Hoofdstuk 2 Verordeningsregels
Artikel 3 Besluitvlak Woongebied
Omdat in deze beheersverordening één hoofdfunctie bestaat, namelijk wonen, is hier één artikel voor opgenomen. Voor het gehele verordeningsgebied (de drie kernen) geldt dit artikel. Dat betekent echter niet dat overal alleen de functie wonen is toegestaan. Voor de locaties en percelen waar andere functies aanwezig zijn, is dit middels een besluitsubvlak aangegeven. Zo bestaat er een besluitsubvlak voor de functies ‘bedrijf’, ‘detailhandel’, ‘horeca’, ‘maatschappelijk’ ‘recreatie’ en ‘sport’.
Hieronder wordt de regeling per besluitsubvlak toegelicht.
Besluitsubvlak Bedrijf
De percelen waar een bedrijf is gevestigd dat niet valt onder beroep en bedrijf aan huis, en waar het volgens de huidige planologische regeling ook een bedrijf is toegestaan, zijn op de verbeelding aangeduid met het besluitsubvlak ‘bedrijf’. Hier zijn bedrijven van categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan.
Besluitsubvlak Detailhandel
Binnen de vlakken aangeduid met het besluitsubvlak ‘detailhandel’ is detailhandel in de bestaande bebouwing toegestaan.
Besluitsubvlak Horeca
Waar een besluitsubvlak ‘horeca’ is opgenomen, is horeca van categorie 1 van de staat van horeca-activiteiten toegestaan.
Besluitsubvlak Maatschappelijk
Voor de percelen waar een maatschappelijke functie wordt bedreven, zoals een school, een kerk et cetera, is een besluitsubvlak ‘maatschappelijk’ opgenomen. Hier zijn aparte regels voor het gebruik voor opgenomen. Wonen is in deze vlakken niet toegestaan.
Besluitsubvlak Recreatie
Waar een besluitsubvlak ‘recreatie’ is opgenomen zijn dagrecreatieve functies toegestaan.
Besluitsubvlak Sport
Voor sportterreinen en sportgebouwen is een besluitsubvlak ‘sport’ opgenomen. Hier mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie sport, en dus niet voor wonen of een andere functie.
Voor het gehele verordeningsgebied, binnen en buiten de besluitsubvlakken, geldt dat geen nieuwe bouwwerken ten opzichte van de bestaande regeling zijn toegestaan. Voor bijgebouwen geldt hier echter een andere regeling, hier worden namelijk dezelfde bouwmogelijkheden toegestaan als in de gehele gemeente Hollands Kroon. In alle nieuwe bestemmingsplannen en beheersverordeningen binnen de gemeente wordt dezelfde bijgebouwenregeling opgenomen, zodat overal dezelfde mogelijkheden en rechten bestaan. Dit betekent dat enigszins wordt afgeweken van de bestaande regelingen voor de drie kernen. Echter, wanneer op basis van de bestaande regeling meer is gebouwd dan in de nieuwe regeling wordt toegestaan, geldt die bestaande bebouwing als maximum. De afwijkingen met de bestaande regeling zijn zo klein, dat hier niet van een ontwikkeling kan worden gesproken. Dit behelst slechts het gelijktrekken van de verschillende regelingen binnen één gemeente.
Artikel 4 Besluitvlak Beschermd dorpsgezicht Kolhorn
Op het door het rijk aangewezen beschermd dorpsgezicht van Kolhorn is een dubbel besluitvlak gelegd. Hier gelden zowel de regels zoals genoemd in artikel 3, als die in artikel 4. Dit extra besluitvlak is bedoeld om de bestaande situatie van het beschermde dorpsgezicht te handhaven en extra bescherming te bieden. In dit artikel zijn de regels opgenomen zoals deze al eerder in ’de beschrijving in hoofdlijnen’ van het ‘Dorpsvernieuwingsplan’ van Kolhorn waren opgenomen voor het beschermd dorpsgezicht.
Artikel 5 Besluitvlak Beschermd dorpsgezicht Barsingerhorn
Ook de kern Barsingerhorn is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Echter, niet door het rijk, maar door de provincie Noord-Holland. Hiervoor is dezelfde methode gehanteerd als bij het beschermd dorpsgezicht Kolhorn. Er is een dubbel besluitvlak op het aangewezen gebied gelegd en voor dit vlak zijn regels opgenomen in artikel 5, waarmee de bestaande situatie extra wordt beschermd. Deze regels zijn afkomstig uit ‘de beschrijving in hoofdlijnen’ van het vigerende bestemmingsplan ‘Barsingerhorn’. Hiernaast gelden tevens de regels van artikel 3.
