Gemeentelijke regelgeving

Geluidbeleid gemeente Hengelo

Gemeente Hengelo · geldt sinds 25 maart 2020

Aanhef

Leeswijzer

Om de lezer op een snelle wijze door het geluidbeleid van de gemeente Hengelo te leiden, is hieronder een beknopte leeswijzer opgenomen. Op deze manier hoeft de gebruiker niet het gehele rapport te lezen om duidelijk te krijgen wat de uitgangspunten en beleidsregels zijn die betrekking hebben op de gewenste toepassing.

4 Bedrijven; maatwerk Activiteitenbesluit en omgevingsvergunningen

4.1 Algemeen

4.1.1 Ligging woning is bepalend

Het gebiedstype waarin woningen of andere geluidgevoelige gebouwen liggen bepaalt de ambitie- en plafondwaarden voor omgevingsvergunningen en maatwerkvoorschriften, niet het gebiedstype waarin het bedrijf ligt.

GEEN WONINGEN, DAN GELDT DE NORM OP 50 METER VAN DE ERFGRENS

De normstelling wordt zo mogelijk gelegd op de gevel van het geluidgevoelige object. In geval van stoorlawaai of moeilijke bereikbaarheid van een gevel kan het kiezen van een ander referentiepunt gewenst zijn. De normstelling op dit referentiepunt wordt herleid uit de waarde die geldt op de gevel van de woning of geluidgevoelige bestemming. Als binnen 50 meter geen woningen of andere geluidgevoelige objecten aanwezig zijn, geldt op 50 meter de ambitie en plafondwaarde van het gebiedstype waar het 50 meterpunt in is gelegen. De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de inrichting. Het is in de meeste gevallen voldoende om aan 4 zijden van de inrichting een waarneempunt te kiezen. Het waarneempunt dient vrij toegankelijk te zijn voor controlemetingen en mag niet onevenredig worden afgeschermd.

4.1.2 Eerstelijnsbebouwing langs hoofdwegen (Verkeerszone)

In de zones langs hoofdwegen (gebiedstype Verkeerzone) geldt geen vaste ambitiewaarde, maar is de waarde afhankelijk van de geluidbelasting door het verkeer op het moment van beoordeling. De ambitiewaarde kan met maximaal 5 dB worden verhoogd als de geluidbelasting door het verkeer meer dan 10 dB hoger is dan de reguliere ambitiewaarde voor industrielawaai. Deze afweging moet per gevel en per beoordelingspunt worden gemaakt. De reden om een dergelijke verhoging toe te staan, is dat het geluid van industrielawaai zal worden gemaskeerd door het wegverkeerslawaai. De verhoging geldt niet voor railverkeerslawaai, omdat railverkeerslawaai een afwisseling kent tussen stille perioden en treinpassages. In een stille periode zal een verhoogde grenswaarde niet worden gemaskeerd door het railverkeerslawaai en kan het tot ongewenste hinder leiden.

4.1.3 Eerstelijnsbebouwing langs emplacement

Voor de eerstelijnsbebouwing langs het emplacement geldt een bijzondere situatie. Het emplacement is vergunningplichtig voor zover het de rangeer-activiteiten betreft. De omgevingsvergunning ziet echter niet op de doorgaande treinen die ook over de emplacementssporen rijden. De geluidvoorschriften in de omgevingsvergunning hebben daarom alleen betrekking op het rangeren en niet op de doorgaande treinen. Het equivalente geluidniveau als gevolg van doorgaande treinen is over het algemeen hoger dan het geluidniveau van rangerende treinen. Voor een waarnemer echter zal het geluid van een rangerende trein voor een belangrijk deel hetzelfde zijn als het geluid van een passerende doorgaande trein. Vanwege de geluidbelasting van het doorgaande spoor zijn saneringsmaatregelen getroffen om te bewerkstelligen dat kan worden voldaan aan de wettelijke norm voor het binnenniveau. Dit betreft in sommige gevallen ook maatregelen aan de gevel. Deze maatregelen bieden uiteraard ook bescherming tegen de geluidbelasting als gevolg van rangeer-bewegingen. Om deze redenen kan de plafondwaarde met maximaal 5 dB worden verhoogd zonder dat er sprake is van een equivalente geluidbelasting die uitgaat boven de geluidbelasting als gevolg van het doorgaande spoor. Wel moet worden onderzocht wat het effect is van de cumulatie van beide geluidaspecten.

