Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Artikel I
Begripsomschrijvingen
Artikel 2
Aanvraag en einde bezoldiging
1Het recht op bezoldiging vangt aan met de dag waarop de aanstelling van de ambtenaar ingaat. Indien in het aanstellingsbesluit geen datum van ingang is vermeld, vangt het recht op bezoldiging aan met de dag waarop de ambtenaar feitelijk in dienst is getreden.
2Het recht op bezoldiging eindigt, in geval van ontslag, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.
Artikel 3
Gebroken tijdvakken
Wanneer het salaris en de toelagen moeten worden berekend over een gedeelte van een kalendermaand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die maand.
Artikel 4
Salaris bij aanstelling
1Burgemeester en wethouders stellen met in achtneming van de resultaten van functiewaardering, de bepalingen in deze verordening, de regeling functioneringsgesprekken en methodische personeelsbeoordeling het salaris van de ambtenaar, vast op een bedrag in een van de schalen vermeld in bijlage II A van de CAR.
2De ambtenaar wordt bij in dienst treding ingepast in de bij de functie behorende aanloopschaal, indien de ambtenaar nog niet volledig voldoet aan de gestelde functie-eisen.
3Anders dan bij wijze van disciplinaire straf, als bedoeld in artikel 16 van de Uitwerkingsovereenkomst (UWO), kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal.
4Van het bepaalde in lid 2 en 3 kan worden afgeweken, ingeval daartoe naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanleiding bestaat.
Artikel 5
Verhoging van het salaris
1Het salaris van de ambtenaar wordt bij voldoende functioneren binnen de salarisschaal periodiek verhoogd tot het naasthogere bedrag.
2De periodieke verhogingen worden toegekend: a. wanneer de ambtenaar het maximumsalaris van de door hem/haar geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, voor de eerste maal op 1 januari van het bij de benoeming vastgestelde jaar en nadien telkens op 1 januari; b. wanneer de ambtenaar tussen 1 oktober en 31 december in dienst is getreden, voor de eerste maal op 1 januari van het tweede kalenderjaar na indiensttreding en nadien telkens op 1 januari.
3Het tijdstip waarop ingevolge het vorige lid van de onder a. bedoelde ambtenaar voor de eerste maal een periodieke verhoging moet worden toegekend, kan worden vervroegd ingeval daartoe aanleiding bestaat.
Artikel 6
Overgang naar een hogere schaal
Voor de functie van de ambtenaar kan op enig moment een salarisschaal, welke niet uitgaat boven het maximum van de functionele schaal, gaan gelden met een hoger maximum salaris, dan waarin de betreffende ambtenaar op dat moment is ingepast. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het toepassen van een bevordering en een technische aanpassing.
a.Bevordering
1Overgang van aanloop- naar functieschaal vindt plaats, nadat de ambtenaar de betreffende functie een jaar heeft uitgeoefend en tevens sprake is van voldoende functioneren en volledig uitoefenen van de functie. Zulks met inachtneming van de regeling functioneringsgesprekken en methodische personeelsbeoordeling.
2In het geval dat na functiewaardering de nieuwe functieschaal hoger is dan de functieschaal waarin de ambtenaar is ingepast, vindt bevordering plaats als sprake is van voldoende functioneren en volledig uitoefenen van de functie. Zulks met inachtneming van de regeling functioneringsgesprekken en methodische personeelsbeoordeling.
3Als datum voor hernieuwde inschaling in situaties genoemd in lid 2 en lid 8, geldt het moment waarop de ambtenaar de betreffende functie feitelijk is gaan vervullen en sprake is van voldoende functioneren en volledige uitoefening van de functie. Als deze datum niet objectief aantoonbaar is, geldt 1 januari van het jaar waarin de functiewaardering is vastgesteld.
4Wanneer voor de ambtenaar een functieschaal gaat gelden met een hoger maximumsalaris, dan gaat het salaris in de nieuwe schaal te allen tijd uit boven het salaris, dat de ambtenaar in de verlaten schaal zou hebben genoten.
5In het geval dat het salarisverschil tussen het naasthogere bedrag in de nieuwe functieschaal en het oude salaris minder bedraagt dan 75% van het salarisverschil tussen het bedrag dat de ambtenaar aan salaris zou hebben ontvangen indien hij niet zou zijn overgegaan naar de nieuwe schaal maar in de oude schaal een periodieke verhoging zou hebben gekregen, en het bedrag van zijn oude salaris, wordt de ambtenaar in de nieuwe schaal ingeschaald op het bedrag dat direct volgt op het naasthogere bedrag.
6In het geval dat na functiewaardering de nieuwe functieschaal lager is dan de schaal waarin de ambtenaar is ingepast, wordt deze hogere schaal voor de ambtenaar een persoonlijke garantieschaal.
6Aan indicatieve salarisschalen die voorafgaand aan functiewaardering kunnen worden gehanteerd, kunnen ambtenaren geen rechten ontlenen (behoudens het gestelde in lid 6).
b.Technische aanpassing
8In het geval dat na functiewaardering de nieuwe aanloopschaal hoger is dan de aanloopschaal waarin de ambtenaar is ingepast, wordt de ambtenaar op hetzelfde salarisbedrag dan wel, indien niet mogelijk, het naasthogere bedrag ingeschaald.
9Bij wijziging van de conversietabel, wordt de ambtenaar op hetzelfde salarisbedrag dan wel, indien niet mogelijk, het naasthogere bedrag ingeschaald op het moment dat de wijziging van de conversietabel is vastgesteld.
