Aanhef
De raad van gemeente Hoeksche Waard;
Gelezen het voorstel van het college, d.d. 19 mei 2026;
Gelet op de artikelen 8, 8a, 8b, 10b. vijfde lid, 41 derde lid, en 47 van de Participatiewet; artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en de artikelen 121, 122, 147 van de gemeentewet;
Gelezen het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Hoeksche Waard, d.d. 18 mei 2026;
Besluit vast te stellen de “Verordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Hoeksche Waard 2026"
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1. Inleiding verordening Participatiewet, IOAW, IOAZ Hoeksche Waard
Hoofdstuk 2. Werk en Participatie (voorzieningen)
Hoofdstuk 3.Inkomensvoorzieningen
Hoofdstuk 4. Afspraken tussen inwoner en gemeente (handhaving en afstemming)
Hoofdstuk 5. Overige bepalingen en inwerkingtreding
Hoofdstuk 2 - Werk en Participatie
2.4 Voorzieningen
2.4.1 Sociale activering
Met sociale activering wordt bedoeld: het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten om de inwoner dichter bij betaald werk te brengen. Als dit niet haalbaar is kan de inwoner aangeboden worden om op een andere manier te participeren, dit ter voorkoming van sociaal isolement.
1Het college kan een inwoner een sociaal activeringstraject aanbieden en stemt de duur van de activiteit(en) af op de mogelijkheden en capaciteit van de inwoner.
2Jaarlijks wordt met de inwoner geëvalueerd of de voorziening nog passend is en indien nodig ook met de betrokken organisatie.
2.4.2 Tegenprestatie
Voor het ontvangen van een uitkering doet de inwoner iets terug voor de samenleving.
Het leveren van een tegenprestatie staat in principe los van de arbeids- en re-integratieplicht.
1Het college legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als het college dit een passende manier vindt om iets terug te doen voor de samenleving.
2Een tegenprestatie wordt opgelegd onder de volgende voorwaarden:
a.leidt niet tot verdringen bij werknemers bij de organisatie waar de tegenprestatie wordt verricht;
b.rekening houdend met de mogelijkheden en de persoonlijke situatie en wensen van de inwoner;
c.de positie van de inwoner op de arbeidsmarkt, zoals de duur van de werkloosheid;
d.of de inwoner vrijwilligerswerk doet of activiteiten die maatschappelijk zinvol zijn, en
e.of de inwoner al deelneemt aan voorzieningen van het college gericht op werk.
3De tegenprestatie die het college van de inwoner verwacht is afhankelijk van de situatie en (persoonlijke) omstandigheden en duurt maximaal 6 maanden en maximaal 15 uur per week of 195 uur per kwartaal.
4Een tegenprestatie wordt niet opgelegd:
a.als uit individueel onderzoek blijkt, dat op grond van verrichte mantelzorg of vrijwilligerswerk geen tegenprestatie kan worden verlangd;
b.aan de alleenstaande ouder, die in het bezit is van een ontheffing bedoeld in art. 9a, lid1 PW
c.aan de inwoner die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en op grond daarvan volledig is vrijgesteld van arbeids- en re-integratieverplichting bedoeld in art.9 lid 5 PW.
2.4.3 Participatieplaats
Een participatieplaats is een onbetaalde baan waarin een langdurig werkloze, met behoud van uitkering, werkervaring kan opdoen en sociale vaardigheden kan aanleren. Dit om de kans op betaald werk te vergroten.
1Het college kan een inwoner van 27 jaar en ouder, die een uitkering ontvangt van de PW, IOAW- of IOAZ- en nog niet bemiddelbaar is naar werk, een participatieplaats aanbieden.
2De afspraken over de participatieplaats worden vastgelegd in een overeenkomst tussen het college, de werkgever en de inwoner.
3De werkzaamheden in de participatieplaats moeten passend zijn voor de inwoner en het mag geen bestaande baan zijn.
4De duur van een participatieplaats is maximaal 2 jaar. Deze termijn kan 2 keer verlengd worden met een jaar. De totale duur van de participatieplaats is nooit langer dan 4 jaar.
