Gemeentelijke regelgeving

Beheer- en beleidsplan wegen 2024-2028

Gemeente Hulst · geldt sinds 28 februari 2024

Aanhef

De raad van de gemeente Hulst;

B E S L U I T:

a.Vaststellen van het Beheer- en beleidsplan wegen 2024-2028.

b.Akkoord gaan met de strategie.

c.Vanaf 2028 structureel ruimte vrijmaken om de incidenteel afgedekte uitgaven structureel te dekken.

4 Aanwezige voorzieningen

4.2 Huidig areaal

4.2.1 Areaal per hoofdgebruiker

Het bestaande areaal is onder te verdelen in naar hoofdgebruiker, zoals (vracht-)auto’s, fietsers, voetgangers en overige. Onder de categorie ‘overige’ vallen bijvoorbeeld verkeersdruppels en molgoten.

In figuur 4-1 is het areaal verhardingen per hoofdgebruiker en verhardingstype grafisch weergegeven.

Figuur 4-1Wegtypen binnen de gemeente [m²]

Uit figuur 4-1 blijkt dat de elementenverhardingen met als hoofdgebruiker (vracht-)auto’s het grootste areaal verhardingen omvat, ruim 700.000 m².

4.2.2 Areaal verhardingen per wegtype

Naast een verdeling van het areaal naar hoofdgebruiker, kan ook gekeken worden naar hoe zwaar de verharding belast wordt. Hiervoor is het areaal verhardingen onderverdeeld in wegtypen. Hierbij wordt volgens de CROW-systematiek onderscheid gemaakt in 7 wegtypen. Bij het opstellen van het wegencategoriseringsplan zijn deze wegtypen aangehouden. In tabel 4-1 zijn de verschillende wegtypen binnen de gemeente Hulst omschreven. De gemeente Hulst heeft geen verhardingen met wegtype 1 en 2 in beheer. Dit betreffen Rijkswegen en provinciale wegen.

Tabel 4-1Wegtypen binnen de gemeente Hulst

Wegtype

Benaming

Omschrijving

3

Gemiddeld belaste weg

drukke onsluitingswegen en industriewegen met veel vrachtverkeer

4

Licht belaste weg

ontsluitingswegen met weinig vrachtverkeer

5

Weg in woongebied

verhardingen binnen woongebieden met sporadisch vrachtverkeer

6

Weg in verblijfsgebied

verhardingen welke voornamelijk door voetgangers worden gebruikt

7

Fietspad

verhardingen die voornamelijk door fietsers worden gebruikt

In tabel 4-2 is per wegtype het areaal verhardingen in beheer bij de gemeente weergegeven.

Tabel 4-2Oppervlakten verhardingen naar wegtype [m²]

Wegtype

Verdeling

Areaal

Asfalt

Beton

Elementen

Half- of onverhard

Gemiddeld belaste weg

12,5%

221.300

139.300

900

79.700

1.400

Licht belaste weg

11,2%

198.100

124.300

2.700

65.900

5.100

Weg in woongebied

44,5%

787.100

103.400

6.100

668.000

9.500

Weg in verblijfsgebied

28,0%

496.000

5.100

2.500

452.900

35.500

Fietspad

3,7%

65.900

45.600

8.800

11.500

0

Totaal

1.768.400

417.700

21.000

1.278.000

51.500

In tabel 4-2 is te zien dat het grootste deel van de verhardingen (44,5%) bestaat uit het wegtype ‘Weg in woongebied’. Het betreft hierbij voornamelijk woonstraten met een elementenverharding.

4.2.3 Vergelijking areaal verhardingen 2018 en 2023

Het verhardingsareaal in beheer bij de gemeente Hulst in de jaren 2018 en 2023 is vergeleken. In tabel 4-3 is voor deze jaren een onderverdeling gemaakt naar asfalt-, elementen- en betonverharding.

Tabel 4-3Vergelijking areaal verhardingen 2018 en 2023 [m²]

2018

2023

Verschil

Asfaltverhardingen

412.600

417.800

5.200

Betonverhardingen

12.700

20.900

8.200

Elementenverhardingen

1.250.600

1.278.100

27.500

Totaal

1.675.900

1.716.800

40.900

Uit deze vergelijking blijkt dat het totale areaal verhardingen ten opzichte van 2018 is toegenomen met 40.900 m². De grootste areaal toename is te vinden bij de elementenverhardingen, ruim 27.500 m².

Door de koppeling van de BGT-kaart (Basisregistratie Grootschalige Topografie) met de BOR-kaart (beheerkaart Openbare Ruimte) is nu alle aanwezige verharding in de openbare ruimte (opnieuw) vastgelegd. Hierbij zijn tevens alle nieuwe ontwikkelingen (exploitaties) en herinrichtingen van de laatste jaren verwerkt in de database.

4.3 Kwaliteit van de verhardingen

4.3.1 Inleiding

Het in de komende periode uit te voeren onderhoud en de daarmee samenhangende kosten worden voornamelijk bepaald door de huidige kwaliteit van de verhardingen.

Allereerst wordt het technisch kwaliteitsbeeld gegeven dat direct is afgeleid van de globale visuele inspectie en de CROW-richtlijnen. Deze technische kwaliteit wordt vervolgens vertaald naar kwaliteitsbeoordeling.

4.3.2 Technische kwaliteit

In augustus 2022 is in de gemeente Hulst het wegenareaal geïnspecteerd. De hierbij verkregen inspectiegegevens zijn getoetst aan de richtlijnen die behoren bij ambitieniveau B. De inspectiecijfers bepalen in de systematiek het planjaar, dus het jaar of de periode waarin het onderhoud verwacht wordt.

In tabel 4-1 is per schadebeeld het percentage van het oppervlak weergegeven, verdeeld over de asfalt- en elementenverhardingen, met een beoordeling voldoende, matig of onvoldoende.

•Voldoende wil in dit kader zeggen dat het weergegeven areaal voldoet aan de CROW-richtlijnen, ofwel de schade is minder dan de toegestane schade volgens de richtlijn.

•Matig wil zeggen dat de verharding nog net voldoet aan de richtlijn.

•Onvoldoende wil zeggen dat de verharding niet meer voldoet, ofwel de schade is erger dan toegestaan.

