Gemeentelijke regelgeving

Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard

Gemeente Hoeksche Waard · geldt sinds 2 juli 2022

Aanhef

[Op 10 november 2020 heeft de gemeenteraad deze regeling opnieuw geldend verklaard voor het grondgebied gemeenten Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk en Oud-Beijerland. Dit besluit is bekendgemaakt op 4 december 2020 in Gemeenteblad 2020, 319504.]

1 Introductie

1.1 Inleiding

In opdracht van de Hoeksche Waard heeft ADC Heritage samen met ADC ArcheoProjecten een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart vervaardigd voor de Hoeksche Waard.

Het doel van de archeologische beleidsadvieskaart is onder meer om de waardevolle archeologische elementen van de Hoeksche Waard te behouden en tegelijkertijd voor de noodzakelijke dynamiek te kunnen zorgen. Daarbij is het belangrijk dat de gemeenten van de Hoeksche Waard zicht krijgen op de ontwikkeling van een eigen visie en archeologisch beleid in relatie tot de Hoeksche Waard als nationaal landschap.

1.1.3 Beleidsadvieskaart

1.2 Verantwoording

Bij het opstellen van dit product is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

•het Centraal Archeologisch Archief, het Centraal Monumenten Archief en de Archeologische Monumenten kaart, alle ontsloten via ARCHIS

•Archeologische rapportages van onderzoeken in de Hoeksche Waard

•Holland, de Archeologische Kroniek van de provincies Zuid- en Noord-Holland, jaargangen 1992 t/m 2005.

•diverse bronnen ter beschikking gesteld door de Commissie Hoeksche Waard en de SAH:

o rapporten van diverse archeologische onderzoeken

o Archeologisch Beleidsplan Oud-Beijerland

4Ras 2003 (1), Oude Rengerink 2006.

•de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland

•historisch kaartmateriaal, waaronder:

o Minuutkaarten uit het begin van de 19e eeuw

o Topografische kaart uit 1856

5Wolters-Noordhoff Atlasprodukties 1990

o Bonnekaarten uit 1878-1907

•het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

•Aardwetenschappelijk kaartmateriaal:

•de bodemkaart van Nederland 1:50.000, blad 37 Oost, 43 West en Oost en 44 West

•de geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000, landsdekkende digitale kaart

•de geologische kaart van Nederland 1:50.000, blad 37 Oost en 43 Oost

•de paleogeografische kaarten van de Rijn/Maas-delta

6Berendsen & Stouthamer 2001

•de paleogeografische kaart van Nederland

7Vos 2006.

•overige aardwetenschappelijke en archeologische literatuur over het gebied

Uitgangspunt voor het reconstrueren van de opbouw van de ondergrond van de Hoeksche Waard zijn de geologische kaart, de geomorfologische kaart en de bodemkaart op schaal 1:50.000. Voor het uiterste oosten van het eiland zijn de paleogeografische kaarten van de Rijn/Maas-delta gebruikt. De begrenzing en interpretatie van de verschillende afzettingen is, waar nodig, verder verfijnd met behulp van hoogtegegevens van het AHN.

Voor de gemeente Oud-Beijerland is zowel in 2003 als in 2006 reeds een archeologische beleidsadvieskaart opgesteld (zie verder paragraaf 1.3).

8Ras 2003 (1); Oude Rengerink 2006.

De laatste kaart wijkt inhoudelijk sterk af van de eerste. De reden hiervoor is dat voor beide kaarten een andere basis is genomen waarop het verwachtingsmodel is opgesteld. De argumentatie van de archeologische verwachting op de kaart uit 2006 is onzes inziens onvoldoende onderbouwd. Om deze reden is besloten de kaart van Oranjewoud niet integraal in de beleidsdvieskaart voor de gehele Hoeksche Waard over te nemen. De basis voor het verwachtingsmodel die voor onderhavig onderzoek is gekozen sluit grotendeels aan bij die van SOB.

Naast de bovengenoemde bronnen is extra (mondelinge) informatie verkregen door de raadpleging van de Stichting Archeologie Hoeksche Waard (SAH).

Op grond van de geïnventariseerde gegevens is, in combinatie met algemene kennis over bodemopbouw, bewoningsgeschiedenis van en locatiekeuzes in en rondom de Hoeksche Waard een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Dit model geeft op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten en feitelijke waarnemingen op het eiland een voorspelling over het voorkomen, de aard en de verspreiding van archeologische resten. De als bijlage in dit rapport opgenomen archeologische verwachtingskaart is een visualisatie van dit model.

De op de verwachtingskaart gebaseerde beleidsadvieskaart bevatten zones waar wel of geen voorwaarden zijn verbonden aan toestemming om de bodem te mogen verstoren. De auteurs merken op dat de grenzen van deze zones met de grootst mogelijke nauwkeurigheid zijn bepaald op zoveel mogelijk en zo nauwkeurig mogelijke gegevens. Er kan grofweg een onderscheid worden gemaakt in grenzen die ‘hard’ zijn en grenzen die ‘zacht’ zijn. Van harde grenzen is sprake waar met grote nauwkeurigheid (binnen meters) de zones konden worden onderscheiden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het omgrenzen van afgegraven percelen en het bepalen van de locatie van ingemeten opgravingsputten. Deze grenzen vallen vaak samen met kadastrale of topografische grenzen. Van zachte grenzen is sprake als er tussen zones graduele overgangen bestaan. Als voorbeeld kan worden genoemd de begrenzing van geologische eenheden, zoals deze op de geologische kaart zijn weergegeven. Hier is de begrenzing vaak gebaseerd op interpolatie van de geologische situatie tussen verschillende grondboringen, waardoor de weergegeven grens in feite het midden vormt van een enkele honderden meters brede zone. Zachte grenzen vallen in ieder geval vrijwel nooit samen met kadastrale of topografische grenzen.

1.3 Relatie tot reeds bestaande archeologische kaarten

Provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur

De Provincie Zuid-Holland heeft in 2007 haar Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) geactualiseerd. De CHS biedt een integraal overzicht (in de vorm van een kaartbeeld) op provinciaal niveau van de relevante cultuurhistorische kenmerken en waarden (archeologie, historische stedenbouw, en historisch landschap). De op de cultuurhistorische kaart aangegeven trefkans of verwachtingswaarde correspondeert, wat betreft classificatie en kaartbeeld, grotendeels met de door de RCE uitgebrachte Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW).

Onze kaart is bedoeld als verfijning van deze kaart (zie paragraaf 1.1), en wijkt daarom logischerwijs af van de CHS. Deze afwijking is vooral van toepassing op de zee-afzettingen, die op de CHS een lage trefkans op archeologische resten heeft gekregen. Onze kaart geeft voor deze zone een middelhoge verwachtingswaarde, gezien de mogelijk aanwezige prehistorische resten op de kreekruggen onder deze afzettingen (zie ook hieronder). De kans op deze resten achten wij te groot om aan dit gebied een lage verwachting toe te kennen.

Verwachtingskaarten voor Oud-Beijerland (SOB Research en Oranjewoud)

Voor de gemeente Oud-Beijerland is zowel in 2003 als in 2006 reeds een archeologische beleidsadvieskaart opgesteld. Onze verwachtingskaart wijkt, soms in belangrijke mate, af van deze kaarten.

In de kaart uit 2003 is aan het gehele veengebied van Oud-Beijerland een redelijke (lees: middelhoge) verwachting toegekend.

9Ras 2003.

Op de kaart uit 2006 is echter de archeologische verwachting van dit gebied sterk naar beneden bijgesteld. Op grond van de veronderstelde diepte van de top van het Hollandveen Laagpakket en de aard van het bovenliggende pakket (zand of klei) is een onderverdeling gemaakt tussen zones met hoge, middelhoge en lage verwachting. Deze verwachting is grotendeels gebaseerd op de veronderstelling dat het veen op plaatsen waar de top van het veen is afgedekt met een kleidek (vermoedelijk een afzetting uit de Duinkerke I-transgressiefase), het minst aan erosie onderhevig zal zijn geweest. Aan deze zone is een hoge verwachtingswaarde toegekend. Wanneer het veen is bedekt door een zanddek uit de Duinkerke IIIb-transgressiefase, zou dit wijzen op erosie van het Hollandveen. Aan deze zones is een middelhoge en lage verwachtingswaarde toegekend (afhankelijk van de verwachte mate van erosie).

