Aanhef
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente op: 7 februari 2012
Inwerking getreden op: 1 januari 2012
Samenvatting
Het is verboden om afval te verbranden. In bepaalde gevallen kan hiervoor een ontheffing worden aangevraagd. Hiervoor is deze notitie geschreven. Bij vier soorten aanvragen zal er een ontheffing worden verleend van het verbod en dat geldt dan alleen voor het verbranden van gerooid en snoeihout.
Verbranden van gerooid en snoeihout
Voor het verbranden van gerooid en snoeihout dat ontstaat bij onderhoud
van het landschap buiten inrichtingen, kan een ontheffing worden aangevraagd. Het moet niet meer vanzelfsprekend zijn dat er altijd een ontheffing voor het verbranden wordt afgegeven. Daarom wordt ook gewezen op andere verwerkingsmethoden, zoals versnipperen, opslag in houtwallen of afvoer. Aan bedrijven wordt geen ontheffing verleend omdat hiervoor andere wetgeving geldt.
Paasvuren
Binnen de gemeente worden met Pasen diverse paasvuren aangestoken. Het verbranden van gerooid en snoeihout is bij deze gelegenheid een echte traditie. Voor het ontsteken van paasvuren zal een ontheffing worden verleend met bijbehorende voorschriften.
Kampvuren
Bij het organiseren van bijeenkomsten en/of evenementen door verenigingen kan een kampvuur worden ontstoken. Onder het kampvuur wordt ook het verbranden van hout tijdens een houtdorp verstaan. Het verbranden van hout in een kampvuur heeft niet als doel het verbranden van afvalstoffen, maar het gaat om het plezier dat men daaraan beleeft. Voor een kampvuur zal ook een ontheffing worden verleend.
Boomziekte
Om te voorkomen dat besmettelijke boomziekte zich verspreiden moet het
hout zo snel mogelijk worden gerooid en verbrand. Voor deze situaties zal
ook een ontheffing worden verleend.
Een ontheffing is een bepaalde periode geldig en wordt gekoppeld aan een perceel. Het verbranden van gerooid en snoeihout is alleen toegestaan
tussen 1 november en 1 juni het jaar erop. Tot 2 m3 gerooid en snoeihout kunnen inwoners van de gemeente Hof van Twente gratis bij het afvalbrengpunt inleveren.
Aan een ontheffing worden voorschriften verbonden. De voorschriften zijn voor de veiligheid van de omgeving en de bescherming van het milieu. De gemeente, politie en de brandweer zal op de goede naleving van de voorschriften controleren.
hoofdstuk
Artikel 1. Begripsbepalingen
· College: burgemeester en wethouders
· Gerooid en snoeihout: alle takken en bladeren die van bomen en struiken worden gehaald in het kader van duurzaam onderhoud en gerooide bomen, inclusief de stammen, stobben, stronken, takken en bladeren
· Paasvuur: vuur dat wordt ontstoken op eerste paasdag in een jaar
· Kampvuur: vuur dat een onderdeel is bij het organiseren van bijeenkomsten en activiteiten door verenigingen en een vuur bij een houtdorp
· Ontheffing: een ontheffing op grond de Wet milieubeheer samen met een ontheffing op grond van de Apv.
Artikel 2. Gerooid en snoeihout
1Het college kan ontheffing verlenen voor het verbranden van gerooid en snoeihout met uitzondering van stamhout met een doorsnede van meer dan 25 cm;
2Een ontheffing wordt alleen verleend voor een brandstapel van minimaal 2 m3 en maximaal 30 m3.
3Per stookseizoen, lopend van 1 november tot 1 juni, mag er maximaal 30 m3 gerooid en snoeihout worden verbrand.
4Aan een ontheffing voor het verbranden van gerooid en snoeihout zijn voorschriften verbonden.
Artikel 3. Paasvuur
1Het college kan ontheffing verlenen voor het verbranden van gerooid en snoeihout.
2Het college zal de ontheffing verlenen volgens de bepalingen in artikel 20.5, eerste lid Wet milieubeheer.
3Een ontheffing wordt alleen verleend als het vuur op eerste paasdag wordt ontstoken, een traditionele achtergrond heeft en een omvang van maximaal 1.000 m3.
4Aan een ontheffing voor het ontsteken van een paasvuur zijn voorschriften verbonden.
Artikel 4. Kampvuur
1Het college kan ontheffing verlenen voor het verbranden van gerooid en snoeihout en onbehandeld hout.