Areaal dat ‘onvoldoende’ scoort is dus volgens de richtlijnen onvoldoende en dient op korte termijn te worden weggewerkt.

Tabel 4-1Percentages voldoende/matig/onvoldoende [%]

Asfaltverhardingen

Elementenverhardingen

Schadebeeld

voldoende

matig

onvoldoende

voldoende

matig

onvoldoende

Dwarsonvlakheid

97,31%

0,32%

2,37%

99,16%

0,24%

0,60%

Oneffenheden

96,28%

0,94%

2,78%

80,20%

1,96%

17,84%

Rafeling

92,81%

0,35%

6,85%

Randschade

86,03%

12,66%

1,31%

Scheurvorming

95,80%

3,81%

0,39%

N.B. De schadebeelden rafeling, randschade en scheurvorming worden bij elementenverhardingen niet geïnspecteerd.

4.3.3 Relatie technische kwaliteit en kwaliteitsniveau

In deze paragraaf wordt de relatie toegelicht tussen de technische kwaliteit vanuit de wegbeheersystematiek en IBOR-kwaliteitsniveaus vanuit de kwaliteitscatalogus openbare ruimte.

Wegbeheersystematiek: CROW-publicatie 147

Voor het plannen en begroten van het noodzakelijke constructieve wegonderhoud en het vaststellen van de aanwezige kwaliteit maken wegbeheerders al sinds 1985 gebruik van de wegbeheersystematiek (CROW-publicatie 147). Deze systematiek is in Nederland de standaard en wordt door de meeste overheden toegepast. Hiermee kan op basis van gegevens uit 2-jaarlijks uitgevoerde inspecties het benodigde budget voor de komende 5 jaar worden bepaald en goed inzichtelijk worden gemaakt wat de effecten zijn op de kwaliteit bij een tekort aan beschikbare budgetten. Het is daarom zeer wenselijk om ook in de toekomst de wegbeheersystematiek hiervoor te blijven gebruiken.

De wegbeheersystematiek heeft echter een technische invalshoek. De kwaliteit wordt in de wegbeheersystematiek gedefinieerd per schade (zoals rafeling, scheurvorming, dwarsonvlakheid) en uitgedrukt in de classificatie die wordt gebruikt bij de globale visuele inspectie (zoals M3 of E1).

Daardoor is deze systematiek minder goed bruikbaar voor de communicatie tussen bestuur en de (technische) wegbeheerder.

Kwaliteitscatalogus openbare ruimte 2023: CROW-publicatie 735

Gemeenten en provincies kunnen de kwaliteit van de openbare ruimte definiëren met behulp van de beeldkwaliteitsniveaus A+, A, B, C en D. In de kwaliteitscatalogus zijn deze kwaliteitsniveaus voor alle aspecten van de openbare ruimte (wegonderhoud, groenonderhoud, zwerfafval, etc.) gedefinieerd. Elk niveau is beschreven in voor bestuurders begrijpelijke (niet-technische) bewoordingen en geïllustreerd met foto’s. Op beleidsniveau kunnen bestuurders en beheerders hierdoor beter discussiëren over het geambieerde kwaliteitsniveau van de openbare ruimte en de bijbehorende onderhoudskosten. Op basis hiervan kunnen bestuurders dan beter besluiten nemen over het gewenste kwaliteitsniveau van de openbare ruimte (inclusief wegverhardingen). Het is daarbij ook eenvoudig om onderscheid te maken tussen de gewenste kwaliteitsniveaus in verschillende gebieden (zoals woonwijken, centrumgebieden, ontsluitingswegen en buitengebieden).

Tevens maakt dit de communicatie tussen de bestuurder en de (technische) wegbeheerder over de huidige en de gewenste kwaliteit eenvoudig en inzichtelijk.

Relatie beeldkwaliteit - wegbeheersystematiek

Het laagste kwaliteitsniveau dat een beheerder of bestuurder kan kiezen is niveau C. Dit komt overeen met het minimaal verantwoorde niveau uit de wegbeheersystematiek. De gemeente Hulst maakt de afwegingen over het noodzakelijke onderhoud op een hoger niveau wat overeenkomt met beeldkwaliteit B. Kwaliteitsniveau D (te laag) is gedefinieerd om aan te kunnen geven dat niet aan het minimale niveau wordt voldaan. In de wegbeheersystematiek zijn CROW-richtlijnen zodanig gedefinieerd dat deze overeenkomen met het minimale niveau van verantwoord wegbeheer. De systematiek beschrijft dat er een verhoogd risico ontstaat op (terechte) schadeclaims en dat niet meer wordt voldaan aan de minimale eisen met betrekking tot veiligheid en comfort als er niet wordt voldaan aan de CROW-richtlijnen. Met andere woorden: als de richtlijn wordt overschreden, dan moet onderhoud worden uitgevoerd. Dat betekent dat de CROW-richtlijnen van de wegbeheersystematiek overeenkomen met niveau C van de kwaliteitscatalogus. Daaruit volgt logischerwijs dat niveau D overeenkomt met de definitie van ‘achterstallig onderhoud’ in de wegbeheersystematiek.

Door een koppeling te leggen tussen de wegbeheersystematiek en de kwaliteitscatalogus is een goede communicatie gewaarborgd en kan de wegbeheerder ook in de toekomst gebruik blijven maken van de wegbeheersystematiek voor het bepalen van de benodigde budgetten en het plannen van het noodzakelijke onderhoud.

Voor het groenbeheer wordt eveneens uitgegaan van beeldkwaliteitsniveau B. Hetgeen betekent dat de gehele openbare ruimte op hetzelfde niveau wordt onderhouden.

4.3.4 Kwaliteitsbeoordeling

In tabel 4-2 is de technische kwaliteit van alle verhardingen in de gemeente omgezet in een beeldkwaliteitsbeoordeling onderverdeeld in verhardingstype. In deze kwaliteitsbeoordeling is GEEN rekening gehouden met geplande integrale projecten van de gemeente Hulst. Deze nog uit te voeren projecten zijn dus ook meegenomen in de kwaliteitsbeoordeling.