Onzes inziens is het op deze gronden onderverdelen van verwachtingszones niet voldoende te verantwoorden, voornamelijk omdat er op deze manier slechts voor archeologische resten op het Hollandveen, dus vanaf de IJzertijd, een uitspraak wordt gedaan. De mogelijk aanwezige oudere (vanaf het Neolithicum) vindplaatsen op de kreekruggen onder het Hollandveen worden op deze manier volledig buiten beschouwing gelaten. Dit terwijl deze oudere vindplaatsen meer binnen bereik komen van bodemingrepen naarmate er meer veen is geërodeerd. Daarnaast levert archeologisch onderzoek in dit veengebied nog regelmatig goed bewaarde vindplaatsen uit IJzertijd en Romeinse tijd op. Het is hierom dat onze kaart, voor een groot deel vergelijkbaar met de kaart uit 2003, een middelhoge verwachting toekent aan dit gebied.

1.4 Leeswijzer

Het rapport is als volgt ingedeeld. Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 de ontwikkeling en bewoningsgeschiedenis van de gemeente beschreven. In hoofdstuk 3 wordt op basis van het voorgaande het archeologische verwachtingsmodel beschreven, dat ten grondslag ligt aan de archeologische verwachtingskaart. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 het Rijks- en provinciaal beleid samengevat en wordt in hoofdstuk 5 het advies voor het archeologisch selectiebeleid geformuleerd. Tevens wordt beschreven hoe de archeologische beleidsadvieskaart op basis van de verwachtingskaart en de beleidsmatige randvoorwaarden tot stand is gekomen en wordt per onderscheiden zone een toelichting gegeven op het beleidsadvies.

Bij het rapport bevinden zich twaalf losse kaartbijlagen, een tekstbijlage en een CD bijlage. De kaartbijlagen geven een grafische weergave van de bereikte resultaten. Kaartbijlage 1 (opgedeeld in zes deelkaarten 1-I tot en met 1-VI) vormt de archeologische verwachtingskaart. Kaartbijlage 2 (opgedeeld in zes deelkaarten 2-I tot en met 2-VI) is de archeologische beleidsadvieskaart. De begrenzing van de zes deelgebieden I tot en met VI is weergegeven op afbeelding 3.

Bijlage 1 bestaat uit een catalogus van alle bekende vindplaatsen.

In het rapport wordt regelmatig verwezen naar archeologische perioden. De opeenvolging van de verschillende perioden is weergegeven in tabel 1.

Tabel 1 Archeologische perioden

Periode

Tijd in jaren

Nieuwe Tijd

1500 na Chr.

-

heden

Late-Middeleeuwen

1050 na Chr.

-

1500

na Chr.

Vroege-Middeleeuwe

450na Chr.

-

1050

na Chr.

Romeinse Tijd

19voor Chr

-

450

na Chr.

IJzertijd

800voor Chr

-

19

voor Chr

Bronstijd

2000 voor Chr

-

800

voor Chr

Neolithicum (Nieuwe Steentijd)

5300 voor Chr

-

2000

voor Chr

Mesolithicum (Midden Steentijd)

8800 voor Chr

-

4900

voor Chr

Paleolithicum (Oude Steentijd)

300000 voor Chr

-

8800

voor Chr

1.5 Onderzoeksgebied

Het onderzoeksgebied beslaat de Hoeksche Waard (met inbegrip van het eiland Tiengemeten) en omvat de gemeenten Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland en Strijen. De gemeenten hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 326 km2.

In de gemeente Binnenmaas liggen de bewoningskernen Heinenoord, Maasdam, Mijnsheerenland, Puttershoek, 's-Gravendeel en Westmaas, alsmede de buurtschappen Blaaksedijk, Goidschalxoord, Greup, Kuipersveer, Schenkeldijk en Sint Anthoniepolder. In de gemeente Oud Beijerland liggen naast de gelijknamige kern Oud-Beijerland de buurtschappen Vuurbaken en Zinkweg. In de gemeente Korendijk liggen Goudswaard, Nieuw-Beijerland, Nieuwendijk, Piershil, Zuid-Beijerland en de buurtschappen Tiengemeten en Zuidzijde. In Cromstrijen liggen Klaaswaal en Numansdorp, alsmede de buurtschappen Middelsluis, Oudesluis en Schuring. Tot slot liggen in Strijen de kernen Strijen en Strijensas en de buurtschappen Cillaarshoek, De Klem en Mookhoek.

Op de cultuurhistorische hoofdstructuur van de Provincie Zuid-Holland (CHS) varieert de trefkans op archeologische waarden in het gebied van laag tot zeer groot (zie afbeelding op de volgende bladzijde). Op dit moment staan er in de database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) 48 archeologische terreinen en 298 archeologische waarnemingen in de Hoeksche Waard geregistreerd. De meeste waarnemingen in de regio zijn verbonden met de ligging van voormalige kreken in de ondergrond. Daar waar afzettingen van de voormalige kreken in de ondergrond voorkomen geeft de CHS een redelijke tot grote of zeer grote trefkans op archeologische resten aan. Van de archeologische terreinen heeft er één de wettelijk beschermde status (nabij Maasdam). Het betreft de overblijfselen van het uit historische bronnen bekende kasteel Weede. Het werd rond 1225 gebouwd en was gelegen in een buitenbocht van een meander van de toenmalige Maas.

Daarnaast staan er in de database van de RCE 227 archeologische onderzoeken geregistreerd, waarvan het overgrote deel bureau- en booronderzoeken betreft.

1.6 Tot slot

Het onderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van het opstellen van de verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard is verricht door het volgende projectteam. J. Huizer (fysisch geograaf/projectleider prospectieonderzoek ADC ArcheoProjecten) en S.J. Nederpelt (junior fysisch geograaf ADC ArcheoProjecten) hebben de archeologische, historische en aardwetenschappelijke informatie geïnventariseerd, het verwachtingsmodel opgesteld en de archeologische verwachtingskaart vervaardigd. M. Benjamins (beleidsadviseur ADC Heritage) en S. van der A (senior adviseur ADC Heritage) hebben de beleidsadviezen geformuleerd, die door J. Huizer op de beleidsadvieskaarten zijn weergegeven. De autorisatie en inhoudelijke kwaliteitsborging berustte bij R.P.B. Torremans (senior archeoloog ADC ArcheoProjecten) en W.K. van Zijverden (senior fysisch geograaf ADC ArcheoProjecten).

ADC Heritage heeft dit rapport en de verwachtings- en beleidsadvieskaart niet alleen kunnen opstellen, daarom gaat dank uit naar dhr. J. Ras van de SAH (Stichting Archeologie Hoeksche Waard) voor het ter beschikking stellen van archeologische gegevens.

2 Ontstaans- en bewoningsgeschiedenis van de Hoeksche Waard

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de globale ontstaans- en bewoningsgeschiedenis van de Hoeksche Waard behandeld. Allereerst wordt de vorming van het natuurlijke landschap en bodem beschreven. Het is belangrijk om zich een beeld te vormen van het landschap, omdat dit van invloed kan zijn geweest op keuzes van de mens om locaties te kiezen voor onder andere nederzettingen, grafvelden en akker- en weidegronden. Daarnaast heeft de mens op zijn beurt het landschap beïnvloed en omgevormd tot een cultuurlandschap.

De bewoningsgeschiedenis zal worden beschreven aan de hand van waarnemingen en diverse in het onderzoeksgebied uitgevoerde archeologische onderzoeken. Veruit de meeste waarnemingen en onderzoeken zijn geregistreerd in het noordoosten van de Hoeksche Waard, met name rondom de Binnenbedijkte Maas en verder op de Binnenmaas/Puttershoekse Stroomrug. Deze onevenwichtige spreiding heeft waarschijnlijk twee oorzaken.