5De inwoner ontvangt, als hij naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt, na iedere 6 maanden een premie van € 100, -.
2.4.4 Werkervaringsplaats
De werkervaringsplaats is een tijdelijke arbeidsplaats die bedoeld is om de inwoner meer vakkennis en werkervaring op te laten doen, hiermee zijn arbeidsmarktpositie te verbeteren en zijn kans op betaald werk te vergroten.
1Het college kan een inwoner een werkervaringsplaats aanbieden.
2Een werkervaringsplaats duurt 3 maanden. Deze termijn kan worden verlengd met nog eens maximaal 3 maanden, als daardoor de arbeidskansen worden vergroot. De inwoner behoudt zijn uitkering tijdens het werken in een werkervaringsplaats.
3In een overeenkomst met de werkgever wordt vastgelegd het doel van de werkervaringsplaats, wat de werkzaamheden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt.
4Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
2.4.5 Proefplaats
Een proefplaats is bedoeld om werkgevers de gelegenheid te geven om te kunnen beoordelen of de inwoner geschikt is voor het werk. Bij goed functioneren neemt de werkgever de inwoner in dienst.
De proefplaatsing vervangt de proeftijd aan het begin van een dienstverband.
1Het college kan een inwoner die algemene bijstand ontvangt toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever onbetaald werk te doen. Een proefplaats duurt 2 maanden. Bij bijzondere omstandigheden kan de proefplaats worden verlengd met nog eens 4 maanden. De inwoner behoudt zijn uitkering tijdens de duur van de proefplaats.
2Het college geeft uitsluitend toestemming voor een proefplaats als:
a.de inwoner, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is;
b.de verwachting is dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling;
c.het niet leidt tot verdringing op de arbeidsmarkt en niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties;
d.de werkzaamheden van de inwoner niet al eerder (on)betaald bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, in dezelfde of een soortgelijke functie, zijn verricht; en
e.de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden zonder proeftijd, in dienst zal nemen.
3Het college verleent uitsluitend toestemming voor verlenging proefplaatsing als door bijzondere omstandigheden de werkgever onvoldoende tijd heeft gehad om te kunnen beoordelen of de inwoner geschikt is voor het werk.
4Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of, als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, lid5 van de wet.
5Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.
6Het college kan een inwoner op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen.
7De proefplaatsing wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen het college, de werkgever en de inwoner. Daarin wordt opgenomen welk doel de proefplaatsing heeft, wat de werkzaamheden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt.
2.4.6 Beschut werk
Beschut werk is bedoeld voor mensen met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking en die alleen kunnen werken in een 'beschutte' omgeving onder aangepaste omstandigheden.
1Het college biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de PW zijn genoemd.
2Het college zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat het college volgens het Rijk jaarlijks moet realiseren (taakstelling), gerealiseerd wordt.
3De inwoner die nog geen beschutte werkplek kan krijgen omdat het voorgeschreven aantal beschutte werkplekken in één jaar al is gerealiseerd, heeft voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij in aanmerking kunnen komen voor een beschutte werkplek. Zolang er nog geen geschikte werkplek voor de inwoner beschikbaar is, kan het wel zijn dat die andere personen voorgaan.
4Het doel van beschut werk is om inwoners, die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden.
5Het college biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken:
a.fysieke aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;
b.uitsplitsing van taken; of
c.aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding.
6Het college kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk tot aan het moment van plaatsing de volgende voorzieningen aanbieden:
a.arbeidsmatige dagbesteding in samenwerking met de WMO.
b.sociale activering als bedoel in artikel 2.4.1.
c.scholing als bedoeld in artikel 2.4.9.
d.proefplaats beschut als bedoeld in artikel 10b, lid 7.
e.persoonlijke ondersteuning als bedoel in artikel 2.4.8.
2.4.7 Ondersteuning van jongeren
Jongeren kunnen ondersteund worden op weg naar arbeid.
