Gemeentelijke regelgeving

Bouwsteen Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026

Gemeente Horst aan de Maas · geldt sinds 20 december 2025

Hoofdstuk 2 – Doelen, uitgangspunten en maatregelen

2.1 Verbinding met breder maatschappelijk kader

2.1.1 Economisch beleid

Doel

Economische ontwikkeling en huisvesting van arbeidsmigranten worden op een evenwichtige manier met elkaar verbonden. Nieuwe bedrijvigheid mag niet automatisch leiden tot een grote toename van de vraag naar arbeidsmigranten en behoefte aan huisvesting zonder dat dit zorgvuldig wordt afgewogen.

Uitgangspunten

Bij de vestiging van nieuwe bedrijven is inzicht in de personeelsbehoefte, de inzet van arbeidsmigranten, en behoefte aan huisvesting noodzakelijk. Naast de mate van economische meerwaarde worden ook de maatschappelijke en ruimtelijke effecten meegewogen, zoals druk op de woningvoorraad, leefbaarheid en voorzieningen. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de sociaal-maatschappelijke gevolgen, zoals integratie, sociale cohesie en de positie van arbeidsmigranten als kwetsbare doelgroep. Deze integrale benadering voorkomt dat economische groei leidt tot ongewenste ruimtelijke neveneffecten. De gemeente maakt hiervoor gebruik van de VNG-handreiking effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid. Dit instrument ondersteunt gemeenten om deze effecten vroegtijdig in beeld te brengen en te vertalen naar concrete afspraken met bedrijven, zodat economische ontwikkeling en huisvesting op een evenwichtige manier kunnen worden verbonden.

Maatregel

•De gemeente werkt volgens de VNG-handreiking effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid.

2.1.2 Sterker inzetten op gesprekken met agrarische ondernemers

Doel

Het doel is om door middel van vroegtijdige gesprekken met agrarische ondernemers te zorgen voor transparante plannen, kwalitatieve huisvesting en een evenwichtige inpassing in de leefomgeving. Door al in de wenselijkheids- en haalbaarheidsfase intensieve gesprekken te voeren met initiatiefnemers bij aanvragen voor exploitatie- en omgevingsvergunningen, kunnen risico’s tijdig worden gesignaleerd, ongewenste situaties worden voorkomen en afspraken worden gemaakt die bijdragen aan leefbaarheid, veiligheid en verantwoord werkgeverschap.

Uitgangspunten

Een bespreking van een informatie- of haalbaarheidsverzoek met agrarische ondernemers is essentieel om de kwaliteit van plannen te toetsen en risico’s tijdig te signaleren. In dit gesprek, dat plaatsvindt in de informatiefase van een verzoek, worden bedrijfsvoering, noodzaak, ervaringen uit het verleden, signalen uit de omgeving en handhavingshistorie meegenomen. Voor dit gesprek wordt de gespreksleidraad uit de VNG-handreiking effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid gebruikt, welke de gemeente in staat stelt om op constructieve wijze in gesprek te gaan met bedrijven over de huisvesting van personeel. In dit gesprek neemt de omgevingsregisseur met de agrarische ondernemer door wat er van de agrarische ondernemer verwacht wordt. Dit gaat niet alleen om welke vergunningen benodigd zijn maar ook om welke voorwaarden daaraan verbonden zijn en wat ook verwacht mag worden ten aanzien van het laten meedoen van de arbeidsmigranten in onze gemeente.

Onder verantwoord werkgeverschap hoort ook zorgen voor goede huisvesting. Wij weten dat veel agrarische ondernemers deze handschoen oppakken en zorgen voor goede huisvesting bij het agrarisch bedrijf. Huisvesting bij het agrarisch bedrijf heeft ruimtelijke voordelen (bijv. minder vervoersbewegingen) en leidt vaak tot een betere beheersbaarheid. Maar er schaart ook het gevaar in van afhankelijkheid van de werknemer van de werkgever. Om te zorgen voor een goede balans en bescherming van de werknemer is de voorwaarde voor huisvesting bij het agrarisch bedrijf dat er geen koppeling is tussen het arbeidscontract en het huurcontract. Op dit punt wijken wij dus op een verantwoorde manier en weloverwogen af van de aanbevelingen van de Commissie Roemer (zoals beschreven in paragraaf 1.1).

Maatregelen

•Een omgevingsregisseur wordt betrokken bij ruimtelijke initiatieven voor huisvesting van arbeidsmigranten. Deze betrokkenheid geldt al vanaf het moment dat een informatieverzoek voor een huisvestingslocatie binnen komt. De omgevingsregisseur betrekt ook collega’s van het sociaal domein;

•Een vroegtijdig gesprek tussen de omgevingsregisseur en agrarische ondernemers is een onderdeel van de uniforme werkwijze bij initiatieven die zien op de huisvesting van arbeidsmigranten. Een schematische weergave van deze werkwijze vindt u in bijlage 1;

•Tijdens dit gesprek wordt gebruik gemaakt van de gespreksleidraad uit de VNG-handreiking effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid. Deze gespreksleidraad wordt ook gebruikt bij bestaande bedrijven die uitbreiding wensen. Er wordt tenminste ingegaan op de volgende onderwerpen:

o Onderwerpen uit de VNG-handreiking:

▪︎ Noodzaak van (extra) arbeidsmigranten en extra locaties, met daarbij ook aandacht voor de feitelijke bezettingsgraad van reeds vergunde bedden;

▪︎ Bedrijfsvoering: in hoeverre zet de ondernemer in op verduurzaming en innovatie;

▪︎ Ervaring uit het verleden (zowel ondernemer, als signalen uit buurt/handhaving/sociaal domein/wonen/veiligheid).

o Inzicht in type arbeidsmigrant:

▪︎ Short-stay versus stay;

▪︎ Aandacht voor vervolg en integratie: sociaal integratieplan;

▪︎ Inzet op begeleiding naar regulier wonen;

▪︎ Verwachting in gebruik van voorzieningen;

o Aandacht voor seizoensgebondenheid/seizoensbehoefte;

o Aandacht voor scheiding bed-brood op contractniveau.

2.1.3 Meer verantwoordelijkheid werkgevers

Doel

Het doel is werkgevers nadrukkelijk te betrekken bij het realiseren van goede arbeidsomstandigheden én goede woon- en leefomstandigheden voor arbeidsmigranten. Daarmee wordt benadrukt dat werkgevers verantwoordelijkheid dragen voor zowel de arbeidssituatie als de kwaliteit van de huisvesting en het bredere welzijn van hun werknemers. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van het Meedoenplan.

Uitgangspunten

Werkgevers dragen verantwoordelijkheid voor veilige en fatsoenlijke huisvesting, maar ook voor het welzijn en de integratie van hun werknemers. Dit omvat onder andere het faciliteren van taalonderwijs, informatievoorziening en contact met de buurt. Het Meedoenplan vormt daarbij een beleidsmatig instrument om deze verantwoordelijkheid te ondersteunen en aan te vullen. Daarmee maken we een koppeling met de exploitatievergunning. In de exploitatievergunning stellen we voorwaarden aan de manier waarop een tijdelijke woonlocatie beheerd wordt en welke sociaal-maatschappelijke ondersteuning er geboden wordt aan de arbeidsmigranten.

Maatregelen

•Huisvesting van arbeidsmigranten wordt uitsluitend toegestaan als tijdelijk wonen bij het eigen agrarisch bedrijf en ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering;

•Werkgevers nemen in het Meedoenplan onder andere maatregelen op voor sport- en recreatiemogelijkheden, taalonderwijs, informatievoorziening en buurtcontact;

•Er vindt een jaarlijkse audit plaats om te controleren of werkgevers zich houden aan het opgestelde Meedoenplan;

•Indien er niet wordt gehouden aan het Meedoenplan kan dit mogelijk leiden tot intrekking van de exploitatievergunning;

•Het Meedoenplan wordt expliciet opgenomen in de wijziging van de APV in 2026;

•De gemeente spreekt werkgevers actief aan op hun verantwoordelijkheid voor arbeids- en woonomstandigheden, welzijn en integratie.

2.2 Tijdelijk wonen

2.2.1 Voorkeur voor passende omvang van huisvesting

Doel

Het bevorderen van een evenwichtige, leefbare en veilige inpassing van huisvestingslocaties in de gemeente door te sturen op passende omvang van huisvesting.

Uitgangspunten

Grotere locaties (21-99 personen) brengen vaak meer druk op de omgeving met zich mee, bijvoorbeeld door verkeersbewegingen, parkeerdruk en de impact op sociale samenhang. Tegelijkertijd is deze schaal groot genoeg om voorzieningen en professioneel beheer te waarborgen, maar klein genoeg om draagkracht, leefbaarheid, sociale inpassing en veiligheid te behouden. Kleinschaligere huisvesting (maximaal 20 personen) bevordert een betere spreiding over de gemeente, waardoor de druk niet geconcentreerd wordt op enkele plekken en de verantwoordelijkheid voor opvang breder wordt gedragen.

Voor alle initiatieven geldt dat huisvesting van arbeidsmigranten alleen mogelijk is voor de seizoensbehoefte van een agrarisch bedrijf, binnen de maximum aantallen op grond van de beoordelingsregels uit het TAM-omgevingsplan en de beleidsregel. Zo wordt de omvang van de huisvestingslocatie beperkt tot wat noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf. Verder kiest de gemeente Horst aan de Maas ervoor om een tweedeling te maken in de beoordelingsregels voor de huisvesting van arbeidsmigranten bij agrarische bedrijven afhankelijk van de omvang van de huisvestingslocaties.

Voor agrarische bedrijven wordt de mogelijkheid geboden om binnen de bestaande bedrijfsgebouwen kleinschalige huisvesting te realiseren. Ook binnen bestaande bebouwing moet sprake zijn van kwalitatief goede voorzieningen. Zoals reeds opgemerkt dient dit altijd huisvesting te zijn met de kwaliteit ‘wonen’. Huisvesting is onder de voornoemde voorwaarden alleen mogelijk tot maximaal 20 personen. Omdat er sprake is van kleinschalige huisvesting binnen de bestaande bebouwing wordt dit mogelijk gemaakt met een omgevingsplanactiviteit (OPA) in het TAM-omgevingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026.’