Tabel 4-2Kwaliteitsbeoordeling per verhardingstype

Kwaliteit

Asfalt

Beton

Elementen

A+

35,0%

56,9%

37,4%

A

28,0%

24,7%

35,0%

B

24,0%

13,8%

8,9%

C

1,0%

1,1%

0,8%

D

11,9%

3,4%

17,9%

In bijlage 3 ‘Kwaliteit verhardingen’ is de kwaliteitsverdeling grafisch weergegeven.

4.3.5 Vergelijking kwaliteit

Om een beeld te kunnen vormen over de huidige kwaliteit van het areaal verhardingen in de gemeente en te bepalen of de kwaliteit van de verhardingen in de gemeente verbetering laat zien, is de huidige kwaliteit vergeleken met de kwaliteit van de verhardingen in 2018.

In tabel 4-3 en 4-4 zijn de huidige kwaliteit van respectievelijk de asfalt- en elementenverhardingen vergeleken met de kwaliteit van de verhardingen in 2018.

De relatie met de technische kwaliteit is als volgt:

•Voldoende komt overeen met de combinatie van kwaliteit A+ en A;

•Matig komt overeen met kwaliteit B;

•Onvoldoende komt overeen met de combinatie van kwaliteit C en D.

Tabel 4-3Vergelijking kwaliteit asfaltverhardingen

Kwaliteit

2018

2023

A+

43,0 %

35,0 %

Voldoende

A

43,7 %

28,0 %

B

10,0 %

24,0 %

Matig

C

0,7 %

1,0 %

Onvoldoende

D

2,6 %

11,9 %

De kwaliteit van de asfaltverhardingen is tussen 2018 en 2023 verslechterd. Dit is terug te zien in de toename van het totaal van de kwaliteitsbeoordelingen ‘C’ en ‘D’, van 3,3% in 2018 tot 12,9% in 2023.

Tabel 4-4Vergelijking kwaliteit elementenverhardingen

Kwaliteit

2018

2023

A+

68,0 %

37,4 %

Voldoende

A

24,4 %

35,0 %

B

1,1 %

8,9 %

Matig

C

0,2 %

0,8 %

Onvoldoende

D

6,3 %

17,9 %

De kwaliteit van de elementenverhardingen is ten opzichte van 2018 verslechterd. Dit is terug te zien in de toename van het totaal van de kwaliteitsbeoordelingen ‘C’ en ‘D’, van 6,5% in 2018 tot 18,7% in 2023.

4.3.6 Toetsing kwaliteitsniveau gemeente Hulst

De gemeente heeft ervoor gekozen om de verhardingen te onderhouden op kwaliteitsniveau B. Op basis van de globale visuele weginspectie is de huidige kwaliteit van de verhardingen weergegeven in de kwalificaties A+, A, B, C en D. Voor asfaltverhardingen geldt dat 12,9 % niet voldoet aan het gestelde onderhoudsniveau en hier is op korte termijn groot onderhoud nodig. Voor elementverharding is dit percentage zelfs 18,7 %.

7 Kosten en kostendekking

7.1 Inleiding

7.1.1 Basisplanning

In tabel 7-1 zijn de benodigde budgetten voor asfalt-, elementen- en betonverhardingen voor de korte en middellange termijn als resultaat van de basisplanning weergegeven.

Tabel 7-1Overzicht benodigde budgetten korte termijn op kwaliteitsniveau B [ € ]

Planjaar

Asfalt

Elementen

Beton

Totaal

2024

€ 949.100

€ 2.052.500

€ 28.000

€ 3.029.600

2025

€ 451.500

€ 611.600

€ 2.600

€ 1.065.600

2026

€ 176.300

€ 0

€ 0

€ 176.300

2027

€ 427.900

€ 6.880.000

€ 7.800

€ 7.315.600

2028

€ 59.800

€ 0

€ 0

€ 59.800

Totaal

€ 2.064.600

€ 9.544.100

€ 38.400

€ 11.646.900

Gemiddelde per jaar

€ 412.920

€ 1.908.820

€ 7.680

€ 2.329.380

Uit de basisplanning volgt dat de komende 5 jaar € 11.646.900,00 benodigd is voor het reguliere groot onderhoud aan de verhardingen. Gemiddeld is dit € 2.329.380,00 per jaar.

De genoemde bedragen zijn zogenoemde “kale kosten” waarbij geen rekening is gehouden met toeslagpercentages voor VAT (Voorbereiding, Administratie en Toezicht), btw en eventuele verwerkingskosten voor teerhoudend asfalt.

7.1.2 Maatregeltoets en gemuteerde basisplanning

De maatregeltoets is uitgevoerd door de wegbeheerder van de gemeente Hulst. Daarbij zijn ook de wijkteams betrokken. Door de wijkteams bij de maatregeltoets te betrekken, is de lokale kennis vanuit de wijken gecombineerd met de gemeente brede doelstellingen.

Bij het uitvoeren van de maatregeltoets zijn de volgende stappen doorlopen:

1Afstemming van de basisplanning met geplande projecten, zoals:

•Rioolvervangingen;

•Grootschalige bouwprojecten;

•Projecten uit het meerjareninvesteringplan;

•Projecten buiten de planperiode;

•Geplande kabels- en leidingenprojecten.

Op locaties waar binnen afzienbare tijd projecten worden uitgevoerd, is geen onderhoud in de gemuteerde basisplanning opgenomen. In de tussentijd wordt noodzakelijk onderhoud wel uitgevoerd.

2Controleren van de uit te voeren maatregel;

3Controleren van het planjaar;

4Clusteren van onderdelen (profielbrede aanpak).

Het resultaat van de maatregeltoets is een geoptimaliseerde planning voor de periode 2024 tot en met 2028. De resulterende budgetten voor groot onderhoud zijn in tabel 7-2 weergegeven.

Tabel 7-2Overzicht benodigde budgetten korte termijn [ € ]

Planjaar

Asfalt

Elementen

Beton

Totaal

2024

€ 373.200

€ 186.700

€ 0

€ 559.900

2025

€ 422.000

€ 135.300

€ 0

€ 557.300

2026

€ 215.000

€ 367.900

€ 0

€ 582.900

2027

€ 267.700

€ 253.200

€ 2.700

€ 523.600

2028

€ 206.400

€ 364.500

€ 7.100

€ 578.000

Totaal

€ 1.484.300

€ 1.307.600

€ 9.800

€ 2.801.700

Gemiddelde per jaar

€ 296.860

€ 261.520

€ 1.960

€ 560.340

Uit de gemuteerde basisplanning volgt dat de komende 5 jaar € 2.801.700,00 benodigd is voor het reguliere groot onderhoud aan de verhardingen. Gemiddeld is dit afgerond € 561.000,00 per jaar.