Enerzijds is er in dit deel van het eiland sprake van de grootste druk op de ruimte (onder andere door de aanleg van de Hoge Snelheids Lijn tussen 2000 en 2006), waardoor er in de geest van het Verdrag van Valletta (Malta) uit 1992 relatief veel archeologische onderzoeken zijn verricht.

Anderzijds is het juist dit gedeelte van het eiland waar op basis van in het verleden verricht onderzoek en de op de Binnenmaas/Puttershoekse Stroomrug aangetoonde archeologische waarden de kans op het aantreffen van archeologische resten van oudsher (terecht) hoog werd ingeschat.

Ten onrechte kan hierdoor de suggestie worden gewekt dat voor het zuiden en westen van het eiland, waar tot op heden relatief weinig (prehistorische) resten zijn aangetroffen, een lage trefkans geldt. Echter, het relatief weinig aantreffen van deze resten kan zijn veroorzaakt door het feit dat hier tot op heden relatief weinig onderzoek is uitgevoerd. De mogelijkheid bestaat dat er wellicht nog veel onontdekte resten liggen.

2.2 Geologie en geomorfologie

Pleistoceen

Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, werd in grote delen van Nederland door de wind een pakket zeer fijn tot matig grof zand afgezet, ook wel dekzand genoemd. Deze afzettingen behoren tot het Laagpakket van Wierden, onderdeel van de Formatie van Boxtel. Ongeveer ten zuiden van waar nu de Binnenbedijkte Maas is gelegen, bevindt dit dekzand zich in de ondergrond, waarbij de top varieert van circa 5 m –NAP in de buurt van Strijen en Strijensas tot circa 15 m –NAP in de buurt van Nieuwendijk (respectievelijk circa 5 m en 15 m beneden maaiveld).

In de noordelijke helft van de Hoeksche Waard bestaat het pleistocene oppervlak uit rivierafzettingen van de Rijn en de Maas, behorende tot de Formatie van Kreftenheye. Tijdens het Weichselien lag in deze omgeving een groot oost-west gericht, tot circa 10 m diep rivierdal.

10Op de geologische kaart 43 Oost worden in de omgeving van Strijen enkele kleine gebiedjes weergegeven, waar het boven het Laagpakket van Wierden gelegen en hierna te bespreken Laagpakket van Wormer ontbreekt. Hoewel deze gebiedjes op de geologische kaart niet explicitiet als zodanig worden aangeduid, zijn ze mogelijk te interpreteren als opduikingen van het pleistocene zand in de vorm van rivierduinen, zoals deze elders in de Laat-pleistocene riviervlakte (Alblasserwaard, IJsselmonde) ook aanwezig zijn

Het zuidelijke deel van de Hoeksche Waard was in die tijd gelegen op de zuidelijke helling van dit rivierdal, terwijl het noordelijke deel van het eiland zich in de beddingvlakte van het vlechtende riviersysteem bevond.

Holoceen

Het Holoceen is het tijdvak in de aardgeschiedenis waar wij nu in leven. Het begon ongeveer 10.000 jaar geleden toen de laatste ijstijd, het Weichselien, ten einde was. Het Holoceen is een relatief warme periode die gekenmerkt wordt door een grote temperatuurstijging. Door deze temperatuurstijging kon het landijs uit het Weichselien afsmelten waardoor de zeespiegel, vooral aan het begin van het Holoceen, sterk steeg. Terwijl in het oosten en zuiden van Nederland (Hoog Nederland) het vooral de pleistocene afzettingen zijn die vlak of direct aan het oppervlak voorkomen, zijn het in West- en Noord-Nederland (Laag Nederland) de holocene afzettingen die tot in de diepe ondergrond, 15 tot 20 m -NAP, de pleistocene lagen bedekken. Deze holocene afzettingen zijn ontstaan onder invloed van zowel de zee als de rivieren. De mariene (=zee-) afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Naaldwijk, de fluviatiele (=rivier-) afzettingen tot de Formatie van Echteld en het veen tot de Formatie van Nieuwkoop.

Ten gevolge van de postglaciale zeespiegelstijging en de daarmee samenhangende grondwaterstijging werd het gebied drassiger en ontstonden er moerassen. Hierdoor ontstond de Basisveen Laag (onderdeel van de Formatie van Nieuwkoop en zo genoemd omdat deze de basis vormt van het holocene pakket). De vorming van het veen hangt samen met de zeespiegelstijging, wat inhoudt dat het veen daardoor globaal van west naar oost gevormd is. Het veen groeide als het ware voor de zee uit; het oudste basisveen is dan ook te vinden in de bodem van de huidige Noordzee. De Basisveen Laag is veelal slechts een halve meter dik.

Tijdens het begin van het Subboreaal (vanaf ongeveer 3000 jaar v.Chr.) stroomden grote rivieren (Rijn en Maas) door het gebied. Evenals dat tegenwoordig het geval is, was er toen sprake van een stelsel van verschillende geulen die zich vertakten en weer samenkwamen. In het noordoosten van de Hoeksche Waard bevinden zich diverse restanten van dergelijke geulen. De op de kaartbijlagen aangegeven geulen zijn op basis van verschillende bronnen te reconstrueren:

Het systeem dat ten westen en ten oosten in het verlengde van de huidige Binnenbedijkte Maas was gelegen, en liep van Dubbeldam - Dordrecht - Zwijndrecht - Puttershoek - Mijnsheerenland - OudBeijerland (hierna te noemen: Binnenmaas meandergordel) is op de geologische kaart bladen 37 Oost en 43 Oost aangegeven als Afzettingen van Duinkerke (in de huidige lithostratigrafische terminologie beter bekend als Laagpakket van Walcheren, onderdeel van de Formatie van Naaldwijk). Op de profielen behorende tot de geologische kaart 43 Oost zijn echter hieronder tevens geulafzettingen van de Afzettingen van Calais-Gorkum (huidige terminologie: Laagpakket van Wormer/Formatie van Echteld) weergegeven.

Op de paleogeografische kaarten van de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) wordt op deze plek vanaf het Vroeg-Subboreaal (circa 3000 v.Chr.) een door getijdewerking beïnvloedde meandergordel weergegeven.

11Vos 2006.

Het uiterste oosten van de Hoeksche Waard is gekarteerd op de paleogeografische kaarten van deRijn/Maas-delta. De hierboven beschreven geul ligt in het verlengde van de op deze kaarten als “Oude Maasje” benoemde meandergordel, die wordt gedateerd tussen 190 en 1250 n. Chr.

12Berendsen & Schouthamer 2001. Ons inziens dient er nadrukkelijk op te worden gewezen, dat deze datering is gebaseerd op gegevens die afkomstig zijn van buiten het onderzoeksgebied (de Hoeksche Waard) en dat de begindatering een minimale ouderdom aangeeft. De auteurs geven zelf aan, dat er op de oeverafzettingen archeologische resten zijn aangetroffen uit de Late IJzertijd; bovendien zijn er buiten het door de auteurs gekarteerde gebied op de oeverafzettingen van de in het verlengde van het “Oude Maasje” gelegen Binnenmaas-meandergordel waarnemingen van archeologische resten uit eerdere perioden (Neolithicum en Bronstijd) gemeld. Daarnaast verdient het aanbeveling, om in de Hoeksche Waard niet te spreken over het “Oude Maasje”, maar over de Binnenmaasmeandergordel, voor wat betreft de Binnenbedijkte Maas en de ten noordwesten ervan in de richting van OudBeijerland te vervolgen beddingafzettingen. Het is namelijk maar de vraag, of de Binnenmaas-meandergordel één op één aansluit op het “Oude Maasje”, zeker ook gezien de aanzienlijke verschillen in datering.

