Aanhef
Voorwoord
Onze leefomgeving verandert. Dat biedt kansen zolang we blijven inzetten op kwaliteit. In Hollands Kroon willen we ruimte geven aan nieuwe ideeën, maar wel met respect voor wat onze gemeente uniek maakt.
We willen duidelijk maken waar we voor staan. Wat vinden we belangrijk? Hoe zorgen we dat nieuwe plannen passen bij de plek? En hoe houden we samen onze dorpen, landschappen en straten aantrekkelijk en leefbaar?
De oude Welstandsnota richtte zich vooral op individuele gebouwen en architectuur. Daarmee werd onvoldoende houvast geboden voor een bredere, integrale benadering van de leefomgeving. Met de komst van de Omgevingswet in 2024 is een bredere aanpak nodig: niet alleen architectuur, maar ook landschap, ecologie, stedenbouw, erfgoed en cultuurhistorie spelen mee. Alles hangt samen. De nieuwe Nota Omgevingskwaliteit sluit aan op onze Omgevingsvisie en vormt straks de basis voor het omgevingsplan.
We zetten in op een aantal onderdelen die belangrijk zijn voor een goede ruimtelijke kwaliteit.
•Behoud en versterking van waarde: We leggen nadruk op het behouden van gebouwen, dorpen en landschappen die ons gebied bijzonder maken.
•Kwaliteit en samenhang: Nieuwe ontwikkelingen worden kwalitatief beter en sluiten meer aan bij hun omgeving.
•Landschappelijke inpassing: Er is veel meer aandacht voor de relatie met het landschap en hoe gebouwen en functies daarin passen.
•Verbeteren wat kan: Naast behouden wat waardevol is, proberen we datgene wat nu minder fraai is mooier en passender te maken.
Deze nota helpt hierbij. Met heldere regels, inspiratie en ruimte voor gesprek. Want kwaliteit ontstaat niet alleen op papier, maar vooral door samen te kijken, te praten en te doen. Of je nu bewoner bent, ondernemer of initiatiefnemer: denk mee, doe mee en bouw mee aan een Hollands Kroon waar we trots op zijn.
Via participatieavonden en gesprekken hebben we waardevolle input gekregen van inwoners en ondernemers. Deze inbreng is verwerkt in de nota die voorligt.
Laten we samen zorgen voor een fijne leefomgeving voor nu maar ook voor generaties na ons.
Mark Versteeg
Wethouder
Samenvatting
De Nota Omgevingskwaliteit is het beleidsdocument waarin we vastleggen hoe wij als gemeente Hollands Kroon omgaan met de kwaliteit van de leefomgeving bij ruimtelijke initiatieven. Het vormt een uitwerking van de ambities uit de Omgevingsvisie en bouwt voort op bestaand kwaliteitsbeleid.
Het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk doel van de Omgevingswet en draagt bij aan een leefbare woonomgeving, recreatieve aantrekkelijkheid en een duurzaam vestigingsklimaat voor bedrijven.
We willen de historie en het karakter van een gebied herkenbaar houden, zodat onze gemeente haar eigen identiteit houdt. Tegelijk willen we ook ruimte bieden voor dynamiek, voor benutten en ontwikkelen van nieuwe waarden. De nota ondersteunt dit op drie manieren:
als bron van informatie en inspiratie;
voor de begeleiding van een initiatief, om initiatiefnemers te stimuleren;
als beoordelingskader bij vergunningplichtige activiteiten en voor handhaving bij excessen.
Om te kunnen sturen op omgevingskwaliteit zijn in deze nota Algemene Principes opgenomen. Dit zijn de basisregels waar we allemaal rekening mee houden bij een ruimtelijke ingreep: de initiatiefnemer, de bewoners, en ook de gemeente. Deze regels gelden in de hele gemeente. Voor grote of bijzondere ontwikkelingen of voor bepaalde thema’s kunnen deeluitwerkingen of beeldkwaliteitsplannen worden opgesteld als uitwerking van deze nota.
De mate van gemeentelijke betrokkenheid hangt af van de impact en locatie van een initiatief. Als het gaat om een ontwikkeling in bijzondere gebieden, bij bijzondere gebouwen of bij monumenten is de rol van de gemeente actiever. Bij kleinschalige ontwikkelingen binnen een bestaand woongebied zal die rol minder groot zijn.
Daarnaast richt de nota zich op het belang van proceskwaliteit: kwaliteit ontstaat niet alleen door het stellen van doelen en regels, maar vooral door samen het gesprek aan te gaan. Vroegtijdig overleg helpt om plannen kwalitatief te verbeteren.
