgaan met emoties

We zetten evenwichtig in op de vier domeinen taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling. In de afgelopen planperiode hebben we extra geïnvesteerd in taal. In de nieuwe planperiode willen we een focus leggen op de sociaal-emotionele ontwikkeling en dan met name het gedrag en de emoties van de peuters.

In een aantal situaties vormt het gedrag van de peuters een uitdaging. Onderliggend is het omgaan met emoties. De emoties van peuters leiden soms tot gedrag dat niet altijd gewenst is.

Leren omgaan met emoties hoort bij de ontwikkeling van een kind. Daarnaast is weten hoe het met je gaat en hoe je je voelt een belangrijk aspect van welbevinden. Een kind dat weet heeft van zijn gevoelens en emoties kan er ruimte aan geven in plaats van ze te verdringen of af te reageren. De professional speelt hier een belangrijke rol in.

Ook en juist in samenspraak met de ouder. Het herkennen en kunnen plaatsen van de uiting van emoties in de ontwikkeling van kinderen, draagt bij aan het normaliseren van gedrag een van de doelstelling vanuit de inclusiever werken. Daarom is het van belang dat we ouders betrekken en informeren d.m.v het delen van de kennis en vaardigheden via het geven van workshops.

Bron: Spelenderwijs opgroeien met emoties

Door meer aandacht voor gedrag en emoties werken we aan de volgende doelen:

•Pedagogisch medewerkers herkennen emoties bij de kinderen;

•Pedagogisch medewerkers herkennen emoties bij zichzelf (en weten welke invloed ze hebben);

•Pedagogisch medewerkers kunnen emoties beïnvloeden;

•Pedagogisch medewerkers kunnen kinderen leren hun emoties te benoemen;

•Pedagogisch medewerkers kunnen kinderen leren omgaan met hun emoties;

•Pedagogisch medewerkers kunnen preventief handelen, doordat ze vroegtijdig in kunnen spelen op emoties;

•Pedagogisch medewerkers kunnen gedragsproblemen vroegtijdig signaleren;

•Pedagogisch medewerkers kunnen zorgen voor een passende aanpak waar het gaat om gedrag bij jonge kinderen.

Door middel van de ouderworkshops bieden we ouders handvatten en inzichten waardoor thuis op ‘eenvoudige’ wijze een groot verschil kunnen maken. Dit leidt niet alleen tot rust en minder strijd in het gezin, maar ook tot een veiliger emotioneel klimaat waarin emoties beter worden begrepen en behoeften achter gedrag eerder worden herkend. Locatieplan

2.Locatieplan

Elke VE groep voert jaarlijkse een nulmeting uit m.b.t. de kwaliteitsitems behorende bij VVE. Op basis daarvan maakt de locatie zijn plan waarin ontwikkeling en aandachtspunten zijn opgenomen. Dit is een belangrijk element om het handelen en de kwaliteit van het aanbod en het effect van dat aanbod op locatie te verbeteren.

Om naast de aandachtspunten en reguliere verbeteringen juist een verdieping aan te brengen door kennis te verbreden en te verdiepen en vaardigheden te ontwikkelen, kijken we per locatie naar de speerpunten t.a.v. professionaliseringen en laten ons daar door experts in bij staan.

3.Extra inzet op de VVE groep

Kinderen met een VVE indicatie hebben een plan van aanpak en om de ontwikkeling extra te ondersteunen is het nodig om in kleinere groepen intensiever aan de slag te kunnen zijn voor een blijvend positief effect op de ontwikkeling. Dit vereist o.a. meer ondersteuning op de groep. Vandaar dat deze extra inzet een interventie is in onze komende OAB periode.