Ten noorden van de Binnenbedijkte Maas is op het AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland) een aantal geulpatronen herkenbaar (zie afb. 1), die tot nu toe (nog) niet als zodanig op de geologische kaart zijn weergegeven. Het betreft naar alle waarschijnlijkheid zandige bedding- en oeverafzettingen van een meanderend riviersysteem, waarbij door inklinking van het omringende sediment, de geulpatronen relatief hoog zijn komen te liggen. Een nauwkeurige datering voor dit systeem valt vooralsnog niet te geven, al heeft in 1998 een archeologisch booronderzoek plaatsgevonden op een uitbreidingslocatie ten zuiden van Puttershoek (“De Grienden”), waarbij op circa 1 m beneden maaiveld oeverafzettingen werden aangetroffen met daarop aardewerk- en vuursteenfragmenten van de laatneolithische Klokbekercultuur (circa 2300 – 2100 v. Chr.).

13Biemans et al. 1998.

Het in 1999 uitgevoerde vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek bevestigde deze datering.

14Van der Heijden et al. 1999.

Afbeelding 1: Uitsnede van het AHN. Rood is relatief hoog gelegen (25 cm +NAP); blauw is relatief laag gelegen (175 cm –NAP). Tussen Heinenoord, Mijnsheerenland en Puttershoek is een aantal geulpatronen herkenbaar, die zich manifesteren als geel tot oranje gekleurde, circa 200 à 300 m brede banen.

Tegen het eind van het Subboreaal (het Subboreaal duurt tot circa 700 v.Chr.) raakte het gebied (evenals het overgrote deel van West-Nederland) minder vaak overstroomd door de zee en de grote rivieren, waardoor de vegetatie zich ongestoord kon ontwikkelen tot een uitgestrekt moerasgebied. Dit resulteerde in de vorming van een dik veenpakket, het Hollandveen Laagpakket (onderdeel van de Formatie van Nieuwkoop).

In de loop van het Subatlanticum (het Subatlanticum loopt vanaf circa 700 v.Chr. tot heden) kreeg de zee steeds meer invloed op het gebied. Vanuit het mondingsgebied van de Maas drong de zee binnen, met name tijdens stormvloeden, waarbij in getijdengeulen hoofdzakelijk zand en zandige klei werd afgezet en op slikken en schorren klei. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Walcheren, onderdeel van de Formatie van Naaldwijk. Hoewel het grootste deel van deze afzettingen uit het LaatSubatlanticum (de Late Middeleeuwen) lijkt te stammen (de geologische kaart maakt melding van de “Afzettingen van Duinkerke III”) zijn er vermoedelijk ook reeds in het Vroeg-Subatlanticum (in de IJzertijd, rond 500 v.Chr.) afzettingen gevormd.

15De geologische kaart 43 Oost maakt voornamelijk melding van de laatmiddeleeuwse “Afzettingen van Duinkerke III”. Op sommige plaatsen, waaronder in de polder Het Oudeland van Strijen en gebieden ten noorden van de Binnenbedijkte Maas, zouden zich echter ook “Afzettingen van Duinkerke I” kunnen bevinden. Dat betekent dat er plaatselijk ook tijdens de IJzertijd overstromingssedimenten zijn afgezet. Het lijkt er zelfs op, dat er ook buiten het als zodanig op de geologische kaart aangegeven gebied uit de IJzertijd daterende overstromingssedimenten van het Laagpakket van Walcheren (zoals de “Afzettingen van Duinkerke” in de huidige terminologie bekend staan) kunnen worden verwacht. Dit blijkt uit een waarderend booronderzoek nabij Piershil, waar op het onderste aangetroffen niveau van het Laagpakket van Walcheren aardewerkfragmenten uit de Midden-IJzertijd werden aangetroffen (cat. no. I-6; Van Wilgen 2004a).

Een belangrijke historische gebeurtenis vond plaats in het jaar 1421. In verschillende historische bronnen is in dat jaar de St. Elisabethsvloed gedocumenteerd, die een groot deel van de toenmalige Zuidhollandse Waard (waar het oostelijke gedeelte van de huidige Hoeksche Waard toe behoorde) heeft overstroomd. Feitelijk was er sinds het begin van de Late Middeleeuwen (dus vanaf circa de 11e eeuw n. Chr.) reeds sprake van toenemende wateroverlast in de vorm van herhaaldelijke overstromingen in het moerasgebied. Vanaf deze periode werd de mens ook een steeds meer bepalende factor voor de vorming van het landschap. Als reactie op de overstromingen werden terpen opgeworpen en ontstond vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw de eerste ringpolder van de Hoeksche Waard, de Sint Antonypolder. Andere ringpolders, ook wel “opwassen” genaamd, waren Oud-Korendijk, Oud-Piershil, Oud-Heinenoord, Het Munnikenland en het Oudeland van Strijen. In het begin van de 16e eeuw vormden deze opwassen een stelsel van kleine eilandjes in een gebied bestaande uit slikken en schorren. Later in de loop van de 16e eeuw werd vanuit de oostelijke opwaspolders richting het westen een aantal aangrenzende gebieden ingepolderd, de zogenaamde “aanwassen”. Vanaf het eind van de 16e eeuw werd de inpoldering richting het zuiden en oosten uitgevoerd.

Voordat de gehele huidige Hoeksche Waard was ingepolderd, vonden er regelmatig overstromingen plaats vanuit een stelsel van erosiegeulen. In de geulen, die over het algemeen tot diep in het veen zijn ingesneden, werd overwegend zand en zandige klei afgezet (geulafzettingen), terwijl er in het buitendijkse gebied kleiige dekafzettingen werden afgezet. Hierdoor is het maaiveld in de oudste polders over het algemeen het laagst, terwijl in de jongere polders, waar in de loop der tijd meer overstromingen hebben plaatsgevonden, het sediment steeds hoger werd opgeslibd.

Rond 1400 maakte het oostelijke deel van de Hoeksche Waard (ten oosten van de lijn Strijen – Maasdam – Puttershoek) deel uit van de Zuidhollandse Waard. Aan deze situatie kwam door de St. Elisabethsvloed in 1421 een eind, want toen kwam een groot deel van deze polder onder water te staan. Met name geldt dit voor het gebied ter plaatse van de huidige Biesbosch, waar de St. Elisabethsvloed (en latere overstromingen) met veel erosie gepaard lijkt te zijn gegaan. In de Hoeksche Waard is, met uitzondering van enkele plaatsen waar getijdengeulen en getijdenkreken voorkomen, volgens de geologische kaarten het oorspronkelijke Hollandveen Laagpakket nog aanwezig. In hoeverre de top van dit veen is geërodeerd als gevolg van de overstromingen, is echter niet duidelijk en zal als speerpunt dienen te worden ingezet tijdens toekomstig archeologisch (voor)onderzoek.

Afbeelding 2: Inpolderingsgeschiedenis van de Hoeksche Waard. (Bron: Landschapsbeheer Zuid-Holland).

2.3 Bekende archeologische gegevens

In bijlage 1 is een catalogus opgenomen met daarin de vindplaatsen zoals deze in ARCHIS, de digitale archeologische database van de RCE, in de vorm van waarnemingen, AMK-terreinen et cetera zijn geregistreerd. Hoewel de spreiding van de vindplaatsen om de in paragraaf 2.1 uiteengezette reden enigszins onevenwichtig is (het zwaartepunt bevindt zich duidelijk in het noordoosten van het eiland), kan aan de hand van deze gegevens, in combinatie met de geologische gegevens, op hoofdlijnen de bewoningsgeschiedenis van de Hoeksche Waard worden geschetst.

3 Het archeologische verwachtingsmodel voor de Hoeksche Waard

3.1 Inleiding

In een verwachtingsmodel wordt beargumenteerd op basis van welke gegevens er aan een bepaald gebied een bepaalde archeologische verwachting wordt toegekend. De verwachtingskaart vormt een directe grafische weergave van het verwachtingsmodel en is op kaartbijlage 1 weergegeven.