Als het initiatief niet past binnen de regels uit het TAM-omgevingsplan is er de mogelijkheid om door middel van een BOPA een aanvraag te doen voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Hierbij geniet het wel de voorkeur om eerst bestaande bebouwing te gebruiken. Voor zover dat niet mogelijk is, is huisvesting toegestaan in hoogwaardige modulaire huisvesting. Modulaire huisvesting is na afloop van de vergunningstermijn makkelijk te verwijderen en in het kader van duurzaamheid op een andere locatie weer te gebruiken. Deze huisvestingslocaties mogen niet leiden tot ongewenste cumulatie van de huisvesting van arbeidsmigranten in een gebied (zie daarover paragraaf 2.2.2). Deze vorm van huisvesting wordt mogelijk gemaakt met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) waarvoor de ‘Beleidsregels Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026’ gelden.

Maatregelen

•De seizoensbehoefte van een agrarisch bedrijf moet worden aangetoond bij initiatieven voor de huisvesting van arbeidsmigranten. De seizoensbehoefte wordt onafhankelijk beoordeeld door de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;

•De huisvesting van maximaal 20 arbeidsmigranten wordt bij agrarische bedrijven binnen de gemeente toegestaan door middel van een OPA. De voorwaarden voor een OPA zijn opgenomen in het TAM-omgevingsplan ‘Huisvesting van arbeidsmigranten bij agrarische bedrijven 2026’;

•De huisvesting van maximaal 99 arbeidsmigranten wordt, onder aanvullende voorwaarden, bij agrarische bedrijven binnen de gemeente toegestaan door middel van een BOPA. Deze (aanvullende) voorwaarden zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Huisvesting van arbeidsmigranten bij agrarische bedrijven 2026’. Bij een aanvraag om een BOPA wordt altijd bindend advies gevraagd aan de gemeenteraad.

2.2.2 Spreiding van woonvoorzieningen

Doel

Het spreiden van woonvoorzieningen is gericht op het behouden en versterken van de leefbaarheid, veiligheid en de sociale draagkracht van wijken, kernen en het buitengebied. Spreiding van grotere huisvestingslocaties (21-99 personen) draagt bij aan een goede balans tussen het aantal bedden, beschikbare voorzieningen en sociale samenhang in de omgeving.

Uitgangspunten

In de uitgangspuntennotitie ‘Arbeidsmigratie: Toekomst in Balans’ is opgenomen dat we ongewenste cumulatie van huisvestingsplekken willen voorkomen. Bij de totstandkoming van het nieuwe beleid hebben we onderzocht of een afstandsnorm tot spreiding van woonvoorzieningen kan leiden. Dat is niet mogelijk gebleken. Het werken met een gebiedsindeling op basis van de omgevingsvisie geeft ook niet het gewenste vertrouwen op voldoende grip op de spreiding van woonvoorzieningen. De ambitie blijft om woonvoorzieningen te spreiden. Daarom nemen ongewenste cumulatie op als beoordelingsregel in de ‘Beleidsregel Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026’. We blijven zoeken naar een uitvoerbare en handhaafbare werkwijze. We toetsen de ongewenste cumulatie per initiatief voor grotere huisvestingslocaties. De gemeenteraad heeft vanwege het bindend adviesrecht voor die initiatieven mede grip op de effecten voor de leefbaarheid en sociale draagkracht.

De spreiding van grotere huisvestingslocaties over de gemeente wordt bereikt door de ongewenste cumulatie als gevolg van initiatieven expliciet te beoordelen. Bij een nieuwe huisvestingslocatie die middels een BOPA wordt aangevraagd wordt getoetst of er geen toename van ongewenste cumulatie plaatsvindt door de toevoeging van die huisvestingslocatie. De ongewenste cumulatie wordt onderzocht binnen een cirkel van 1 km rondom de beoogde huisvestingslocatie.

Het is belangrijk om te benoemen dat het bij de spreiding van woonvoorzieningen specifiek gaat om BOPA’s. OPA’s worden gemeentebreed toegepast. Bij OPA’s speelt het risico op ongewenste cumulatie in veel mindere mate, omdat het gaat om kleinschalige huisvestingslocaties (maximaal 20 personen per agrarisch bedrijf) die worden vergund binnen bestaande bebouwing.

Ongewenste cumulatie

We willen grotere huisvestingslocaties (21-99 personen) spreiden over de gemeente om te voorkomen dat er sprake is van geconcentreerde huisvesting binnen een deel van het buitengebied waardoor de draagkracht van bepaalde wijken, kernen of delen van het buitengebied (onevenredig) aangetast wordt. Bij individuele verzoeken kijken we daarom of er sprake is van een opeenstapeling van negatieve ruimtelijke effecten ten opzichte van reeds legaal bestaande huisvestingslocaties. De optelsom van diverse negatieve ruimtelijke effecten kan resulteren in het verstoren van het evenwicht tussen wonen, werken en leven in het gebied. We kijken hierbij naar het effect binnen 1 kilometer van de locatie van het initiatief, dit noemen we het effectgebied. Hierbij kijken we naar de balans tussen huisvestingslocaties voor arbeidsmigranten, de aanwezigheid van woonfuncties, de aanwezigheid van voorzieningen en de wegenstructuur. We streven naar een goede balans tussen alle functies in onze gemeente. Door het gebruik van de beleidsregel als toetsingskader bij het verlenen van BOPA’s beogen we dit evenwicht te kunnen bereiken door nieuwe huisvestingslocaties al dan niet toe te staan. Nadrukkelijk merken wij hierbij op dat het college hierin beleidsvrijheid heeft om, gewogen de uitgangspunten van de omgevingsvisie en deze bouwsteen, afwegingen te maken omtrent het al dan niet aanwezig zijn van ongewenste cumulatie. Ook de voorwaarden die in het TAM-omgevingsplan zijn gesteld dragen bij aan een spreiding van woonvoorzieningen.