Bijlagen 24
Bijlage 1 Gewenste Ruimtelijke Structuur (1) 25
Bijlage 2 Gewenste Ruimtelijke Structuur (2) 26
Bijlage 3 Geveltekeningen 27
Bijlage 4 Lijst van aan- huis verbonden beroepen en bedrijven 28
Bijlage 5 Staat van horeca-activiteiten 29
Bijlage 6 Staat van bedrijfsactiviteiten 30
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
1.1 verordeningsgebied
het gebied waarop deze verordening van toepassing is, vervat in het GMLbestand NL.IMRO.1911.BV00001- met bijbehorende bestanden.
1.2 aanbouw
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
1.3 aan-huis-verbonden beroep of bedrijf
een in bijlage 4 genoemd dienstverlenend beroep of bedrijf, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.4 achtererfgebied
erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw.
1.5 afhankelijke woonruimte
woonruimte die een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.
1.6 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
1.7 bed&breakfast
een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als aan de woonfunctie ondergeschikte toeristisch recreatieve activiteit. Onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.
1.8 bestaand
het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, krachtens een bouwvergunning/omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een vrijstelling op grond van de WRO, een ontheffing op basis van de Wro, of een afwijkingsprocedure op basis van de Wabo.
1.9 bestaand hoofdgebouw
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het toegelaten gebruik van een perceel en, indien meerdere gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op dat gebruik het belangrijkste is.
1.10 bijbehorend bouwwerk
aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen.
1.11 bijgebouw
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
1.12 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
1.13 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.14 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.15 dakkapel
een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst:
a.dakkapellen mogen uitsluitend worden uitgevoerd met gesloten zijwanden;
b.dakkapellen hebben een maximale hoogte van 1,75 m;
c.de afstand tussen de onderkant van de dakkapel en de dakvoet ligt tussen de 0,5 en 1 m;
d.de afstand tussen de bovenkant van de dakkapel en de daknok is 0,5 m of meer;
e.de afstand tussen de zijkanten van de dakkapel en de zijranden van het dak is 0,5 m of meer;
f.de breedte van de dakkapel beslaat ten hoogste 2/3 van de breedte van het dakvlak.
1.16 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
1.17 dienstverlenend bedrijf
een bedrijf waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kunstgalerieen en expositieruimten, de beoefening van scheppende kunst en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven, met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting.
1.18 druiplijn
de horizontale snijlijn van het oplopende dakvlak met het daaronder gelegen buitenwerkse gevelvlak; dit betekent dat in voorkomende gevallen de druiplijn wordt bepaald overeenkomstig het hieronder staande:
1.19 erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.
1.20 erker
een hoek- of rondvormig uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, bouwkundig bestaande uit een “lichte” constructie met een overwegend transparante uitstraling.
1.21 gebouw
elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.22 hoofdgebouw
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
1.23 horecabedrijf
een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.
1.24 mantelzorg
het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.
1.25 ondergeschikte detailhandel
detailhandelsactiviteiten die aan te merken zijn als rechtstreeks voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten van een niet-detailhandelsbedrijf en daaraan in bedrijfseconomisch en ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn.
1.26 overkapping
elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand.
1.27 peil
1voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
2voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de bouwhoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij aanvang van de bouw;
3indien in of op het water wordt gebouwd het Normaal Amsterdams Peil (of een plaatselijk aan te houden waterpeil).
1.28 seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.29 uitbouw
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
1.30 voorerfgebied
erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied.
1.31 voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel(s) van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.
1.32 voorgevelrooilijn
de gevel van een woning of hoofdgebouw, alsmede het verlengde daarvan, langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing de evenwijdige aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluiteind aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft.
1.33 woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming, al dan niet noodzakelijk is.
Artikel 2 Meten
Artikel 2 Meten
2.1 Wijze van meten
Tenzij anders bepaald, worden de waarden die in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
a.afstanden loodrecht;
b.goothoogte: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. druiplijn, het boeiboord, dakkapel of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
c.bouwhoogte: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
d.oppervlakte (van een bouwwerk): tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
e.maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven;
f.indien bouwwerken van een platte afdekking worden voorzien, geldt de maximale goothoogte als maximale hoogte.
2.2 Dakoverstek
Een dak over een ruimte bij een gebouw, welke ruimte niet zodanig door wanden is omgeven, dat deze ruimte als deel uitmakend van het gebouw is aan te merken.
