Aanhef
Het college van Heusden heeft in de vergadering van 5 december 2023, gelet op de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, besloten:
•de werkafspraken Kwaliteitsverbetering Landschap Regio Hart van Brabant vast te stellen (bijlage A);
•de nadere invulling van de gemeente Heusden (bijlage E) vast te stellen;
•de gehanteerde bestemmingswaarden (bijlage F) vast te stellen.
namens het college van Heusden,
de secretaris,
mr.H.J.M.Timmermans
5. Investering in kwaliteitsverbetering van het landschap
Investeringen
Nadat is bepaald welk bedrag in de kwaliteitsverbetering van landschap moet worden geïnvesteerd, is de vraag waarin moet worden geïnvesteerd. De gemeenten hebben de voorkeur dat investeringen plaatsvinden aansluitend op of in de nabijheid van het initiatief. Dit is juridisch ook het eenvoudiger vast te leggen. Het is echter mogelijk dat investeringen in redelijkheid niet in de nabijheid gerealiseerd kunnen worden (bijvoorbeeld vanwege een gebrek aan grond). Op dat moment kan die investering worden ingezet elders binnen de gemeente, om gemeentelijke beleidsdoelen met betrekking tot kwaliteitsverbetering van het landschap te realiseren, dan wel worden aangewend om regionale landschapsprojecten te realiseren. Tot slot is er de mogelijkheid om kwaliteitsverbetering via een storting in een reserve mogelijk te maken, Deze laatste mogelijkheid dient dan wel in een ruimtelijke visie verankerd te zijn.
6. Zekerstelling uitvoering door initiatiefnemer
Zekerstelling
De uitvoering van de landschappelijke inpassing en de landschappelijke kwaliteitsverbetering door de initiatiefnemer moet worden verzekerd. Dit kan op diverse manieren:
•De realisatie van de tegenprestatie moet als voorwaardelijke verplichting worden opgenomen in de vast te stellen wijziging van het omgevingsplan of als voorschrift worden toegevoegd aan de te verlenen omgevingsvergunning.
•Aanvullend kan een privaatrechtelijke (anterieure) overeenkomst worden gesloten met boetebeding waarin zowel de aanleg als de instandhouding van de tegenprestatie wordt vastgelegd.
•Een andere methode die aanvullend kan worden gebruikt, is het notarieel vastleggen van een kwalitatieve verplichting die in het kadaster wordt ingeschreven. Dit biedt duidelijkheid aan derden dat er een verplichting rust op bepaalde gronden, bijvoorbeeld tot het in stand houden van landschapselementen, wandelpaden of cultuurhistorische bebouwing.
De ervaring leert dat het toezicht op de aanleg en instandhouding van een ‘groene’ verplichting nodig is. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk (handhaving) voor de naleving van de voorwaardelijke verplichting. De aanleg van de maatregelen in landschap wordt bij het toezicht op de naleving van de bouwvergunning betrokken en in het veld wordt nagegaan wat er daadwerkelijk buiten is gerealiseerd.
7. Verwerking werkafspraken in het gemeentelijke beleid
Gemeentelijk beleid
De toepassing van artikel 5.11 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant zoals in deze notitie is beschreven, kan - en deels is dat nodig - doorwerken in het gemeentelijke beleid. Dat betreft o.a. de gemeentelijke omgevingsvisie, programma, omgevingsplan, omgevingsvergunningen, het instellen van een landschapsfonds of het labelen van het geld voor kwaliteitsverbetering, monitoren en verantwoorden van de investeringen in de kwaliteitsverbetering van het landschap.
Ook wanneer de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking treedt maakt verbetering van kwaliteit van het landschap deel uit van de provinciale kaders. Zowel bij een wijziging van het omgevingsplan, alsook bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit, zullen de regels voor kwaliteitsverbetering van toepassing zijn. Wat het gemeentelijk beleid betreft valt de regeling in eerste instantie onder het overgangsrecht en kan er vervolgens voor gekozen worden om deze regeling om te zetten naar een (thematisch) programma “kwaliteitsverbetering landschap”. Hierna is vast een doorkijkje gegeven naar het nieuwe instrumentarium van de Omgevingswet.