Aanvullend hierop is jaarlijks € 60.000,00 extra nodig voor het nemen van maatregelen in het kader van Verkeersveiligheid, klimaatadaptatie (onder andere afkoppelen hemelwaterafvoer) en Toegankelijkheid (bijvoorbeeld trottoirverlagingen voor minder invaliden).

In de begroting was voor 2023 € 410.000,00 opgenomen voor de uitbesteding van groot onderhoud. In de begroting waren voor 2023 geen middelen opgenomen voor aanvullende maatregelen verkeersveiligheid, klimaatadaptatie en toegankelijkheid. Daarmee ontstaat een structureel tekort van jaarlijks € 211.000,00, waarvan € 151.000,00 voor groot onderhoud en € 60.000,00 voor verkeersmaatregelen, klimaatadaptatie en toegankelijkheid.

Bij het opstellen van de gemuteerde basisplanning is ervan uitgegaan dat de projecten uit het meerjareninvesteringplan ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Deze zijn dus geschrapt uit de basisplanning tijdens het uitvoeren van de maatregeltoets. Als de gevraagde bedragen uit het meerjareninvesteringsplan niet beschikbaar worden gesteld, worden deze projecten niet uitgevoerd en ontstaat er een nog groter tekort, wanneer deze ten koste komen van groot onderhoud.

Bijlage 1 Wegbeheer

A. Algemeen

Het hoofddoel van wegbeheer als managementsysteem is informatie te verstrekken op netwerk- en projectniveau over het wegennet. In deze rapportage wordt de nadruk gelegd op het netwerkniveau. Bij het nemen van beslissingen op projectniveau is het wegbeheersysteem slechts één van de bronnen waarop de beslissingen worden gebaseerd.

In deze bijlage worden de theoretische achtergronden van de systematiek Wegbeheer beschreven. Deze systematiek is in 2011 door de Stichting CROW geactualiseerd. Tevens wordt beschreven welke informatie (berekeningsresultaten) het systeem biedt en op welke wijze deze informatie dient te worden gebruikt.

B. Historie

De belangstelling voor een meer rationele aanpak van het wegonderhoud dateert van het begin van de jaren zeventig. In die tijd ging de belangstelling vooral uit naar de technisch inhoudelijke aspecten van het wegbeheer. De op dat moment beschikbare hulpmiddelen voor het plannen van onderhoud, vooral meetmethoden en evaluatietechnieken, waren niet geschikt of waren te duur om op grote schaal te worden toegepast. De werkgroep R1 ‘Rationeel Wegbeheer’ van het S.C.W. (Studie Centrum Wegenbouw, nu CROW) heeft in 1987 een handleiding ‘Rationeel Wegbeheer’ gepubliceerd. Deze systematiek is gedurende 15 jaar op grote schaal door wegbeheerders in Nederland toegepast (provincies, gemeenten en waterschappen).

Technische wijzigingen zoals de introductie van nieuwe deklagen en veranderingen in bestuurlijke processen, waren in de jaren negentig voor CROW aanleiding om de bestaande methodiek te evalueren en een nieuwe methodiek te introduceren. Het SHRP-NL-onderzoeksprogramma (Strategic Highway Research Program Nederland) heeft CROW voorzien van nieuwe gedragsmodellen voor de systematiek. Verder hebben gemeenten, provincies, waterschappen e.a. inbreng gehad in de systematiek. In 2001 is de nieuwe systematiek van wegbeheer gepresenteerd in de CROW-publicaties 146 a, b, c en 147. Deze systematiek is in 2005 aangepast. In 2011 zijn de publicaties 146 a, b en 147 opnieuw geactualiseerd, publicatie 146 b en c zijn samengevoegd tot publicatie 146b. Hierbij zijn fouten gecorrigeerd en een aantal onduidelijke zaken verder toegelicht. Tevens is voegwijdte als extra schadebeeld toegevoegd bij elementenverharding.

C. Hoofdlijnen van de systematiek

Binnen de systematiek voor Wegbeheer kunnen de volgende hoofdactiviteiten worden onderscheiden:

1Het verzamelen en actueel houden van gegevens van het wegennet (locatie, constructie, gebruik, omvang en kwaliteit van de verhardingen);

2Het interpreteren en verwerken van deze gegevens tot een indicatieve financiële meerjarenplanning van het verhardingsonderhoud;

3Het samenstellen van een rapportage voor het bestuur op grond waarvan het bestuur beslissingen kan nemen;

4Het nemen van beslissingen door het bestuur, in het algemeen over beschikbare budgetten en prioriteiten;

5Het uitvoeren van het vastgestelde plan binnen de gestelde randvoorwaarden door de technische dienst.

Deze rapportage is vooral gericht op hoofdactiviteit 2 en 3. Als hulpmiddel bij de hoofdactiviteiten 1 en 2 is een softwarepakket noodzakelijk. Dit systeem bestaat uit drie hoofdgroepen:

•het beheren van gegevens van het wegennet;

•het opstellen van planningen en begrotingen;

•het presenteren van resultaten.

D. Het beheren van gegevens van het wegennet

In onderstaande paragrafen wordt kort ingegaan op het beheer van gegevens conform de CROW-systematiek.

Vaste gegevens

De vaste gegevens van het wegennet staan geregistreerd in het beheersysteem. Vaste gegevens zijn de (fysieke) zaken die niet of nauwelijks veranderen in de tijd. Voorbeeld van de vaste gegevens zijn; verhardingssoorten, oppervlakten en constructietypen. Ook gegevens over de locatie, zoals lengte, begin- en eindpunt, het wegtype en de geografische ligging behoren tot de vaste gegevens.