Tot slot is er aandacht voor een gebiedsgerichte benadering, om recht te doen aan de landschappelijke diversiteit en de eigen identiteit van kernen en linten in onze gemeente. Elk gebied krijgt specifieke doelen mee die passen bij de lokale identiteit en landschappelijke kenmerken. Dit helpt om gericht te sturen op kwaliteit.
BIJLAGE 1: Relevante beleidsdocumenten
Overzicht van beleidsdocumenten ten aanzien van omgevingskwaliteit, waarnaar in de Nota Omgevingskwaliteit naar verwezen wordt.
Gemeente
•Erfgoedvisie (juni 2023)
•Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2018, provincie)
•Cultuurvisie (2025-2028)
•Gevelinspiratieboek Den Oever (juni 2024)
•Gevelinspiratieboek Hippolytushoef (juni 2024)
•Welstandsnota (december 2013, herzien 2024)
•Erfbeplantingstool (website HK)
•Ervenhandboek (november 2023)
•Koersdocument voor de Omgevingsvisie (april 2022)
•Omgevingsvisie (70/80% conceptversie)
•Streefbeeld Agriport A7 (uit december 2022)
•Groenstructuurplan voor 2021-2031 (uit april 2021)
•Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie (uit december 2022)
•Landschappelijke inpassing bedrijventerreinen Hollands Kroon (uit mei 2024)
•Coalitieakkoord Hollands Kroon 2022-2026 (uit juli 2024)
•Cultuurhistorische elementenkaart (nog niet voltooid)
•Woonvisie (2024)
Regio
•RES (Regionale Energiestrategie) van de regio Noord-Holland Noord (2024)
Provincie
•Omgevingsverordening NH2020 (2020)
•Bijzonder Provinciaal Landschap Provincie Noord-Holland (2020)
•Leidraad Landschap en cultuurhistorie (2018)
Rijk
•Rijksbeschermd dorpsgezicht Kolhorn (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
•Rijksmonumenten (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
•Nationale omgevingsvisie (2020)
•Panorama Nederland (2018, College van Rijksadviseurs)
•Kwaliteitsteam Afsluitdijk
BIJLAGE 2: Vereisten aan een beeldkwaliteitsplan
Format Beeldkwaliteitsplan
Samenvatting
Hoofdlijn van het wat, waar, waarom en hoe van het beeldkwaliteitsplan
Leeswijzer
Opbouw van het beeldkwaliteitsplan
1Inleiding
Opgave (locatie en thema, vraagstelling)
Aanleiding en urgentie
Ambitie en doelstellingen
Verankering in bestaand beleid, met name omgevingsvisie en Nota Omgevingskwaliteit
Afbakening: wat valt er wel en niet onder de betreffende opgave?
Proces van de totstandkoming (o.a. participatietraject en kwaliteitsadvisering)
2Beleidskaders
Provinciale / regionale ambities en kaders
Gemeentelijke ambities en kaders
3Analyse huidige situatie
De analyse heeft vier schaalniveaus, tenzij beargumenteerd kan worden dat een of meerdere schaalniveaus niet relevant is/zijn. Wat er onderzocht wordt op deze schaalniveaus verschilt per opgave.
In ieder geval komen op elk schaalniveau de vier waarden aan de orde die samen de omgevingskwaliteit vormen: herkomstwaarde, belevingswaarde, toekomstwaarde en gebruikswaarde. Ook worden steeds de trends, knelpunten en kansen van de huidige situatie benoemd. Dit hoofdstuk geeft de hoofdlijnen, de uitvoerige onderzoeksresultaten wordt opgenomen in een bijlage.
Schaalniveau 1: ontwikkelingsgeschiedenis, inbedding in de ruimtelijke structuur van het huidige gebied met gebiedseigen karakteristieken (zie hoofdstuk 3). Welke ontwikkelingen zijn van invloed op de opgave? Welke gebieden worden onderscheiden en wat zijn hun ordeningsprincipes. Denk aan water- en groenstructuur, wegenstructuur, zichtlijnen en aansluiting op de omringende gebieden, bebouwingskenmerken?
Schaalniveau 2: dichtheid en volume. Hoe is de huidige situatie driedimensionaal gemaakt? Wat betekent dit voor de omgeving?
Schaalniveau 3: gebouwtypologie en oriëntatie. Hoe staan de huidige gebouwen op hun kavel? Hoe is dit gerelateerd aan de context? Hoe is de relatie openbaar-privé?