Maatregelen

•Voor kleinschalige initiatieven zijn beoordelingsregels opgenomen in het TAM-omgevingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026’ (voor een OPA). Deze beoordelingsregels zijn mede gericht op het spreiden van woonvoorzieningen.

•Indien er niet voldaan wordt aan de regels uit het TAM-omgevingsplan kan er medewerking plaatsvinden als er voldaan wordt aan de beleidsregel ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026’ (voor een BOPA).

•Bij initiatieven voor grote huisvestingslocaties beoordelen we ongewenste cumulatie binnen 1 km rondom het initiatief met als doel het evenwicht tussen de aanwezige functies te behouden of te brengen.

2.2.3 Arbeidsmigranten hebben recht op een goed woon- en leefklimaat

Doel

Zorgen voor een goed woon- en leefklimaat voor arbeidsmigranten. De kwaliteit van de huisvesting voldoet aan wet- regelgeving.

Uitgangspunten

Bij de huisvesting van arbeidsmigranten moet sprake zijn van kwalitatief goede huisvesting. Zoals al eerder opgemerkt betreft dit, ongeacht de verblijfsduur van de arbeidsmigrant, de kwaliteit van wonen. Daarvoor sluiten we aan bij de technische kwaliteitseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Daarnaast geldt voor de huisvesting van arbeidsmigranten hetzelfde beschermingsniveau als voor plattelandswoningen. Dit betekent dat de milieueffecten van het eigen agrarische bedrijf niet worden meegenomen in de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, tenzij er sprake is van hergebruik van seizoenshuisvesting. De arbeidsmigranten die in het geval van hergebruik worden gehuisvest hebben namelijk geen relatie met het eigen agrarische bedrijf. De effecten van naastgelegen bedrijven worden altijd meegenomen in de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Aanvragen voor OPA’s worden getoetst aan de beoordelingsregels uit het TAM-omgevingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026’. Aanvragen voor BOPA’s worden getoetst ETFAL en de beleidsregel ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026’.

Maatregelen

•Huisvesting moet voldoen aan de technische eisen van het Bbl;

•Aanvragen voor een OPA worden getoetst aan de beoordelingsregels uit het TAM-omgevingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026’;

•Aanvragen voor een BOPA worden getoetst aan ETFAL en de beleidsregel ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026’.

2.2.4 Certificering SNF+

Doel

Het waarborgen van de kwaliteit en veiligheid van huisvesting voor arbeidsmigranten door te voldoen aan de SNF+ normen. Dit omvat onder andere privacy, ruimte voor recreatie en ontspanning, en voldoende leefruimte.

Uitgangspunten

Nieuwe huisvestingsinitiatieven moeten minimaal voldoen aan de SNF-norm, inclusief onderstaande aanvullingen. De gemeente maakt hierin, in tegenstelling tot de SNF-norm van juli 2025, geen onderscheid in bestemming van de locatie en geen onderscheid tussen nieuwbouw of bestaande bouw. De gemeente vindt dat ieder persoon verblijvend in een huisvestinglocatie voor arbeidsmigranten recht heeft op minimaal 15 m² gebruikersoppervlakte woningen (GBO). Als methodiek voor het bepalen van de GBO hanteren we de meest actuele Meetinstructie Gebruiksoppervlakte Woningen van de NVM, met de bepaling gebruikersoppervlakte wonen (NEN 2580). Het GBO is dus inclusief slaapkamer. Er wordt extra nadruk gelegd op leefruimte, privacy en recreatiemogelijkheden om een prettige en veilige woonomgeving te creëren.

Maatregelen

•Voor alle vergunningen geldt dat voldaan wordt aan de SNF-norm.

•Aanvullend op de SNF-norm geldt dat een slaapkamer door één persoon gebruikt mag worden, tenzij aangetoond wordt dat het door de personen gewenst is de slaapkamer te delen (maximaal twee personen per slaapkamer) wordt het volgende geëist:

o Het moet hierbij gaan om schriftelijke toestemming, waarbij de informatie in eigen taal is verleend, en het verzoek ten alle tijden teruggetrokken mag worden door de personen;

•Als voorwaarde bij een omgevingsvergunning wordt boven op de SNF-norm het volgende geëist:

o De huisvesting heeft een minimum woonoppervlakte van 15m2 GBO per te huisvesten persoon, waarbij eenpersoonsslaapkamers een minimum oppervlakte hebben van 5,5 m2 GBO en tweepersoonsslaapkamers een minimum oppervlakte hebben van 11 m2 GBO;

o De huisvesting heeft een multifunctionele buitenruimte met een minimum oppervlakte van 5 m2 per persoon. Deze multifunctionele buitenruimte behoort niet tot de minimum oppervlakte genoemd onder het vorige punt;

o Bij aanvragen voor BOPA’s worden aanvullende sport- en recreatievoorzieningen gevraagd, volgens het Meedoenplan.