Variabele gegevens

De resultaten van de inspectieronde zijn in het systeem in te lezen. Deze resultaten zijn te bestempelen als de variabele gegevens in het gegevensbestand: de kwaliteit van de verhardingen zal, zonder onderhoud, in de tijd verslechteren. Bij de ene weg zal dit sneller gaan dan bij de andere. Door het jaarlijks uitvoeren van een inspectie blijven de kwaliteitsgegevens steeds actueel en kan snel op gewijzigde omstandigheden worden gereageerd.

Bij de globale visuele inspectie worden de verhardingskenmerken textuur, vlakheid, samenhang en waterdichtheid van de verharding beoordeeld aan de hand van zogenoemde schades (Tabel 1). De schadecatalogus van het CROW geeft definities en inspectievoorschriften voor schades op asfaltbeton-, elementen- en cementbetonverhardingen.

Tabel 1Verhardingskenmerken en schade

Schades

Verhardingskenmerk

Asfaltbeton

Elementen

Cementbeton

Textuur

Rafeling

-

-

Vlakheid

Dwarsonvlakheid

Oneffenheden

Dwarsonvlakheid

Oneffenheden

Oneffenheden

Samenhang

Scheurvorming

-

Scheurvorming

Waterdichtheid

-

-

Voegvulling

Facultatieve schades

Randschade

Voegwijdte

Zetting

Zetting

Zetting

Iedere schade dient naar ernst en omvang te worden gewaardeerd.

Bij de globale visuele inspectie worden drie ernstklassen (licht (L), matig (M) of ernstig (E)) en drie omvangklassen (gering (1), enig (2) of groot (3)) onderscheiden. Een combinatie van een ernstklasse én een omvangklasse geeft dus de kwaliteit van een schade aan, bijvoorbeeld E1 of M2. Wanneer bijvoorbeeld een bepaalde schade matig is en in enige mate voorkomt, wordt als waardering een M2 gegeven.

In Tabel 2 zijn de mogelijke ernst-omvangklasses per schade weergegeven. Van links naar rechts is de ernstklasse (L, M of E) aangegeven en van boven naar beneden de omvangklasse. Hoe de ernst- en omvangklasse wordt bepaald is nader toegelicht in publicatie 146 van CROW.

Tabel 2 Schadecijfers visuele inspectie

Licht (L)

Matig (M)

Ernstig (E)

Geringe omvang (1)

L1

M1

E1

Enige omvang (2)

L2

M2

E2

Grote omvang (3)

L3

M3

E3

Naast de hierboven genoemde schadecijfers is ook het cijfer 0 toe te kennen aan wegvak-onderdelen waar geen schade aanwezig is (goed).

Nadat de inspectie is uitgevoerd worden de resultaten ervan ingevoerd in het beheersysteem. Uit de inspectie volgt de actuele kwaliteit per wegvakonderdeel. De actuele kwaliteit per wegvakonderdeel wordt daarna getoetst aan de richtlijn. Voor elke schade is een richtlijn opgesteld. De richtlijn is door CROW vastgesteld als een grens tussen twee schadecijfers, bijvoorbeeld tussen M2 en M3.

Deze richtlijnen geven een minimum aan: zij zijn de onderkant van verantwoord wegbeheer. Ze zijn zo opgesteld dat het technisch noodzakelijke onderhoud in de juiste periode wordt gepland: niet te vroeg en niet te laat. Veiligheid, duurzaamheid, comfort en aanzien hebben bij het opstellen van de richtlijnen een rol gespeeld. Als de richtlijn wordt overschreden, dan plant het systeem dit onderdeel automatisch in de korte termijn (planjaar 1-2). Indien de richtlijn niet wordt overschreden, dan bepaalt het systeem aan de hand van gedragsmodellen of waarschuwingsgrenzen het planjaar van onderhoud. Op deze manier kunnen wegvakonderdelen in de middellange termijn gepland worden (3-5 jaar) of de lange termijn (> 5 jaar). De richtlijnen en waarschuwingsgrenzen zijn gespecificeerd in tabel A8 t/m A14 in hoofdstuk A4 van publicatie 147 van het CROW.

Voor de schade ‘oneffenheden’ bij elementenverhardingen van het wegtype 3 (gemiddeld belaste weg, bijvoorbeeld een stadsontsluitingsweg) ligt de richtlijn tussen de schadecijfers M2 en M3. De klasse boven de richtlijn is daarom M3. Indien voor het wegvakonderdeel het schadecijfer ‘6’ wordt gegeven, dan is de aanwezige schade groter dan in de richtlijn en wordt dit onderdeel gepland in planperiode 1-2. Wanneer een geïnspecteerde schade méér dan één klasse boven de richtlijn is (in het voorbeeld E1, E2 of E3), dan is er sprake van achterstallig onderhoud. Wegvakonderdelen waar sprake is van achterstallig onderhoud worden automatisch gepland in planperiode 1-1. Op deze manier worden alle geïnspecteerde wegvakonderdelen in een bepaalde planperiode gepland. In de CROW-systematiek worden alleen de wegvakonderdelen gepresenteerd die in de korte (1-2 jaar) of middellange termijn (3-5 jaar) vallen. Onderdelen die in de planperiode > 5 jaar vallen, zijn voor de planning niet meer van belang en worden niet meer gepresenteerd. Sweco heeft een eigen methode ontwikkeld voor het opstellen van een planning voor de planperiode 6-10 jaar als aanvulling op de CROW-systematiek. Het een en ander is weergegeven in figuur 1.

Figuur 1 Visuele weergave koppeling richtlijn en planperiode

Klein onderhoud

Klein onderhoud komt voor bij wegvakonderdelen als de schadebeelden ernstig zijn maar op zeer geringe oppervlakten van die betreffende onderdelen voorkomen. Een overzicht hiervan is te vinden in onderstaande tabel.

Tabel 3 Klein onderhoud omvangstabel

Asfalt

Klasse

Omvang

Rafeling

Ernstig

< 5% totale oppervlak

Dwarsonvlakheid

Ernstig

< 5 m1 per 100 m1

Oneffenheden

Ernstig

< 3 st per 100 m1

Scheurvorming

Ernstig

< 5 m1 per 100 m1

Elementen

Klasse

Omvang

Dwarsonvlakheid

Ernstig

< 5 m1 per 100 m1

Oneffenheden

Ernstig

< 3 st per 100 m1

In Figuur 2 is een voorbeeld te zien van de schades dwarsonvlakheid en rafeling.

