Aanhef
De burgemeester van de gemeente Huizen, gelet op artikel 13b lid 1 van de Opiumwet, artikel 4:81 en artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht;
overwegende dat:
•in artikel 13b van de Opiumwet de burgemeester de bevoegdheid toegekend is om een last onder bestuursdwang op te leggen indien in woningen of lokalen dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I, IA of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
•bij besluit van 27 september 2019 beleidsregels zijn vastgesteld waarin is aangegeven hoe deze bevoegdheid zal worden toegepast: “Damoclesbeleid gemeente Huizen 2019”;
•in Huizen de afgelopen zes jaar in diverse woningen en lokalen een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen;
•door de opgedane ervaringen in de gemeente Huizen met betrekking tot bestuursrechtelijke handhaving, alsmede door jurisprudentie bij de toepassing van deze bevoegdheid, het wenselijk geacht wordt het beleid te actualiseren ten aanzien van het sluiten van woningen en lokalen op grond van artikel 13b Opiumwet;
•de burgemeester op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht beleidsregels kan vaststellen ten aanzien van de toepassing van de bevoegdheid neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet;
Besluit:
1het huidige 'Damoclesbeieid gemeente Huizen 2019 in te trekken;
2De voorliggende Beleidsregel Artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid) gemeente Huizen 2025 vast te stellen.
Beleidsregels Artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid) gemeente Huizen 2025
Hoofdstuk 4. Het juridisch kader verder toegelicht
4.1 Artikel 13b Opiumwet
a.wettekst 13b, eerste lid Opiumwet:
1De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a.een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b.een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.
b.Daartoe aanwezig
De Raad van State legt de woorden ‘daartoe aanwezig’ in artikel 13b Opiumwet zo uit dat de burgemeester reeds bevoegd is om bestuursdwang toe te passen indien er in een pand een handelshoeveelheid drugs aanwezig is. Het is dus niet noodzakelijk dat de drugs daadwerkelijk worden verhandeld. De handelshoeveelheid als zodanig schept al de gerechtvaardigde aanname dat de drugs (mede) bestemd zijn om te worden verhandeld. Indien er een hoeveelheid drugs wordt aangetroffen die groter is dan de gedoogde hoeveelheid voor eigen gebruik wordt zonder meer aangenomen dat sprake is van een handelshoeveelheid en (dus) dat die drugs (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Dit volgt o.a. uit de uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738
c.Aantasting openbare orde wordt bij handelshoeveelheid aangenomen
Gelet op de tekst van artikel 13b van de Opiumwet is voor het ontstaan van de hierin neergelegde bevoegdheid niet noodzakelijk dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de aanwezigheid van drugs overlast heeft veroorzaakt. Door de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs, wordt de aantasting van de openbare orde zonder meer aangenomen. De openbare ordeverstoring in de vorm van druggerelateerde overlast in de omgeving hoeft voor het ontstaan van de bevoegdheid niet door middel van feiten en omstandigheden te worden aangetoond (zie o.a. de uitspraak van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1333). De algehele afwezigheid van een merkbare openbare ordeverstoring kan wel een te betrekken omstandigheid zijn die de burgemeester moet betrekken bij de vraag of de bevoegdheid ook mag worden gebruikt.
4.2 Voorbereidingshandelingen
De bestuursdwangbevoegdheid ziet sinds 1 januari 2019 ook toe op voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of 11a Opiumwet. Hierin staat benoemd dat degene die een voorwerp of stof voorhanden heeft weet, of ernstige reden heeft om te vermoeden, dat deze bestemd is/zijn voor onder meer het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of beroeps/bedrijfsmatige illegale hennepteelt.
Dat dit zo is kan blijken uit de aard en hoeveelheid van de aangetroffen stof of uit de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge samenhang. Daarnaast kan dit ook blijken uit overig ondersteunend bewijs uit politie-informatie. Denk hierbij aan de uit een opsporingsonderzoek verkregen resultaten (van tapgesprekken of observaties). De aangetroffen situatie c.q. de aangetroffen voorwerpen en stoffen moeten van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie en/of gemeentelijk toezichthouders is vastgesteld. Bij deze beoordeling kan ook de Aanwijzing Opiumwet (o.a. paragraaf 3.2.1.) worden betrokken, zoals in het geval van een hennepplantage, waarbij aan de hand van het aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt, het beroeps- of bedrijfsmatige karakter kan worden gewaardeerd. Dat geldt ook voor het Opiumwetbesluit als het gaat om de beoordeling van de grootschaligheid (art. 1, tweede lid).
Uit onder andere de uitspraak van de Raad van State van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617, volgt dat om bevoegd te zijn op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet, het niet nodig is dat alle aangetroffen voorwerpen tegelijk geschikt zijn om een drugsproductie- en of drugsdistributiepunt op te zetten. Voldoende is dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de betrokkene wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen voor dat doel bestemd waren. Ook indien slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn voor de productie van drugs, kan de burgemeester bevoegd zijn, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn. Van belang is of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs.