4.1.4 Buitengebied (agrarische bedrijven)

In het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden voor de geluidvoorschriften voor bedrijven (inrichtingen) bestemd voor agrarische activiteiten (niet zijnde glastuinbouw) afwijkende (etmaal)periodetijden. Om zo weinig mogelijk (rechts) ongelijkheid te veroorzaken tussen bedrijven die vallen onder de werking van het Activiteitenbesluit en vergunningplichtige bedrijven gelden voor de vergunningverlening aan agrarische bedrijven en aan bedrijven met een agrarisch karakter dezelfde periodetijden als in het Activiteitenbesluit, nl.:

■ dag: van 6.00 uur tot 19.00 uur.

■ avond: van 19.00 uur tot 22.00 uur.

■ nacht: van 22.00 uur tot 6.00 uur.

4.1.5 Indirecte hinder

SCHRIKKELCIRCULAIRE

Geluidhinder door vervoersbewegingen van en naar een inrichting (= bedrijf) die plaatsvinden buiten het terrein van de inrichting moeten worden beoordeeld aan de hand van de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting’ van 29 februari 1996. Uitgangspunt bij deze beoordeling is dat indirecte hinder niet wezenlijk bijdraagt aan de geluidbelasting en niet in de beoordeling zal worden betrokken als:

■ de aan- en afvoerroute in een verkeerszone ligt en;

■ de geluidbelasting van het wegverkeer meer dan 10 dB(A) hoger is dan de geluidbelasting van de aan- en afvoerbewegingen.

De Circulaire laat piekgeluiden buiten beschouwing. Als er aanleiding is om te verwachten dat piekgeluiden als gevolg van vervoersbewegingen een relevante factor zijn, moet - mede vanwege jurisprudentie - in het kader van een goede ruimtelijke ordening de beoordeling van de piekgeluiden wel worden betrokken.

Bij inrichtingen die vallen onder de werking van het Activiteitenbesluit worden naar aanleiding van deze beoordeling zo nodig maatwerkvoorschriften vast-gesteld op grond van artikel 2.1 lid 4 (zorgplicht) van het Activiteitenbesluit. De geluidparagraaf 2.8 van het Activiteitenbesluit kent geen normen voor indirecte hinder. Het zorgplichtartikel (art. 2.1) stelt echter dat als het besluit geen regels stelt, de nadelige milieugevolgen voor zover dat redelijkerwijs gevraagd kan worden, moeten worden voorkomen of zoveel mogelijk beperkt. Deze zorgplicht heeft onder meer betrekking op geluidhinder en op het verkeer van personen en goederen van- en naar de inrichting. Voor zover dit niet uitputtend is geregeld kan het bevoegd gezag hiertoe maatwerkvoorschriften stellen. Deze maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat te verrichten activiteiten worden beschreven of dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de nadelige gevolgen voor het milieu te bepalen.

4.1.6 Cumulatie

VOOR HET NIET-GEZONEERDE DEEL VAN WESTERMAAT WORDT WEL ZONERINGS-SYSTEMATIEK TOEGEPAST.

In incidentele gevallen zal een woning of geluidgevoelige bestemming door meerdere bedrijven belast worden met geluid; dit doet zich vooral voor aan de rand van bedrijventerreinen. Voor het bedrijventerrein Westermaat (het deel dat ligt buiten de wettelijke zone) is er voor gekozen om een zone-bewakings-systematiek te hanteren. Dat betekent dat alle bedrijven zijn opgenomen in een geluidmodel waarmee de gecumuleerde geluidbelasting van de bedrijven wordt berekend. Uitgangspunt is dat de gecumuleerde geluidbelasting op de aanwezige en geprojecteerde woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen (vooral gelegen in de gemeente Borne) niet groter is dan 50 dB(A). Vergunningvoorschriften en maatwerkvoorschriften worden gebaseerd op dit model. Voor andere bedrijfsterreinen is geen model opgesteld. In beginsel wordt op deze terreinen getoetst per bedrijf. Als er echter aanleiding is te veronderstellen dat vanwege cumulatie de ambitiewaarde bij geluidgevoelige bestemmingen substantieel wordt overschreden, dan zal de cumulatie bij de beoordeling worden betrokken.

4.1.7 Maximale geluidniveaus

De norm voor het maximale geluidniveau (piekniveaus) geldt ter plaatse van woningen en geluidgevoelige bestemmingen. In het algemeen dient gestreefd te worden naar maximale geluidniveaus LAmax die niet meer dan 10 dB boven het aanwezige equivalente geluidniveau komen. Op basis van het BBT-beginsel dient een afweging gemaakt te worden. In die gevallen waarin in redelijkheid niet aan de streefwaarden kan worden voldaan, worden de volgende hogere maximale geluidniveaus LAmax vergund:

■ 70 dB(A) voor de dagperiode (7.00 uur - 19.00 uur).