Artikel 7
Onvoldoende functioneren
1, Met inachtneming van het bepaalde in de regeling functioneringsgesprekken en methodische personeelsbeoordeling kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat ten aanzien van de ambtenaar salarisverhogingen, als bedoeld in artikel 5, achterwege worden gelaten.
2Burgemeester en wethouders kunnen nadien bepalen dat de salarisverhogingen, welke met toepassing van het eerste lid achterwege zijn gelaten, al dan niet met terugwerkende kracht, alsnog worden toegekend.
3Van een beslissing tot toepassing van het eerste lid wordt de ambtenaar zo spoedig mogelijk, doch in elke geval voor de datum waarop, anders de salarisverhoging van de redenen welke tot de mededeling gedaan, onder vermelding van de redenen welke tot de beslissing hebben geleid.
Artikel 8
Buitengewone bekwaamheid
1Aan de ambtenaar, die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, kan een extra salarisverhoging tot een in de salarisschaal genoemd bedrag worden toegekend op grond van langdurige bijzonder goede uitoefening van de functie.
2Bij toepassing van het vorige lid blijft het tijdstip, waarop ingevolge artikel 5 een salarisverhoging zou moeten worden toegekend, onverlet, tenzij burgemeester en wethouders anders bepalen.
3Toekenning van de extra salarisverhoging geschiedt met inachtneming van het bepaalde in de regeling functioneringsgesprekken en methodische personeelsbeoordeling.
Artikel 9
Persoonlijke toelage
1Aan de ambtenaar die het maximum van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt kan door burgemeester en wethouders, wanneer daartoe naar hun oordeel op grond van langdurige bijzonder goede uitoefening van de functie aanleiding bestaat, een toelage worden toegekend.
2De in het voorgaande lid bedoelde toelage mag niet hoger zijn dan 10 procent van het salaris van de betrokken ambtenaar met dien verstande dat het maximum van de naasthogere schaal niet mag worden overschreden.
3Toekenning van de persoonlijke toelage geschiedt met inachtneming van het bepaalde in de regeling functioneringsgesprekken en methodische personeelsbeoordeling.
4Indien de ambtenaar ten gevolge van (her)waardering van de door hem beklede functie ingeschaald wordt in een hogere salarisschaal, wordt de persoonlijke toelage verrekend met het hogere salaris en slechts uitbetaald voor zover die persoonlijke toelage het salaris overschrijdt.
Artikel 10
Onvolledige werktijd
Het salaris van de ambtenaar met een niet-volledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige werktijd.
Artikel 11
Toelage onregelmatige dienst
1Aan de ambtenaar, die anders dan bij wijze van overwerk, regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan van maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur, wordt een toelage toegekend conform artikel 17 lid 1, 2 en 3 van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, zoals die thans luidt dan wel gaat luiden.
2In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders één aaneengesloten periode van drie uur eenmaal per week aanwijzen, waarover geen recht op toelage onregelmatige dienst bestaat.
3In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders een regeling treffen, welke het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.
Artikel 11 a
Aflopende toelage
1Aan een ambtenaar, van wie de bezoldiging als gevolg van buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, die werd toegekend wegens het verrichten van onregelmatige dienst, een blijvende verlaging ondergaat, welke ten minste 3% bedraagt van het salaris vermeerderd met de toelage(n), wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij de eerstgenoemde toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
2De ambtenaar die de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt en de toelage gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten wordt een blijvende toelage toegekend.
3Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
4De duur van de aflopende toelage bedraagt één kwart van de periode dat men de toelage heeft gekregen met een maximum van drie jaar.
5Het bedrag van de aflopende toelage bedraagt:
-het eerste jaar 75% van het verschil tussen enerzijds de gemiddelde toelage in de 12 maanden direct voorafgaande aan de beëindiging of de vermindering en anderzijds de toelage na de inkomensdaling;
-het tweede jaar 50% van dat verschil;
-het derde jaar 25% van dat verschil.
6Indien de ambtenaar ten gevolge van (her)waardering van de door hem beklede functie ingeschaald wordt in een hogere salarisschaal, wordt de aflopende toelage verrekend met de hogere bezoldiging en slechts uitbetaald voor zover die aflopende toelage de bezoldiging overschrijdt.
Artikel 12
Onvoorziene gevallen
1In gevallen waarin deze verordening niet of onvoldoende voorziet zijn B&W bevoegd bepalingen van deze verordening te wijzigen, in te trekken en (nadere) regels te stellen of te wijzigen.
2Het college van burgemeester en wethouders raadpleegt over elk voorstel tot wijziging van deze verordening vooraf de Commissie voor Georganiseerd Overleg.
Artikel 13
Ingangsdatum
1Deze verordening treedt één dag na bekendmaking in werking.
2Met ingang van de datum genoemd onder sub 1. vervallen de “verordening tot regeling van de bezoldiging van de ambtenaren in dienst van de gemeente Heusden 1997” en het wijzigingsbesluit van 15 december 1998 (B199816636).
3Deze regeling kan worden aangehaald als de “Bezoldigingsverordening gemeente Heusden 2001”
Aldus besloten door de raad van de gemeente Heusden in de openbare vergadering van 8 mei 2001.
De raad voornoemd,
De secretaris, De voorzitter,
drs. H.C. Jongmans drs. H.P.T.M. Willems