2.2.5 Fysieke veiligheid

Doel

Het doel is het waarborgen van de fysieke veiligheid van huisvestingslocaties voor arbeidsmigranten en omwonenden, zodat risico’s worden beperkt en hulpdiensten adequaat kunnen optreden bij incidenten.

Uitgangspunten

De fysieke veiligheid is een integraal onderdeel van de besluitvorming rond huisvesting. De gemeente sluit aan bij ontwerpprincipes van de Veiligheidsregio en hanteert uitgangspunten zoals risicovermijding, snelle evacuatie en goede bereikbaarheid voor hulpdiensten. Veilig vervoer van en naar locaties wordt beschouwd als onderdeel van de veiligheid.

Maatregelen

•Bij besluitvorming over nieuwe huisvestingslocaties wordt fysieke veiligheid integraal meegewogen, waarbij de ontwerpprincipes van de Veiligheidsregio als voorwaarden gelden;

•Vergunningverlening vindt uitsluitend plaats wanneer aan de gestelde veiligheidseisen wordt voldaan;

•De gemeente voert periodieke controles uit op naleving van veiligheidsvoorschriften.

2.2.6 Maximale termijn tijdelijke vergunningen

Doel

We stellen een termijn voor tijdelijke vergunningen van 15 jaar. Het stellen deze termijn voor tijdelijke vergunningen heeft een drieledig doel. Ten eerste is het een termijn waarmee ondernemers voldoende zekerheid hebben om te investeren in kwalitatieve huisvesting. Ten tweede biedt deze termijn voldoende tijd om binnen de reguliere woningmarkt passende woningen te realiseren voor de arbeidsmigranten die zich hier permanent willen vestigen. Ten derde sluit 15 jaar aan bij de maximale termijn voor tijdelijke bouwwerken vanuit het Bbl. De termijn van 15 jaar biedt ons ook de mogelijkheid om bij het aflopen van de vergunningen een goede maatschappelijke, economische en ruimtelijke keuze te maken omtrent de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de huisvesting.

Uitgangspunten

Het creëren van huisvesting voor arbeidsmigranten waarin tijdelijk gewoond mag worden gaat gepaard met grote investeringen voor de werkgevers. Zij moeten bestaande gebouwen verbouwen voor tijdelijke bewoning of nieuwe (modulaire) huisvesting realiseren. Voor hen is het van belang dat de investering in woonruimte voor de arbeidsmigranten ‘terugverdiend’ kan worden. De termijn moet voldoende prikkelen tot het realiseren van kwalitatief goede huisvesting, waarbij de investering onder gelijkblijvende omstandigheden geen desinvestering oplevert. Zoals eerder opgemerkt wensen wij de groep arbeidsmigranten van passende woonruimte te voorzien. Dit vergt een aanpassing van de huidige woningvoorraad. Om dit te realiseren is een voldoende lange termijn benodigd.

Om de overspannen woningmarkt te verlichten wordt er landelijk gewerkt met flexwoningen. Ook de gemeente Horst aan de Maas kent dergelijke woningen. De flexwoningen zijn enerzijds bedoeld om het woningtekort op dit moment te verlichten en anderzijds om tijdelijk te voorzien in een behoefte totdat er ruimte ontstaat in de woningvoorraad. Ook voor huisvesting van arbeidsmigranten gaan we uit van een situatie die tijdelijk is. We sluiten daarom aan bij het landelijke beleid van flexwonen en de daarbij behorende termijn van 15 jaar. Dit biedt voldoende ruimte om te komen tot een aanpassing van de woningvoorraad en anderzijds is dit ook een termijn die werkgevers zekerheid geeft om op te kunnen investeren.

Bestaande tijdelijke vergunningen kunnen niet verlengd worden naar 15 jaar. Na afloop van de vergunningtermijn van bestaande tijdelijke vergunningen dient een nieuwe vergunning te worden aangevraagd. Bij de beoordeling van de aanvraag vindt altijd een volledige nieuwe toetsing plaats aan de geldende voorwaarden.

Maatregelen

•De maximale vergunningstermijn voor tijdelijke huisvesting bedraagt 15 jaar;

•Voor bestaande locaties waarvan de vergunning afloopt, is een nieuwe vergunning vereist. Deze zal uitsluitend verleend worden als de ontwikkeling in overeenstemming is met de beoordelingsregels uit het TAM-omgevingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026’ (voor OPA’s) of de beleidsregel ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026’ (voor BOPA’s).

•Bestaande vergunninghouders ontvangen vijf jaar voor afloop van de vergunning jaarlijks een brief met informatie over het aflopen van de tijdelijke vergunning.

2.2.7 Hergebruik van seizoenshuisvesting

Doel

Het doel is om bestaande (tijdelijke) seizoenshuisvesting zorgvuldig en tijdelijk te benutten in de overgang naar andere, duurzamere vormen van bedrijvigheid en huisvesting. Daarmee wordt leegstand voorkomen, ontstaat flexibiliteit op de arbeidsmarkt en wordt extra druk op de reguliere woningvoorraad vermeden.

