Gemeentelijke regelgeving

Algemene Plaatselijke Verordening Fysieke Leefomgeving Gemeente Horst aan de Maas

Gemeente Horst aan de Maas · geldt sinds 1 januari 2024

Aanhef

De raad van de gemeente Horst aan de Maas;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 december 2021,

gemeentebladnummer 2022.019-D;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

b e s l u i t :

vast te stellen de volgende verordening:

Algemene Plaatselijke Verordening Fysieke Leefomgeving Gemeente Horst aan de Maas

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

-bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

-beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

-bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

-bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

-bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

-college: het college van burgemeester en wethouders;

-gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

-handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

-motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

-openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

-openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

-parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

-rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

-voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen;

-weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1:2 Beslistermijn

1Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

3Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning

Artikel 1:3 Voorschriften en beperkingen

1Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

3Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

1De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

2Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

1De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, geschorst of gewijzigd als:

a.ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b.op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c.de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d.van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

e.de houder dit verzoekt.

2Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6 Termijnen

1De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

2De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:7 Weigeringsgronden

1Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

a.de openbare orde;

b.de openbare veiligheid;

c.de volksgezondheid;

d.de bescherming van het milieu.

2Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Afdeling 1. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen

Artikel 2:1 Voorwerpen op of aan of boven een openbare plaats

1Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:

a.schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats, de bruikbaarheid van de openbare plaats belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de openbare plaats; of

b.niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

c.het beoogde gebruik bestaat uit het op de openbare plaats, al dan niet in een motorvoertuig slapen, dan wel het op de openbare plaats plaatsen van een voertuig, woonwagen, tent, caravan, of een soortgelijk ander onderkomen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden

2Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.

3Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.

4Het verbod is niet van toepassing:

a.als het gebruik van de openbare plaats is toegestaan met een vergunning als bedoeld in artikel 2:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Openbare Orde & Veiligheid (evenementenvergunning).

b.als het gebruik van de openbare plaats is toegestaan met een vergunning als bedoeld in artikel 2:9 van de Algemene Plaatselijke Verordening Openbare Orde & Veiligheid (exploitatievergunning openbare inrichting)

c.als het gebruik van de openbare plaats is toegestaan met een vergunning als bedoeld in artikel 4:3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Openbare Orde & Veiligheid (standplaatsvergunning);

d.overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de openbare plaats is verleend.

5Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

1Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing, voor zover het een uitweg betreft, waarvoor een vergunning op grond van artikel 2:3 is vereist.

3Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

4Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:3 Maken of veranderen van een uitweg

1Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a.ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b.als de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats en dit leidt tot een onaanvaardbare verhoging van de parkeerdruk in de straat;

c.als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

d.indien daardoor de afwatering van weg en berm tot problemen leidt, dan wel bermschade of asfaltschade ontstaat, die niet door het treffen van voorzieningen kunnen worden voorkomen. De kosten van deze voorzieningen zijn voor rekening van degene die de uitweg aanlegt of verandert of laat aanleggen of veranderen; of

e.als de uitweg leidt tot parkeren in de voortuin, wat ten koste gaat van het uiterlijk aanzien van de omgeving en het voorkomen van hittestress en wateroverlast.

3Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2:4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:5 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

1Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

a.Te roken;

b.voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

3Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:6 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

1De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:7 Beregeningsinstallaties

1Het is verboden bij kunstmatig beregenen van gronden water op de weg uit te (laten) werpen.

2Op de beregeningsinstallatie dienen de contactgegevens, waaronder in ieder geval het telefoonnummer, van de eigenaar/gebruiker aanwezig te zijn die op eenvoudige wijze af te lezen zijn.

Afdeling 2. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade

Artikel 2:8 Plakken en kladden

1Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is op enigerlei wijze een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, cijfer, letter of teken aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen.

3Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

5Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

6Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

7Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Hoofdstuk 3. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting

Artikel 3:1 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

-Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

-collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

-gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

-gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

-houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

-incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

-inrichting: inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

-onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 3:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

1De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

3In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

4Het college maakt (een wijziging van) de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

5Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

6Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting tijdens een collectieve festiviteit (m.u.v. de collectieve kermis festiviteit), bedraagt niet meer dan 70 dB(A) of bij muziek met karakteristieke bastonen 85 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

7Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting tijdens een collectieve kermis festiviteit, bedraagt niet meer dan 80 dB(A) of bij muziek met karakteristieke bastonen 95 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

8De geluidsnorm, bedoeld in het zesde en zevende lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

9Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, uiterlijk om 01.00 uur beëindigd.