Bijlage 3. Afspraken ten aanzien van de doorgaande lijn

Inleiding

Wettelijk is vastgelegd dat burgemeester en wethouders m.b.t. VVE ten minste jaarlijks overleg voeren en zorg dragen voor het maken van afspraken over:

a.met het oog op een zo groot mogelijke deelname van het aantal kinderen aan voorschoolse educatie:

1°. het vaststellen welke kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal in aanmerking komen voor voorschoolse educatie,

2°. de wijze waarop die kinderen worden toegeleid naar voorschoolse en vroegschoolse educatie, en

3°. de organisatie van een doorlopende leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie, en

b.resultaten van vroegschoolse educatie.

In dit document gaat we in op onderdeel a.3.

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op het bovenstaande. Per 1 juli 2017 is de Wet op het onderwijstoezicht gewijzigd. Er wordt nu in het toezicht onderscheid gemaakt tussen bij wet geregelde deugdelijkheidseisen en eigen aspecten van kwaliteit.

In het Onderzoekskader 2021 (versie 2022) van de Inspectie van het Onderwijs staan op gemeentelijk niveau minimale eisen beschreven ten aanzien van de doorgaande lijn. Er wordt via de zelf te bepalen ‘eigen aspecten van kwaliteit’ ruimte gegeven om zelf invulling te geven aan hoe en op welke gebieden men een doorgaande lijn wil formuleren.

In het kader staat daarover het volgende:

Afspraken met betrekking tot de doorgaande lijn in de nieuwe planperiode

Binnen de gemeente Hulst spreken we af dat alle samenwerkende clusters bij het nader uitwerken en verstevigen van de doorgaande lijn minimaal aandacht zullen besteden aan de onderstaande gebieden. Daarmee wordt een invulling gegeven aan de ‘eigen aspecten van kwaliteit’ zoals opgenomen in het kader.

Wanneer er in één van de clusters andere onderwerpen zijn die relevant zijn om in het kader van de doorgaande lijn afstemmingsafspraken over te maken, dan kunnen daar binnen het cluster uiteraard ook afspraken over gemaakt worden.

Kern van onderstaande uitwerking is dat de clusters de vrijheid (en verantwoordelijkheid) krijgen om afspraken te maken die zo goed mogelijk aansluiten bij hun plaatselijke situatie.

De ervaring tot nu toe is dat er niet alleen verschillen tussen de clusters zijn qua intensiteit van de samenwerking, maar dat er ook binnen de clusters verschil zit in de intensiteit waarmee er samengewerkt wordt. De inschatting is dat dat ook in de toekomst zo zal blijven. Zo kunnen er binnen een cluster bijvoorbeeld twee partijen zijn die heel nauw samenwerken in het kader van IKC-vorming, terwijl er ook met andere partijen afgestemd wordt Dit speelt met name in kernen en wijken waarin meerdere basisscholen en/of kinderopvanglocaties zijn.

≥ Er is VVE-coördinatie binnen en tussen de voor- en vroegschool

Er is zowel binnen de voorschool als binnen de vroegschool iemand aanspreekpunt voor VVE binnen de eigen locatie. In de ideale situatie is er ook één iemand verantwoordelijk voor de VVE-coördinatie tussen voor- en vroegschool. Het is echter ook prima als de intern verantwoordelijken samen de onderlinge coördinatie oppakken. Geborgd wordt dat de samenhang tussen VVE en andere ontwikkelingen binnen de locatie bewaakt wordt.

≥ De voor- en vroegschool zorgen voor een warme overdracht

Warme overdracht van ontwikkelingsgegevens van kinderen vindt plaats van voorschool naar vroegschool. Norm voor de warme overdracht is vanuit de gemeente Hulst dat in ieder geval de doelgroepkinderen warm overgedragen worden. Uiteraard is het prima als ook andere kinderen warm overgedragen worden, maar dit wordt niet gefaciliteerd door de gemeente.

De partijen hebben onderling afspraken gemaakt (die voldoen aan de privacywetgeving) en vastgelegd hoe de overdracht plaatsvindt, wanneer, welke gegevens overgedragen worden, etc. Kader hiervoor vormen in ieder geval de afspraken zoals vastgelegd in de Samenwerkingsovereenkomst. In de ideale situatie vindt er niet alleen overdracht van voorschool naar vroegschool plaats, maar is er na enige tijd ook sprake van terugrapportage.