Figuur 2Schades dwarsonvlakheid en rafeling

E. Opstellen van planningen en begrotingen

De wegbeheersystematiek maakt onderscheid in drie planningstermijnen:

korte termijn (planjaren 1-2);

middellange termijn (planjaren 3-5);

lange termijn (planjaren >5).

Korte en middellange termijn (Basisplanning)

De kosten die nodig zijn voor het onderhoud aan de verhardingen in de planjaren 1-5 jaar, zijn op basis van de actuele onderhoudstoestand te bepalen. Door het uitvoeren van een globale visuele inspectie is inzicht te krijgen in deze actuele onderhoudstoestand van de verhardingen. Bij het maken van de basisplanning en -begroting wordt gebruik gemaakt van deze actuele onderhoudstoestand. Met behulp van de beheersoftware Obsurv worden de cijfers van de globale visuele inspectie in het databestand geïmporteerd en verwerkt. In de beheersoftware kan men nu verschillende planningen maken.

De beheersystematiek kent de volgende berekeningsmodellen:

Basisplanning

De basisplanning brengt in beeld wat het minimaal technisch benodigde budget is om het wegennet op verantwoorde wijze in stand te houden. De basisplanning is een gemiddelde planning: voor elk wegvakonderdeel wordt, op basis van de schade, een restlevensduurperiode berekend. In de basisplanning wordt een wegvakonderdeel gepland in het gemiddelde van die planperiode.

Gemuteerde basisplanning

Voor alle gegenereerde planningen geldt dat voor elk wegvakonderdeel een gemiddeld onderhoudsjaar, een indicatieve onderhoudsmaatregel en een daarbij behorende indicatieve prijs zijn bepaald. Kortom, de planning en begroting zijn op netwerkniveau.

De berekende resultaten dienen door de door het CROW beschreven maatregeltoets en door aanvullend onderzoek (gedetailleerde inspectie, metingen, locatiebezoek, milieukundig onderzoek en boringen) technisch nader te worden uitgewerkt, waardoor de netwerkplanning wordt verfijnd tot een onderhoudsplan (op projectniveau). Een onderhoudsplan staat nog niet gelijk aan de projectplanning. Voor de projectplanning dient de definitieve maatregel te worden vastgesteld en afgestemd met andere beheerdisciplines.

Budgetplanning

Bij dit scenario wordt het systeem gevraagd de consequenties te berekenen van een opgegeven budget. Indien niet voldoende financiële middelen ter beschikking staan, zal het systeem wegvakonderdelen gaan verschuiven in de tijd op basis van door de wegbeheerder ingestelde prioriteiten, met als mogelijke consequenties het ontstaan van achterstallig onderhoud en kapitaalvernietiging. In paragraaf G wordt nader ingegaan op de prioriteitstelling.

Cyclusbudget (lange termijn)

Naast het budget dat noodzakelijk is in de planjaren 1-5 is het voor een beheerder echter ook interessant om te weten wat het budget voor de lange termijn dient te zijn. Dit budget op lange termijn wordt het cyclusbudget genoemd. In afwijking van de basisbegroting voor de eerste 5 jaar, waar de kosten worden gerelateerd aan de actuele technische kwaliteit, wordt het cyclusbudget bepaald aan de hand van het daadwerkelijk aanwezige areaal verhardingen, ongeacht de onderhoudstoestand daarvan.

De cycluskosten zijn de gemiddelde jaarlijkse kosten om een vierkante meter verharding ‘eeuwigdurend’ in goede staat te houden. Deze cycluskosten worden gebaseerd op onderhoudscycli die een verharding in de loop van tijd vermoedelijk nodig zal hebben. De onderhoudscycli worden weer gebaseerd op de volgende drie factoren:

•het wegtype;

•het verhardingstype;

•de ondergrond.

In Tabel 4 is een voorbeeld gegeven van de onderhoudscyclus voor een bepaald wegtype met het verhardingstype asfalt op een specifieke ondergrond. (Let op: het betreft hier een fictief voorbeeld).

Tabel 4Voorbeeld van een onderhoudscyclus afhankelijk van wegtype, verhardingstype en ondergrond

Jaar

Onderhoudsmaatregel

Prijs/m²

0

Aanleg

--

7

Aanbrengen slijtlaag

€ 3,24

18

Aanbrengen deklaag

€ 15,03

25

Aanbrengen slijtlaag

€ 3,24

36

Aanbrengen deklaag

€ 15,03

45

Rehabilitatie (einde levensduur)

€ 39,16

Totale kosten over een periode van 45 jaar

€ 75,70

De cycluskosten per jaar voor bovengenoemd voorbeeld bedragen dan:

€ 75,70 per 45 jaar = € 1,68 per jaar per m².

In bovenstaand voorbeeld wordt ervan uitgegaan dat in een periode van 45 jaar de asfaltverharding, vanaf aanleg tot rehabilitatie, vier onderhoudsmaatregelen en een reconstructie nodig heeft om technisch in een goede conditie te blijven. Uitgangspunt in dit voorbeeld is dat er geen achterstand in het onderhoud aanwezig is. De kosten voor aanleg worden niet meegerekend daar deze in principe eenmalig zijn. Opgemerkt dient te worden dat aan het eind van elke cyclus is uitgegaan van een rehabilitatie (vervanging van de gehele wegconstructie). De cycluskosten zijn daarom maximale bedragen, daar een rehabilitatie financieel flink doorweegt in het cyclusbudget.

In de beheersoftware wordt een selectie gemaakt op wegtype, verhardingstype, en ondergrond en het oppervlak hiervan wordt vermenigvuldigd met de cycluskosten. Door de som van alle cyclusbedragen te nemen kan men komen tot het cyclusbudget.

F.Het presenteren van de resultaten

Het einddoel van het wegbeheersysteem is het presenteren van de resultaten. Hiermee levert het systeem een wezenlijke bijdrage aan de communicatie tussen het bestuur, financiën en technici. Alle gegevens van kwantiteit, kwaliteit, onderhoud en kosten zijn te presenteren. Trends kunnen inzichtelijk worden gemaakt aan de hand van verschillende onderhoudsscenario’s. Als het beleid een keuze voor een bepaald budget maakt, kan het systeem de consequenties hiervan op het kwaliteitsniveau van een beleidsthema inzichtelijk maken.