2.3 Lessenaarsdak
de goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald door de hoogte van de goot aan de lage zijde van het dak, de bouwhoogte wordt bepaald door de hoogte van de hoge zijde van het dak.
2.4 Hoogte
Bij het meten van de hoogten als bedoeld in 2.1, onderdeel b, wordt een bouwwerk, voor zover het zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Hoofdstuk 2 Verordeningsregels
Artikel 3 Woongebied
3.1 Bestaand gebruik
a.de binnen het besluitvlak ‘Woongebied’ gelegen gronden en bestaande bouwwerken worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik;
b.binnen 'Woongebied' is ook het uitoefenen van aan huis gebonden beroepen of bedrijfsmatige activiteiten toegestaan;
c.ter plaatse van het besluitsubvlak 'Bedrijf' mogen de gronden en bestaande bouwwerken tevens worden gebruikt voor een bedrijf in de categorieën 1 of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten;
d.ter plaatse van het besluitsubvlak 'Detailhandel' mogen de gronden en bestaande bouwwerken tevens worden gebruikt voor detailhandel;
e.ter plaatse van het besluitsubvlak 'Horeca' mogen de gronden en bestaande bouwwerken tevens worden gebruikt voor horeca in de categorieën 1 van de Staat van horeca-activiteiten;
f.ter plaatse van het besluitsubvlak 'Maatschappelijk' mogen de gronden en bestaande bouwwerken tevens worden gebruikt voor maatschappelijke, sociale culturele en educatieve voorzieningen;
g.ter plaatse van het besluitsubvlak 'Recreatie' mogen de gronden en bestaande bouwwerken tevens worden gebruikt voor dagrecreatieve voorzieningen;
h.ter plaatse van het besluitsubvlak 'Sport' mogen de gronden en bestaande bouwwerken tevens worden gebruikt voor sportvoorzieningen.
3.2 Bouwwerken
3.2.1 Algemeen
Binnen 'Woongebied' mogen worden gebouwd:
a.hoofdgebouwen;
b.bijbehorende bouwwerken;
c.bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2.2 Hoofdgebouwen
a.nieuwe hoofdgebouwen zijn niet toegestaan.
b.in afwijking van het bepaalde onder lid 3.2.2 onder a, mogen de binnen het besluitvlak 'Woongebied' aanwezige bestaande hoofdgebouwen op dezelfde locatie worden vervangen door hoofdgebouwen van dezelfde afmetingen.
3.2.3 Bijbehorende bouwwerken
Voor bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
a.bijbehorende bouwwerken dienen op ten minste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
b.in afwijking van het bepaalde onder a mag één uitbouw vóór de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:
1de diepte van de uitbouw mag ten hoogste 1,5 m bedragen;
2de breedte van de uitbouw mag ten hoogste 60% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw bedragen;
3de bouwhoogte bedraagt niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waaraan wordt aangebouwd;
c.de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan de binnen de beheersverordening toegelaten maximale oppervlakte van het hoofdgebouw, vermeerderd met:
170 m² bij rijenwoningen, niet zijnde halfvrijstaande woningen;
270 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen kleiner dan 500 m²;
3100 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen groter dan 500 m²;
4125 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen groter dan 750 m²;
5150 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen groter dan 1000 m²;
6de bestaande oppervlakte indien deze meer is dan op grond van het bepaalde onder 1 t/m 5 is toegestaan;
d.het bebouwingspercentage op een bouwperceel mag niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bedragen;
e.de goothoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen mag ten hoogste 3 m bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw voor zover het aan- en uitbouwen betreft, dan wel niet meer dan de bestaande goothoogte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen indien deze meer is;
f.de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen mag ten hoogste 3 m bedragen;
g.de bouwhoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en overkappingen mag ten hoogste 8 m bedragen, waarbij de bouwhoogte in ieder geval 1 m lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw en met uitzondering van de zone van 0 tot 3 m vanaf de perceelgrens waar een maximale bouwhoogte geldt van 6 m;
h.de goothoogte en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 6 m;
i.de diepte van een dakoverstek mag ten hoogste 0,5 m bedragen;
j.ondergronds bouwen is niet toegestaan.
3.2.4 Bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de besluitvlakken 'Beschermd dorpsgezicht Barsingerhorn' en 'Beschermd dorpsgezicht Kolhorn'
In afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.3 onder c, e, f, g en h, gelden voor bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de besluitvlakken 'Beschermd dorpsgezicht Barsingerhorn' en 'Beschremd dorpsgezicht Kolhorn' de volgende regels:
a.de oppervlakte mag ten hoogste 40 m² bedragen;
b.de goothoogte mag ten hoogste 3 m bedragen;
c.de bouwhoogte mag ten hoogste 5 m bedragen.