Omgevingsvisie en programma
Randvoorwaarde voor het vragen van een bijdrage van een ruimtelijke ontwikkeling voor kwaliteitsverbetering van het landschap is dat de samenhang tussen de ontwikkelingen tot uiting komt in een omgevingsvisie. De koppeling tussen de rode ontwikkeling en de financiering en realisatie van de maatschappelijke functies moet in het ruimtelijk beleid worden onderbouwd. Het is daarbij wenselijk dat (globaal) inzicht wordt gegeven in de te maken kosten voor de beoogde ontwikkeling van het landschap. In de uitvoeringsparagraaf van de omgevingsvisie wordt de bijdrage aan de ruimtelijke ontwikkeling (bijvoorbeeld door storting in een gelabeld fonds) gekoppeld aan de uitvoering van de maatregelen die in de omgevingsvisie zijn benoemd. Het is mogelijk, dat de gemeente voor aspecten van het gemeentelijk ruimtelijk beleid een programma vaststelt. Dat betekent dat de omgevingsvisie beperkt kan zijn tot de ontwikkeling van het landschap, waarin de koppeling wordt gelegd met een programma in de vorm van de onderhavige Werkafspraken en een landschapsfonds. De op te stellen omgevingsvisie (verplicht volgens de Omgevingswet) bevat tevens de onderbouwing om de voorwaardelijke verplichting te ondersteunen.
Omgevingsplan
In de toelichting bij de wijziging van het omgevingsplan, dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, wordt een verantwoording opgenomen hoe financieel, juridisch en feitelijk de beoogde tegenprestatie voor landschapsverbetering wordt verzekerd. Per ruimtelijk besluit wordt een verantwoording gevraagd. Er bestaan verschillende mogelijkheden om de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap in een wijziging van het omgevingsplan te vertalen. Welke methode wordt gekozen is aan de individuele gemeente.
Bij planmatige stedelijke ontwikkelingen zijn dat de volgende mogelijkheden:
•In het plan te bepalen dat minimaal 1% van de uitgifteprijs gestort wordt in het gemeentelijke landschapsfonds.
•In het vastgestelde plan (of een afzonderlijk plan in geval dit buiten het plan gebeurt) aan te geven waar en welke maatregelen voor kwaliteitsverbetering van het landschap getroffen worden en hoe de uitvoering daarvan is verzekerd.
Bij individuele ontwikkelingen kunnen de volgende methoden aanvullend aan elkaar worden ingezet:
•Het opnemen van criteria waaraan voldaan moet worden bij het verlenen van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.
•De mogelijkheid om gekoppeld aan de (rechtstreekse) bouwregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen. Als hiervoor wordt gekozen is het nodig dat een dergelijke verplichting zijn grondslag vindt in gemeentelijk beleid en dat de voorwaardelijke verplichting zo concreet mogelijk is omschreven. De verplichting mag daarbij niet afhankelijk worden gesteld van een onzekere gebeurtenis. Bij het opnemen van een voorwaardelijke plicht in de planregels geldt dat de grondslag van het gemeentelijk (ruimtelijk kwaliteit)beleid in beginsel verankerd moet zijn in een omgevingsvisie. Daarbij geldt dat hoe concreter de landschapsmaatregelen in een omgevingsvisie of programma zijn benoemd, hoe beter de voorwaardelijke verplichting kan worden vorm gegeven in het omgevingsplan.
•De keuze om voor ontwikkelingen een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verlenen. Ook dan biedt een vastgestelde omgevingsvisie de basis om invulling aan de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap te geven.
In de nieuw te ontwikkelen wijzigingen van het omgevingsplan wordt opgenomen in welke gevallen de voorwaarde van een goede landschappelijke inpassing van toepassing is en hoe dat wordt geregeld en veilig gesteld.
Instellen landschapsfonds
Zoals al eerder is opgemerkt, heeft het de voorkeur dat de investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap plaatsvindt in de nabijheid van het initiatief. Er zijn echter omstandigheden waarbij dat in redelijkheid niet mogelijk blijkt te zijn, zoals:
•Bij planmatige stedelijke uitbreidingen;
•De initiatiefnemer heeft geen grond ter beschikking;
•De beschikbare grond ligt op een verkeerde locatie;
•De ruimtelijke ontwikkeling ligt op een locatie, waar kwaliteitsverbetering van het landschap niet aan de orde is (bijvoorbeeld wanneer een ruimtelijke ontwikkeling ligt ingeklemd tussen bestaande bebouwing die geen deel uitmaken van het project);
•De investering is zo groot (vooral bij stedelijke ontwikkeling) dat deze de schaal van het initiatief overstijgt.