1Het college kan een jongere ondersteuning aanbieden die nodig is voor het volgen van een leer-werktraject. Het moet gaan om jongeren van:
a.16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of
b.18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een HAVO-, VWO- of MBO 2-diploma.
2De ondersteuning aan personen jonger dan 27 jaar in de gevallen, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de wet is gebaseerd op de behoefte en mogelijkheden van de persoon.
3Ondersteuning kan gericht zijn op stabilisering van de persoonlijke omstandigheden, bemiddeling naar werk of bemiddeling naar onderwijs.
4Ondersteuning kan onder meer bestaan uit:
a.begeleiding;
b.trajecten gericht op het inzichtelijk maken van eigen competenties, interesses en belemmeringen;
c.leer-werktrajecten;
d.trainingen;
e.het behalen van een praktijkverklaring;
f.verwijzen naar het doorstroompunt.
5Ten aanzien van personen jonger dan 27 jaar met een arbeidsbeperking kan ondersteuning, bedoeld in de artikelen 2.4.8, 2.4.8 a t/m 2.4.8g, 2.4.11 en 2.4.14 worden ingezet.
6Op verzoek van een school voor praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs kan het college bij een persoon onder de 27 jaar:
a.de school helpen bij de ondersteuning aan die persoon tijdens de opleiding dan wel tot twee jaar na diplomering;
b.na diplomering de ondersteuning overnemen na ontvangst van een overdrachtsdocument van de school, conform artikel 9.2.13. Wet educatie en beroepsonderwijs.
2.4.8 Persoonlijke ondersteuning (intern begeleider of Jobcoach)
Personen met een arbeidsbeperking kunnen hulp krijgen op hun reguliere werkplek bij het leren uitvoeren van het werk.
1Het college kan een inwoner persoonlijke ondersteuning aanbieden of de werkgever daarvoor een vergoeding geven als de inwoner extra ondersteuning nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. De jobcoach kan ingezet worden vanaf het moment dat de inwoner daadwerkelijk aan het werk gaat.
2De persoonlijke ondersteuning kan gegeven worden door een:
a.gekwalificeerde interne of externe jobcoach;
b.interne werkbegeleider die een training voor intern begeleider heeft gevolgd.
c.De in lid 2a en 2b genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.
3In een overeenkomst wordt vastgelegd wat, waar en hoe de ondersteuning plaatsvindt.
4De voorwaarden van de persoonlijke ondersteuning zijn:
a.de inwoner behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft gevolgd;
b.de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;
c.de werkgever biedt een betaalde baan aan van minimaal 6 maanden, voor een arbeidsduur van minimaal 18 uur per week;
d.het betreft geen verplichting waarvoor de werkgever al vanuit de Arbowet verantwoordelijk is;
e.er is naar het oordeel van het college sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid niet van de werkgever kan worden verlangd; en
f.de kosten van de voorziening(en) naar het oordeel van het college proportioneel zijn, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de (maatschappelijke) opbrengsten van uitstroom naar werk;
g.het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;
h.de aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn;
i.het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.
2.4.8a Het administratieve proces van de persoonlijke ondersteuning is als volgt:
1De inwoner of zijn werkgever kan een aanvraag indienen voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen.
2Het college stuurt een ontvangstbevestiging.
3Het college onderzoekt binnen 6 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de inwoner.
4Op basis van het onderzoeksverslag neemt het college binnen 10 werkdagen een besluit en zendt dit aan de inwoner of zijn gemachtigde en, indien van toepassing, aan de werkgever.
5Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist.
6Het college bepaalt na overleg met de inwoner, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling.
7Het college stemt, indien nodig, de persoonlijk ondersteuning integraal af met andere partijen, o.a. jeugdhulp, gezondheid, schuldhulpverlening etc.