3.2.5 Bijbehorende bouwwerken bij stolpboerderijen en karakteristieke panden
In afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.3 gelden voor stolpboerderijen en voor als karakteristiek aangeduide panden de volgende regels:
a.er mogen geen aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen worden gebouwd;
b.bijgebouwen en vrijstaande overkappingen dienen op ten minste 5 meter achter de achtergevel te worden gebouwd, dan wel op de bestaande afstand indien deze minder is.
3.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
a.de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel bedraagt maximaal 1 meter;
b.de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel bedraagt maximaal 2 meter;
c.de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter.
3.2.7 Afwijken van de bouwregels binnen de besluitvlakken 'Beschermd dorpsgeszicht Barsingerhorn' en 'Beschermd dorpsgezicht Kolhorn'
Het bevoegd gezag kan, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
a.de waarden van het beschermd dorpsgezicht;
Ÿ de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
Ÿ de milieusituatie;
Ÿ het uitzicht van woningen;
Ÿ de verkeersveiligheid;
Ÿ de woonsituatie,
afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.4 met dien verstande dat:
a.voorafgaand van een ter zake deskundige advies wordt overlegd;
b.het bepaalde in de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken uit artikel 3.2.3 als maximum geldt.
3.2.8 Afwijken van de bouwregels bij stolpen
Het bevoegd gezag kan, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Ÿ de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
Ÿ het straat- en bebouwingsbeeld;
Ÿ de milieusituatie;
Ÿ het uitzicht van woningen;
Ÿ de verkeersveiligheid;
Ÿ de woonsituatie,
afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.5 onder a. voor het bouwen van aan- en uitbouwen en aangebouwde overkappingen, met dien verstande dat:
a.de aan- of uitbouw of aangebouwde overkapping ten minste 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw wordt gebouwd;
b.de aan- of uitbouw of aangebouwde overkapping in het verlengde van de gevels van de stolp wordt gebouwd;
c.de dakhelling van de aan- of uitbouw of aangebouwde overkapping overeenkomstig de dakhelling van de stolp is;
d.de bouwregels uit artikel 3.2.3 van overeenkomstige toepassing zijn.
3.3 Aan huis verbonden beroepen en bedrijven
Aan huis verbonden beroepen en bedrijven zijn in overeenstemming met de woonfunctie, mits:
a.niet meer dan 1/3 deel van het totale oppervlak van de woning, inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, met een maximum van 75 m², voor de uitoefening van het aan huis verbonden beroep of bedrijf wordt gebruikt;
b.alleen activiteiten mogen worden uitgevoerd die niet meldingsplichtig zijn in het kader van de milieuwetgeving en die genoemd worden in de bijlage bij deze beleidsregels, dan wel naar aard en invloed daarmee gelijk te stellen zijn;
c.geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu;
d.geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
e.het niet zodanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft die verkeersoverlast veroorzaken of die verkeersmaatregelen noodzakelijk maken;
f.er geen reclame-uitingen groter dan 0,5 m² bij of aan de woning worden geplaatst met een maximum aantal van één, onder de voorwaarde dat deze niet verlicht mogen zijn;
g.degene die het aan huis verbonden beroep of de bedrijfsactiviteit uitoefent, tevens de bewoner van de woning is;
h.er geen activiteiten ten aanzien van een horecabedrijf of een seksinrichting worden uitgeoefend;
i.er geen detailhandel plaatsvindt, anders dan ondergeschikte detailhandel;
j.buitenopslag ten behoeve van de activiteit uitsluitend is toegestaan binnen de grenzen van het achtererfgebied.
3.4 Bed&Breakfast
Tot een gebruik in overeenstemming met de woonfunctie wordt mede gerekend het hobbymatig gebruik van bestaande gebouwen voor bed & breakfast voor maximaal 4 personen, met dien verstande dat:
a.er geen eigen kookgelegenheid is toegestaan;
b.permanente bewoning niet is toegestaan;
c.geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu;
d.geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
e.het niet zodanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft die verkeersoverlast veroorzaken of die verkeersmaatregelen noodzakelijk maken;
f.het parkeren op het eigen erf plaatsvindt.
