Hoofdstuk 3 Gebruikelijke hulp
3.1 Gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting
Gebruikelijke hulp wordt niet verlangd van een huisgenoot of partner indien deze zodanige gezondheidsproblemen heeft dat het verrichten van de betreffende taken redelijkerwijs niet van hem of haar kan worden verwacht.
Bij de beoordeling van het al dan niet toepassen van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de navolgende situaties onderscheiden:
1Indien sprake is van gezondheidsproblemen of beperkingen als gevolg van de combinatie van een (voltijd of deeltijd) dienstverband of opleiding en het voeren van het huishouden, waardoor (dreigende) overbelasting ontstaat, kan worden afgeweken van het uitgangspunt van gebruikelijke hulp. De betrokkene dient deze overbelasting aannemelijk te maken door het overleggen van relevante (medische) gegevens.
2Als de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk, gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, hebben werk en gebruikelijke hulp voorrang boven overige activiteiten. Vrijetijdsbesteding doet geen afbreuk aan het verplichtende karakter van gebruikelijke hulp.
3Indien leden van een leefeenheid dreigen overbelast te raken door de combinatie van werk en de verzorging van een zieke partner of huisgenoot, kan een maatwerkvoorziening worden geïndiceerd voor onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp worden gerekend. Deze indicatie is in beginsel tijdelijk, om de leefeenheid in staat te stellen de onderlinge taakverdeling aan te passen aan de gewijzigde situatie.
4Als een partner of ouder na het overlijden van de andere partner of ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en de verzorging van inwonende kinderen, kan een tijdelijke indicatie worden gesteld voor onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp behoren. Dit om de leefeenheid de gelegenheid te bieden de taakverdeling opnieuw vorm te geven.
5In geval van een terminale situatie wordt in overleg met de huisgenoten vastgesteld welke belasting voor hen redelijkerwijs draagbaar is. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre gebruikelijke hulp in deze situatie haalbaar en verantwoord is.
6Bij (chronische) uitval van een gezinslid wordt altijd beoordeeld of de leefeenheid daardoor onevenredig wordt belast en of sprake is van (dreigende) overbelasting. Indien noodzakelijk kan worden afgeweken van de toepassing van gebruikelijke hulp ten behoeve van maatwerk.
3.2 Fysieke afwezigheid door werk
Uitgangspunt is dat bij de beoordeling van gebruikelijke hulp rekening wordt gehouden met de fysieke afwezigheid van een huisgenoot, als deze afwezigheid voortvloeit uit werkzaamheden en gaat over op aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen.
Hierbij geldt dat alleen afwezigheid met een verplichtend karakter, die inherent is aan de aard van het werk, wordt meegewogen. Voorbeelden hiervan zijn offshore werkzaamheden, internationaal vrachtverkeer en werken in het buitenland.
Er wordt geen rekening gehouden met drukke werkzaamheden, lange werkweken of een lange reistijd.
Indien een huisgenoot aaneengesloten ten minste zeven etmalen afwezig is, wordt gedurende deze periode feitelijk uitgegaan van een eenpersoonshuishouden. In die periode kan geen gebruikelijke hulp door de afwezige huisgenoot worden verwacht of geleverd.
3.3 Bijdrage van kinderen
Als de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, wordt ervan uitgegaan dat zij, afhankelijk van hun leeftijd, ontwikkelingsniveau en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan het huishouden. Van kinderen jonger dan vijf jaar wordt geen bijdrage aan huishoudelijke taken verwacht. Van kinderen tussen de vijf en twaalf jaar wordt verwacht dat zij, naar eigen mogelijkheden, betrokken worden bij lichte huishoudelijke werkzaamheden, zoals opruimen, tafeldekken en afruimen, afwassen of afdrogen, kleine boodschappen doen en het in de wasmand doen van kleding; bij jongere kinderen kan dit bijvoorbeeld beperkt blijven tot het opruimen van eigen spullen. Van kinderen van dertien jaar en ouder wordt verwacht dat zij naast deze lichte werkzaamheden ook taken kunnen uitvoeren zoals het op orde houden van de eigen kamer, stofzuigen en het verschonen van het eigen bed.
Van een meerderjarige, gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze in staat is om, wanneer de primaire verzorger uitvalt, de huishoudelijke taken geheel of gedeeltelijk over te nemen. Daarnaast wordt verwacht dat zij, als zij hiertoe in staat worden geacht, jongere gezinsleden kunnen opvangen, verzorgen en begeleiden. Het niet gewend zijn aan huishoudelijke taken, het niet willen verrichten daarvan of het stellen deze niet te kunnen uitvoeren, vormt geen reden voor het toekennen van huishoudelijke ondersteuning. Indien nodig kan in dergelijke gevallen een tijdelijke en kortdurende indicatie worden afgegeven die gericht is op het aanleren van huishoudelijke vaardigheden, waarbij de ondersteuning instructief van aard is en niet bedoeld is om de taken structureel over te nemen.
In afwijking van het voorgaande geldt dat jeugdigen en jongvolwassenen tot 23 jaar die een opleiding volgen, niet worden geacht bij te kunnen dragen aan de huishoudelijke taken waarvoor anders een maatwerkvoorziening wordt ingezet. Van hen mag wel worden verwacht dat zij lichte huishoudelijke taken verrichten, zoals het inruimen van de vaatwasser en het opruimen van de eigen kamer.
3.4 Zorgplicht voor kinderen
Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Bij uitval van één van de ouders dient de andere ouder de zorg voor de kinderen over te nemen. Van de ouders wordt verwacht dat zij actief zoeken naar eigen oplossingen, zoals zorgverlof, mantelzorg of andere (voorliggende) voorzieningen. De zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie, maar er dient wel rekening gehouden te worden met eventuele afspraken die door de rechtbank zijn vastgelegd.