De scores van de globale visuele inspectie geven per wegvakonderdeel een beeld van de kwaliteit. De technische kwaliteit van een bepaalde verhardingssoort (asfalt, elementen of beton) wordt weergegeven in waarderingen ‘voldoende’, ‘matig’ en ‘onvoldoende’ per schade. Om beleidsmakers echter te kunnen informeren over de kwaliteit van het wegennet op netwerkniveau, zijn vier beleidsthema’s voor de verharding geformuleerd:

•aanzien;

•comfort;

•duurzaamheid;

•veiligheid.

Sinds 2007 wordt de kwaliteit van de openbare ruimte gedefinieerd door deze te beschrijven met behulp van kwaliteitsbeelden. Daarbij worden 5 onderhoudsniveaus gedefinieerd die variëren van zeer goed (A+) tot slecht (D). In de ‘Kwaliteitscatalogus openbare ruimte 2013’ (CROW-publicatie 323) zijn deze onderhoudsniveaus beschreven voor alle objecten in de openbare ruimte. In de kwaliteitscatalogus zijn schaalbalken opgenomen, waarmee met foto’s, beschrijvingen en prestatie-eisen het onderhoudsniveau meetbaar is gemaakt.

Deze onderhoudsniveaus zijn eveneens gekoppeld aan de systematiek voor wegbeheer. Hierdoor kunnen de resultaten van de globale inspectie worden gepresenteerd in de beeldkwaliteitsniveaus A+, A, B, C en D.

Tabel 5Omschrijving kwaliteitsniveaus

Kwaliteitsniveau

Omschrijving

A+

Helemaal geen schade

A

Enige schade, maar de waarschuwingsgrenzen zijn nog niet bereikt

B

Waarschuwingsgrens is bereikt, binnen 5 jaar is onderhoud benodigd of er moet klein onderhoud worden uitgevoerd

C

Richtlijn is met 1 klasse overschreden, binnen 2 jaar is onderhoud benodigd

D

Achterstallig onderhoud, er is direct onderhoud noodzakelijk

G. Prioriteitstelling

Bij een budgetplanning dient de beleidsmaker prioriteiten te stellen. Dit is noodzakelijk wanneer er onvoldoende budget aanwezig is om alle wegen te onderhouden conform de opgestelde normen. Zo kan bij een budgettekort de voorkeur worden gegeven aan fietspaden en voetpaden. Is er dan nog voldoende geld beschikbaar, dan kunnen ook andere zaken onderhouden worden.

Prioriteiten worden gesteld op de onderstaande criteria:

•wegtype;

•beleidsthema;

•geografische ligging.

Door in de beheersoftware een rangorde te geven (1, 2 en 3) aan de criteria, kan er gekozen worden om bijvoorbeeld het criterium ‘wegtype’ voorrang te geven op de andere criteria. Het hoogste cijfer betreft de hoogste prioriteit. Bij een budgettekort zullen eerst die onderdelen gepland worden die een hoge prioriteit hebben. De gewenste onderdelen worden hieronder toegelicht.

Wegtype

Binnen het criterium wegtype zijn standaard zeven onderdelen waaraan het cijfer 1 t/m 7 kan worden toegekend. Deze onderdelen zijn:

1) hoofdweg;

2) zwaar belaste weg;

3) gemiddeld belaste weg;

4) licht belaste weg;

5) weg in woongebied;

6) weg in verblijfsgebied;

7) fietspad.

Het beleid kan dus stellen om, bij budgettekort, eerst de fietspaden te onderhouden en deze dus het hoogste prioriteitscijfer toe te kennen.

Beleidsthema

Binnen het criterium beleidsthema zijn vier onderdelen waaraan het cijfer 1 t/m 4 is toe te kennen. Deze onderdelen zijn:

•aanzien;

•comfort;

•duurzaamheid;

•veiligheid.

Op deze manier kan bijvoorbeeld de voorkeur worden gegeven aan onderhoud van wegen waar de verkeersveiligheid in het geding is.

Geografische voorkeur

Binnen het criterium geografische voorkeur worden vijf onderdelen onderscheiden waarvan er één kan worden uitgekozen.

Uit de volgende onderdelen binnen het criterium geografische voorkeur kan een keuze worden gemaakt:

•gemeente;

•woonplaats;

•wijk;

•buurt;

•locatietype.

Wanneer gekozen wordt voor een prioriteit op wijkniveau, kunnen bepaalde wijken voorrang krijgen op andere wijken.

Wanneer er budgettekort ontstaat dient het beleid dus prioriteiten te stellen. Het criterium ‘wegtype’ kan voorrang krijgen op de criteria ‘beleidsthema’ en ‘geografische voorkeur’. Binnen het criterium ‘wegtype’ kan het wegtype ‘fietspad’ voorrang krijgen op de andere onderdelen.

In Tabel 6 is een voorbeeld gegeven hoe een prioriteitstelling kan worden ingevuld.

Tabel 6Voorbeeld prioriteitstelling

Criteria

Cijfer

Wegtype

3

Beleidsthema

2

Geografische voorkeur

2

Onderdeel wegtype

Cijfer

Hoofdweg

6

Zwaar belaste weg

4

Gemiddeld belaste weg

4

Licht belaste weg

2

Weg in woongebied

5

Weg in verblijfsgebied

1

Fietspad

7

Onderdeel beleidsthema

Cijfer

Aanzien

2

Comfort

3

Duurzaamheid

2

Veiligheid

4

Onderdeel geografie

Keuze

Gemeente

Woonplaats

Wijk

XXXXXX

Buurt

Locatietype

In bovenstaand voorbeeld wordt prioriteit gegeven aan het criterium ‘wegtype’ boven de andere criteria. Binnen dit criterium zijn de onderdelen eveneens voorzien van een prioriteit. Hierin is prioriteit gegeven aan het wegtype fietspad. Het hoogste cijfer geeft namelijk, zoals eerder vermeld, de hoogste prioriteit weer.

Opgemerkt dient te worden dat het hier een voorbeeld betreft en de cijfers die zijn weergegeven geen enkele overeenkomst vertonen met de prioriteitstelling van welke opdrachtgever dan ook. Indien dit het geval is, berust dit op louter toeval.