■ 65 dB(A) voor de avondperiode (19.00 uur - 23.00 uur).

■ 60 dB(A) voor de nachtperiode (23.00 uur - 7.00 uur).

Een verhoging met 5 dB van deze maximale geluidwaarde in de dagperiode wordt toegestaan als sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidniveau te beperken. Een dergelijke verhoging dient te worden gemotiveerd. In bijzondere gevallen van algemeen belang worden aan activiteiten geen voorschriften voor maximale geluidniveaus (LAmax) voorschriften gebonden, zoals bij vliegbewegingen traumahelikopter, uitrukken brandweer, politie, ziekenwagens en strooiwagens.

Activiteiten in de dagperiode die niet worden veroorzaakt door de hoofdactiviteit kunnen na een bestuurlijke afweging worden uitgezonderd van de geluidnormering.

Dit betreft activiteiten zoals:

■ laden- en lossen op het terrein van de inrichting.

■ het legen van een vuilcontainer.

■ het rijden met landbouwtractoren of motorrijtuigen met beperkte snelheid over het terrein van de inrichting.

4.1.8 Bestaande bedrijven

Het is mogelijk dat bij bestaande bedrijven knelpunten ontstaan als de plafondwaarde behorende bij de gebiedstypen uit deze nota wordt verbonden aan de omgevingsvergunning of als maatwerkvoorschrift wordt opgelegd. Als het toepassen van BBT onvoldoende resultaten geeft en de geluidnorm door het toepassen van de plafondwaarde naar beneden zou worden bijgesteld, zou dit kunnen betekenen dat voor deze bedrijven onevenredige zware geluideisen gaan gelden. Voor deze bedrijven en deze situaties geldt dat de nu geldende geluidvoor-schriften van kracht blijven maar dat geen verhoging van de geluidbelasting in de toekomst wordt toegestaan.

4.1.9 Incidentele activiteiten die met enige regelmaat plaatsvinden

Er zijn inrichtingen waarbij met enige regelmaat duidelijk meer geluidemissie optreedt dan in de overige tijd. Voorbeelden zijn:

■ Een oven of cycloon die korte tijd per week wordt gebruikt;

■ Overwerk in de avondperiode.

Gevolg van deze activiteiten kan zijn dat met een beperkte frequentie (maar vaker dan 12 maal per jaar) een hogere geluidemissie plaatsvindt dan onder de representatieve omstandigheden. Daarbij wordt in principe uitgegaan van een frequentie van maximaal circa één dag-, avond- of nachtperiode per week. Voor deze situaties kan, na bestuurlijke afweging, vergunning worden verleend voor een geluidniveau dat maximaal 5 dB(A) hoger ligt dan de plafondwaarde voor het betreffende gebiedstype. Bij de bestuurlijke belangenafweging moet worden betrokken: de noodzaak dan wel onvermijdelijkheid van de betreffende activiteit (de mogelijkheden om incidentele bedrijfssituaties te voorkómen), de redelijkerwijs te treffen maatregelen, de vraag of er sprake is van hinder en zo ja, in welke mate en met welke frequentie, op welk tijdstip en met welke duur ene hoogte van het geluidniveau.

Verder is het gewenst dat de betreffende activiteiten zo nauwkeurig mogelijk in de aanvraag worden vermeld en in de vergunningvoorschriften worden vastgelegd. Daarnaast is het redelijk dat van de vergunninghouder wordt verlangd dat deze een registratie bijhoudt van deze activiteiten dan wel deze, afhankelijk van de aard van de betreffende activiteit, in sommige gevallen tevoren meldt. Dit is zeker van belang als ten tijde van de aanvraag niet exact vaststaat wanneer deze activiteiten zullen plaatsvinden.

4.1.10 Uitzonderlijke bedrijfssituaties

Voor uitzonderlijke bedrijfssituaties wordt niet het volledige zonemodel gehanteerd, maar wordt de uitzonderlijke bedrijfssituatie rechtstreeks getoetst aan de zone en aan de maximaal toegestane gevelbelasting op woningen met een vastgestelde hogere grenswaarde, zonder daarbij rekening te houden met alle overige bedrijven op het gezoneerde industrieterrein. Daarbij moet wel worden uitgegaan van BBT en van zo min mogelijk hinder voor de omgeving.