Schaalniveau 4: huidige architectuur en inrichting openbare ruimte. Wat is de gevelindeling, het materiaalgebruik en de detaillering? Hoe is dit gerelateerd aan de context?
4Visie op de nieuwe situatie
De visie heeft vier schaalniveaus, tenzij beargumenteerd kan worden dat een of meerdere schaalniveaus niet relevant is/zijn. In ieder geval komen op elk schaalniveau de ambities ten aanzien van herkomstwaarde, belevingswaarde, toekomstwaarde en gebruikswaarde aan de orde. Aandacht wordt besteed aan de ontwerpprincipes, de nieuwe kwaliteiten, de kansen en de negatieve effecten.
Dit alles wordt uitgewerkt in een samenhangende visie in de vorm van een ruimtelijk kader of ontwikkelprincipes. In welke vorm dit plaatsvindt verschilt per opgave.
Schaalniveau 1: inbedding van de nieuwe situatie in het huidige gebied (zie hoofdstuk 3). Wat is de ruimtelijke structuur? Welke functies komen er? Hoe wordt omgegaan met de Algemene principes? Hoe wordt aangesloten op de ruimtelijke context? Zijn er grensvlakken of overlap tussen bestaande en nieuwe karakteristieken?
Schaalniveau 2: stedenbouw, dichtheid en volume, openbare ruimte. Hoe wordt de opgave stedenbouwkundig uitgewerkt. Welke bouwhoogten? Wat betekent dit voor de bestaande omgeving? En hoe wordt de openbare ruimte ontworpen? Aandacht voor groen, routes, spelen, parkeren etc. en het beheer.
Schaalniveau 3: gebouwtypologie en oriëntatie. Hoe staan de nieuwe gebouwen op hun kavel? Hoe is dit gerelateerd aan de context? Hoe wordt de relatie openbaar-privé uitgewerkt? Aandacht voor erfbeplanting en erfafscheidingen. Aandacht voor de plint en alzijdigheid.
Schaalniveau 4: huidige architectuur en inrichting openbare ruimte. Wat wordt de gevelindeling, de kapvorm, het materiaalgebruik en de detaillering? Hoe is dit gerelateerd aan de context? Aandacht voor (latere) toevoegingen als dakkapellen, aan- of uitbouwen.
5Principes en regels voor de uitvoering
In dit hoofdstuk wordt de verankering in het ruimtelijke beleid en regelgeving beschreven. Het beeldkwaliteitsplan is een aanvulling op de Nota Omgevingskwaliteit en wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Vaak zal ook aanpassing van het omgevingsplan noodzakelijk zijn. Er is aangegeven welke regels in het beeldkwaliteitsplan nieuw zijn en welke regels bestaand zijn. Als er afgeweken wordt van bestaande regels is dit ook beschreven.
De principes en regels behandelen alle relevante schaalniveaus.
Principes: duidelijke do’s en don’ts op hoofdlijnen. Deze zijn vooral stimulerend.
Criteria: de concrete bouw- en inrichtingsregels. Deze zijn verplichtend.
6Aandachtspunten en vervolgstappen
Implementatie en afstemming met verschillende partijen waaronder HIOR/beheer openbare ruimte
Eventuele vervolgacties
Samenhang met andere trajecten binnen de gemeente
Bijlagen
A. Begrippenlijst en definities
B. Onderzoeksresultaten analyse huidige situatie
C. Onderzoeksresultaten ontwikkeling visie (ontwerpend onderzoek)
BIJLAGE 3: Begrippenlijst
Verklarende begrippenlijst
A
Aangekapt: Met kap bevestigd aan dakvlak.
Aardtinten: Rood/bruine tinten.
Achtergevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de achtergevel van een gebouw tot aan de perceelgrenzen.
Achterkant: De achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen.
Afdak: Hellend dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschutting te dienen.
Afstemmen: In overeenstemming brengen met.
Antennedrager: Antennemast of andere constructie bedoelt voor de bevestiging van een antenne.
Antenne-installatie: Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
Asymmetrische kap: Zadeldak met twee ongelijke dakvlakken.
Authentiek: Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.
B
Band: Horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen, kunststeen of baksteen.
Bebouwing: Eén of meer gebouwen en/of andere initiatieven.
Beschot: Houten bekleding van een muur, inwendig als een lambrisering, meestal niet tot de volle hoogte.
Bedrijfsbebouwing: Gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter.
Behouden: Handhaven, bewaren, in stand houden.
Belendende: Naastgelegen, (direct) grenzend aan.
Blinde wand, muur of gevel: Gevel of muur zonder raam, deur of andere opening.