2Een ontheffing wordt alleen verleend als het vuur onderdeel uitmaakt van het organiseren van een bijeenkomst en/of activiteiten door een vereniging of bij een houtdorp.
3Aan een ontheffing voor het houden van kampvuren zijn voorschriften verbonden.
Artikel 5. Boomziekten
1Het college kan ontheffing verlenen voor het verbranden van ziek hout;
2Een ontheffing wordt alleen verleend indien er sprake is van een besmettelijke boomziekte;
3Aan een ontheffing voor het verbranden van ziek hout zijn voorschriften verbonden.
Artikel 6. Andere gevallen
Het college verleent geen ontheffing in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2, artikel 3, artikel 4 en artikel 5 van deze beleidsregel.
Artikel 7. Aanvraagprocedure
1Een aanvraag voor een ontheffing voor het verbranden van gerooid en snoeihout dat ontstaat bij het onderhoud van het landschap en het verbranden van een kampvuur dient uiterlijk 10 weken voor de beoogde stookdatum schriftelijk bij het college te worden ingediend;
2Een aanvraag voor een ontheffing voor het verbranden van gerooid en snoeihout voor een paasvuur dient uiterlijk 4 weken voor eerste paasdag schriftelijk bij het college te worden ingediend;
3Een aanvraag voor een ontheffing voor het verbranden van ziek hout moet minimaal 4 uur voor het aansteken van het vuur telefonisch bij de gemeente gemeld worden. Bij twijfel dient de betrokkene een verklaring van de Plantenziektekundige Dienst (Wageningen) in te dienen, waarmee wordt aangetoond dat het om een besmettelijke boomziekte gaat. Omdat snelheid gewenst is bij het verbranden van ziek hout zal de schriftelijke ontheffing achteraf worden verzonden;
4Een ontheffing wordt, met uitzondering bij ziek hout, altijd schriftelijk verleend;
Artikel 7. Geldigheid
1Een ontheffing is twee jaar geldig, tenzij anders is besloten;
2Een ontheffing is geldig voor één perceel of aaneengesloten percelen;
Artikel 8. Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking op 1 februari 2012.
Toelichting op de voorschriften
Toelichting bij voorschrift 1.1
Er wordt uitsluitend ontheffing verleend voor het verbranden van afvalstoffen zoals genoemd in dit voorschrift. Het spreekt voor zich dat het (mee)verbranden van andere afvalstoffen in het belang van het milieu absoluut niet tot de mogelijkheden behoort c.q. verboden is. Gedacht wordt daarbij aan gevaarlijk afval, maar ook aan andere organische afvalstoffen zoals huishoudelijk afval, bouw- en sloopafval, land- en tuinbouwafval, stobben, stammen etc. Dergelijke afvalstoffen dienen afgevoerd te worden naar een afvalstoffeninzamelbedrijf. Het te verbranden afval moet schoon, onbehandeld, materiaal betreffen. Vooral bij vreugdevuren moet erop gelet worden dat het overige onbehandelde hout geen lijm of formaldehyde bevat en niet is bewerkt met verf of een ander houtverduurzamingsmiddel.
Toelichting bij voorschrift 1.2
Een vuur mag geen gevaar, schade of hinder voor de omgeving veroorzaken. Gedacht wordt bijvoorbeeld aan brandgevaar, schade aan de gezondheid van derden door luchtverontreiniging, hinder voor het verkeer en overlast in de omgeving door rook en as etc. Daarom is het belangrijk dat tijdens het branden doorlopend toezicht op het vuur wordt gehouden om te kunnen opmerken of de (gunstige) omstandigheden waaronder het vuur is aangestoken zich wijzigen. Als dat het geval is, met als gevolg dat er tijdens het branden gevaar, schade of hinder ontstaat, moet het vuur direct wordt gedoofd.
Toelichting bij voorschrift 4.1
Het gebruik van lichtontvlambare vloeibare of vaste brandstoffen, die de verbranding helpen op gang te komen, is gevaarlijk voor uw persoonlijke veiligheid en vormt een bedreiging voor een (brand)veilig vuur. Bovendien ontstaat door deze stoffen het risico van bodemverontreiniging. De opstapeling kan bijvoorbeeld worden ontstoken door gebruik te maken van schoon (en droog) plantaardig materiaal, zoals hooi of stro, en een gasbrander.