5 Hogere grenswaarden en noodzakelijke maatregelen

5.2 Hogere waarden

5.2.1 Procedurele aspecten

In hoofdstuk 3 zijn de gebiedsgerichte ambities van het geluidbeleid van Hengelo beschreven. Ook is in dat hoofdstuk aangegeven wat de relatie is met de (voorkeurs)grenswaarden uit de Wet geluidhinder (afbeelding 3.2). Voor sommige gebiedstypen wijken de ambitie- en plafondwaarden uit het geluidbeleid af van de (voorkeurs)grenswaarden in de Wet geluidhinder. Dit heeft gevolgen voor de (wettelijke) procedures die gevolgd moeten worden. In Tabel 4 wordt aangegeven welke procedure gevolgd moet worden.

Tabel 4 Procedure hogere waarden in relatie tot plafond- en ambitiewaarden

Positie berekende waarde en bijbehorende procedure

Toelichting op procedure

Grafisch (paarse lijn)

Beschrijving

Beneden ambitiewaarde en beneden voorkeursgrenswaarde.

Geen hogere waardebesluit Geen motivering

Voor een geluidbelasting beneden de ambitiewaarde en beneden de voorkeursgrenswaarde is geen nadere toetsing nodig.

Beneden ambitiewaarde, maar boven voorkeursgrenswaarde.

Wel hogere waardebesluit Geen motivering

De geluidsbelasting is lager dan de ambitiewaarde voor het betreffende gebied; de situatie is daarom in overeenstemming met het gemeentelijke geluidbeleid.

Echter, omdat de waarde ligt boven de wettelijke voorkeursgrenswaarde is een hogere waardebesluit nodig. De motivering van dit besluit wordt gevonden in deze nota.

Boven ambitiewaarde, maar beneden voorkeursgrenswaarde

Geen hogere waardebesluit Wel motivering

Voor een geluidbelasting boven de ambitiewaarde, maar beneden de voorkeursgrens­waarde geldt dat moet worden getoetst aan de hoofdcriteria uit het geluidbeleid (zie tabel 5 op pagina 30). Er behoeft geen hogere waardebesluit te worden vastgesteld. De motivering waarom de geluidsbelasting wordt toegestaan, wordt vastgelegd in de toelichting op het ruimtelijke ordeningsbesluit.

Boven ambitiewaarde en boven voorkeursgrenswaarde

Wel hogere waardebesluit

Wel motivering

Voor een geluidbelasting boven de ambitiewaarde geldt dat moet worden getoetst aan de criteria uit het geluidbeleid. Omdat de waarde ligt boven de wettelijke voorkeursgrenswaarde is een hogere waardebesluit nodig. De toetsing aan het geluidbeleid wordt vastgelegd in het hogere waardebesluit.

Boven plafondwaarde

beneden grenswaarden

Wel hogere waardebesluit Wel motivering

In beginsel is dit niet toegestaan. In uitzonderlijke situaties kan een benadering vergelijkbaar met de Stad- en milieubenadering worden toegepast:

1) zo vroeg mogelijk inbrengen van milieuaspecten in het ruimtelijke ontwerp van een gebied en zoveel mogelijk nemen van bronmaatregelen om de negatieve milieueffecten te beperken

2) regelgeving/beleid optimaal benutten. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden is ook een hogere waardebesluit nodig.

5.2.2 Criteria hogere grenswaarde en noodzakelijke maatregelen

Artikel 110a lid 5 van de Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat een hogere waarde alleen kan worden verleend als “de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein, de weg of spoorweg, van de gevel van de betrokken woningen of andere geluidgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van de betrokken geluidgevoelige terreinen tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard".

De gemeente Hengelo heeft gebiedsgerichte ambities vastgesteld voor de na te streven geluidniveaus (zie hoofdstuk 3). In deze ambities is (impliciet) meegewogen dat die niveaus over het algemeen te bereiken zijn zonder daartoe op grote schaal (extra) maatregelen zoals bedoeld in artikel 110a lid 5 te moeten treffen en dat die gelet op de aard van het gebied redelijke geluidniveaus zijn, die niet ver uitgaan boven de verwachtingen die bewoners hebben. Als aan de ambities voor het betreffende gebied wordt voldaan, hoeft er naar het oordeel van de gemeente niet verder te worden nagedacht over maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen tot onder de voorkeursgrenswaarde. Met de ambitiewaarde is er naar het oordeel van de gemeente namelijk al sprake van een goed woon- en leefklimaat. Dit maakt het overwegen van aanvullende maatregelen onnodig (ofwel uitgedrukt in de terminologie van artikel 110a lid 5 : maatregelen ontmoeten overwegende bezwaren van – onder meer - financiële aard). De hogere waarde kan in deze gevallen met verwijzing naar bovengenoemde overweging over de aanwezigheid van een goed woon- en leefklimaat in deze nota worden verleend.

