(Verordening Jeugdhulp 2019 - artikel 3, lid 3)
Bijlage 1 Van aanvraag tot beschikking
De beslistermijn die de gemeente hanteert zijn conform de Awb. Indien en voor zover de bovengenoemde termijnen niet kunnen worden gehaald, communiceert het wijkteam dit tijdig aan de jeugdige en/of zijn ouders.
•De aanvraag De jeugdige of zijn ouders dienen een aanvraag in bij het wijkteam
•Het onderzoek Het onderzoek wordt verricht binnen zes weken na de aanvraag
•Beschikking De beschikking wordt genomen binnen twee weken na afronding van het onderzoek.
Bijlage 2
De toepassing van het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet met stappenplan
De verantwoordelijke gemeente is in beginsel de gemeente waar de ouder met gezag woont. Als een jeugdige en zijn of haar ouders hulp nodig hebben, wordt eerst bekeken waar het gezag ligt. Daarna wordt vastgesteld wat het adres is. Zo wordt duidelijk welke gemeente verantwoordelijk is voor de desbetreffende jeugdige. Bij een verhuizing, een wijziging in het gezag of als de jeugdige meerderjarig wordt, verandert de situatie. Voor de nieuwe situatie moet opnieuw met behulp van het stappenplan worden bepaald welke gemeente op dat moment de verantwoordelijke gemeente is.
Het vaststellen van de woon- of verblijfplaats
Bij het bepalen van het woonadres wordt aangesloten bij de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP). Als een jeugdige zelf, of zijn of haar gezagsdrager, niet heeft gezorgd voor de inschrijving in de BRP, moet hij of zij gewezen worden op zijn of haar wettelijke plicht om zich in te schrijven. Als er geen inschrijving in de BRP is, wordt gekeken naar het werkelijke verblijf van de gezagsdrager. In sommige gevallen is het werkelijke verblijfplaats van de jeugdige bepalend voor de verantwoordelijke gemeente. Soms komt het voor dat het werkelijke verblijf van een jeugdige bij een nevenvestiging van een jeugdhulpaanbieder is. In die gevallen is het adres van de nevenvestiging het adres dat geldt. Als het moment van de zorgvraag wordt gehanteerd, geldt het eerste contact van de jeugdige bij de toegang.
Verhuizing
Een wijziging van de inschrijving in de BRP betekent de start van overleg tussen gemeente die verantwoordelijk was en de gemeente die verantwoordelijk wordt. Dit overleg is gericht op de feitelijke overdracht.
Hulp bij acute situaties
Bij acute situaties wordt direct jeugdhulp aan de jeugdige geleverd of een kinderbeschermings- maatregel uitgesproken. De gemeente die de acute hulp levert, stelt via het stappenplan vast welke gemeente formeel verantwoordelijk is. De kosten van alle geleverde acute hulp zijn immers voor rekening van die gemeente. Wanneer de Jeugdwet niet van toepassing is, is er geen gemeente direct verantwoordelijk voor de desbetreffende jeugdige. Gemeenten die kosten voor jeugdhulp hebben gemaakt moeten in die uitzonderlijke gevallen de kosten verhalen op de reisverzekering, de desbetreffende buitenlandse verzekeraar of via de gezagsdrager van de jeugdige.
Gescheiden ouders in verschillende gemeenten
Als ouders na een echtscheiding in verschillende gemeenten wonen en de jeugdige bij beide ouders woont, moet er een hoofdverblijf worden aangewezen. De rechter kan bij de scheidingsuitspraak het hoofdverblijf bepalen. Als het hoofdverblijf niet door de rechter is bepaald, geven de ouders aan wat het hoofdverblijf van de jeugdige is. Kunnen of willen de ouders dit niet aangeven dan gaan de twee desbetreffende gemeenten met elkaar in overleg. Daarbij hanteren zij het criterium: de verantwoordelijke gemeente is die gemeente waar de jeugdhulp in het belang van de jeugdige binnen zijn sociale netwerk (school, sport en vriendenkring) georganiseerd kan worden.
Voorlopige voogdij
De kinderrechter kan om verschillende redenen een voorlopige voogdij uitspreken. Daarbij gaat het altijd om acute noodsituaties waarin een snel ingrijpen ter (tijdelijke) bescherming van de minderjarige nodig is.
Zo kan het nodig zijn om een medische behandeling voor een kind mogelijk te maken, als toestemming door de ouder(s) wordt geweigerd. Voorlopige voogdij kan ook een tussenmaatregel zijn wanneer deze wordt uitgesproken gedurende het onderzoek naar een beëindiging van het ouderlijk gezag. Dan is het gezag van de ouder(s) geschorst, in afwachting van een definitieve maatregel. Bij de situatie van voorlopige voogdij is voor het bepalen van de woonplaats gekozen voor een praktische oplossing. Uitgangspunt is de situatie die gold voordat sprake was van voorlopige voogdij. De gemeente waar de ouder die het gezag had woont is verantwoordelijk. Als die ouder tijdens de duur van de situatie van voorlopige voogdij verhuist, wordt de gemeente waar deze ouder naar toe gaat verantwoordelijk.