≥ Het aanbod van de voor- en vroegschool is op elkaar afgestemd

De partijen hebben met elkaar afspraken hoe ze hun aanbod op elkaar afstemmen. Op de gebieden waarvoor er SLO-doelen beschikbaar zijn, zijn deze doelen leidend bij het realiseren van een doorgaande lijn.

≥ Het pedagogisch klimaat van de voor- en vroegschool is op elkaar afgestemd

De partijen hebben met elkaar afspraken hoe ze hun aanbod op elkaar afstemmen.

≥ Het educatief handelen op de voor- en vroegschool is op elkaar afgestemd

De partijen hebben met elkaar afspraken hoe ze hun educatieve handelen op elkaar afstemmen.

≥ De manier om met ouders om te gaan op de voor- en vroegschool is op elkaar afgestemd

De partijen hebben met elkaar afspraken hoe ze hun wijze van omgaan met ouders op elkaar afstemmen. Vanuit het belang om kinderen zo vroeg, vaak en rijk mogelijk te ondersteunen in hun ontwikkeling is er voorschools (en mogelijk ook vroegschools) beleid om ouders zo veel mogelijk te stimuleren tot ontwikkelingsstimulering in de thuissituatie. Zeker bij de clusters met veel doelgroepkinderen moet de ambitie er op gericht zijn hier een doorgaande lijn in te realiseren tussen voorschools en vroegschools.

≥ De begeleiding en zorg op de voor- en vroegschool zijn op elkaar afgestemd

De partijen hebben met elkaar afspraken hoe ze hun interne en externe begeleiding en zorg op elkaar afstemmen.

Betrokkenen kunnen op verschillende manieren op bovenstaande gebieden werken aan een doorgaande lijn. Denk bijvoorbeeld aan clusteroverleg, gezamenlijke scholing, bij elkaar op de groep kijken en wat men daar gezien heeft nabespreken, intervisie, etc. Ze bepalen hierbij zelf welke vorm die afstemming krijgt.

IKC-ontwikkeling

Afstemmingsafspraken in het kader van de doorgaande lijn die gemaakt worden binnen het VVE-beleid vormen één-op-één input voor de afstemming die men probeert te realiseren binnen een IKC en omgekeerd. Het kan niet anders dan dat deze ontwikkelingen elkaar zullen (en moeten) versterken. Ten aanzien van IKC-ontwikkeling is in de gemeente Hulst vastgesteld dat de wijze waarop het aanbod wordt ingericht zowel in fysiek opzicht als inhoudelijk kan verschillen, maar dat we de ambitie hebben om een aantrekkelijk aanbod te realiseren, dat bijdraagt aan de optimale ontwikkeling van kinderen, dat aansluit bij de wensen van ouders en kinderen en daardoor ook een aantrekkelijk alternatief vormt voor de gratis school/kinderopvang in Vlaanderen.

Voor de locaties die bezig zijn met IKC-ontwikkeling geldt daarom (aanvullend) dat er gewerkt wordt aan de geformuleerde IKC-kwaliteitseisen die een uitwerking vormen van de uitgangspunten die in het voorzieningenplan zijn opgenomen.

Tijdspad

Bovenstaande afspraken gaan in met ingang van kalenderjaar 2019.

Verantwoordelijkheden in het kader van de doorgaande lijn

De samenwerkende partijen binnen een cluster zijn altijd zelf verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van hun VVE-beleid binnen de eigen locatie. Het realiseren van een kwalitatief goed aanbod binnen de eigen locatie is voorwaarde om een goede samenwerkingspartner te kunnen zijn.

Om te komen tot goede afstemmingsafspraken in het kader van de doorgaande lijn is altijd meer dan één partner nodig. Hier begint dan ook de gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Afspraak is dat de afstemmingsafspraken in het kader van de doorgaande lijn worden vastgelegd op een centrale plaats: een borgingsdocument (daarbij kan verwezen worden naar andere documenten). Deze zijn desgewenst in te zien door de Inspectie van het Onderwijs en de GGD.