3.5 Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, in strijd met de woonfunctie, wordt in ieder geval aangemerkt:
a.het gebruik van een woning voor recreatieve bewoning, met uitzondering van bestaande recreatieve bewoning;
b.het gebruik van een bijbehorend bouwwerk voor zelfstandige bewoning;
c.het gebruik van een bijbehorend bouwwerk als afhankelijke woonruimte.
3.5.1 Afwijken van de specifieke gebruiksregels ten behoeve van mantelzorg
Het bevoegd gezag kan, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Ÿ de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
Ÿ het straat- en bebouwingsbeeld;
Ÿ de milieusituatie;
Ÿ het uitzicht van woningen;
Ÿ de verkeersveiligheid;
Ÿ de woonsituatie,
afwijken van het bepaalde in artikel 3.5 onder c. en toestaan dat een bijbehorend bouwwerk tijdelijk als afhankelijke woonruimte wordt gebruikt, mits:
a.dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg. Om deze aan te tonen, is een indicering van een onafhankelijke indicatieorganisatie nodig;
b.de oppervlakte van de afhankelijke woonruimte maximaal 70 m² bedraagt;
c.het parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
d.binnen 6 maanden na beëindiging van de mantelzorg het gebruik als afhankelijke woonruimte ongedaan wordt gemaakt.
afwijken van het bepaalde in artikel 3.5 lid c. en toestaan dat naast de in artikel 3.2.3 genoemde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken een tijdelijke (al dan niet aangebouwde) mantelzorgwoning wordt gerealiseerd, mits:
e.dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg. Om deze noodzaak aan te tonen, is een indicering van een onafhankelijke indicatieorganisatie nodig;
f.de oppervlakte van de tijdelijke (al dan niet aangebouwde) mantelzorgwoning maximaal 70 m² bedraagt;
g.het in artikel 3.2.3. genoemde bebouwingspercentage in acht wordt genomen;
h.het parkeren op eigen erf plaatsvindt;
i.binnen 6 maanden na beëindiging van de mantelzorg de tijdelijke (al dan niet aangebouwde) mantelzorgwoning is verwijderd.
Artikel 4 Besluitvlak Beschermd dorpsgezicht Kolhorn
Artikel 4 Besluitvlak Beschermd dorpsgezicht Kolhorn
4.1 Doel besluitvlak
Voor de gronden gelegen binnen het besluitvlak 'Beschermd dorpsgezicht Kolhorn', zijn naast de regels zoals genoemd in artikel 3, tevens de regels in dit artikel van toepassing.
4.2 Beschrijving in hoofdlijnen
De navolgende eigenschappen van de openbare ruimte zijn van belang voor de historisch-ruimtelijke structuur.
4.2.1 Ruimtelijke structuur en inrichting
a.De patronen van dijken, water, wegen/paden, verkaveling en situering van bebouwing zoals weergegeven op de kaarten in bijlage 1 en 2 bij deze regels dienen gehandhaafd te blijven.
b.De inrichting van de wegen, het water, overtuinen, kaden, trappen, bruggen, kademuren en oeverbeschoeiingen zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2 bij deze regels dient door materiaalgebruik en profilering in harmonie te zijn met de cultuurhistorische ruimtelijke structuur.
c.Richtlijnen zijn hierbij:
1De Westfriesedijk met bijbehorende afritten dient met asfalt bestraat te zijn. De slijtlaag dient qua kleur en structuur te refereren aan de oorspronkelijke grindverharding. de bermen dienen behoudens een rabatstrook van gebakken klinkers te bestaan uit gras en uit een verharding met grasstenen op plaatsen waar geparkeerd mag worden. Voor zover op de Westfriesedijk in de omgeving van voormalige turfschuren aanvullende parkeergelegenheid noodzakelijk is, zal deze in overleg met de gemeentelijke monumentencommissie worden vormgegeven.
2Bij de overige wegen dient de verharding overwegend te bestaan uit gebakken klinkers in de kleuren geel en rood.
3De oevers van het Kolhornerdiep ten oosten van de brug dienen uit gemetselde kademuren te bestaan. Ten westen van de brug is een meer informele oeverbescherming gewenst. De oevers van de Hoogsloot dienen, waar mogelijk, natuurlijke oevers te zijn, waar een beschoeiing nodig is, dient deze te worden uitgevoerd in hout en te refereren aan het historische beeld. De oever van de Benedenkolk langs de Oude Streek dient een gemetselde kademuur te zijn. Dit geldt ook voor de overzijde voor het stuk tussen het gemaal en de Klokkebrug. De overige oevers dienen, waar nodig, een houten beschoeiing te hebben. Van deze materiaalrichtlijnen kan incidenteel worden afgeweken, mits het beeld blijft passen in het gewenste historische beeld. Voor de hoogte van de beschoeiing is handhaving van de bestaande karakteristieke hoogteverschillen uitgangspunt.