Verder hoeft de burgemeester blijkens de uitspraak van de Raad van State van 31 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2523), niet aannemelijk te maken dat de aangeschreven persoon zelf wetenschap dan wel een ernstig vermoeden had dat de in het pand aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs. De bevoegdheid bestaat als op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk is dat er in het pand voorwerpen aanwezig waren waarvan kan worden geweten of ernstig worden vermoed dat deze bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Of de aangeschreven persoon wetenschap had, en of deze verwijtbaar heeft gehandeld, kan wel relevant zijn bij de vraag of de burgemeester van zijn bevoegdheid gebruik mag maken.
Het in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf voorhanden hebben van de genoemde voorwerpen of stoffen, verschaft de burgemeester de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang.
4.3 Discretionaire bevoegdheid
Het toepassen van bestuursdwang is een discretionaire bevoegdheid, wat inhoudt dat het geen verplichting is om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Het toepassen van bestuursdwang kan ingrijpende gevolgen hebben voor de betrokkenen. Als uitgangspunt van deze beleidsregel geldt daarom dat de bestuursdwangbevoegdheid in beginsel alleen wordt toegepast indien dat in redelijke verhouding staat met de overtreding (proportionaliteit- en subsidiariteit c.q. evenredigheidstoets). In een besluit dient dit te worden gemotiveerd.
4.4 Noodzakelijkheid- en evenwichtigheid (evenredigheidstoets)
De evenredigheidstoets vereist dat een handhavingsbevoegdheid alleen wordt toegepast indien deze in verhouding staat met de begane overtreding. Zo volgt uit de uitspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285), dat per individueel geval moet worden getoetst of een herstelsanctiebesluit (1) geschikt is om het daarmee beoogde doel te bereiken, (2) een noodzakelijke maatregel is of dat met een minder vergaande maatregel kan worden volstaan en (3) of de maatregel in het concrete geval evenwichtig is, mede gezien de mate van verwijtbaarheid van en de gevolgen van de maatregel voor de betrokkene. Vanuit dit oogpunt wordt in deze beleidsregel gekozen voor het leveren van maatwerk per individueel geval, aan de hand van bepaalde in deze beleidsregel verankerde kaders in het belang van de rechtszekerheid- en gelijkheid. In het individuele besluit komt dit naar voren.
4.5 Maatwerk
Artikel 13b van de Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid om in geval van aanwezigheid van drugs een last onder bestuursdwang op te leggen, waarbij tot sluiting van een pand wordt overgegaan. Het opleggen van een last onder bestuursdwang is een herstelmaatregel. Een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, heeft ook de mogelijkheid om in plaats van bestuursdwang aan de betrokkene (die het in zijn macht heeft de overtreding ongedaan te maken) een last onder dwangsom op te leggen (artikel 5:32 Awb).
Ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet kan de burgemeester ervoor kiezen onder oplegging van een last onder bestuursdwang, het pand te sluiten. Met de sluiting wordt een locatie weggenomen waar criminele activiteiten plaatsvinden en wordt het pand als schakel uit de keten van drugshandel weggenomen. Beoogd wordt hiermee de situatie te beëindigen die schadelijk is voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Met deze maatregel wordt bewerkstelligd de eventuele gang naar de locatie en de bekendheid van de locatie in kringen van handelaren en gebruikers van verdovende middelen te doorbreken, de rust in de directe omgeving te doen weerkeren, de overtredingen te beëindigen en herhaling van de overtreding te voorkomen. Daarmee wordt een barrière opgeworpen voor het criminele proces. Eveneens geeft deze maatregel hiermee een sterk zichtbaar signaal af voor bij het pand betrokken drugscriminelen en voor buurtbewoners, dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in dat pand (vgl. ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3481). Dit vergroot de kans op het voorkomen van herhaling van de overtreding, draagt bij aan het definitief onttrekken van het pand aan het criminele circuit en gaat de aantrekkingskracht voor andere criminele activiteiten tegen. Met deze maatregel wordt dus tevens duidelijk gemaakt in het belang van voornoemde hersteldoelen dat het pand niet langer als verkoop-, aflever-, teelt- of opslagruimte voor drugs kan worden gebruikt.