Boeiboord: Opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.
Boerderij: Gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis.
Borstwering: Lage dichte muur tot borsthoogte.
Bouwblok: Een geheel van geschakelde bebouwing.
Bouwen: Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een initiatief.
Bouwperceel: Een aaneengesloten terreinoppervlak, waarop krachtens het plan gebouwd mag worden.
Bovenbouw: Bovenste, uit een oogpunt van gebruik meestal ondergeschikt. Bungalow: Meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gelegen.
C
Carport: Afdak om de auto onder te stallen, meestal bij of grenzend aan een woning. Classicisme: Stroming in de bouwkunst, bouwstijl.
Conformeren: Zich voegen naar, gelijkvormig maken, aanpassen aan, afstemmen op.
Context: Omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken. Contrasteren: Een tegenstelling vormen.
D
Dak: Iedere bovenbeïndiging van een gebouw.
Dakafdekking: Vlak of hellend dak van een gebouw, waarop dakbedekking is aangebracht.
Dakhelling: De hoek van het dakvlak.
Dakkapel: een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. Daknok: Hoogste punt van een schuin dak. Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.
Dakopbouw: Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok of dakrand van het dak, die de silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.
Dakraam: Raam in een dak.
Daktrim: Afwerking bovenzijde dakrand ten behoeve van waterkering.
Dakvlak: Een vlak van het dak/kap.
Dakvoet: Laagste punt van een schuin dak. Het snijpunt van de daklijn en de onderliggende gevellijn.
Damwandprofiel: Metalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering.
Detail: Ontmoeting/aansluiting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.
Detaillering: Uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen c.q. aansluitingen.
Diversiteit: Verscheidenheid, afwisseling, variatie.
Drager en invulling: De drager is de constructie van een gebouw, waaraan de invulling is toegevoegd om te beschermen tegen weer en wind (heeft vooral betrekking op gebouwen uit de jaren vijftig en zestig, waarbij het verschil tussen drager en invulling werd gebruikt om de woning in een groot gebouw of rij huizen te onderscheiden).
E
Ensemble: Architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel.
Erf: al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt.
Voorerf: gedeelte van het erf dat aan de voorzijde van het gebouw is gelegen
Achtererf: gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het gebouw is gelegen Zijerf: gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het gebouw is gelegen
Eerste verdieping: Tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder inbegrepen.
Erker: Kleine toevoeging van meestal één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, op de begane grond meestal uitgevoerd in metselwerk, hout en glas.
F
Flat: Groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen inde flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.
G
Galerij: Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.
Gebouw: Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Gepotdekseld: Horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken).
Gevel: Verticaal scheidingsvlak van een gebouw tussen buiten en binnen.
(Gevel)geleding: Onderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, verspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen. Gevelmakelaar: Decoratieve bekroning van een geveltop.
Goothoogte: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van dakkapellen. Indien bouwwerken van een platte afdekking worden voorzien, geldt de maximale goothoogte als maximale bouwhoogte. De goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald door de hoogte van goot aan de lage zijde van het dak, de bouwhoogte wordt bepaald door de hoogte van de hoge zijde van het dak;
Gootklos: Zie klossen.
Gootlijn: Veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen.
H
Hoekaanbouw: Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw.
Hoek- en kilkeper: snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.
I
Industriebebouwing: Bebouwing met een industriële bestemming.
Installatie: set van beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf.
K
Kap: Samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt.
Kantig: hoofdvorm bepaald door enkelvoudige geometrische vormen (bijv. rechthoekige bouwvorm met platte afdekking, woning met zadeldak, lessenaarsdak of schilddak).
NB hoofdzakelijk kantig: idem maar dan met ondergeschikte toevoegingen. Zie ook vloeiend.
Kavel: Grondstuk, kadastrale eenheid.
Keper: Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.
Kern: Veelal kleinschalig stedelijk gebied, ook wel centrum van een dorp of stad. Klossen: Uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten.
Koofbord: Gebogen vlak dat de overgang vormt van en vlakke zoldering of vlak plafond naar de muur.
Kop: In het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw.
L
Lak: Afwerklaag van schilderwerk.
Landschappelijke waarde: De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur.
Latei: Draagbalk boven gevelopening.
Lessenaarsdak: Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.
Lichtkoepel: Raamconstructie meestal in een plat dak, in de vorm van een koepel. Lijst: Een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel. Kroonlijst, gootlijst.
Lineair: Rechtlijnig, langgerekt.
Lint(bebouwing): Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterverbinding.