4Bij de bruggen dient de bestaande vormgeving, kleurstelling en materiaalgebruik gehandhaafd te worden. Voor nieuwe bruggen is een goede afstemming op de cultuurhistorische waarden uitgangspunt. De nieuwe brug over de hoogsloot zal in overleg met een ter zake deskundige nader worden gedetailleerd.
5De bestaande houten trappen op het dijktalud dienen gehandhaafd te worden, zowel qua aantal als qua vormgeving en kleurstelling.
d.Veranderingen dienen te passen binnen c.q. aan te sluiten op de bestaande inrichting.
e.De begrenzing van de overtuinen door hekken en hagen en de perceelsafscheidingen, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2 ("aandachtsgebied perceelsbegrenzingen") bij deze regels dienen gehandhaafd te blijven.
f.Met betrekking tot het bouwen wordt gestreefd naar een verschijningsvorm zoals weergegeven in de in bijlage 3 bij deze regels aangegeven regels c.q. geveltekeningen. Voor de panden c.q. gedeelten van panden waarvan bouwvorm, gevelindeling en materiaalgebruik zijn aangegeven met 'te handhaven' wordt gestreefd naar de handhaving van de huidige verschijningsvorm.
4.2.2 Functionele structuur
a.De woonfunctie wordt als kenmerkend voor het dorp als belangrijkste functie beschouwd.
b.De huidige functie van wegen en paden dient voor wat betreft de verkeersfunctie al dan niet gericht op doorgaand verkeer in hoofdzaak gehandhaafd te blijven.
c.In de verordening zijn, met inachtneming van het bepaalde in de regels, additionele voorzieningen in de vorm van terreinaankleding, ontsluiting en parkeren voor eigen behoefte e.d. begrepen.
d.Voor zover in de regels geen nadere regels zijn opgenomen mogen groenvoorzieningen tevens worden ingericht als kijk- en speelgroen, grasland, water e.d.
4.3 Nadere eisen
4.3.1 Stellen van nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:
a.de bouwmaterialen en gevelindeling van de gevels voor zover deze niet zijn beschreven in bijlage 3 bij deze regels, in die zin dat de gevels in gebakken materiaal of hout moeten worden uitgevoerd, dan wel gepleisterd dienen te worden en de daken met gebakken pannen dienen te worden afgedekt en de gevelopeningen hoger dienen te zijn hun breedte.
b.het materiaalgebruik van aan- en uitbouwen, vrijstaande bijgebouwen, gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, in die zin dat de gevels in gebakken materiaal of hout moeten worden uitgevoerd, danwel gepleisterd dienen te worden en de daken met dakpannen dienen te worden afgedekt.
4.3.2 Voorwaarden nadere eisen
De nadere eisen met betrekking tot de bebouwing kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
a.het beschermde dorpsgezicht;
b.de bevordering van de samenhang van het stedenbouwkundig beeld;
c.het woonmilieu van de aangrenzende percelen.
Artikel 5 Besluitvlak Beschermd dorpsgezicht Barsingerhorn
Artikel 5 Besluitvlak Beschermd dorpsgezicht Barsingerhorn
5.1 Doel besluitvlak
Voor de gronden gelegen binnen het besluitvlak 'Beschermd dorpsgezicht Barsingerhorn', zijn naast de regels zoals genoemd in artikel 3, tevens de regels in dit artikel van toepassing.
5.2 Beschrijving in hoofdlijnen
Met het oog op het behoud en de versterking van de historische en ruimtelijke waarden van het beschermde dorpsgezicht dient bij de toepassing van deze regels voor de gronden aangegeven met het besluitvlak 'beschermd dorpsgezicht Barsingerhorn' gewerkt te worden naar de inhoud en geest van de toelichting bij de aanwijzing van Barsingerhorn als beschermd dorpsgezicht op basis van (destijds) artikel 10 van de Provinciale Monumentenverordening Noord-Holland. De aanwijzingsstukken van december 1994 zijn, voorzover relevant voor de toepassing van deze regels, in dit artikel geintegreerd.