8Het college geeft in een beschikking van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan:
a.welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt;
b.als de tegemoetkoming wordt verstrekt, wat de omvang is van de tegemoetkoming;
c.de duur en intensiteit van de ondersteuning;
d.de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening;
e.als de tegemoetkoming afwijkt van wat is aangevraagd, wordt de reden van afwijking vermeld en voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is;
f.als de of een voorziening wordt afgewezen dan wordt in de beschikking aangegeven welke voorziening afgewezen wordt en wat de reden daarvan is.
2.4.8b Kwalificatie persoonlijke ondersteuning (jobcoach)
Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching aanbieden. Dit kan een interne jobcoach zijn, dit is een coach die vanuit het bedrijf wordt ingezet, of een externe jobcoach, dit is een coach die wordt ingehuurd door de werkgever.
1De externe jobcoach/ gemeentelijke jobcoach voldoet aan de volgende kwaliteitseisen:
a.heeft een opleidingsmodule voor jobcoach gevolgd waar voor een certificaat/diploma is behaald; of
b.in de praktijk binnen de organisatie is opgeleid tot Jobcoach; en
c.is aangesloten bij een jobcoachorganisatie welke is erkend door UWV op grond van het meest actuele ‘Erkenningskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV’.
2De interne jobcoach voldoet aan de volgende kwaliteitseisen en heeft:
a.een training gevolgd om werknemers met beperkingen te begeleiden op de werkplek;
b.aantoonbaar ervaring met het geven van werkinstructies;
c.aantoonbaar ervaring met de werkzaamheden die de persoon dient uit te voeren; en
d.is voor een deel van zijn werkuren vrijgesteld om de begeleiding op zich te kunnen nemen.
3De inzet van jobcoaching wordt bepaald volgens de begeleidingsregimes licht en middel van het UWV, behalve de vergoeding bij een proefplaatsing. De vergoeding van jobcoaching bij een proefplaatsing wordt jaarlijks door de Arbeidsmarktregio Rijnmond vastgesteld. De bedragen zijn inclusief reiskosten en exclusief eventueel verschuldigde Btw.
4Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan.
5Het college kan aan de werkgever een vergoeding verlenen voor het organiseren van jobcoaching. Hiervoor wordt een maximumtarief per uur vastgesteld.
6De vergoeding voor het organiseren van jobcoaching kan worden verleend als:
a.de jobcoaching bestaat uit een individueel trainings- of inwerkprogramma; en
b.dit wordt vastgelegd in een coachingsplan;
c.de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is;
d.de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en
e.de inwoner voor wie de vergoeding wordt gevraagd hiervan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.
7Het college kan in beleidsregels uitwerken:
a.aan welke eisen het coachingsplan moet voldoen;
b.welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren;
c.hoe de continuïteit van de jobcoaching geborgd moet zijn; of
d.hoe de evaluatie van de jobcoaching plaats vindt.
8Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de vergoeding wordt verleend, kan de jobcoach ook:
a.ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of
b.integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs.
2.4.8c Interne werkbegeleiding
1Als een inwoner uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een vergoeding verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. Deze kosten zijn nooit hoger dan de kosten van de inzet van een jobcoach.
2Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden.
2.4.8d Specifieke bepalingen overige voorzieningen
1Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding worden verstrekt.
2Het college biedt een vervoersvoorziening aan als;
a.de inwoner door zijn beperking niet zelfstandig kan reizen of gebruik kan maken van het openbaar vervoer; en
b.het vervoer beperkt is tot woon-werkverkeer.
3De hoogte van de vergoeding hangt af van het aantal te werken dagen en bedraagt het marktconform tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.
4Het college brengt de vervoersvergoeding die de werkgever aan de werknemer verstrekt in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.
2.4.8e Voorwaarden noodzakelijke voorzieningen bij geheel of gedeeltelijke visuele en/of motorische en/of auditieve beperkingen
Het college kan een voorziening toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele en/of motorische en/of auditieve lichaamsfunctie, bijvoorbeeld een computervoorziening en/of hulpmiddelen.
2.4.8f Voorwaarden meeneembare voorzieningen
1Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken.
2Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde aantoonbaar zijn.
3De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld aan de werknemer. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.