Artikel 3:3 Melding incidentele festiviteiten

1Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

2Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

3Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

4De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

5De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

6Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt tijdens een incidentele festiviteit niet meer dan 70 dB(A) of bij muziek met karakteristieke bastonen 85 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

7Indien zich in- of aanpandige geluidsgevoelige gebouwen bevinden bij de inrichting geldt in aanvulling op lid 6, dat in het betreffende gebouw het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de inrichting tijdens een incidentele festiviteit, niet meer bedraagt dan 55 dB(A) of bij muziek met karakteristieke bastonen 69 dB(C).

8De geluidsnorm, bedoeld in het zesde en zevende lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

9Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer uiterlijk om 01.00 uur beëindigd.

10Het bepaalde in het eerste, het zesde, het zevende, het achtste en het negende lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

11Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 3:4 Overige geluidhinder

1Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

4Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:5 Geluidhinder in de openlucht

1Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

4De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

a.het maximale geluidsniveau;

b.de situering van geluidsbronnen;

c.de frequentie en tijden van gebruik.

5Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 3:6 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 3:7 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 3:8 Beschadiging van de berm

1Het is verboden de in de berm aanwezige vegetatie te vernietigen, te beschadigen of gewasbeschermingsmiddelen toe te passen.

2Het is verboden de berm te gebruiken bij het bewerken van landbouwgronden anders dan voor het stallen van voertuigen en of opslaan van producten ten behoeve van het bewerken van het land.

3Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden

Artikel 3:9 Definities

1In deze afdeling wordt verstaan onder:

a.houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

b.hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

2In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 3:10 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

1Het college stelt een Bomenlijst vast waarop de monumentale en andere beschermenswaardige bomen in de gemeente worden vermeld.

2Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de in het eerste lid genoemde Bomenlijst.

3Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die hun oorsprong vinden in privaatrechtelijke overeenkomsten of in een bestemmingsplan zijn aangewezen.

4In afwijking van artikel 1:7 kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

a.de natuurwaarde van de houtopstand;

b.de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c.de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d.de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e.de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of

f.de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand; of

g.klimaatadaptatie.

5Het verbod is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

6Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 3:11 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

1Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

b.bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c.kampeermiddelen als bedoeld in artikel 3:12 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

d.mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

2Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

3Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

4Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 3:12 Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief of andersoortig nachtverblijf.

Artikel 3:13 Nachtverblijf buiten kampeerterreinen

1Het is verboden ten behoeve van (recreatief) nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd of met een omgevingsvergunning is toegestaan.

2Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

4Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van natuur en landschap.

Hoofdstuk 4. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod

Artikel 4:1 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

1Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

a.het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

b.het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

2Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

a.voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

b.voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

3Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

a.drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

b.de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

4Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

5Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:2 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren

Artikel 4:3 Voertuigwrakken

1Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4:4 Kampeermiddelen en andere voertuigen

1Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

a.langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

b.op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

3Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

4Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:5 Reclamevoertuigen

1Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:6 Grote voertuigen

1Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

3Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

4Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

5Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.

6Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:7 Uitzichtbelemmerende voertuigen

1Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

2Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 4:8 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan

1Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.

2Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Artikel 4:9 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

1Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

2Dit verbod is niet van toepassing op:

a.de weg;

b.voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

c.voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

4Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Artikel 4:10 Overlast van fietsen of bromfietsen

1Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

2Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

Afdeling 2. Openbaar water en waterstaatswerken

Artikel 4:11 Beschadigen van waterstaatswerken

1Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.

Afdeling 3. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 4:12 Crossterreinen

1Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

2Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

a.het voorkomen of beperken van overlast;

b.de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

c.de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

3Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Artikel 4:13 Beperking verkeer in natuurgebieden

1Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets, een paard of overige al dan niet gemotoriseerde rij- of voertuigen.

2Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

a.het voorkomen van overlast;

b.de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

c.de veiligheid van het publiek.

3Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen, paarden en overige al dan niet gemotoriseerde rij- of voertuigen:

a.ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

b.die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

c.die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

d.van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

e.voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

4Het verbod is voorts niet van toepassing:

a.op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

b.binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.

5Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Afdeling 4. Vuurverbod

Artikel 4:14 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

1Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

a.verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

b.sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

c.vuur voor koken, bakken en braden.

3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

4Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

5Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Hoofdstuk 5. Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 5:1 Sanctiebepaling

1Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak

2In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:1 en 2:2 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit, artikel 2:3, eerste lid en artikel 3:10, tweede lid.

3In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 5:2 Toezichthouders

1Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de politieambtenaren bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, ieder voor zover het betreft zaken die aan hun toezicht zijn toevertrouwd.

2Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 5:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 5:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

1De “Algemene plaatselijke verordening gemeente Horst aan de Maas”, in werking getreden op 1 mei 2020, wordt ingetrokken op de dag dat deze verordening in werking treedt.

2Deze verordening treedt in werking op de dag na die van haar bekendmaking.

Artikel 5:5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 5:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 5:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening Fysieke Leefomgeving Gemeente Horst aan de Maas.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.