3.5 Uitzonderingen bij type leefsituaties
Bij een aantal bijzondere leefsituaties wordt het uitgangspunt van gebruikelijke hulp op een andere wijze toegepast, namelijk:
1In situaties waarin personen zelfstandig op één adres wonen en slechts gemeenschappelijke ruimten delen, zoals bij woongroepen of kamerverhuur, is geen sprake van een leefeenheid. In deze gevallen wordt uitsluitend het schoonmaken van de eigen woonruimte en een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten meegerekend. Dit geldt niet als het schoonmaken van (een deel van) de gemeenschappelijke ruimten is geregeld via de servicekosten op grond van de huurovereenkomst.
2Bij leef- en woongemeenschappen is wel sprake van een leefeenheid, maar doorgaans is er sprake van een onderlinge taakverdeling. De inwoner kan ondersteuning ontvangen voor het schoonmaken van de eigen kamer en een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten, voor zover deze ruimten en werkzaamheden vallen binnen het niveau van de sociale woningbouw.
Hoofdstuk 4 Uitgangspunten voor huishoudelijke ondersteuning
4.1 Normen bij toekenning
Bij de toekenning van huishoudelijke ondersteuning gelden de volgende normen:
1Huishoudelijke ondersteuning wordt uitsluitend toegekend voor de noodzakelijke huishoudelijke activiteiten die gericht zijn op het behalen van de resultaten ‘een schoon en leefbaar huis’ en ‘wasverzorging’.
2De ondersteuning wordt beperkt tot wat noodzakelijk is voor het uitvoeren van de essentiële woonfuncties van de inwoner en de overige huisgenoten, zoals een partner of kinderen.
3Structurele ondersteuning bij het schoonmaken wordt uitsluitend toegekend voor de essentiële ruimten die daadwerkelijk en functioneel door de inwoner(s) in gebruik zijn.
4.2 Vervanging bij afwezigheid
Vervanging tijdens ziekte of vakantie van de huishoudelijke hulp gaat in vanaf de derde week van afwezigheid, tenzij de gemeente van oordeel is dat continu doorleveren van de ondersteuning noodzakelijk is voor de betreffende cliënt.
Hoofdstuk 5 HHM-Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning
5.1 Wasverzorging
Iedere inwoner moet kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding, evenals over schoon en droog textiel, zoals handdoeken en beddengoed. Onder 'wasverzorging' wordt verstaan het wassen en, indien noodzakelijk, strijken van kleding en textiel.
Wasverzorging wordt uitsluitend ingezet in combinatie met ondersteuning gericht op het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ en wordt niet als een zelfstandige maatwerkvoorziening verstrekt.
Bij de vaststelling wordt uitgegaan van een gemiddelde cliëntsituatie. Door uit te gaan van deze gemiddelde situatie krijgen de normtijden een algemeen en objectief karakter. Hiermee wordt voorkomen dat voor iedere mogelijke uitzonderingssituatie afzonderlijk beleid moet worden ontwikkeld.
Er kunnen factoren aanwezig zijn die maken dat sprake is van een niet gemiddelde cliëntsituatie. In dat geval kan een andere inzet, frequentie van activiteiten of tijdsbesteding noodzakelijk zijn. Op basis van individueel onderzoek en maatwerk kan de inzet, conform het normenkader, zowel opwaarts als neerwaarts worden bijgesteld. De in het normenkader genoemde minuten bij meer of minder inzet gelden daarbij als richtlijn en zijn niet dwingend. Op basis van de persoonlijke omstandigheden van de inwoner wordt beoordeeld of en in welke mate een afwijking in tijdsbesteding noodzakelijk en passend is. Deze afweging wordt gemotiveerd vastgelegd en besproken met de inwoner.
Het strijken van kleding wordt in beginsel niet geïndiceerd. Hiervoor zijn voorliggende oplossingen beschikbaar, zoals het gebruik van strijkvrije of strijkarme kleding. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat ondersteuning alleen wordt ingezet wanneer dit noodzakelijk is om het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ te bereiken.
Uitsluitend indien sprake is van een medische noodzaak kan strijken worden ingezet. In dat geval betreft het uitsluitend het strijken van bovenkleding, beperkt tot het aantal stuks dat redelijkerwijs verwacht mag worden en maatschappelijk aanvaardbaar is.
Hoofdstuk 6 Slotbepalingen
6.1 Intrekking oude beleidsregels
De ‘Beleidsregels Huishoudelijke Ondersteuning 2022’ en alle voorgaande wijzigingsbesluiten worden gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregels ingetrokken.
6.2 Overgangsrecht
1Aanvragen voor ondersteuning die bij het college zijn ingediend voor de inwerkingtreding en waarop nog niet is beslist bij het inwerkingtreden van deze beleidsregels, worden afgehandeld krachtens deze beleidsregels.
2Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Beleidsregels Huishoudelijke ondersteuning 2022 wordt beslist met inachtneming van de beleidsregels waarop het besluit is gebaseerd.
3Van het tweede lid kan ten gunste van de inwoner worden afgeweken.
4Het college heeft de bevoegdheid een besluit op grond van de Beleidsregels Huishoudelijke Ondersteuning 2022 te herzien met toepassing van deze beleidsregels:
a.indien er wijzigingen plaats vinden in de omstandigheden waarop het besluit is gebaseerd;
b.indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van deze beleidsregels een afwijkend besluit zou zijn genomen.
6.3 Inwerkingtreding
De beleidsregels behorende bij de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026, treden in werking een dag na bekendmaking.
6.4 Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels Huishoudelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2026 of verkort Bho2026.