Het is bij elk afzonderlijke maatregel die (mede) op grond van deze beleidsregel wordt genomen het bovengenoemde specifieke toetsingskader dat volgt uit de uitspraken van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) en van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912) van de Raad van State in acht te nemen. De maatregel dient specifiek te voldoen aan de eis van noodzakelijkheid en evenwichtigheid. Daartoe dient inzichtelijk te worden gemotiveerd of de maatregel noodzakelijk is om het doel te bereiken, aan de hand van met name de aard en omvang van de overtreding. Daarbij geldt dat, als er een keuze mogelijk is tussen meer geschikte maatregelen, op basis van deze toets die maatregel moet worden gekozen die de belanghebbenden het minst belast. Als de noodzaak van de maatregel in beginsel vaststaat, dient tevens inzichtelijk te worden gemotiveerd of de maatregel evenwichtig is. Dat wil zeggen dat moet worden nagegaan of de maatregel in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende is. Bij dit laatste komt onder meer betekenis toe aan de mate van de verwijtbaarheid aan de geconstateerde overtreding en de gevolgen van de sluiting. Zo speelt het recht van betrokkene(n) om in de woning te kunnen verblijven (woongenot) en de daaraan gerelateerde privacy (persoonlijke levenssfeer) een prominente rol. Eveneens dient bij de evenwichtigheid te worden betrokken of er sprake is van medebewoners, waaronder in het bijzonder minderjarige kinderen, die door het sluiten van het pand ook getroffen kunnen worden. In dat geval dient de burgemeester te bezien in hoeverre betrokkenen in staat zijn – in het geval van een sluitingsmaatregel – te voorzien in een vervangend onderkomen. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten hierbij worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig, bijvoorbeeld als de ernst en omvang van de overtreding groot is en/of de mate van verwijtbaarheid zwaar (zie ook ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916).
Met het oog op de proportionaliteit wordt in verband met deze beleidsregel meer specifiek een afweging gemaakt tussen een sluitingsmaatregel of het toepassen van een minder ingrijpende maatregel, zoals een last onder dwangsom. Echter, zijn er ook situaties denkbaar waarin het opleggen van een last onder dwangsom geen juiste handhavingsmaatregel is. Bijvoorbeeld wanneer volgens de matrix een last onder dwangsom opgelegd wordt, maar van de verdachten geen spoor aanwezig is en de pandeigenaar niet aangemerkt kan worden als functioneel dader. In die gevallen kunnen alternatieve handhavingsmaatregelen, zoals de tijdelijke sluiting, passender zijn.
4.6 Begunstigingstermijn
In een last onder bestuursdwang moet in de regel een begunstigingstermijn worden opgenomen (artikel 5:24, tweede lid, Awb). Begunstiging houdt in dat de overtreder de gelegenheid krijgt om aan het opgelegde bevel – de sluitingsmaatregel – te voldoen op eigen kracht. Deze termijn moet zodanig zijn dat in redelijkheid de betrokkene de gelegenheid heeft gevolg te geven aan het bevel. Wel zal altijd het slot worden vervangen en/of het gesloten pand worden verzegeld. Dit om te voorkomen dat er nog steeds toegang kan worden verkregen tot de woning en in verband met de beoogde signaalwerking.
Van bovenstaande kan worden afgeweken als er uit oogpunt van openbare orde en/of veiligheid sprake is van een spoedeisende situatie. In geval van een spoedeisende situatie kan de burgemeester besluiten bestuursdwang toe te passen zonder voorafgaande last en zonder het bieden van een begunstigingstermijn. In dat geval wordt tot onmiddellijke sluiting overgegaan en wordt het bevel vervolgens schriftelijk bekend gemaakt aan de overtreder (artikel 5:31 Awb).
Bij het toepassen van de last onder dwangsom wordt in het geval van handelshoeveelheden drugs (als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet) geen begunstigingstermijn gegeven. Er wordt immers in dat geval van de overtreder slechts verlangd/gelast dat hij/zij nalaat om een (nieuwe) overtreding op grond van de Opiumwet te plegen. Bij voorbereidingshandelingen (als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet) kan onder omstandigheden, afhankelijk van de last onder dwangsom, wel een begunstigingstermijn worden geboden, namelijk voor zover de last ertoe strekt de goederen en stoffen die verband houden met de voorbereidingshandeling af te (laten) voeren en te (laten) vernietigen.
4.7 Rechtvaardiging van de inbreuk artikel 8 EVRM
Artikel 8 van het EVRM bepaalt dat eenieder het recht heeft op respect voor het privé- en familie- en gezinsleven en zijn woning. In het tweede lid is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van – voor zover relevant – de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 13b Opiumwet kan inbreuk maken op dit recht, maar is – zoals vereist – voorzien in een wet in formele zin en rechtvaardigt de inbreuk in het belang van de openbare veiligheid, ter voorkoming van strafbare feiten en om de rechten vrijheden van anderen te beschermen. Een inbreuk op artikel 8 van het EVRM op grond van artikel 13b Opiumwet is daarom – mits voldaan wordt aan de in paragraaf 4.4 uitgewerkte evenredigheidstoets – gerechtvaardigd.