Uitgangspunten

De gemeente stimuleert hergebruik van tijdelijk onbenutte huisvesting. Het leeg laten staan van kwalitatief goede huisvesting draagt niet bij aan het oplossen van het tekort aan huisvestingsmogelijkheden. Daarnaast is het ook vanuit ondernemersperspectief wenselijk om te komen tot een optimale bezetting. Het kunnen hergebruiken van leegstaande huisvesting maakt het aantrekkelijker om te investeren in huisvesting. Hiermee wordt beoogd ook de kwaliteit van de huisvesting te verbeteren. Als laatste, en wellicht de meest voor de hand liggende reden, draagt het kunnen hergebruiken van een bestaande locatie bij aan zuinig ruimtegebruik. Door bestaande locaties te kunnen hergebruiken wordt beoogd de verstening van het buitengebied tegen te gaan.

Hergebruik van seizoenshuisvesting is alleen mogelijk voor de huisvestingslocaties met 21 tot 99 bedden (vergund met een BOPA). De huisvestingslocaties die vergund zijn met OPA zijn zo kleinschalig en beperkt dat de huisvesting altijd voor het eigen bedrijf nodig zal zijn. In die gevallen is er dus geen risico op leegstand.

Effectief en efficiënt inzetten van de beschikbare capaciteit is mogelijk door goede samenwerking tussen ondernemers. Hiermee wordt een betere benutting van voorzieningen gerealiseerd, die bijdraagt aan het opvangen van pieken in de vraag naar huisvesting. Dit gebeurt binnen kaders die veiligheid, kwaliteit en leefbaarheid waarborgen. Bij hergebruik van seizoenshuisvesting worden personen gehuisvest die geen relatie hebben met het agrarische bedrijf waar de huisvesting plaatsvindt. Daarom is een voorwaarde voor hergebruik van seizoenshuisvesting dat ook de milieueffecten van dat bedrijf bij de aanvraag om een omgevingsvergunning beoordeeld worden.

Maatregelen

•Tijdelijk onbenutte seizoenshuisvesting kan ingezet worden door andere ondernemers als wordt voldaan aan de voorwaarden uit de beleidsregel ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026;

•Ondernemers maken gebruik van elkaars beschikbare huisvesting door middel van onderlinge afspraken;

•Een agrarische ondernemer mag geen commerciële huisvester worden, hergebruik voor tijdelijk wonen bij een nevenvestiging is alleen toegestaan mits er ook tijdelijke bewoning bij de hoofdvestiging plaatsvindt;

•De gemeente stimuleert samenwerkingsverbanden die leegstand beperken en capaciteit beter benutten.

2.2.8 Minder short-stay arbeidsmigranten in de kernen

Doel

Het verbeteren van de leefbaarheid in dorpskernen door (illegale) short-stay huisvesting van arbeidsmigranten terug te dringen. Voor arbeidsmigranten die de intentie hebben langer te verblijven wordt via het volkshuisvestingsprogramma ingezet op adequate passende reguliere woonvormen. Daarmee wordt een evenwichtigere verdeling van woonruimte bereikt en de leefbaarheid versterkt.

Uitgangspunten

Short-stay huisvesting past niet in de dorpskernen vanwege de hogere kans op overlast en scheefgroei. De aantrekkelijkheid om goedkope woningen in de kernen illegaal aan te wenden voor het kamergewijs huisvesten van arbeidsmigranten moet worden tegengegaan. Niet alleen handhavend optreden biedt een antwoord op deze illegale praktijken. Ook het beleidsmatig bieden van alternatieven voor huisvesting, zoals het huisvesten bij agrarische bedrijven, draagt bij aan het ontmoedigen van verkamering van woningen in de kernen voor het huisvesten van arbeidsmigranten.

Maatregelen

•Het aanpakken van illegale huisvesting van arbeidsmigranten in woningen in de kernen heeft prioriteit in het handhavingsbeleid;

•Beleidsmatig creëren van voldoende alternatieve mogelijkheden voor huisvesting van arbeidsmigranten;

•Arbeidsmigranten, niet zijnde short-stay, wonen zoveel mogelijk in reguliere woonvormen.

2.2.9 Uitvallersbedden

Doel

Om acute noodsituaties op te vangen, wordt tijdelijke opvang geboden voor uitvallers die onverwachts zonder onderdak komen te zitten.

Uitgangspunten

De gemeente zet in op de structurele beschikbaarheid van vier tot zes uitvallersbedden. Deze uitvallersbedden worden gerealiseerd via overeenkomsten met verschillende huisvesters.

Maatregelen

•De gemeente regelt de structurele beschikbaarheid van vier tot zes uitvallersbedden via overeenkomsten met huisvesters;

•De toewijzing van uitvallersbedden wordt gecoördineerd door het TAK-team of diens opvolger.

•De financiële afspraken tussen de gemeente Horst aan de Maas en de huisvesters voor het gebruik en de beschikbaarheid van de uitvallersbedden worden in 2026 verder uitgewerkt en geborgd.

2.2.10 Voorlichting en belang van omwonenden

Doel

Het doel is het vroegtijdig betrekken van omwonenden bij nieuwe initiatieven voor huisvesting van arbeidsmigranten bij agrarische bedrijven. Hierdoor ontstaat transparantie in het proces, worden zorgen en wensen gehoord en wordt gewerkt aan sociale samenhang, veiligheid en draagkracht in de wijk.