Bijlage 2 Wet- en regelgeving

BBV

De gemeenteraad en het college moeten inzicht geven in de benodigde onderhoudsbudgetten, op een financieel transparante wijze, op grond van artikel 12 BBV (Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten). Voor het beheer van de openbare ruimte is het gebruiken van een systematiek wettelijk verplicht. De begroting moet voortvloeien uit beleidskaders en de financiële consequenties daarvan. “Een essentieel onderdeel van de inhoud van deze paragraaf wordt bepaald door het gekozen ambitieniveau, de staat van onderhoud van de desbetreffende kapitaalgoederen en de kosten die hiermee gemoeid zijn. Hierbij dient in acht te worden genomen dat achterstallig onderhoud leidt tot kapitaalvernietiging en afwaardering wanneer sprake is van duurzame waardevermindering (artikel 65 van het BBV). Bij een tijdelijke waardevermindering vanwege achterstallig onderhoud (zonder afwaardering) dienen de lasten van het wegwerken van achterstallig onderhoud ineens ten laste van de exploitatie te worden gebracht”.

Exploitatie:

•het beleidskader moet aangegeven worden en het beheerbeleid moet hierop aansluiten;

•de financiële consequenties van deze kaders moeten in een begroting worden vertaald.

Tevens moet de beheerder zorg dragen voor het vervullen van de functie van de openbare ruimte. Voor wegen houdt dit in dat de beheerder ervoor moet zorgen dat de weggebruiker zich doelgericht, veilig en comfortabel over de openbare weg kan verplaatsten.

Wet milieubeheer

De Wet milieubeheer is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. De Wet milieubeheer (Wm) is de belangrijkste milieuwet en bepaalt welk (wettelijk) gereedschap kan worden ingezet om het milieu te beschermen. De belangrijkste instrumenten zijn milieuplannen en -programma's, milieukwaliteitseisen, vergunningen, algemene regels en handhaving. Ook bevat de wet de regels voor financiële instrumenten, zoals heffingen, bijdragen en schadevergoedingen. In Nederland wordt de praktische uitvoering gewoonlijk verder uitgewerkt in de vorm van een Algemene maatregel van Bestuur (AMvB's) en/of een Ministeriële regeling met nadere richtlijnen, waarbij 1 of meerdere wetten als grondslag dienen. Het Besluit asbestwegen milieubeheer en het Besluit bodemkwaliteit zijn AMvB’s waar de wegbeheerder mee te maken krijgt.

Besluit asbestwegen milieubeheer

Het Besluit asbestwegen milieubeheer bepaalt dat in (half-)verhardingen geen asbest aanwezig mag zijn. Indien het asbest voor 1 juli 1993 is aangebracht kan het worden afgeschermd door een verharding die voldoet aan eenduidig vastgestelde eisen. Asbest dat na 1 juli 1993 is aangebracht moet worden verwijderd. Indien deze wegen moeten worden gereconstrueerd, zal rekening moeten worden gehouden met afvoer van het asbesthoudende materiaal en de kosten daarvan. Voor de verwijdering van asbest geldt geen saneringsplicht en asbest mag blijven zitten zolang het niet wordt “opgepakt” of bewerkt.

Besluit bodemkwaliteit

Een voor de wegbeheerder ingrijpende wettelijke regeling is het Besluit Bodemkwaliteit. Dit heeft als doel vervuiling van de bodem en het oppervlaktewater te voorkomen. Het Besluit bodemkwaliteit stelt een aantal voorwaarden aan het (her)gebruik van wegenbouwmaterialen. De stringente eisen die het Besluit stelt aan de mogelijkheden tot hergebruik kunnen tot kostenverhoging van de materialen en van de onderhoudswerkzaamheden leiden.

Een van de bepalingen in het Besluit bodemkwaliteit is dat teerhoudend asfalt sinds 1 januari 2001 onder hetzelfde regime valt als alle andere bouwstoffen. Indien bij het reconstrueren van wegen teerhoudend asfalt vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat dit asfalt moet worden aangeboden aan een erkende verwerker. Indien met de juiste onderzoeksmethode wordt aangetoond dat het asfalt teervrij is, kan dit asfalt worden afgevoerd naar een asfaltcentrale om te worden hergebruikt in warm bereid asfalt. Er geldt geen saneringsplicht voor teerhoudend asfalt. Zolang dit blijft liggen en niet wordt “opgepakt” of bewerkt zijn er geen problemen ten aanzien van het Besluit bodemkwaliteit.

Geluid

Tegenwoordig zijn diverse asfalt- en elementenmaterialen beschikbaar die ook bij lagere snelheden het bandengeluid kunnen reduceren. Tot 30-50 km/u overheerst het motorgeluid, daarboven het bandengeluid. De te bereiken geluidreductie is in de orde van 3 – 4 dB(A). Een reductie van 3 dB(A) betekent een halvering van het geluidniveau. Verschillende gemeenten hanteren als beleid om op bepaalde typen wegen geluidreducerende deklagen of elementen toe te passen.

Duurzaamheid

De overheid zet hoog in ten aanzien van duurzaamheid. Voor beheer en onderhoud van wegen houdt dit in dat zorgvuldig moet worden omgegaan met energie, materialen, leefomgeving, natuur, landschap en water.

Om invulling te geven aan duurzaamheid bij wegbeheer kan gebruik worden gemaakt van het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen in de GWW-sector van het CROW of het programma Duurzaam Inkopen van Agentschap NL ten aanzien van de productgroep wegen. Een aantal duurzame aspecten bij wegbeheer zijn:

•besparing op energie en CO2-uitstoot (bijvoorbeeld door toepassing van energiearm asfalt);

•duurzaam materiaalgebruik (bijvoorbeeld hergebruik van oud asfalt in nieuw asfalt) of te kiezen voor betonstraatstenen met betongranulaat als toeslagmateriaal in plaats van grind;

•reductie van geluid (bijvoorbeeld door te kiezen voor een geluidarm wegdek);

•afvoer van afstromend wegwater (bijvoorbeeld een waterdoorlatende constructie);

•natuur en landschap (bijvoorbeeld een verdiepte ligging of een faunapassage.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.