Relatie met andere wetgeving
De ontheffing ontslaat de houder van de ontheffing niet van verplichtingen, die voortvloeien uit andere regelgeving. Gedacht wordt bijvoorbeeld aan de Provinciale Milieuverordening en aan artikel 429 Wetboek van Strafrecht. Op grond van dit artikel is degene die een vuur aanlegt, voedt of onderhoudt op korte afstand van gebouwen of goederen, waardoor brandgevaar kan ontstaan, of door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, gras- of veenbrand doet ontstaan, strafbaar.
Bijlage 1
WETGEVING
Het verbod op het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen, en daarmee dus ook het
verbod op het verbranden van resthout in de open lucht, is sinds 23 mei 2003 geregeld in de Wet milieubeheer en voor wat betreft de openbare orde en veiligheid geregeld in de Apv.
Wet milieubeheer
Artikel 10.2 van de Wet milieubeheer is op 23 mei 2003 uitgebreid met een verbod op hetverbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer kwam naar voren dat het wenselijk werd geacht dat het college (burgemeester en wethouders) de bevoegdheid moest hebben om van het landelijke verbrandingsverbod (voortkomend uit de Wet milieubeheer) af te wijken door op gemeentelijk niveau een ontheffing te kunnen verlenen. Hiertoe is artikel 10.63 van de Wet milieubeheer opgenomen. De artikelen luiden als volgt:
Artikel 10.2
1Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden;
2Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling (ontheffing) worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10.63
1Burgemeester en wethouders (het college) kunnen (kan), indien het belang van een doelmatig beheer van afvalwater zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.30, eerste lid, gestelde verbod;
2Burgemeester en wethouders (het college) kunnen (kan), indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2 eerste lid, gestelde verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting te verbranden, voor zover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft.
Artikel 10.64
1De artikelen 8.5 tot en met 8.25 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, met dien verstande dat - behalve ten aanzien van een ontheffing van de in artikel 10.2, eerste lid, en artikel 10.54, eerste lid, gestelde verboden -, voor die toepassing het belang van de bescherming van het milieu wordt beperkt tot het belang van een doelmatig beheer van de betrokken categorie van afvalstoffen, dan wel – indien het een ontheffing betreft van krachtens artikel 10.15, 10.17 en 10.18 gestelde regels - het door dat artikel beoogde belang.
2Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 10.15, 10.17 en 10.18 kan -in afwijking van het eerste lid - worden bepaald dat in daarbij aangegeven categorieën van gevallen afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is.
3In afwijking van het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, tweede lid.
Met de woorden “indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet” wordt bedoeld dat gemeenten bij een aanvraag voor het verbranden van resthout eerst dienen te onderzoeken of een hoogwaardigere verwerkingsmethode, zoals versnipperen of composteren mogelijk is (De ladder van Lansink).
Ontheffingsprocedure
Op grond van artikel 10.64 van de Wet milieubeheer zijn de artikelen 8.5 tot en met 8.25 Wet milieubeheer van toepassing op het verlenen van een ontheffing van hetverbrandingsverbod. Op grond van artikel 10.64, derde lid van de Wet milieubeheer is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (zijnde de "Uniforme openbare voorbereidingsprocedure") niet van toepassing op een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, tweede lid. Zie bovenstaand in tekst artikel 10.64.
Op grond van het bepaalde in art. 20.3 van de Wm treedt een stookontheffing in werking de dag na afloop van de bezwarentermijn (6 weken gerekend vanaf de dag na verzending van de stookontheffing). De mogelijkheid bestaat om de stookontheffing terstond van kracht teverklaren (zie daartoe artikel 20.5 Wm). Als van deze laatste mogelijkheid gebruik wordtgemaakt, dan moet dat expliciet in de stookontheffing worden vermeld. Met het terstond van
kracht verklaren kan de procedure tot ontheffingverlening worden bekort. Indien gemeenten hier gebruik van willen maken, dient wel in overweging genomen te worden dat de mogelijkheid voor belanghebbenden om bezwaar te maken, bemoeilijkt wordt.
Algemene plaatselijke verordening 2010 (Apv)
Artikel 5:31 van de Apv regelt het stoken van vuur in de open lucht. Er geldt een algemeen verbod, waarvan het college (burgemeester en wethouders) ontheffing kan verlenen. Door de wijziging van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer heeft artikel 5:31 van de Apv een andere functie en betekenis gekregen. Immers, het milieuhygiënische belang is nu exclusief geregeld in de Wet milieubeheer. Aan de Apv-ontheffing ligt nu een ander motief ten grondslag, te weten het belang van openbare orde en veiligheid, de bescherming van de woon- en leefomgeving (gezondheid) en de bescherming van flora en fauna. Dit betekent dat artikel 5:31 van de Apv door de wijziging van de Wet milieubeheer niet vervallen is, maar uit het oogpunt van de openbare orde en veiligheid een aanvullende werking op de Wet milieubeheer heeft gekregen.