5.2.1 De openbare ruimte
De navolgende eigenschappen van de openbare ruimte zijn van belang voor de historisch-ruimtelijke structuur.
a.voor de inrichting van de Heerenweg is het beleid gericht op het behoud van het eenvoudige profiel met de opbouw: gevel-voorerf-erfscheiding-weg (uitsluitend begeleid door molgoten) -berm/oever-vaart-oever-voorerf of agrarisch gebied. Voor de Mieldijk en het gedeelte van de Heerenweg dat niet grenst aan het water, is de opbouw beperkt tot: berm-weg-voorerf of berm.
b.water: Bij de waterlopen dient sprake te zijn van eenvoudige houten beschoeiingen (zuidzijde en bebouwde plekken langs de Mient) of simpele groene oevers.
c.dijken en kaden: Ophogen, afgraven, afschuiven of egaliseren van gronden dient zoveel mogelijk beperkt te blijven tot de normale onderhoudswerken. Aantasting van de waterkerende functie, een en ander ter beoordeling van de beheerder van de desbetreffende waterkering, is niet toegestaan. Aantasting van de landschappelijke herkenbaarheid door het verwijderen en/of aanbrengen van grond is niet toegestaan.
d.beplanting: In verband met de (historische-) ruimtelijke betekenis wordt gestreefd naar instandhouding van de omplanting van de begraafplaats, de beplanting van de Heerenweg en de erfbeplantingen op de percelen Heerenweg 4 en 12.
5.2.2 Bebouwing
a.Voor de individuele panden van het beschermde dorpsgezicht is het beleid gericht op:
1behoud van bouwvorm (goothoogte, bouwhoogte en dakvorm), gevelindeling en materiaalgebruik van beeldbepalende panden. In sommige gevallen zijn daarbij op kleinschalig niveau nog verbeteringen denkbaar, zoals het in stijl veranderen van een deur of een schoorsteen.
2behoud van bouwvorm van beeldondersteunende panden en verbetering van gevelindeling en/of het materiaalgebruik;
3verbetering van bouwvorm, gevelindeling en materiaalgebruik bij overige panden in geval van ingrijpende verbouwing, vervanging of nieuwbouw, indien geen ingrijpende verbouwing of vervanging aan de orde is kunnen de met "overig" aangeduide panden in hun bestaande bouwvorm (goothoogte, bouwhoogte, dakhelling en aantal aaneengebouwde woningen) gehandhaafd blijven;
4een passende bouwvorm, gevelindeling en materiaalgebruik bij nieuwbouw.
b.Het beschreven beleid wordt bewerkstelligd door regels gericht op behoud en door de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen daar waar verbetering van de verschijningsvorm gewenst is of daar waar sprake is van nieuwbouw.
5.2.3 Bruggen
Het beleid is gericht op een passende vormgeving van bruggen. Dit beleid wordt bewerkstelligd door de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen aan de vormgeving. Bij de toepassing van nadere eisen en afwijkingen dienen de volgende eigenschappen in acht te worden genomen:
a.de onderlinge afstand van bruggen bedraagt ten minste 10 meter;
b.eenvoudige, houten, omhooggebrachte constructies;
c.leuningen met enkele staanders en 2 of 3 liggers in de kleuren donkergroen of wit;
d.een breedte van maximaal 2,50 meter.
5.3 Nadere eisen
5.3.1 Stellen van andere eisen
a.Bij de toepassing van nadere eisen dienen de volgende eigenschappen in acht te worden genomen:
1Bouwmassa/situering:
Ÿ één bouwlaag met schild- of zadeldak of bij boerderijen met een stolpvormige kap;
Ÿ een steile kap van 45° of meer;
Ÿ een langgerekte plattegrond of bij boerderijen een vierkante plattegrond;
Ÿ in geval sprake is van een langgerekte plattegrond staat deze overwegend loodrecht op de weg;
Ÿ overwegend vrijstaande bouw (met een enkele maal een dubbel pand);
Ÿ een situering die de loop van de Heerenweg begeleidt en waarbij in het gedeelte tussen Heerenweg 32 en Heerenweg 210 en in het gedeelte Heerenweg 21 en Heerenweg 33 sprake is van voorgevelrooilijnen die slechts weinig verspringen (maximaal 3 m).
2Gevelindeling en materiaalgebruik:
Ÿ een gevelindeling die afhankelijk van de bouwperiode kenmerkend is voor de architectuur uit de 19e eeuw (verticaal gerichte gevelopeningen met meestal T-vormige vensters) of uit het begin van de 20e eeuw (gecombineerde ramen in topgevels en vaak een erker als uitbouw in de voorgevel);
Ÿ gevels opgetrokken uit gebakken steen in overwegend rood/roodbruine tinten, incidenteel houten topgevels;
Ÿ gebakken pannen of bij boerderijen ook riet;
Ÿ kleuren van houtwerk overwegend wit en donkergroen.