Luifel: afdak buiten tegen de muur van een gebouw aangebracht en verder niet ondersteund, meestal boven een deur, raampartij of gehele pui.
M
Maaiveld: Bovenzijde van het terrein dat een initiatief omgeeft, de grens tussen grond en lucht, de gemiddelde hoogte van het terrein, grenzend aan de gevels, op het tijdstip van de aanvraag om bouwvergunning.
Mansardekap: Een dak met aan twee zijden onder een stompe hoek geknikt of gebroken dakvlak.
Markies: Opvouwbaar zonnescherm.
Massa: Zichtbaar volume van bebouwing.
Metselverband: Het zichtbare patroon van metselwerk.
Middenstijl: Verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn.
Monument: Aangewezen onroerend goed als bedoeld in artikel 3 van de Monumentenwet 1988, zoals deze luidt op het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan.
Muurdam: Op de erfgrens aan de gevel gemetselde muur.
N
Natuurlijke waarde: De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.
Negge: Het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn.
O
Ondergeschikt: Voert niet de boventoon.
Onderbouw: Het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met meerdere verdiepingen.
Ontsluiting: De toegang tot een gebouw, gebied of een terrein.
Oorspronkelijk: Origineel, aanvankelijke vorm, authentiek.
Oorspronkelijke gevel: Gevel van een gebouw zoals deze nieuw is gebouwd. Openbaar groen: Met het openbaar groen wordt bedoeld wat daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Een weiland, bos of water kan in dit verband niet worden aangemerkt als openbaar groen.
Orthogonaal: Rechthoekig.
Oriëntatie: De hoofdrichting van een gebouw.
Overstek: Bouwdeel, dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.
P
Paneel: Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting.
Penant: Gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw, metselwerk in een gevel langs openingen.
Pilaster: Weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen.
Plaatmateriaal: Materiaal van kunststof, staal, hout meestal ten behoeve van gevelbekleding.
Plint: Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.
Profiel: omtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan.
Profilering: aangebrachte vorm en maatvoering van profiel.
Portiek: Gemeenschappelijke trappenhuis en/of een terugspringende ruimte voor de straat- of toegangsdeur.
R
Raamdorpel: Horizontaal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd.
Raamhout: Hout waaruit ramen vervaardigd worden of omlijsting waarbinnen het paneel van een deur of beschot wordt ingesloten. Ook wel draaiende of schuivende delen van kozijn/post.
Referentiekader: Het geheel van waarden en normen binnen een bepaalde groep waarnaar verwezen kan worden.
Renovatie: Vernieuwing.
Respecteren: Met eerbied behandelen, eerbiedigen, waarderen.
Rijenwoningen: Geschakelde eengezinswoningen in een rij.
Ritmiek: Regelmatige herhaling.
Rollaag: Een in verband gemetselde laag van op hun kant of kop gemetselde stenen.
Horizontale of gebogen rij stenen of betonbalk boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.
Rooilijn: Lijn die in het bestemmingsplan of bouwverordening aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden.
S
Schilddak: Dak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde.
Slagenlandschap: Een landschap met langgerekte ontginningslinten met haaks daarop een stelsel van smalle kavels gescheiden door afwateringssloten.
Situering: Plaats van het initiatief in zijn omgeving.
Speklaag: lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk, doorgaans van Brabantse arduin, later ook van zandsteen.
Stijl: Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming.
T
Tactiel: Met de tastzin verbonden.
Tent-, punt- of piramidedak: Dak gevormd door vier driehoekige dakschilden die in één punt bijeenkomen.
Textuur: De waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).
Tympaan / Timpaan: Driehoekig of segmentvormige bekroning van een (klassiek) gebouw of van een onderdeel daarvan.
U
Uitbouw: Een vergroting van het hoofdgebouw dat daarvan integraal onderdeel uitmaakt en ook toegankelijk is vanuit het hoofdgebouw.
V
Verdieping: bouwlaag.
Vloeiend: hoofdvorm bouwmassa waarbij afgekante of afgeronde vormen het beeld bepalen.
Voorgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een initiatief tot aan de perceelgrenzen.
Voorgevelrooilijn: Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan dan wel de gemeentelijke bouwverordening.
Voorkant: De voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar de weg of het openbaar groen.
W
Weg: Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Windveer: Plank bevestigd langs de kanten van een met riet of pannen gedekt dak ter afdekking van de voorrand. Worden soms aan de bovenzijde over elkaar gekeept. Wolfdak/wolfeinden: Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfeind).
Z
Zadeldak: Een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel. Zijgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een initiatief tot aan de perceelgrenzen.