3.2 Het archeologisch verwachtingsmodel

3.2.5 Historische kernen

3.3 Het maritieme cultuurlandschap

Naast het cultuurlandschap op land (waarvan de archeologie gezien kan worden als de wetenschap die de cultuurlandschappen uit het verleden onderzoekt), bestaat ook het begrip maritiem cultuurlandschap, wat in de NOaA (Nationale Onderzoeksagenda Archeologie) enerzijds wordt gedefinieerd als de archeologische resten boven en onder water, en anderzijds als de verzameling van aspecten die te maken hebben met de maritieme infrastructuur. Hierbij gaat het om bijvoorbeeld scheepsresten, scheepshellingen, sluizen, bruggen en dammen, maar ook om constructies en overblijfselen van de met de scheepvaart samenhangende industrieën en ambachten. In dit kader wordt onderscheid gemaakt tussen het economische landschap (visserij, zoutproductie), het hulpbronnenlandschap (bossen, scheepswerven, smederijen), het transportlandschap (boeien, vuurtorens, vuren, kanalen, overslagpunten, havens), het machtslandschap (fortificaties, versperringen), het cognitieve landschap (plaatsnamen, gedocumenteerde ervaringen van mensen), het recreatieve landschap (vrije tijd) en het rituele landschap.

28Westerdahl 1989.

Voor de archeologie van de Hoeksche Waard zijn enkele specifieke elementen hieruit van belang. Met name hebben deze elementen betrekking op het eerder genoemde transportlandschap:

•Vrijwel alle dorpskernen hebben van oudsher een verbinding gekend met het open water (lees: het water van de grote rivieren; de Oude Maas, de Dordtse Kil, het Hollands Diep, het Haringvliet en het Spui). Omdat door voortschrijdende inpoldering aan de randen van de Hoeksche Waard de dorpskernen steeds verder van het open water kwamen te liggen, werden er kanalen aangelegd die de havens van de kernen met het open water verbonden. Deze kanalen en havens zijn vrijwel allemaal op de huidige topografische kaart of die uit de eerste helft van de 19e eeuw te traceren en op de verwachtingskaart aangegeven als zones met een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten die gerelateerd zijn aan haven- en/of scheepvaartactiviteit uit met name de Nieuwe tijd.

29Wolters Noordhoff Atlasprodukties 1990.

•Op het buitenwater (dat wil zeggen de wateren rondom het eiland) werd en wordt van oudsher ook scheepvaart bedreven. Naast resten van scheepswrakken kunnen hier onder andere aan scheepvaartnavigatie gerelateerde elementen (boeien, vuurtorens et cetera) verwacht worden. De exacte locatie hiervan is echter onvoorspelbaar; hierdoor geldt de verwachting op het aantreffen van dergelijke elementen voor het gehele buitenwater rondom het eiland.

4 Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid

4.1 Inleiding

De volgende hoofdstukken vormen de inleiding en toelichting op de archeologische beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard. De in de hoofdstukken hiervoor beschreven archeologische verwachtingskaarten vormen samen met het geldende rijks- en provinciale beleid en de gemeentelijke beleidsambitie de basis voor het opstellen van een archeologische beleidsadvieskaart. Op de beleidsadvieskaart en in de begeleidende tekst staat verwoord hoe in het planproces moet worden omgegaan met de verschillende bekende archeologische terreinen en verwachtingszones, in het bijzonder in relatie met ruimtelijke ontwikkelingen.

Waar archeologische waarden zijn vastgesteld of worden verwacht, wordt aangegeven welke beperkende maatregelen van toepassing zijn en welke vervolgstappen bij bodemingrepen noodzakelijk zijn. Indien bestuurlijk vastgesteld, fungeert de archeologische beleidsadvieskaart als een grafische weergave van het archeologiebeleid van de Hoeksche Waard. De kaart is dan formeel richtinggevend bij de ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen, maar ook in procedures voor het uitvoeren van civiele werken en bodemsaneringen. Als een consequentie hiervan zal het archeologiebeleid ook in de gemeentelijke uitvoeringsprotocollen en procedures moeten worden ingebed.

Het overnemen van de archeologische terreinen en verwachtingszones van de beleidsadvieskaart in de bestemmingsplannen met de bijbehorende regels is de volgende stap om het archeologiebeleid een plaats te geven in de ruimtelijke ordening en het hanteerbaar en handhaafbaar te maken voor de betrokken ambtenaren, particulieren en ontwikkelaars.

Het met het opstellen van de verwachtingskaart verkregen inzicht in de archeologische waarden van de Hoeksche Waard biedt daarnaast een kader en inspiratiebron waaruit geput kan worden bij ruimtelijke plannen op het gebied van ontwerp, maar ook op andere beleidsterreinen als welzijn, recreatie en toerisme, educatie en economie.

Alvorens op het beleidsadvies en de te nemen maatregelen in te gaan volgt eerst een algemeen deel over de wettelijke kaders en het huidige archeologiebeleid van het Rijk, de provincie Zuid-Holland en de gemeenten. Daarna wordt in twee nieuwe hoofdstukken het beleidsadvies geformuleerd per in de verwachtingskaart aangegeven en onderscheiden gebied en wordt een aanzet gegeven tot een onderzoeksagenda.

4.2 Rijk

4.2.3 De Nota Belvedere en de Nota Ruimte

4.3 Provincie

4.3.4 Eigenstandig provinciaal beleid

4.4 Gemeente

5 Selectiebeleid en beleidsadvieskaart

5.1 Vrijstellingsgrenzen

De Monumentenwet 1988 stelt in artikel 41a dat de onderzoeksplicht bij aanleg- en bouwvergunning, een ontheffing en een projectbesluit niet geldt voor projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2. De provincie hanteert in haar gedragslijn interim-periode eveneens een vrijstellingsgrens van 100m2

39Gedragslijn inzet Wro instrumentarium – juni 2008

in nietwettelijk beschermde AMK-terreinen en in gebieden waar een redelijk tot grote kans op het aantreffen van archeologische sporen is, en geen vrijstelling in gebieden waar zich archeologische waarden (in de buurt) bevinden. In het voorontwerp provinciale verordening staat nu vermeld dat voor verstoringen van de bodem in historische stads- en dorpskernen altijd archeologisch onderzoek dient plaats te vinden.

Op de beleidsadvieskaarten worden verschillende zones en terreinen aangegeven waarvoor de navolgende adviezen gelden. Deze adviezen zijn tot stand gekomen in overleg tussen de werkgroepleden en ADC Heritage. Voorgesteld wordt de vrijstellingsgrenzen na een periode van circa twee jaar na vaststelling van dit rapport te evalueren en eventueel waar nodig gemotiveerd naar boven of beneden bij te stellen.

5.1.8 Wanneer bodemverstoringen bovengenoemde oppervlaktegrenzen overschrijden geldt:

5.2 Archeologisch onderzoek

In bepaalde gebieden van de Hoeksche Waard gelden volgens bovenstaande in meerdere of mindere mate beperkingen voor de ontwikkeling van ruimtelijke plannen. Archeologisch onderzoek is veelal noodzakelijk om tot een goede belangenafweging te komen. De provincie Zuid-Holland heeft in de Handreiking betreffende opstelling en advisering over ruimtelijke plannen op grond van de CHS voorwaarden gesteld waaraan dit archeologisch onderzoek dient te voldoen. De provincie stelt tenminste een verkennend archeologisch onderzoek verplicht en hanteert hiervoor de volgende minimumeisen:

•10 boringen per hectare

•minimaal tot 2 meter beneden maaiveld

•iedere tiende boring doorgezet tot 4 meter beneden maaiveld

De aanwezigheid van houtskool, botmateriaal, bewerkt vuursteen en/of artefacten en dergelijke beschouwt de provincie Zuid-Holland als indicatoren voor een archeologische vindplaats.

5.3 Verantwoording vrijstellingsgrenzen

De Staatssecretaris van Cultuur heeft in de Wet op de archeologische monumentenzorg, als gevolg van het amendement van Van Vroonhoven-Kok, een ondergrens opgenomen van 100 m2. Andere overheden kunnen hier vanuit eigen inhoudelijke beweegredenen onder of boven gaan zitten.