In dit borgingsdocument wordt ook vastgelegd wie er verantwoordelijk is voor de actualisering van het document. Aan het eind van het schooljaar wordt dit borgingsdocument doorgestuurd naar de gemeente.

De clusters rapporteren jaarlijks over de voortgang per cluster aan de gemeente. Dit gebeurt via een zelfevaluatie, waarbij via de schaal die de Inspectie van het Onderwijs ook hanteert, aangegeven wordt in hoeverre er een doorgaande lijn gerealiseerd is ten aanzien van de onderwerpen die in dit kader afgesproken zijn. Vooraf wordt aan de gemeente duidelijk gemaakt wie deze evaluatie naar de gemeente door zal sturen. De evaluatie wordt aan het eind van het schooljaar naar de gemeente verstuurd.

Bijlage 4. Resultaatafspraken VVE

Resultaatafspraken Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE)

De basisafspraken zijn gemaakt in 2017. Eind 2021 en begin 2023 zijn deze bijgesteld in onderling overleg met de gemeentelijke werkgroep.

Deelnemende partijen zijn:

-Kinderopvanglocaties verenigd in /vertegenwoordigd door Stichting Kinderopvang Zeeuws- Vlaanderen

-Kinderopvangorganisaties verenigd in / vertegenwoordigd door Stichting Eigenwijs

-Kinderopvang De Kleine Deugniet

-Elevantio

Kader voor afspraken

1Afspraken gelden voor alle kinderopvanglocaties die in het LRKP VVE geregistreerd staan (voorscholen) en alle basisscholen (vroegscholen) in de gemeente Hulst.

2Definitie VVE-geïndiceerde doelgroepkinderen (zoals Zeeuws-Vlaams vastgelegd)

Kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar

○ die een feitelijke achterstand hebben óf die een hoog risico lopen op spraak/taalachterstand in de Nederlandse taal bij aanvang van de basisschool en waarbij ouder(s) onvoldoende in staat zijn om de ontwikkeling van het kind zodanig te stimuleren dat deze achterstand wordt ingelopen, en/of;

○ waarvan het opleidingsniveau van (beide) ouder(s) ten hoogste mbo-1 niveau of lager is, en/of;

○ waarbij de thuistaal niet Nederlands is èn het opleidingsniveau van (beide) ouder(s) ten hoogste mbo-2 niveau of lager is, en/of;

○ waarbij uit de onderbouwde observatie gegevens van JGZ/GGD of de samenwerkingspartners (onderwijs, opvang, toegang) naar oordeel van JGZ/GGD blijkt dat het kind baat heeft bij VE vanwege een sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand en/of;

○ waarvan de ouders in de schuldsanering of schuldhulpverlening via de gemeente zitten.

3De beoogde kwaliteitsimpuls reikt verder dan alleen het kijken naar de VVE-geïndiceerde doelgroepkinderen en ontwikkelingsgebied spraak/taal, namelijk naar alle kinderen en alle ontwikkelingsgebieden. De gemeentelijke financiële middelen vanuit het onderwijsachterstandenbeleid worden alleen ingezet voor de VVE-geïndiceerde doelgroepkinderen afgegeven door de JGZ-GGD Zeeland.

4Afspraken gaan zowel over de resultaten als de weg er naar toe;

a.De voorscholen maken gebruik van Uk & Puk of Peuterplein als VVE programma. De vroegschool heeft een vrije keuze van het te gebruiken VVE programma. Er wordt gewerkt aan een doorgaande lijn hierin via de SLO-doelen.

b.De voorscholen maken gebruik van observatie-instrument KIJK!. De inzet van het observatie instrument KIJK! binnen de vroegschool is voor het eerst afgesproken voor het schooljaar 2017-2018. Jaarlijks wordt het gebruik van KIJK! ten behoeve van het VVE-beleid, in uitvoering en naar verantwoording, met betrokkenen vastgesteld. Eind 2022 werken nog steeds alle partijen met KIJK!.

