Gemeentelijke regelgeving

Ontheffingenbeleid stookverbod buiten de inrichting Hoeksche Waard

Gemeente Hoeksche Waard · geldt sinds 21 september 2022

Bijlage 1 Uit de Handreiking Advisering op brandveiligheid bij evenementen van de Brandweer Zuid-Holland Zuid

Artikel 20 Brandveiligheid Vreugdevuren

20.1 Het ontbranden van vreugdevuren is onder voorwaarden toegestaan;

20.1. 1 De maximale omvang maximale omvang van een vreugdevuur is 1000 m3. Dit komt overeen met een stapel met een hoogte van 8 m bij een grondvlak van 1 1 x 1 1 of een hoogte van 4 m bij een grondvlak van 16 x 16 m;

20.1. 2 Aanvragen voor een vreugdevuur met een grotere omvang dan 1000 m3 worden met enige terughoudendheid behandeld;

20.1. 3 De afstand tussen de brandstapel en een verharde weg of pad moet bij voorkeur maximaal 40 meter bedragen om bereikbaarheid met een tankautospuit mogelijk te maken;

20.1. 4 Veiligheidsafstanden:

Bij het oprichten en verbranden van het vreugdevuur moeten de volgende minimale veiligheidsafstanden in acht worden genomen:

Afstand tot:

< 100 m3

< 1000 m3

Gebouwen / objecten

25m

50m

Publiek

25m

50m

Rieten daken / terrein met riet, heide.

dor gras etc./ opslag van hooi of stro

200m

Openbare weg

25m

Auto(snel)wegen

500m

Bovengrondse hoogspanningskabels

40m

Meldingsplicht netbeheerder als de afstand tot een hoogspanningskabel kleiner is dan

500m

Ondergrondse buisleidingen

25m

Voor overige situaties en vreugdevuren met een grotere omvang dan 1000 m3 moet de veiligheidsafstand bepaald te worden door de lokale brandweer, in overleg met bureau expertise en advies brandweer van de Regionale Brandweer Zuid-Holland Zuid.

20.1. 5 Voor het aansteken van het vreugdevuur moet de brandstapel stabiel en aaneengesloten zijn opgebouwd:

20.1. 6 De brandstapel mag uitsluitend bestaan uit snoeihout (conform de witte lijst van www.lnfomil.nl) of schoon pallethout in geval van de verbranding van huttenbouwfeesten;

20.1. 7 Een vreugdevuur mag niet worden aangestoken indien de windkracht 6 of meer is,-

20.1. 8 Bij extreme droogte (de regionale brandweer kan hiervoor een indicatie geven gebaseerd op klimatologische gegevens) mag een vreugdevuur niet worden aangestoken;

20.1. 9 Een vreugdevuur mag niet worden aangestoken indien de (verwachte) windrichting pal op woonbebouwing is gericht;

20.1. 10 Een vreugdevuur mag niet worden aangestoken of de ontbranding moei worden beëindigd indien de windrichting zodanig is dat derden of het verkeer op de openbare weg door rookontwikkeling of vliegvuur wordt gehinderd;

20.1. 11 Indien tijdens het branden van het vreugdevuur ernstig gevaar of hinder ontstaat, kan door of namens burgemeester en wethouders besloten worden hel vuur voortijdig te beëindigen en af te blussen;

20.1. 12 Het aansteken van het vreugdevuur mag uitsluitend gedaan worden met behulp van een gasbrander of door middel van stro in de stapel. De gasfles moet na het aansteken van de brandstapel verplaatst worden tot een afstand minimaal gelijk aan de afstand tot publiek en gebouwen;

20.1. 13 Het aansteken van het vreugdevuur mag niet versneld worden door gebruik te maken van vloeibare brandstof en als benzine, diesel, afgewerkte olie;

20.1. 14 Tijdens hei vreugdevuur moet voldoende EHBO materiaal aanwezig zijn;

20.1. 15 Tijdens het vreugdevuur <100 mi moet er minimaal 1 handbrandblusser met een inhoud van ten minste 6 kg blusstof aanwezig zijn. Bij een vreugdevuur >IOO m' minimaal 2 brandbrandblussers met een inhoud van minimaal 6 kg blusstof;

20.1. 16 Tijdens het branden van het vreugdevuur moeten minimaal twee meerderjarigen aanwezig zijn, waaronder de houder van de ontheffing of de toezichthouder;

20.1. 17 De houder van de ontheffing of de toezichthouder moet aanwezig blijven tot het vuur volledig is gedoofd;

20.1. 18 Bij het verlaten van de stookplaats moet het vuur zijn geblust. zodat geen gevaar bestaat voor doorsmeulen of wederom opvlammen van brandbare stoffen;

20.1. 19 De houder van de ontheffing moet de (as)resten uiterlijk binnen een week na de verbranding op een milieu hygiënisch verantwoorde wijze hebben afgevoerd- Voldoet de houder niet aan deze verplichting dan zullen de resten door de gemeente worden opgeruimd op kosten van de houder van de ontheffing;

20.1. 20 De stookplaats moet door de houder van de ontheffing weer volledig in oorspronkelijke staal worden teruggebracht.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.