De provincie hanteert haar eigen ondergrenzen aan de oppervlakte van plangebieden voor het verlenen van vrijstelling van archeologisch onderzoek. Het voorontwerp provinciale verordening stelt dat voor verstoringen van de bodem in wettelijk beschermde archeologische terreinen en in historische stads- en dorpskernen altijd archeologisch onderzoek dient plaats te vinden; in niet-wettelijk beschermde AMKterreinen en in terreinen met een redelijke tot zeer grote kans op archeologische sporen geldt een onderzoeksverplichting voor verstoringen die een oppervlakte groter dan 100 m2 en een verstoringsdiepte van meer dan 30 cm beneden het maaiveld inhouden. In gebieden met een lage kans op archeologische sporen gelden geen beperkingen.

Gemeenten hebben als enige richtlijn de 100 m2 uit de Wet op de archeologische monumentenzorg en zijn vrij om daar beredeneerd van af te wijken. De keuze voor een bepaalde richtlijn is niet zozeer een archeologische, maar eerder een maatschappelijke/bestuurlijke keuze. Hiermee hangt nauw samen het risico dat een gemeentebestuur wil nemen: hoe groter de oppervlakte die wordt vrijgegeven, hoe groter de kans op een ‘toevalsvondst’, waarvoor de gemeente dan financieel verantwoordelijk is (zie ook paragraaf 6.4). Wij hebben de verschillende in paragraaf 5.1 genoemde ondergrenzen in overleg met de werkgroep gekozen om de informatiewaarde van het bodemarchief op een verantwoorde manier veilig te stellen.

In de zones met een hoge verwachting is voor een vrijstellingsgrens van 100 m2 gekozen. Deze vrijstellingsgrens schept ruimte voor kleinschalige ontwikkelingen door bijvoorbeeld particulieren, maar waarborgen tevens het veiligstellen of onderzoeken/documenteren van archeologische waarden en informatie wanneer grotere oppervlakten aan de orde zijn. Hiermee sluiten we tevens aan bij het provinciaal beleid.

In de zones met een middelhoge verwachting hebben wij gekozen voor een vrijstellingsgrens van 500 m2 om zodoende wat meer ruimte te scheppen voor ontwikkelingen door bijvoorbeeld particulieren, maar tevens het veiligstellen of onderzoeken/documenteren van archeologische waarden en informatie wanneer grotere oppervlakten aan de orde zijn te waarborgen. Hiermee wordt afgeweken van het provinciaal beleid, dat voorschrijft in deze zones een vrijstellingsgrens van 100 m2 aan te houden.

In de lage verwachtingszone adviseren wij bij grootschalige ontwikkelingen ( > 10ha) door middel van booronderzoek onderzoek te doen naar bijvoorbeeld de aanwezigheid van pleistocene opduikingen en meandergordels, dit om de verwachtingskaart te kunnen toetsen en te preciseren.

Voor niet rijksbeschermde AMK terreinen, uitgezonderd de historische kernen, hebben wij een vrijstellingsgrens van 0 m2 gekozen. AMK-terreinen zijn terreinen waarvan bekend is dat er waardevolle archeologische resten aanwezig zijn. Voor deze terreinen, die zijn aangewezen door de RCE, geldt dat in principe gestreefd moet worden naar duurzaam behoud. Dat betekent dat ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten dienen te worden voorkomen. Het bijstellen van de ondergrens op AMK-terreinen naar 0 m2 getuigt van een goed rentmeesterschap.

Voor de historische kernen hebben we een ondergrens van 30 m2 gekozen omdat, zoals hierboven is beschreven, deze eigenlijk als vindplaats beschouwd moeten worden. De begrenzing van de historische dorpskernen heeft plaatsgevonden aan de hand van historisch kaartmateriaal. De eerste dorpskernen in dit gebied zijn ontstaan in de Middeleeuwen (Strijen 12e eeuw, Cillaarshoek 14e eeuw, Heinenoord en Goudswaard 15e eeuw). In en rond oude dorpskernen is de kans op de aanwezigheid van nederzettingsresten uit de Middeleeuwen groot. De oude kernen kennen over het algemeen een grote dichtheid aan archeologische resten. Projecten in de oude kernen zijn zelden groter dan 100 m2. Om niet teveel archeologische informatie te missen is het gebruikelijk de wettelijke ondergrens op deze locaties naar beneden bij te stellen. De oppervlaktegrens van 30 m2 wordt in dit geval regelmatig aangehouden.

Bij ingrepen onder de vrijstellingsgrens moet het overigens ook mogelijk zijn op initiatief van de gemeente archeologische waarnemingen te doen en interessante vondsten te documenteren. Hiertoe zou gebruik kunnen worden gemaakt van de inzet van amateur-archeologen, door afspraken met de Stichting Archeologie Hoeksche Waard. Wel dient de inzet daarvan altijd gesanctioneerd te worden door een gecertificeerd archeoloog.

De vrijstellingsgrens voor de diepte van de ingrepen is over het algemeen gesteld op 50 cm. Hiervoor is gekozen omdat uit onderzoek is gebleken dat, als gevolg van mechanisch ploegen sinds halverwege de vorige eeuw, de bovenste 50 cm van de bodem verrommeld is geraakt in deze gebieden, als gevolg van intensieve aardappel en uien ( bolgewassen) landbouw. Slechts daar waar het grondgebruik grotendeels bestaat uit (veen)weidegebied, en waar vindplaatsen al op geringe diepte kunnen voorkomen, is gekozen voor een vrijstellingsgrens van 30 cm beneden maaiveld. Hiermee wordt voor deze gebieden aangesloten bij het provinciaal beleid. Het betreft hier de polders Oudeland van Strijen, Munnikenland en Sint Antony.

5.4 Aanzet tot een onderzoeksagenda voor de Hoeksche Waard

Met de wijziging van de Monumentenwet zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor de zorg voor het eigen archeologisch erfgoed. De onderhavige verwachtings- en beleidsadvieskaart is een belangrijk hulpmiddel om de nieuwe gemeentelijke taken op het gebied van de archeologische monumentenzorg goed te kunnen uitvoeren. Om het archeologisch onderzoek dat in de Hoeksche Waard wordt uitgevoerd op een hoger plan te tillen, kunnen de gemeenten via richtlijnen of in een Programma van Eisen aangeven hoe het archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Op die manier wordt de nodige aandacht besteed aan thema’s die voor de regionale geschiedenis van belang zijn.

Hieronder wordt een aantal voorstellen voor onderzoeksthema’s gedaan voortkomend uit het nu opgestelde bureauonderzoek en de verwachtingskaart.

6 Naar een gemeentelijk archeologiebeleid

6.1 Inleiding

De met dit onderzoek verkregen kaarten vormen een belangrijk hulpmiddel om de nieuwe gemeentelijke taken op het gebied van de archeologische monumentenzorg goed te kunnen uitvoeren. De gemeenten zijn immers sinds september 2007 verantwoordelijk voor een goede omgang met het archeologisch erfgoed op haar grondgebied. De voorliggende verwachtings- en beleidsadvieskaart geeft een goed inzicht in de aanwezige en te verwachten archeologische waarden in de gemeenten van de Hoeksche Waard.

Nu bekend is welke archeologische waarden in de Hoeksche Waard aanwezig en nog te verwachten zijn, is een aantal vervolgvragen te beantwoorden:

•Wat is het effect van de beleidsadvieskaart op bestemmingsplannen?

•Wat is het doel en de bruikbaarheid van een archeologienota en –verordening?

•Welk effect heeft archeologie op de verschillende andere beleidsterreinen?

•Wat zijn de financiële randvoorwaarden voor het nieuwe beleid?

In dit hoofdstuk zullen deze thema’s aan de orde komen, waarmee zoveel mogelijk het provinciaal archeologisch beleid zal worden meegenomen.

6.2 Uitgangspunten voor het gemeentelijk archeologisch beleid

Zoals inmiddels duidelijk is, zijn gemeenten sinds de wijziging van de Monumentenwet 1988 in september 2007 verantwoordelijk voor het archeologisch erfgoed op haar grondgebied. Concreet betekent dit voor de gemeenten in de Hoeksche Waard het volgende:

1Bij de ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen is de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart richtinggevend. De archeologische gebieden op deze kaart worden overgenomen in de gemeentelijke structuur- en bestemmingsplannen met de bijbehorende regels.