Als niet aan de ambitiewaarde kan worden voldaan, moet worden getoetst of een hogere waarde kan worden toegestaan. Hieronder worden de doelstellingen uit het gemeentelijke beleid verbonden met de wettelijke criteria en wordt toegelicht hoe de gemeente deze toetsing wil uitvoeren.

Tabel 5 Hoofdcriteria

Hoofdcriteria

Onderbouwing

Maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg of spoorweg

Maatregelen die niet direct door de initiatiefnemer of de gemeente kunnen worden beïnvloed (bijv. maatregelen aan het spoor, stiller materieel, stillere voertuigen) worden niet in de overwegingen betrokken. De (geprognosti­ceerde) geluidproductie van deze bronnen wordt als een gegeven beschouwd.

Maatregelen die wel in de overwegingen kunnen worden betrokken zijn vooral: het toepassen van stil wegdek, geluidwallen of geluidschermen, het aanhouden van voldoende afstand tussen (spoor) weg en ontvanger en maatregelen die betrekking hebben op de geluidsabsorberende eigenschappen van het gebied tussen (spoor)weg en ontvanger.

Bezwaren van stedenbouw­kundige aard

Bij de overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard tegen maatregelen om te voldoen aan de ambitiewaarde voor het betreffende gebied wordt ook de algemene doelstelling van dit geluidbeleid betrokken, namelijk: het nastreven van een goed woon- en leefklimaat.

De aanvrager van een hogere grenswaarde moet aannemelijk maken dat woningbouw ter plaatse noodzakelijk is en dat de locatie van de bebouwing ten opzichte van de (spoor)weg om stedenbouwkundige of locatiespecifieke redenen niet anders kan worden gesitueerd.

Bij vervangende nieuwbouw of bij het opvullen van een lege plek tussen bestaande bebouwing is het vanuit een stedenbouwkundig oogpunt veelal niet wenselijk om een andere afstand tot de (spoor)weg aan te houden dan bij de bestaande bebouwing of om een geluidscherm te realiseren.

Bij een stadsuitbreiding aan de rand van de bebouwde kom speelt dit bezwaar veel minder en kan in beginsel aan de ambitiewaarde worden voldaan. Wel kan het een overweging zijn om ter wille van efficiënt ruimtegebruik toch dichter op de (spoor)weg te bouwen. Voorwaarde moet dan wel zijn dat het stedenbouwkundige ontwerp zodanig vorm wordt gegeven dat het achterliggende gebied van het geluid wordt afgeschermd.

Bezwaren van landschappelijk aard

Geluidafschermende voorzieningen (schermen) kunnen zeer storende elementen zijn in het landschap. Hier is altijd een locatiespecifieke afweging nodig, als onderbouwing voor het hogere waardebesluit.

Bezwaren van vervoerskundige of verkeerskundige

aard

De gemeente heeft de afgelopen jaren de verkeersstructuur geoptimaliseerd door de binnenstedelijke hoofdinfrastructuur aan te leggen. Concentratie van het wegverkeer op de hoofdinfrastructuur heeft prioriteit. Daarbij zijn ook de uitgangspunten van het programma “Duurzaam Veilig” betrokken, ook al zijn deze in sommige gevallen akoestisch gezien ongunstig (bijv. drempels). Het is niet gewenst hier bij nieuwbouwplannen van af te wijken. In zijn algemeenheid prevaleert verkeersveiligheid boven het terugdringen van geluidhinder.

Bezwaren van financiële aard

In dit kader is het van belang dat de (meer)kosten van maatregelen (getalsmatig) worden aangetoond. Daarnaast moet in de bestemmingsplanexploitatie rekening worden gehouden met de kosten van geluidreducerende voorzieningen (daardoor wordt voorkomen dat in een latere planfase deze kosten als onvoorzien, dan wel onredelijk worden beschouwd). Door bij de hogere waarden-afweging rekening te houden met eventuele bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard wordt een integrale afweging gemaakt.