c.Om zicht te hebben op het (non-)bereik van de VVE-geïndiceerde doelgroepkinderen wordt gemonitord hoeveel kinderen met een door JGZ GGD-Zeeland afgegeven VVE- doelgroepverklaring daadwerkelijk de voor- en vroegschool bereikt. De voorschool kent de monitorverplichting op basis van de samenwerkingsovereenkomst VVE. De vroegschool kent deze monitor verplichting niet.

d.Binnen de verschillende clusters van voorschoolse voorzieningen en basisscholen in het kader van de ‘doorgaande lijn’ in de gemeente Hulst worden de volgende onderdelen verder uitgewerkt en kunnen aanvullende specifieke afspraken worden gemaakt: Warme overdracht, educatief handelen, aanbod pedagogisch klimaat, zorg en begeleiding, ouderbetrokkenheid.

e.In beginsel vindt bij alle kinderen een warme overdracht plaats, waarbij een gesprek plaatsvindt tussen voor- en vroegschool naar aanleiding van het overdrachtsformulier. Hiervoor wordt het formulier gebruikt vanuit de KIJK! met bijbehorende onderdelen en toestemmingsverklaring. In het kader van deze resultaatafspraken gaat het hier specifiek om de VVE-geïndiceerde doelgroepkinderen.

Ambities en resultaatafspraken

De ambitie van de deelnemende partijen ten aanzien van de resultatenvan VVE liggen op de vier ontwikkelingsgebieden, namelijk taal/spraak, rekenen, sociaal-emotioneel en motoriek. Deze ontwikkelingsgebieden zijn ook opgenomen in het observatie-instrument KIJK! en gelden daarmee zowel voor de voor- als de vroegscholen.

Ambitie:

Voor zowel de voor- als de vroegscholen en voor zowel VVE-geïndiceerde doelgroep- als andere kinderen streven we ernaar dat: (zoals opgenomen in de KIJK!)

•Alle kinderen ++ of +- scoren op de basiskenmerken

•Alle kinderen minimaal een 3,5 scoren op betrokkenheid

•Alle kinderen minimaal een leeftijdsadequate groei doormaken.

Resultaatafspraak:

90% van de VVE-geïndiceerde doelgroepkinderen voldoet aan bovenstaande ambitie.

Verantwoording en monitoring van de resultaatafspraken

1De voorschool verzorgt bij aanvang van de deelname van het VVE-geïndiceerde doelgroepkind middels de KIJK! een ‘nulmeting’. De KIJK! observaties gebeuren op gezette tijdstippen (2,6 en 3,2 jaar) volgens Zeeuws-Vlaamse afspraken.

2De ontwikkelingsresultaten van kinderen worden gemeten op het einde van de voorschool en einde vroegschool (groep 2), zodat het effect van VVE voor het betreffende kind kan worden bekeken.

3De ontwikkelingsresultaten van het kind worden middels de KIJK! lijsten inzichtelijk gemaakt op kindniveau. De resultaten van meerdere kinderen over een langere periode worden inzichtelijk gemaakt middels de KIJK! monitor.

4De KIJK! monitor wordt periodiek tijdens de Lokaal Educatieve Agenda (LEA) besproken, geëvalueerd en indien nodig bijgesteld. Deze evaluatie wordt vastgelegd en kan leiden tot conclusies voor verbeteringen en/of aanpassingen van het beleid, zowel voor de voor- en vroegscholen als de gemeente. Daarnaast wordt getracht het lerend vermogen van de deelnemende partijen te stimuleren ten einde van de kwaliteit van het totale aanbod aan kinderen te stimuleren en te vergroten.

Door de jaarlijkse verantwoording van zowel de voor- als de vroegschool zal inzichtelijk worden of de gestelde ambities realistisch en haalbaar zijn.

Gemeente Hulst – Resultaatafspraken Voor- en Vroegschoolse Educatie

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.