2Conform het rijks- en provinciaal beleid is behoud van archeologische waarden in situ altijd het uitgangspunt. Pas indien behoud niet mogelijk is, wordt een vindplaats opgegraven, waarbij het principe van ‘de verstoorder betaalt’ geldt.

3Om te komen tot een verantwoorde afweging van onder andere het archeologische belang bij beslissingen over ruimtelijke ingrepen zal de gemeente zich tijdens het doorlopen van het AMZ (archeologische monumentenzorg)-proces bedienen van deskundig advies van een daartoe gekwalificeerd archeoloog.

4In haar rol van opdrachtgever van ruimtelijke ingrepen ontwikkelt de gemeente zich tot een goed opdrachtgever van archeologische werkzaamheden.

5Bij de toetsing van archeologische producten, zoals Programma’s van Eisen en onderzoeksrapporten, die aan de gemeente in haar rol als bevoegd worden voorgelegd, wordt rekening gehouden met de in de beroepsgroep geldende kwaliteitseisen.

6De gemeente ziet erop toe dat alle relevante informatie uit alle uitgevoerde archeologische procedures en projecten in de gemeente beschikbaar blijft, zowel voor de verdere ontwikkeling van gemeentelijk beleid, als voor presentatie en publicatie. Daarmee wordt tevens voorkomen dat de vergaarde kennis over het gemeentelijk bodemarchief versnipperd raakt.

7Er wordt een handleiding archeologie voor alle betrokken gemeentelijke afdelingen opgesteld.

6.3 Beleidsinstrumenten

Een verantwoord gemeentelijk archeologiebeleid bestaat uit een aantal vaste beleidsinstrumenten die de gemeente in staat stellen de vanuit het rijk opgedragen taken zo efficiënt mogelijk uit te voeren en eventueel de cultuurhistorische identiteit van de gemeente te versterken. De gemeente kan een keuze maken uit de volgende instrumenten:

1gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart;

2archeologienota;

3archeologieverordening;

4bestemmingsplanregels en vergunningvoorwaarden voor bouw-, sloop- en aanlegvergunningen;

Deze punten worden hieronder nader toegelicht.

1.Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart

Deze kaart is richtinggevend bij de ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen. De archeologische gebieden op deze kaart worden overgenomen in de gemeentelijke structuur- en bestemmingsplannen met de bijbehorende regels.

2.Archeologienota

De Wamz biedt gemeenten beleidsruimte om, binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid, naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied. Het doel van een archeologienota is het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. De gemeente kan daarmee een juiste balans vinden tussen het provinciale en rijksbeleid inzake archeologie en de eigen invulling daarvan. Dat betekent dat de formulering van het archeologiebeleid nauw verweven is met de eigen ruimtelijke ambities en andere voornemens op het gebied van ruimtelijke ordening, infrastructuur, landbouw, cultuur, monumenten en toerisme.

3.Archeologieverordening

Met de herziening van de Monumentenwet is bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Het opnemen van een archeologische paragraaf is voor veel gemeenten niet eenvoudig of snel te realiseren. Een verordening voorziet in een overgangssituatie door het college van Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid te geven nadere regels te stellen voor verstorende activiteiten in een archeologisch monument of verwachtingsgebied. Deze nadere regels kunnen dezelfde regels zijn die gaan gelden indien een aanlegvergunning zou worden aangevraagd op grond van een aangepast bestemmingsplan, waarin wel een archeologische paragraaf is opgenomen.

In een archeologieverordening kunnen onder andere de volgende aspecten worden behandeld:

-criteria voor de selectie en aanwijzing van archeologische monumenten of planologisch beschermde archeologische gebieden;

-de rol van de monumentencommissie bij procedures en vergunningen voor planologisch beschermde archeologische gebieden, bijvoorbeeld in het kader van structuur- en bestemmingsplannen, en bij het afgeven van monumentenvergunningen;

-eventuele andere wijzen waarop deskundigheid wordt ingebracht bij de verdere ontwikkeling van het archeologiebeleid, inclusief toezicht en handhaving daarvan;

-de inbreng van archeologische waarden in stedenbouwkundige-, structuur- en beeldkwaliteitsplannen, bijvoorbeeld via cultuurhistorische effectrapportages (CHER’s);

-de status van de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart;

-stimulerings- en subsidiemaatregelen en eventuele noodfondsconstructies voor particulieren;

-de wijze waarop eventuele aanvullende maatregelen op het gebied van de archeologische monumentenzorg zijn geregeld, bijvoorbeeld de instelling van een metaaldetectorverbod in archeologische gebieden (via de APV);

-de wijze waarop de gemeente regie wenst te voeren over het archeologisch onderzoek dat op gemeentelijk grondgebied wordt uitgevoerd;

-een regeling voor schadevergoeding voor initiatiefnemers van bodemverstorende activiteiten.

Er kan overigens ook worden gekozen voor een integrale erfgoedverordening (inclusief Monumentenzorg).

4Bestemmingsplanvoorschriften en vergunningvoorwaarden voor bouw-, sloop- en aanlegvergunningen

Met de wijziging van de Monumentenwet zijn gemeenten verplicht om in nieuwe of te wijzigen bestemmingsplannen rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Met de invoering van de nieuwe Wro is bovendien het bestemmingsplan ge(her)positioneerd als het centrale instrument binnen de ruimtelijke ordening voor de gemeente. Voor de integratie van de AMZ in de ruimtelijke ordening is de opname van archeologische waarden en verwachtingen in het bestemmingsplan dus een essentiële eerste stap.

Wanneer een bestemmingsplan volgens de herziene Monumentenwet tot stand is gekomen kan de gemeente van de aanvrager van een bouw-, sloop- of aanlegvergunning verlangen dat archeologisch (voor)onderzoek wordt uitgevoerd. De gemeente kan richtlijnen geven voor de wijze waarop dat onderzoek wordt uitgevoerd. De kosten voor het onderzoek komen voor rekening van de initiatiefnemer van het betreffende plan (dat kan ook de gemeente zelf zijn).

De archeologisch waardevolle gebieden en bijbehorende regimes die op de archeologische beleidsadvieskaart zijn weergegeven kunnen direct vertaald worden naar de kaarten en voorschriften van nieuwe bestemmingsplannen

40Hieronder vallen in voorkomende gevallen ook beheersverordeningen o.g.v. de Wro.

. Bij het opstellen of wijzigen van consoliderende bestemmingsplannen zal dit doorgaans voldoende zijn.

Voor elk bestemmingsplan

41Hieronder zijn mede begrepen projectbesluiten als bedoeld in de Wro.

dat is gericht op ruimtelijke ontwikkelingen is aanpak van de archeologische waarden door middel van archeologisch (voor)onderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium vereist

42Bovendien is de gemeente op grond van het Bro (artikelen 3.1.6 en 5.1.3) verplicht om, in gevallen waarbij geen MER wordt opgesteld, in de toelichting bij het bestemmingsplan, een projectbesluit, of een besluit tot buiten toepassing verklaring van een beheersverordening (ex art. 3.40 Wro) een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening is gehouden.

. Zo kunnen gedetailleerde gegevens over de ontwikkelingslocatie worden verzameld op basis waarvan archeologische belangen door de gemeente zorgvuldig kunnen worden afgewogen.

Om te zorgen dat in gebieden waar oude bestemmingsplannen gelden de archeologische belangen ook worden meegewogen, kan een facetbestemmingsplan archeologie worden opgesteld.