2.4.8g Voorwaarden niet meeneembare voorziening
Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan de werkgever, als dit noodzakelijk is om de werknemer zijn werk uit te laten voeren. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde aantoonbaar zijn.
2.4.9 Scholing
Om de toegang tot de arbeidsmarkt te bevorderen kan scholing worden aangeboden.
Het college kan een inwoner (kortdurende) scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap te zetten naar passend werk voor een langere periode. De scholing duurt niet langer dan nodig is.
2.4.10 Gemeentelijke loonkostensubsidie
Een tegemoetkoming voor werkgevers bij het in dienst nemen van een inwoner met een afstand tot de arbeidsmarkt.
1Het college kan een werkgever die een inwoner met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst neemt een tijdelijke loonkostensubsidie geven.
2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden.
3De subsidie is maximaal 50% van de loonkosten. De duur van de arbeidsovereenkomst bepaalt de duur van de subsidie. Bij een arbeidsovereenkomst van 12 maanden of langer wordt maximaal 6 maanden gesubsidieerd. De gemeentelijke loonkostensubsidie wordt slechts eenmalig verstrekt.
4De werkgever moet de subsidie aanvragen voor de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst.
5Het college bepaalt hoe de subsidie wordt uitbetaald.
6Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. De werkgever mag niet gelijktijdig recht hebben op andere subsidies in de loonkosten.
2.4.11 Wettelijke loonkostensubsidie
Een tegemoetkoming voor werkgevers bij het in dienst nemen van een inwoner die als gevolg van een arbeidsbeperking minder productief is ten opzichte van een medewerker zonder beperking.
1Het college kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het gaat dan om inwoners, die in het doelgroepenregister voor de banenafspraak staan, omdat UWV dat heeft bepaald, of omdat het college via de zgn. praktijkroute heeft vastgesteld, dat ze dit minimumloon niet kunnen verdienen.
2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies.
3De wettelijke loonkostensubsidie kan aangevraagd worden door de werkgever of de inwoner die tot de doelgroep behoort.
4Het administratieve proces van de wettelijke loonkostensubsidie is als volgt:
a.Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d PW, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die van plan is om de inwoner die tot de doelgroep behoort in dienst te nemen. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vierde lid van dit artikel van toepassing.
b.Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de inwoner, aan de werkgever en de inwoner.
c.Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een inwoner betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c PW.
d.Als de aanvraag, zoals genoemd onder c. is gedaan na het begin van het dienstverband dan wordt de vaststelling of de inwoner behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute.
e.Het college stelt binnen 5 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d lid 5 PW.
f.Het college gebruikt het preferente werkproces voor het verstrekken van de loonkostensubsidie.
2.4.12 Vaststellen loonwaarde bij wettelijke loonkostensubsidie
Een onderzoek op de werkplek waarbij er gekeken wordt wat een werknemer met een arbeidsbeperking kan verdienen ten opzichte van een werknemer zonder beperking.
Het college onderzoekt of laat onderzoeken hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft). Hierbij wordt gebruik gemaakt van een gevalideerde methode.
2.4.13 Premies
Een premie ter bevordering van positief gedrag, gericht op uitstroom naar betaalde arbeid.
1Het college kan aan personen uit de doelgroep een premie in het kader van arbeidsinschakeling toekennen.
2Het college kan nadere regels stellen over de hoogte en ook de voorwaarden waaronder een premie zoals bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt.
2.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen
1Het college kan andere voorzieningen en vergoedingen niet genoemd in deze verordening inzetten als dat nodig is om inwoners te helpen aan het werk te gaan of te blijven of om de kans op werk te vergroten.
2Het college kan een tegemoetkoming verstrekken aan de inwoner die kosten moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk.
HOOFDSTUK 4 – Afspraken tussen inwoner en gemeente
4.3. Afstemming op houding en gedrag van de inwoner
4.3.1 Geen afstemming of matiging
1Het college verlaagt de uitkering niet als:
a.Het gedrag van de inwoner hem niet te verwijten is; of
b.Het gedrag van de inwoner meer dan één jaar vóór constatering daarvan heeft plaatsgevonden; of
c.Het college daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
2Het college matigt de afstemming als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij matiging wordt de gedraging wel geregistreerd en bij recidive telt deze gedraging mee in de hoogte en duur van de afstemming.