De Apv-ontheffing kan niet gemist worden, met name bij openbare vreugdevuren die veel publiek trekken en waarbij het openbare orde en veiligheidsaspect een rol speelt.
Ook bij de strafbaarstelling is het onderscheid tussen Wet milieubeheer-ontheffing en Apv-ontheffing van belang (misdrijf versus overtreding).
Artikel 5:31 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
1Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2Het verbod geldt niet voorzover het betreft:
a.verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
b.sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;
c.vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.
3Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
4Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
5Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.
Bijlage 2
ALTERNATIEVE VERWERKINGSMETHODES
Verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen is in beginsel verboden. Daarom is het belangrijk dat er alternatieve verwerkingsmethoden beschikbaar zijn om het organisch materiaal te kunnen verwerken. Op dit moment zijn er verwerkingsmogelijkheden voor gerooid en snoeihout beschikbaar. De volgende verwerkingsmethoden worden aangehaald:
Versnipperen
Door het snoeihout te versnipperen tot strooisel, kan dit onder andere gebruikt worden voor het verstevigen en aanduiden van paden in parken, bossen en tuinen. Groen Recycling Twente te Goor maakt ook decoratieve bodembedekkers (in kleur) van het snoeihout.
Voor particulieren is het versnipperen van snoeihout een goed alternatief voor het verbranden van snoeihout. Houtversnipperaars zijn goed verkrijgbaar en het snoeihout kan in eigen beheer worden verwerkt. De houtsnippers kunnen worden gebruikt op eigen terrein als bodembedekker.
Compostering
Een andere mogelijkheid voor de verwerking van snoeihout is compostering. De composteringsbedrijven kunnen hun proces hierop afstemmen, zodanig dat het snoeihout wordt omgezet tot een goede kwaliteit compost. Het gaat dan voornamelijk om riet en takkenhout dat gebruikt wordt vanwege de beluchtende werking. Massieve stammen en dergelijke worden niet geaccepteerd.
Verbranden in centrales
Het verbranden van houtachtige stoffen is de bekendste techniek. Hoogwaardige verbranding kan plaatsvinden in zogenaamde bio-energie centrales of biomassacentrales en door bijstook in conventionele kolencentrales.
Een biomassacentrale is een elektriciteitscentrale of warmtekrachtcentrale die alleen werkt op biologisch materiaal. Voor de verbranding kan gebruik worden gemaakt van een drietal verschillende installaties. In moderne houtgestookte biomassacentrales wordt fijngesnipperd hout ingezet. Om de verbranding optimaal te laten verlopen en de emissies te kunnen beheersen, stellen deze installaties eisen aan verontreinigingen (zand, verf en verduurzamingmiddelen), aan het vochtgehalte en aan de afmetingen van de houtsnippers. De warmte die ontstaat bij de verbranding kan rechtstreeks worden gebruikt of kan via de stroomcyclus worden omgezet in elektriciteit. Ook bij de elektriciteitsproductie resteert nog warmte die nuttig kan worden gebruikt. In Nederland staan verschillende kleinschalige houtgestookte biomassacentrales, zoals de biomassacentrale van Groen Recycling Twente in Goor.
Daarnaast worden van het hout pellets gemaakt voor houtgestookte CV-installaties. Deze installaties vormen ook een variant voor het hergebruik van onbewerkt hout.
Ook voor het bijstoken in energiecentrales worden nog hogere eisen gesteld aan het ingangsmateriaal. Om technische redenen kan maximaal 5% van de thermische brandstofinvoer als biomassa toegevoegd worden. In principe is dit van een zeer grote omvang vanwege de grote capaciteit van de centrales. De centrales dienen wel aangepast te zijn op het bijstoken.
Houtrillen
Takkenrillen of houtrillen zijn een goedkoop en milieuvriendelijk alternatief voor het verwerken van snoeihout. De milieuvoordelen schuilen voornamelijk in de verhoging van de natuurwaarde: rustgebieden voor organismen, schuil-, broed- en voedselplaatsen voor vogels en andere dieren, groeiplaat voor mossen, varen, schimmels en bacteriën, enzovoorts. Nadelen van houtrillen zijn: de arbeidsbehoefte (en dus arbeidskosten) voor het maken van de rillen, de benodigde opslagruimte én de kans op brand.