Systematiek in bestemmingsplannen

In de toelichting van het betreffende bestemmingsplan zal worden ingegaan op het gemeentelijk archeologiebeleid. Hiermee wordt de onderbouwing van de gebiedsaanduiding ‘archeologische waarde’ gegeven. Op de plankaart worden met een aanduiding de vlakken aangegeven die archeologisch waardevol zijn. In de voorschriften van het bestemmingsplan worden de relevante begrippen gedefinieerd en de archeologiegebieden daadwerkelijk beschermd door archeologische voorwaarden te stellen bij ruimtelijke ingrepen. Zodoende wordt in het bestemmingsplan bepaald dat bij de afgifte van reguliere bouwvergunningen en aanlegvergunningen archeologische voorwaarden kunnen worden gesteld.

De aanvrager van een vergunning, ontheffing of vrijstelling kan worden verplicht een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het plangebied in voldoende mate is vastgesteld.

43Dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders c.q. de gemeenteraad.

Op basis van een dergelijk rapport kan worden besloten tot het verlenen van de vergunning zonder verdere voorwaarden of tot het opleggen van verdere verplichtingen in het kader van behoud of onderzoek van archeologische waarden.

Aanvullend op het vastleggen van de archeologische bescherming in het bestemmingsplan kunnen op basis van de Monumentenwet 1988 (artikelen 37 en 41) aan een sloopvergunning (alleen binnen beschermd stadsgezicht) of aan een vrijstelling of ontheffing op het bestemmingsplan archeologische voorschriften worden verbonden.

De voorschriften kunnen ertoe leiden dat de aanvrager van een vergunning, een vrijstellingsbesluit, of een ontheffing kan worden verplicht een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders c.q. de gemeenteraad in voldoende mate is vastgesteld. Op basis van een dergelijk rapport kunnen besluiten worden genomen over verdere verplichtingen ten aanzien van behoud of onderzoek van archeologische waarden. Indien behoud niet te realiseren is kan de gemeente de vergunning verlenen, onder de voorwaarde dat de aanvrager de archeologische waarden laat opgraven en uitwerken.

Na iedere fase van archeologisch onderzoek kan de vergunning, vrijstelling of ontheffing worden verleend, mits de archeologische waarde van het terrein in de betreffende fase voldoende is vastgesteld. Voorschriften omtrent het gebruik van de gronden zullen door de gemeente in overeenstemming met de Wro worden vastgesteld.

Niet alleen bij bodemverstorende activiteiten, maar ook wijziging van het waterpeil kunnen archeologische belangen in het geding zijn. Indien peilwijzigingen worden voorgesteld, zal rekening moeten worden gehouden met de aanwezige of verwachte archeologische waarden.

Aanlegvergunning

Ter bescherming van (verwachte) archeologische waarden in het gebied met de aanduiding ‘Archeologische waarde’ moet in de voorschriften van het bestemmingsplan een aanlegvergunningvereiste worden opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde.

of werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de (verwachte) archeologische waarden.

Bouwvergunning

Een rapport inzake de archeologische waarde van de locatie wordt toegevoegd aan de indieningsvereisten bij de aanvraag voor een bouwvergunning. Hiertoe wordt via het Bamz het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning gewijzigd, hetgeen leidt tot de volgende procedure.

•Als het bestemmingsplan een archeologisch onderzoeksrapport voorschrijft, dan dient de aanvrager van een bouwvergunning bij de aanvraag van een ‘reguliere vergunning’ of en ‘reguliere vergunning eerste fase’ een dergelijk rapport bij de aanvraag voor een bouwvergunning mee te leveren. Of een rapport (onderzoek) echt noodzakelijk is kan via een quick scan door de gemeentelijk archeoloog worden bepaald. Voor een efficiënte beoordeling kan de gemeentelijk archeoloog aanschuiven bij het bouwplanoverleg.

•Als het rapport niet voldoet aan de inhoudelijke voorschriften die hiervoor gelden kan de gemeente, conform de standaardprocedure bij de ontvankelijkheidstoets, binnen vier weken om aanvullende gegevens vragen. De aanvrager heeft vervolgens tot maximaal vier weken de tijd om de aanvullende gegevens aan te leveren. Doet de aanvrager dit niet, of is de aanvulling onvoldoende, dan kan de gemeente besluiten de aanvraag verder buiten behandeling te laten.

•Namens burgemeester en wethouders kan de gemeentelijk archeoloog het rapport beoordelen en kan een afweging ten aanzien van het bouwplan gemaakt worden.

Bovenstaande geldt slechts voor reguliere bouwvergunningplichtige werken. Verder kan in de voorschriften een bouwverbod met binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid worden op genomen voor nieuwe ontwikkelingen.

Ontheffingen artikelen 3.6.1.c, 3.22 en 3.23 Wro of een projectbesluit artikel 3.10 Wro

Als voor het verlenen van een bouwvergunning een ontheffing van het bestemmingsplan nodig is, geldt de aanvraag van een bouwvergunning tevens als aanvraag van ontheffing van de voorschriften van het bestemmingsplan. De Monumentenwet 1988 bepaalt dat bij een aanvraag om ontheffing van het bestemmingsplan een archeologisch onderzoeksrapport gevraagd kan worden. De noodzaak hiervoor zal per aanvraag bekeken moeten worden. De oppervlaktebepalingen behorend bij de archeologische beleidsadvieskaart zijn hierbij van toepassing. Aan de ontheffing zelf kunnen voorwaarden verbonden worden ter bescherming van archeologische waarden.

Voor bodemverstorende activiteiten in het kader van artikel 3.6.1.c Wro gelden dezelfde gebiedscriteria als bij de reguliere bouwaanvragen. Voor bodemverstorende activiteiten in het kader van artikel 3.6.1.c Wro die vergelijkbaar zijn in oppervlakte met licht-vergunningplichtige zaken zal geen rapport verplicht worden gesteld.

Voor bodemverstorende activiteiten in het kader van artikel 3.22 Wro is bepaald dat bij een aanvraag om ontheffing van het bestemmingsplan een archeologisch onderzoeksrapport gevraagd kan worden. De noodzaak hiervoor zal per aanvraag bekeken moeten worden. De oppervlaktebepalingen behorend bij de archeologische beleidsadvieskaart zijn hierbij van toepassing.

Voor bodemverstorende activiteiten in het kader van artikelen 3.10 en 3.23 Wro is bepaald dat bij een aanvraag om ontheffing van het bestemmingsplan een archeologische onderzoeksrapport gevraagd kan worden. De noodzaak hiervoor zal per aanvraag bekeken moeten worden. De oppervlaktebepalingen behorend bij de archeologische beleidsadvieskaart zijn hierbij van toepassing.

Sloopvergunning

Artikel 37 van de Monumentenwet 1988 bepaalt dat bij de aanvraag van een sloopvergunning binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht een archeologisch onderzoeksrapport geëist kan worden. De oppervlaktebepaling van artikel 41a Monumentenwet 1988 is hier niet van toepassing. Logischerwijze zijn de oppervlaktebepalingen behorend bij de archeologische beleidsadvieskaart daardoor ook niet van toepassing voor sloopaanvragen binnen het beschermd stadsgezicht.

Dit betekent dat bij iedere sloopaanvraag binnen het beschermd stadsgezicht, ongeacht de grootte van het werk, een archeologisch onderzoeksrapport gevraagd kan worden. Aan de sloopvergunning kunnen vervolgens voorwaarden gesteld worden over de wijze van slopen. Om dit goed te regelen kan de bouwverordening worden aangepast.

Wijzigingsbevoegdheid

Met behulp van de wijzigingsbevoegdheid (artikel 3.6 Wro) kunnen burgemeester en wethouders een soepele aanpassing van bestemmingsplannen aan zich wijzigende omstandigheden mogelijk maken, zonder dat de waarborgen van belanghebbenden al te zeer in gevaar komen. Uit archeologisch onderzoek kan blijken dat aanpassing van de ondergrens voor de archeologische onderzoeksplicht en/of de begrenzing van een archeologiegebied wenselijk is. Met een wijzigingsbevoegdheid kan dat mogelijk worden gemaakt. Ook de bestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’ kan met deze bevoegdheid worden verwijderd.

6.4 Financiën

6.4.6 Planschade door het aanwijzingsbeleid

6.5 Positionering binnen de gemeentelijke organisatie

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.