4.3.2 Ingangsdatum en periode verlaging
1Het college verlaagt de uitkering vanaf de kalendermaand na de maand waarin het college het besluit tot verlaging aan de inwoner per brief bekend heeft gemaakt. Tenzij de uitkering over de voorgaande maand(en) nog niet is uitbetaald dan vindt de verlaging plaats vanaf het moment van de gedraging.
2Het college kan de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan zal het college het overgebleven deel van de verlaging alsnog opleggen als de inwoner binnen 12 maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen.
4.3.3 Heroverweging binnen drie maanden en inkeerbepaling
1Het college stelt de heroverwegingstermijn als bedoeld in artikel 18, lid 3 van de PW op drie maanden.
2Het college kan op verzoek van de inwoner op grond van artikel 18, lid 5, 6, 7 of 8 PW, de afstemming herzien. Uit houding en gedragingen van de inwoner moet blijken dat hij/zij de verplichtingen alsnog nakomt.
a.Het verzoek kan worden ingediend vanaf de datum van de beschikking tot de einddatum van de looptijd van de verlaging.
b.De inwoner moet aantoonbaar maken dat de betreffende verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de PW alsnog wordt nagekomen.
3Het gestelde in lid 2 is niet van toepassing als er een verlaging opgelegd is in verband met zeer ernstig misdragen (agressie) dan wel tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van het bestaan.
4.3.4 Berekening verlaging
De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm PW, bijzondere bijstand en bij IOAW/IOAZ van de grondslag.
1Een verlaging wordt berekend over de norm PW of bij IOAW/IOAZ van de grondslag.
2In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als:
a.aan de inwoner bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van PW, of
b.de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.
3Bij toepassing van het tweede lid moet ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als “de verleende bijzondere bijstand”.
4.3.5 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen (PW)
1Het college verlaagt de uitkering één maand als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, van de PW niet voldoende nakomt. Die verlaging is wettelijk vastgesteld op 100% van de uitkeringsnorm en wordt verdeeld over 3 maanden.
2De verlaging wordt als volgt opgelegd:
a.Eerste maand 40%;
b.Tweede en derde maand 30%.
3Als er sprake is van recidive wordt de uitkering met 100% verlaagd voor een periode van 2 maanden.
4.3.6 Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen
1Het college verlaagt de bijstandsuitkering (PW) een maand met 10% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag, verder te noemen categorie 1:
a.het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in art. 44a PW;
b.het niet voldoende meewerken aan de oproep of het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de PW;
c.het niet voldoende leveren van een door het college opgedragen tegenprestatie als bedoeld in art. 9 lid 1c PW;
d.verwijtbaar geen gehoor geven aan een uitnodiging in het kader van de re-integratie in het arbeidsproces;
e.bij de inwoner die alleenstaande ouder is: het uit houding en gedrag laten blijken geen gebruik te willen maken van een voorziening die de kans op werk kan vergroten, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 9a lid 1 PW.
f.het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid van de PW, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de PW, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, lid 4, van de PW.
2Het college verlaagt de uitkering PW een maand met 20% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag, verder te noemen categorie 2 als:
a.de inwoner niet, naar vermogen, probeert om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, lid 4 van de PW;
b.de inwoner de medewerkingsplicht niet of onvoldoende nakomt als bedoeld in artikel 17, lid 2 van de PW;
c.de inwoner zich niet of onvoldoende houdt aan de nadere afspraken over, van, voor arbeidsinschakeling als bedoeld in art. 55 PW en de gevolgen van deze afspraken niet tot vermindering van bijstand of beëindiging zouden leiden;
d.de inwoner zich niet of onvoldoende houdt aan de nadere afspraken verbonden aan het ontvangen van een uitkering als bedoeld in art. 55 PW en de gevolgen van deze afspraken niet tot vermindering van bijstand of beëindiging zouden leiden.