Voor deze gevallen hebben gemeenten te mogelijkheid om over een landschapsfonds te beschikken. Een aantal gemeenten in de regio heeft een dergelijk fonds al ingesteld als gevolg van de afspraak tussen gemeente en provincie over kwaliteitsverbetering landschap die voor planmatige stedelijke uitbreidingen sinds 2005 van toepassing is. In de omgevingsverordening wordt gesteld dat de verbetering van omgevingskwaliteit financieel, juridisch en feitelijk geborgd moet zijn in het ruimtelijk plan (art. 5.11 lid 2a OV). Indien kwaliteitsverbetering geborgd wordt via een storting in een landschapsfonds, dan dient terugkoppeling hierover plaats te vinden via het regionaal ruimtelijk overleg. In artikel 7.9 lid 4 OV staat dat, periodiek, en ten minste eens per bestuursperiode, partijen in de (sub-)regio afspraken maken over de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap en de resultaten met elkaar bespreken.
Bij storting in een landschapsfonds neemt de gemeente neemt de verplichting tot verbetering van omgevingskwaliteit over van de initiatiefnemer. Het heeft daarbij de voorkeur om de middelen uit het fonds in eerste plaats binnen de eigen gemeenten in te zetten en in tweede instantie kunnen deze middelen ook geïnvesteerd worden in regionale projecten die (gedeeltelijk) buiten de gemeenten liggen. In dat geval dient daarvoor een basis gelegd te worden in de gemeentelijke Omgevingsvisie.
Onder de Omgevingswet kan een landschapsfonds een maatregel zijn van een programma of in de uitvoeringparagraaf van de omgevingsvisie een plaats krijgen.
Bijlage E: nadere invulling van de gemeente Heusden
Op 4 oktober 2023 zijn in het POHO Fysiek van de Regio Hart van Brabant werkafspraken gemaakt over de uitvoering van de regeling Kwaliteitsverbetering landschap.
Daarbij zijn in die werkafspraken op enkele punten besluiten open gelaten. Hierna worden deze benoemd en wordt aangegeven wat de gemeente Heusden hierin besluit.
Keuzes door de gemeente Heusden:
Paragraaf 2.2
Voetnoot bij: “Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist. Deze initiatieven hebben geen impact op de omgeving, of leiden op zichzelf al tot een versterking van het landschap. Het is aan de gemeente of landschappelijke inpassing vereist is.
Besluit: De gemeente stelt geen extra eisen aan de landschappelijke inrichting, omdat het hier al ontwikkelingen betreft die primair tot doel hebben de fysieke verbetering van de kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden te vergroten. Het betreft de aanleg van natuur- en landschapselementen en bijv. voorzieningen voor extensief recreatief medegebruik, zoals de aanleg van wandelpaden. Verder behoren hiertoe ook planologische ontwikkelingen/gebruiksactiviteiten die bijdragen aan het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden, zoals woningsplitsing binnen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.
Voetnoot bij: “Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op de omgeving. Deze initiatieven zijn van relatief grote omvang en hebben een grote impact op de omgeving en het landschap. Hierbij is zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist. De landschappelijke inpassing kan deel uitmaken van de kwaliteitsverbetering, of geëist worden als aanvulling daarop (keuze aan de gemeente)”.
Besluit: De landschappelijke inpassing maakt onderdeel uit van de kwaliteitsverbetering. Deze telt financieel dus mee. Alleen als belangrijke landschapsstructuren verdwijnen door de nieuwe ontwikkeling, moet hiervoor extra worden gecompenseerd.
Paragraaf 4.1
Voetnoot bij: “In categorie 3 gevallen is zowel landschappelijke inpassing als kwaliteitsverbetering landschap noodzakelijk. Om objectief te kunnen bepalen welke investering gedaan moet worden in het landschap, wordt hiervoor een bedrag berekend. Het gaat dan overigens om een basisinspanning. Met basisinspanning wordt de minimale omvang bedoeld. Het staat de gemeente vrij om een grotere inspanning te vragen”.