Tijdelijke voogdij
Bij de situatie van tijdelijke voogdij is er tijdelijk in de voogdij voorzien. Dit kan onbeperkt duren, tot het moment waarop ouders terugkeren, bijvoorbeeld na het uitzitten van een gevangenisstraf in het buitenland, of totdat een jeugdige terugkeert naar het land van herkomst (Nidos heeft dan meestal de tijdelijke voogdij) of tot het moment waarop een jeugdige meerderjarig wordt. De verblijfplaats van de jeugdige is in deze situaties bepalend.
Instellingsvoogdij
Als de voogdij door een gecertificeerde instelling wordt uitgeoefend is het werkelijke verblijf van de jeugdige bepalend. Vaak woont deze jeugdige in een pleeggezin of in een residentiële instelling. Als de jeugdige in een residentiële instelling woont, geldt niet het adres van de hoofdvestiging van de jeugdhulpaanbieder maar het werkelijke verblijf van een jeugdige bij de nevenvestiging.
Meerderjarige jeugdige
Als een jeugdige 18 jaar wordt, is er volgens het Burgerlijk Wetboek geen gezagsrelatie meer. Daarom wordt in dat geval uitgegaan van het adres van de jeugdige.
Woonplaats van gezagsdrager(s) onbekend of in het buitenland
Als de woonplaats van de gezagsdrager(s) onbekend is, geldt het werkelijk verblijf van de jeugdige op het moment van de zorgvraag. Als de gezagsdrager(s) in het buitenland wonen en de jeugdige in Nederland verblijft, geldt het werkelijk verblijf van de jeugdige. Er is dus altijd een gemeente verantwoordelijk.
Woonplaats gezagsdrager en jeugdige in buitenland
Als ouders en jeugdige in het buitenland wonen, is er geen recht op jeugdhulp. Gemeenten hoeven dan geen jeugdhulp te leveren.
Woonplaats gezagsdrager in Nederland en jeugdige in buitenland
De gemeente waar de gezagsdrager woont is verantwoordelijk.
Briefadres
Soms wordt iemand op een briefadres en niet op een woonadres ingeschreven in de BRP. Dit kan voorkomen als iemand bijvoorbeeld in een psychiatrische instelling, een Blijf van mijn Lijf-huis of in een gevangenis verblijft. Bij een briefadres geldt het werkelijke verblijf van de jeugdige op het moment van de zorgvraag. Wanneer zowel het briefadres als het woonadres bekend zijn in de BRP, wordt het woonadres gehanteerd.
Bijlage 3 Gebruikelijke hulp voor jeugdigen
Voor jeugdigen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Ook tussen jeugdigen van dezelfde leeftijd zonder “zorg-grondslag” kan de omvang van de hulp (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker dan het andere kind. Gebruikelijke hulp bij jeugdigen kan activiteiten omvatten die niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen.
Van bovengebruikelijke hulp bij jeugdigen in chronische situaties is pas sprake wanneer de omvang van de zorg substantieel meer is dan bij een jeugdige zonder “zorg-grondslag” van dezelfde leeftijd gemiddeld nodig heeft.
Inzet en begeleiding voor persoonlijke verzorging bij jeugdigen tot drie jaar komt in de praktijk niet vaak voor (kinderen in deze leeftijd hebben volledige verzorging en begeleiding van een ouder nodig). Bij kinderen tot drie jaar is sprake van totale afhankelijkheid van de ouder in het voorzien van de primaire behoeften. Om deze reden kan geen aanspraak worden gedaan op een maatwerkvoorziening als extra begeleiding of persoonlijke verzorging.
Voor kinderen van 12 jaar of ouder geldt nog in het bijzonder dat geen ondersteuning op het gebied van zorg binnen de gebruikelijke hulp van de ouder wordt verwacht wanneer het kind geen intieme persoonlijke verzorging of verpleging wil ontvangen van de ouder. Kinderen vanaf 12 jaar hebben eigen beslisbevoegdheid wat betreft de lichamelijke integriteit.
Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind:
Kinderen van 0 tot 3 jaar
•Hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;
•Ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;
•Zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en;
•een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 3 tot 5 jaar
•Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijvoorbeeld de ouder kan de was ophangen in een andere kamer);
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•Kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;
•Ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers;
•Hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
•Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
•Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;
•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 5 tot 12 jaar
•Kinderen vanaf vijf jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week;
•Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijvoorbeeld het kind kan buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is);
•Hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•Zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;
•Hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan;
•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 12 tot 18 jaar
•Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
•Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;
•Kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;
•Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;
•Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;
•Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding
•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijvoorbeeld huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);
•Hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Een verdere toelichting ten aanzien van de toepassing van het begrip gebruikelijke hulp kan gevonden worden in de CIZ-Indicatiewijzer 2014.