3Het college verlaagt de uitkering PW een maand met 40% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag, verder te noemen categorie 3 als:
a.De inwoner zich niet of onvoldoende houdt aan de nadere afspraken over, van, voor arbeidsinschakeling die leiden tot vermindering of beëindiging van de uitkering als bedoeld in art. 55 PW.
b.De inwoner zich niet of onvoldoende houdt aan de nadere afspraken die leiden tot vermindering of beëindiging van de uitkering als bedoeld in art. 55 Participatiewet.
4Het college verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 20% van de uitkeringsgrondslag, voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening;
b.het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;
c.het niet voldoende leveren van een door het college opgedragen tegenprestatie;
d.bij de inwoner die alleenstaande ouder is: het uit houding en gedrag laten blijken geen gebruik te willen maken van een voorziening die de kans op werk kan vergroten, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de PW.
5Het college verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 40% van de uitkeringsgrondslag, voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende proberen werk te vinden;
b.het niet aannemen van aangeboden werk;
6Als het college de IOAW- of IOAZ-uitkering, gelet op artikel 20 IOAW/IOAZ, tijdelijk of blijvend kan weigeren omdat de inwoner verwijtbaar werkloos is, wordt de uitkering niet met toepassing van lid 5 verlaagd, maar blijvend geweigerd. De uitkering wordt dan geweigerd naar de mate waarin de inwoner inkomen zou hebben kunnen ontvangen als hij niet verwijtbaar werkloos was geworden.
4.3.7 Stoppen verlaging
Het college kan de opgelegde verlaging beëindigen op het moment dat uit houding en gedrag van de inwoner overduidelijk blijkt dat hij alsnog de arbeidsverplichtingen nakomt. De inwoner moet het college zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij kan het verzoek per brief of e-mail indienen nadat het besluit om de uitkering te verlagen is genomen.
4.3.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid
1Het college verlaagt de uitkering van een inwoner die zich te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. De verlaging hangt af van het bedrag dat het college daardoor onterecht uitbetaalt. Het benadelingsbedrag wordt berekend met in achtneming dat het vermogen ingeteerd had mogen worden met 150% van de geldende bijstandsnorm en noodzakelijke bijzondere uitgaven.
2De verlaging duurt één maand en wordt vastgesteld op:
a.10% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot €1.000,-;
b.20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000, - tot € 2.000, -;
c.40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000, - tot € 4.000, -;
d.100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000, tot € 10.000, -:
e.100% van de uitkeringsnorm, gedurende twee maanden, bij een benadelingsbedrag van € 10.000, - of hoger.
3In individuele gevallen kan het college besluiten om de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken zoals als bedoeld in art. 48, lid2 b. van de PW.
4.3.9 Ontoelaatbaar gedrag
1Het college kan gedurende één maand, de uitkering van een inwoner die ontoelaatbaar gedrag vertoont tegenover personen en instanties die de PW, de IOAW en IOAZ uitvoeren als:
a.de inwoner zich zeer ernstig misdraagt door agressief verbaal gedrag dat niet op een medewerker persoonlijk is gericht. Hieronder wordt mede verstaan het gedrag per brief, telefoon, e-mail, internet en/of andere sociale media, wordt de uitkering met 20% van de uitkeringsnorm verlaagt;
b.de inwoner zich verbaal agressief gedraagt dat op een medewerker persoonlijk is gericht. Hieronder wordt mede verstaan het gedrag per brief, telefoon, e-mail, internet en/of andere sociale media, wordt de uitkering met 40% van de uitkeringsnorm verlaagd;
c.de inwoner zich ernstig misdraagt door het gebruik van fysieke agressie tegen een medewerker of een object, dan wel door het tonen van een wapen, wordt de uitkering met 100% van de uitkeringsnorm verlaagd.
4.3.10 Samenloop van gedragingen
1Als er sprake is van het niet nakomen van meerdere verplichtingen op hetzelfde moment leidt dit tot één verlaging. Het hoogste verlagingspercentage is dan van toepassing.