Besluit: De gemeente Heusden vraagt de basisinspanning (volgens regels van de provincie) en niet meer dan dat. Dat wil zeggen:
Voetnoot bij: “Bij particulieren gaan we uit van de bestemmingswaarde methodiek. Het gaat hierbij om een instrument, waarmee de waardevermeerdering van de ruimtelijke ontwikkeling wordt bepaald op basis van bestemmingswaarde per gebruiksfunctie, die door de gemeente wordt bepaald. Een percentage van de toename van de bestemmingswaarde (de bestemmingswinst) moet geïnvesteerd worden in het landschap. De regiogemeenten hanteren hiervoor tenminste 20%. De gemeente Heusden bepaalt dat dit 20% is”.
Paragraaf 4.2
Voetnoot bij: “Bij planmatige stedelijke ontwikkeling zoals bedrijventerreinen, woongebieden en sportterreinen wordt uitgegaan van een minimumbijdrage per m2 uit te geven grond. De minimum bijdrage is 1% van de uitgifteprijs, de gemeente heeft de keuze om een hogere bijdrage te vragen”.
Besluit: De gemeente Heusden bepaalt dat dit 1% is.
Paragraaf 5.1
Voetnoot bij: “Het opnemen van passend bestaand groen in het landschapsplan dient tot behoud en planologische bescherming ervan. Het is een eigen keuze van de gemeente om kosten voor beheer en onderhoud wel of niet mee te rekenen”.
Besluit: Het bestaand groen wordt planologisch beschermd. Het verbeteren van de bestaandegroenstructuur kan eenmalig meegenomen worden. Het beheer van bestaand groen kan 3 jaar meegenomen worden.
Paragraaf 5.2
Voetnoot bij: “Bij de invulling van de regeling kwaliteitsverbetering landschap kunnen de volgende maatregelen worden ingezet:
h.Indien en voor zover de gemeente dit toestaat: een storting in het gemeentelijk landschapsfonds (bij cat. 3 ontwikkeling)“.
Besluit: De gemeente staat storting in een landschapsfonds toe. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de reserve Bovenwijkse voorzieningen, waarbinnen een oormerking plaats vindt voor de gelden met betrekking tot Rood voor Groen en kwaliteitsverbetering landschap.
Voetnoot bij: “Kosten voor beheer en onderhoud mogen in redelijkheid worden opgevoerd. We sluiten hiervoor aan bij de STILA systematiek: de kosten kunnen voor maximaal 6 jaar meegerekend worden. Ook hier zien we de bedragen van STILA als een goede richtlijn. Het staat gemeenten vrij om de kosten voor beheer en onderhoud wel of niet mee te rekenen, of voor een kortere periode dan 6 jaar”.
Besluit: De gemeente Heusden staat toe dat de kosten voor beheer en onderhoud gedurende 6 jaar worden meegerekend.
Hoofdstuk 7
Voetnoot bij: “De toepassing van artikel 5.11 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant zoals in deze notitie is beschreven, kan - en deels is dat nodig - doorwerken in het gemeentelijke beleid. Dat betreft o.a. de gemeentelijke omgevingsvisie, programma, omgevingsplan, omgevingsvergunningen, het instellen van een landschapsfonds of het labelen van het geld voor kwaliteitsverbetering, monitoren en verantwoorden van de investeringen in de kwaliteitsverbetering van het landschap”.
Besluit: Op dit moment is de regeling goed geborgd. Zodra de Omgevingswet in werking treedt valt de regeling in eerste instantie onder het overgangsrecht. Met de bijstelling van de verschillende onderdelen zal de regeling worden geborgd zoals beschreven in hoofdstuk 7.
Algemeen
De gemeente maakt storting mogelijk in de reserve Bovenwijkse voorzieningen (inclusief voormalige reserve “Rood voor Groen”) waar de bijdrage voor Kwaliteitsverbetering landschap naar toe gaat in het geval de noodzakelijke investering niet op de kavel van de initiatiefnemer wordt gerealiseerd. Het fonds wordt gebruikt om projecten te verwezenlijken, die zijn opgenomen in het door de gemeenteraad vastgestelde projectenboek Groen.