Uitgangspunten

De gemeente Horst aan de Maas beschouwt de omgevingsdialoog als een essentieel instrument voor zorgvuldige besluitvorming. Betrokkenheid van omwonenden versterkt het vertrouwen in het proces en draagt bij aan een evenwichtige afweging van belangen. De dialoog vindt plaats in een open en respectvolle sfeer, waarbij zowel initiatiefnemers als omwonenden de gelegenheid krijgen hun standpunten in te brengen. Het voeren van een omgevingsdialoog is verplicht voor alle initiatieven die met een BOPA vergund worden. Hoewel een omgevingsdialoog bij een BOPA verplicht is, is een positieve uitkomst niet noodzakelijk om medewerking te verlenen aan het initiatief. Opmerkingen die gegeven worden door de omwonenden kunnen aanleiding zijn om een initiatief te optimaliseren voor ondernemer en omwonenden. Soms is dat niet mogelijk. Op dat moment neemt het college een besluit over het initiatief waarbij zij de uitkomsten van de omgevingsdialoog meeweegt, maar waarbij deze geen doorslaggevende betekenis hebben.

Maatregelen

•De omgevingsdialoog is verplicht bij de huisvesting van arbeidsmigranten die niet past binnen de regels van het TAM-omgevingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026’ (raadsbesluit d.d. 8 februari 2022);

•Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van het TAM-omgevingsplan ‘Huisvesting Arbeidsmigranten bij Agrarische Bedrijven 2026’ moeten initiatiefnemers aangeven of zij een omgevingsdialoog hebben gevoerd;

•De resultaten van de dialoog worden vastgelegd in een verslag dat onderdeel uitmaakt van de vergunningsaanvraag;

•De gemeente toetst of voldoende is geparticipeerd en de dialoog op een zorgvuldige en transparante wijze is uitgevoerd;

•Het college van burgemeester en wethouders kan de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit buiten behandeling laten bij het niet of niet voldoende uitvoeren van participatie.

2.3 Toezicht en Veiligheid

2.3.1 Aanpak ondermijning, misstanden en overlast

Doel

Het doel is het tegengaan van misstanden, malafide huisvesting, overbewoning, overlast en ondermijnende criminaliteit binnen de short-stay huisvesting voor arbeidsmigranten. Arbeidsmigranten vormen een kwetsbare doelgroep. In het Integraal Veiligheidsplan is vastgelegd dat de gemeente wil voorkomen dat kwetsbare inwoners slachtoffer worden van criminaliteit of misbruik, of zelf vervallen in criminaliteit of het veroorzaken van overlast. Met deze aanpak wordt zowel de veiligheid en bescherming van arbeidsmigranten zelf als een veilige en leefbare omgeving voor omwonenden en andere inwoners bevorderd. Dit betekent ook dat onze inzet die toegelicht wordt in hoofdstuk 3 ‘Sociaal-maatschappelijk’ een bijdrage levert aan een veilige woon- en leefomgeving, voor arbeidsmigranten en voor omwonenden. Een hogere mate van sociale verbondenheid in en wijk of buurt heeft immers een directe relatie met het veiligheidsgevoel van mensen.

Uitgangspunten

De gemeente hanteert een strikte aanpak waarin toezicht en handhaving centraal staan. Misstanden worden niet gedoogd en samenwerking met ketenpartners versterkt de effectiviteit van de aanpak. Juridische instrumenten worden doelgericht ingezet om de kwaliteit van huisvesting te waarborgen, overlast te voorkomen, openbare orde en veiligheid te waarborgen en malafide praktijken tegen te gaan.

Maatregelen

•De gemeente zet zowel actief als reactief toezicht en handhaving in op alle vormen van huisvesting voor arbeidsmigranten;

•Toezicht en handhaving acteert op basis van de verleende vergunning, inclusief vergunningvoorschriften, en/of de beschikbare wet- en regelgeving. Hierbij wordt onder andere verwezen naar het TAM-omgevingsplan, de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), de Wet goed verhuurderschap en de Wet basisregistratie personen (Wet BRP);

•De toezichthouder BRP voert regelmatig controles uit;

•De gemeente past de Wet Bibob toe volgens de ‘Beleidsregel voor de Wet Bibob gemeente Horst aan de Maas 2025’;

•De gemeente geeft invulling aan haar verantwoordelijkheden rondom de aanpak van mensenhandel;

•De gemeente onderzoekt de invoering van een vergunningsstelsel op grond van de Wet goed verhuurderschap;

•Er vindt structurele samenwerking plaats met interventieteams zoals ACT! om ondermijnende criminaliteit te bestrijden;

•Overtredingen leiden tot directe inzet van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke maatregelen.

2.3.2 Samenwerking als sleutel tot effectief toezicht op arbeidsmigratie

Doel

Het vergroten van de effectiviteit in de aanpak van de negatieve aspecten van arbeidsmigratie door intensieve samenwerking tussen alle betrokken partijen en het bevorderen van het welzijn van arbeidsmigranten.