2Als er sprake is van het niet nakomen van meerdere verplichtingen op verschillende momenten waar nog geen verlaging voor is opgelegd worden de percentages van deze verlagingen bij elkaar opgeteld.
4.3.11 Herhaling (recidive)
1Het percentage van de verlaging wordt verhoogd of de duur van de verlaging verdubbeld als de uitkering, binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, opnieuw wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als het college de eerdere verlaging vanwege dringende redenen van de inwoner niet heeft opgelegd maar de inwoner wel verwijtbaar is gewijzigd in € 0,- (nihil) Als er sprake is van een eenzelfde verwijtbare gedraging zoals genoemd in artikel 4.3.6 lid 1 (categorie 1). Dan wordt telkens het percentage met 10% verhoogd.
2Als er sprake is van een eenzelfde verwijtbare gedraging zoals genoemd in artikel 4.3.6 lid 2 (categorie 2) dan wordt het percentage éénmalig met 20% verhoogd. Nogmaals een verwijtbare gedraging heeft invloed op de duur van de verlaging. Dan is lid 3 van toepassing. Dit lid is ook van toepassing op artikel 4.3.6 lid 4.
3Als er sprake is van dezelfde verwijtbare gedraging zoals genoemd in artikel 4.3.6. lid 3 (categorie 3) wordt de duur verdubbeld in plaats van het percentage. Bij een verlaging van 40% wordt bij dezelfde verwijtbare gedraging niet meer het percentage verhoogd maar de duur van de verlaging. Dit lid is ook van toepassing op artikel 4.3.6. lid 5.
4.4. Hoe controleert het college of de afspraken worden nagekomen?
4.4.1 Uitgangspunten
Om de doelen van de wetten te bereiken, is het belangrijk, dat inwoners hun verplichtingen nakomen en dat het college inwoners daarbij helpt. Het college doet dat door:
1klantgerichte dienstverlening en een hierbij passende administratieve organisatie;
2begrijpelijke informatie aan de inwoner te geven over rechten en plichten;
3inwoners met een bijstandsuitkering op een passende manier te begeleiden op weg naar betaald of onbetaald werk;
4gebruik te maken van data die diverse overheidsinstellingen met elkaar delen.
5samen te werken met andere organisaties, zoals UWV, maatschappelijke organisaties en andere gemeenten;
6inwoners die hun verplichtingen niet nakomen aan te spreken op hun gedrag.
4.4.2 Controle
1Het college controleert of de inwoner recht heeft op een uitkering en of hij de juiste uitkering ontvangt. Het college kan daarvoor gebruik maken van:
a.huisbezoeken: we bezoeken de inwoner als er sprake is van onduidelijkheid over de woonsituatie;
b.bestandsvergelijkingen: het college vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;
c.signalen en tips van organisaties of particulieren;
d.andere passende onderzoeksmethoden.
2Bij de controle van uitkeringen zorgt het college ervoor dat de wettelijke regels worden nageleefd.
3Bij beëindiging van de uitkering op verzoek van de inwoner, onderzoekt het college wat de reden is van de beëindiging. Het college gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.
4.4.3 Voorkomen van misbruik
Het college streeft ernaar om misbruik te voorkomen (preventie).
1Het college informeert de inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen.
2Het college stelt nadere regels op over de controle over de naleving van de wet- en regelgeving.
4.4.5 Privacy
1Het college stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast een protocol op. Het gaat in ieder geval om een protocol voor de inzet van huisbezoeken en buurtonderzoeken.
2De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. Het college maakt de protocollen openbaar.
3Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt het college ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.
4.4.6 Toezichthouder
Het college kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
4.5. Terugvorderen uitkering en verhaal
4.5.1 Terugvordering en incasso
Het college vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet. Het college vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner.
De wijze waarop terugvordering en verhaal wordt uitgevoerd is vastgelegd in de beleidsregels debiteuren Hoeksche Waard.