Gemeentelijke regelgeving

Handboek kabels en leidingen gemeente Houten

Gemeente Houten · geldt sinds 31 maart 2026

Aanhef

Standaardbepalingen voor het opnemen van de sleufverharding, het graven, aanvullen en verdichten van sleuven en het leggen etc. van kabels en leidingen in gronden die in eigendom of beheer zijn bij de gemeente Houten.

4 Richtlijnen ten behoeve van de tracé engineering

4.1 Eisen ten aanzien van de tracébepaling

4.1.1 Horizontale ligging

1In het trottoir, bij een standaard trottoirbreedte zonder bomen en gerekend vanaf erfgrens/gevel, worden de distributieleidingen volgens een vaste volgorde (Standaard dwarsprofielen gemeente Houten) ingedeeld. Deze volgorde verschilt per deelgebied en soms per straat in de kern Houten alsmede de overige bebouwde kommen en is in de bijlage globaal aangegeven.

2In het overig deel van de openbare weg liggen de transportleidingen.

3Met nadruk wordt erop gewezen dat bovengenoemd basisprincipe moet worden nagestreefd. In bijzondere gevallen kan de gemeente een andere indeling toestaan.

4.1.2 Aanvullende eisen voor horizontale ligging

1Werkzaamheden aan- of bij groenvoorzieningen en bomen worden zoveel mogelijk vermeden. Is dit toch onvermijdelijk dat wordt eerst overleg met de gemeentelijke Kabel- en Leidingcoördinator gevoerd, ongeacht er sprake is van een verlegging in een nieuw- of een bestaand tracé.

2Bij het passeren van bomen moeten een aantal, in dit handboek omschreven, voorzorgsmaatregelen worden getroffen die schade aan de betreffende boom en later aan de te leggen kabel/leiding te voorkomen. Hiermede moet bij het traceren terdege rekening gehouden te worden en waar mogelijk zullen bij voorkeur alternatieve routes worden gekozen.

4.1.3 Verticale ligging

1In de ondergrond, bij een standaard trottoirbreedte zonder bomen en gerekend vanaf erfgrens/gevel, worden de distributieleidingen en transportleidingen volgens een vaste diepte ingedeeld. Deze diepte verschilt per deelgebied in de kern Houten alsmede de overige bebouwde kommen en is in de bijlage globaal aangegeven.

2Met nadruk wordt erop gewezen dat voornoemd basisprincipe moet worden nagestreefd. Slechts in bijzondere gevallen kan de gemeente een andere diepteligging toestaan.

3Uitgangspunten bij verticale ligging:

▪ distributieleidingen liggen ondieper dan transportleidingen;

▪ vrijverval leidingen hebben voorrang boven drukleidingen;

▪ bij kruisingen van leidingen met andere leidingen bedraagt de tussenruimte (verticale dagmaat) ten minste 0,20 m;

▪ strook tussen T -0,60 m en T -0,80 vrijhouden;

4.1.4 Aanvullende eisen voor verticale ligging

Bij boringen/persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De minimale verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding moet worden gevoerd. Genoemde minimale verticale dagmaat moet aantoonbaar worden gegarandeerd om afwijkingen tijdens de uitvoering op te vangen.

▪ Bij het kruisen van sloten / open watergangen moet een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte van de bodem van de watergang worden aangehouden.

▪ Wegkruisingen en waterkruisingen haaks op de as van de weg of watergang uitvoeren.

▪ Indien de aanwezige bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte moet een gronddekking van 2,00 m ten opzichte van de aanwezige bodem worden aangehouden. Een en ander conform de eisen van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

▪ Persingen en boringen dienen dusdanig te worden uitgevoerd dat er tussen de mantelbuis en de omliggende grond geen holle ruimtes meer aanwezig zijn.

4.1.5 Kruising gesloten verhardingen

Het opbreken van gesloten verhardingen is zonder voorafgaand overleg met- en verkregen toestemming van de gemeentelijke Kabel- en Leidingcoördinator niet toegestaan waarbij door aanvrager aangetoond moet worden dat zulks niet te vermijden is.

4.1.6 Ligging nabij andere objecten

1Objecten die kunnen worden beïnvloed door de tracering en aanleg van leidingen moeten vooraf door de vergunningaanvrager worden geïdentificeerd. Objecten kunnen onder meer zijn: bestaande wegen, spoorwegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, primaire- en secundaire waterkeringen, viaducten, tunnels, naastliggende leidingen, bomen en gebouwen.

2De afstand tussen kant asfalt en de te graven sleuf moet minimaal 30 cm bedragen.

4.1.7 Ketenprincipe

1In een tracé kunnen secties voorkomen waarvoor door derden toestemming en/of vergunning moet worden verleend. Deze secties kunnen onder meer zijn: kruisingen van spoor-, rijks-, provinciale- en waterschaps- wegen, kruisingen kruisingen van particuliere eigendommen. De gemeente zal pas overgaan tot behandeling van de vergunningaanvraag als deze compleet is, wat in ieder geval inhoudt dat door alle betreffende derde belanghebbenden schriftelijk toestemming en/of vergunning is verleend.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.