Uitgangspunten

De thematiek rondom arbeidsmigratie is heel breed. Dit las u al in hoofdstuk 1. Samenwerking tussen (buur)gemeenten, provincie, ondernemers, huisvesters, maatschappelijke organisaties en politie is essentieel om de negatieve aspecten van arbeidsmigratie te bestrijden. Door een integrale aanpak waarbij ook ketenpartners zoals de Arbeidsinspectie, Belastingdienst en Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) betrokken worden, ontstaat meer inzicht in misstanden. Gezamenlijke controles en informatie-uitwisseling versterken de effectiviteit. Huisvesters leveren daarnaast een bijdrage door samenwerking in regionaal verband en door het opstellen van een Meedoenplan.

Maatregelen.

•De samenwerking tussen politie, gemeente, maatschappelijke organisaties, huisvesters en ondernemers is structureel ingericht. De gemeente brengt in 2026 in beeld met welke partijen zij samenwerkt, welke partijen wellicht nog ontbreken en hoe meer effectief kan worden samengewerkt. Daarbij maakt de gemeente keuzes omtrent het al dan niet intensiveren van samenwerkingen;

•De gemeente houdt een veiligheidsoverleg met huisvesters, ondernemers, politie en het TAK-team zodat signalen vanuit de samenleving op de juiste plaats landen en te voorkomen dat deze blijven zweven;

•Huisvesters geven bij de aanvraag om een exploitatievergunning aan hoe zij samenwerken met collega-huisvesters in de regio en leren van elkaar via het Meedoenplan;

•De gemeente communiceert actief ‘best practices’ vanuit de Meedoenplannen.

2.3.3 Meer zicht op arbeidsmigranten door registratie

Doel

Het doel is het realiseren van een sluitende registratie van arbeidsmigranten, zodat toezicht, veiligheid en hulpverlening op een betrouwbare manier kunnen plaatsvinden.

Uitgangspunten

Op grond van de Wet basisregistratie personen is iedereen die tenminste vier maanden van zes aaneengesloten maanden in een pand verblijft, of de intentie daartoe heeft, verplicht zich in die gemeente in te schrijven als ingezetene. Dit betekent dat alle personen waarvoor conform deze bouwsteen langer dan vier maanden huisvesting wordt beoogd ingeschreven moeten worden in de BRP als ingezetene. Voor zover personen er korter dan vier maanden zijn schrijven zij zich in in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI) én een nachtregister op de betreffende locatie. Hoewel inschrijving (én uitschrijving) in de BRP en de RNI een verantwoordelijkheid van de betreffende arbeidsmigrant zelf is, hebben werkgevers en huisvesters hierin ook een verantwoordelijkheid. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen door het verstrekken van informatie hierover. Transparantie over verblijf en verblijfplaats draagt bij aan leefbaarheid, veiligheid en goede dienstverlening.

Maatregelen

•De gemeente bevordert inschrijving van arbeidsmigranten in BRP of RNI en ziet toe dat werkgevers en huisvesters dit actief stimuleren;

•Registratie van arbeidsmigranten is een verplicht onderdeel van het Meedoenplan dat bij de vergunningsaanvraag voor de exploitatievergunning wordt ingediend;

•De gemeente onderzoekt en faciliteert de invoering van een digitaal nachtregister. De VNG bereidt een handreiking over het digitaal nachtregister voor. De gemeente zal, wanneer deze beschikbaar is, afwegen om de handreiking te volgen.

Hoofdstuk 4 – Communicatie, financiën en afspraken

4.2 Financiële aspecten

4.2.1 Toeristenbelasting en gemeentefonds

Het kunnen blijven adresseren van alle problemen en kansen die voortkomen uit de thematiek ‘arbeidsmigratie’ brengt kosten met zich mee. Door de toeristenbelasting die voortkomt uit vergunde huisvestingslocaties in te zetten voor de kosten van huisvesting, dragen we bij aan een eerlijkere kostenverdeling. De gemeente heft al toeristenbelasting bij huisvestingslocaties voor arbeidsmigranten. In 2026 wordt uitgewerkt hoe de opbrengsten hiervan gericht kunnen worden ingezet voor de kosten die hiermee samenhangen. Daarnaast onderzoekt de gemeente de verhoging van de toeristenbelasting om een eerlijkere kostenverdeling te realiseren. Zo wordt voorkomen dat de maatschappelijke lasten volledig bij de gemeenschap terechtkomen. De opbrengsten hiervan kunnen worden ingezet voor toezicht, handhaving, het verbeteren van voorzieningen en het ondersteunen van initiatieven gericht op welzijn en integratie van arbeidsmigranten.

Veel arbeidsmigranten zijn nu niet geregistreerd. Hoewel de gemeente veel ondersteuning biedt, krijgt zij daarvoor geen vergoeding. We zetten daarom ook in op adequate registratie in de BRP of in een nachtregister bij tijdelijk verblijf (korter dan vier maanden) in de gemeente. Door een adequate inschrijving in de BRP ontvangt de gemeente een grotere vergoeding uit het gemeentefonds.

4.2.2 Kosten voor huisvestingslocaties

De kosten die gemaakt worden op basis van de ruimtelijke procedure voor een nieuwe huisvestigingslocatie worden berekend op basis van de Nota Kostenverhaal en Financiële Bijdragen. Daarnaast geldt dat initiatiefnemers die nieuwe huisvestingslocaties ontwikkelen zelf verantwoordelijk zijn voor het bekostigen van professioneel beheer en nachtregistratie Op deze manier worden kosten eerlijk verdeeld en wordt de kwaliteit van voorzieningen geborgd.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.