3Dakkapellen en bijgebouwen:
Ÿ dakkapellen in omvang en door hun vormgeving ondergeschikt;
Ÿ bijgebouwen in omvang, situering en oppervlakte ondergeschikt aan het hoofdgebouw;
Ÿ bijgebouwen voorzover in het zicht gelegen opgetrokken uit gebakken rood/roodbruine steen of houtwerk in donkergroene kleur.
b.Eventueel kunnen op overgangssituaties naar het buitengebied of naar de openbare ruimte nadere eisen worden gesteld aan de toepassing van beplanting, of kunnen eisen worden gesteld ten aanzien van de afbraak van eventuele bestaande, ontsierende bouwwerken op het betrokken perceel. Ook zal het in bepaalde gevallen gewenst zijn dat de bebouwing zoveel mogelijk geconcentreerd wordt op één locatie binnen het bouwperceel.
5.3.2 Toepassing van nadere eisen
a.De nadere eisen met betrekking tot de bebouwing kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
1het beschermde dorpsgezicht;
2de bevordering van de samenhang van het stedenbouwkundig beeld;
3de handhaving van het halfopen bebouwingsbeeld;
4het woonmilieu van de aangrenzende percelen;
5de afstand tot de weg in verband met verkeersbelangen.
5.4 Afwijken van inrichtingsregels
Afwijkingen van de beschreven profielen in lid 5.2.1 onder a. dienen beperkt te blijven tot ondergeschikte gedeelten waarbij dit bijvoorbeeld uit het oogpunt van verkeersveiligheid dringend gewenst is. Een eenvoudige inrichting dient daarbij uitgangspunt te blijven.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 6 Algemene bouwregels
Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels:
a.de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
b.de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden;
c.ingeval van herbouw is dit lid onder a en b uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
Artikel 7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
Artikel 7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
7.1 Werken
Ter plaatse van het besluitsubvlak ‘omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk’ is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a.het aanleggen, verbreden, verleggen of verharden van wegen en paden;
b.het aanbrengen of wijzigen van oppervlakteverhardingen;
c.het verwijderen van karakteristieke hekwerken en stoepen;
d.het wijzigen van de inrichting van wegen en paden.
7.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod
Het verbod van lid 7.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden die:
a.normaal onderhoud en beheer betreffen;
b.reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van de beheersverordening.
7.3 Criteria
De werken en werkzaamheden als bedoeld in 7.1 zijn toelaatbaar als door de werken en werkzaamheden, dan wel de gevolgen daarvan, geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van de waarden van het beschermd dorpsgezicht. Hiertoe dient voorafgaand aan de vergunningverlening van een ter zake deskundige, advies te worden overlegd.
Artikel 8 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
Artikel 8 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
8.1 Sloopwerkzaamheden
Ter plaatse van de besluitsubvlakken ‘Beschermd dorpsgezicht Kolhorn' en 'Beschermd dorpsgezicht Barsingerhorn' is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor slopen bouwwerken te slopen.
8.2 Criteria
De in 8.1 bedoelde omgevingsvergunning kan worden verleend, als aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Artikel 9 Antidubbeltelregel
Artikel 9 Antidubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waarvan uitvoering is gegeven of alsnog uitvoering kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
a.onder met de beheersverordening strijdig gebruik word in ieder geval begrepen het gebruik van/of het laten gebruiken van:
1onbebouwde gronden als staan- of ligplaats voor onderkomens;
2onbebouwde gronden en/of bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen;
3stacaravans en recreatiewoningen voor permanente bewoning;
4onbebouwde gronden als kampeerterrein;
5vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
6onbebouwde gronden als opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan;
7onbebouwde gronden als stortplaats voor puin en afvalstoffen, voor zover dit niet betreft het storten of opslaan in bij gebouwen behorende tuinen van geringe hoeveelheden afvalstoffen die afkomstig zijn van het onderhoud van die tuinen.
b.nieuwe bouwwerken worden gebruikt overeenkomstig het ter plaatse bestaande gebruik van de gronden of van bestaande gebouwen waarbij deze worden gebouwd.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Overgangsrecht
11.1 Gebruiken
a.Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
b.Het is verboden het met de beheersverordening strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de beheersverordening strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
c.Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
d.Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
11.2 Bouwen
a.Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning en afwijkt van de verordening, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
1gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
2na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
b.Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
c.Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Artikel 12 Citeertitel
Artikel 12 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Beheersverordening Kolhorn, Barsingerhorn en Haringhuizen (kernen).