De in de voorgaande tabel toegelichte criteria van de Wet geluidhinder voor het nemen van een hoger geluidgrenswaardebesluit worden verder uitgewerkt in enkele voorwaarden en maatregelen om ondanks een hogere waarde dan de ambitiewaarde toch een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Deze voorwaarden en maatregelen gelden voor woningen of andere gebouwen met een woonfunctie (gebouwen waar 24 uur per dag mensen verblijven of wonen, zoals verpleeghuizen en verzorgingshuizen). Ze gelden niet voor geluidgevoelige gebouwen met een niet-woonfunctie (zoals ziekenhuizen of scholen).

Om een hogere waarde boven de ambitiewaarde te kunnen verlenen bij een woning of een gebouw met een woonfunctie moet aan ten minste één van de hieronder genoemde voorwaarden worden voldaan én moet ten minste één van de hieronder genoemde maatregelen ter bevordering van een goed woon- en leefklimaat worden getroffen.

Aan ten minste één van de volgende voorwaarden moet worden voldaan (zie toelichting in de tabel 6):

1De nieuwbouw ter plaatse dient ter vervanging van bestaande bebouwing.

2De nieuwbouw vult een open plaats op tussen aanwezige bebouwing.

3Het stedenbouwkundige ontwerp is zodanig vormgegeven dat daarbij zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat.

4de nieuwbouw betreft één of enkele geluidgevoelige objecten én het betreft:

een initiatief van de (toekomstige) bewoner zelf of;

een initiatief bestemd voor een duidelijk omschreven doelgroep.

Tabel 6 toelichting voorwaarden

Voorwaarden

Toelichting

1) Vervanging bestaande bebouwing

Ter vervanging van een bestaand bouwwerk van ten minste 2,5 meter hoog. Het betreft een bouwwerk dat fysiek aanwezig is tijdens (of tot maximaal 3 jaar fysiek aanwezig was vóór) de vaststelling van het hogere waardebesluit of dat is aangeduid op een vigerende bestemmingsplankaart.

2) Vult open plaats tussen bestaande bebouwing

De nieuwbouw past in de bestaande bebouwingsstructuur en ligt achter (min of meer) dezelfde rooilijn. De bestaande bebouwing aan beide zijden van de open plaats moet enig verband met elkaar hebben en in de nabijheid van elkaar liggen. Bijvoorbeeld: Een open ruimte tussen twee woonwijken op 200 meter afstand is geen open plaats zoals hier bedoeld.

3) Biedt afscherming voor het achtergelegen gebied

De afscherming dient zodanig te zijn dat de afgeschermde woningen een geluidbelasting ondervinden die gelijk of lager is dan de voorkeursgrens­waarde. De woningen die voor de voor de afscherming zorgen, liggen in de eerste lijn ten opzichte van de geluidbron. Woningen behoeven daarbij niet op dezelfde (rooi)lijn te liggen maar dienen wel direct zichtbaar te zijn vanaf de geluidbron. Aandachtspunt hierbij is eventuele hoogbouw verderop in een plangebied. Deze kan niet worden aangemerkt als afgeschermd en kan door haar hoogte wel een hogere geluidbelasting ondervinden..

4) Initiatief van (toekomstige) bewoner of bestemd voor een specifieke doelgroep

Er zijn situaties denkbaar waarin de criteria onredelijk uitpakken. Bijvoorbeeld in het geval dat een bedrijfswoning wenselijk is, of het geval waarin een initiatiefnemer voor zichzelf of voor een specifieke doelgroep één of enkele woningen wil realiseren. Het gemeentelijke geluidbeleid is er op gericht om een goed woon- en leefklimaat te realiseren. Als echter in alle vrijheid wordt gekozen om een hogere geluidbelasting te accepteren en als de locatie-specifieke omstandigheden (kennelijk) voldoende compensatie bieden voor die geluidbelasting, dan wil de gemeente dat niet verbieden. Voorwaarde hiervoor is wel dat, overeenkomstig de hieronder genoemde voorwaarden, aannemelijk wordt gemaakt dat het woon- en leefklimaat op de locatie voldoende kwaliteit. In geval van r doelgroepen die minder keuzemogelijkheden hebben, moet stringenter worden getoetst of een hogere waarde acceptabel is.

Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen, is ook ten minste één van de onderstaande maatregelen van toepassing (zie toelichting in tabel 7):

a) Een woning heeft ten minste één zijde (gevel) waarop de wettelijke voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden (= geluidluwe zijde) en ten minste één verblijfsruimte wordt aan de geluidluwe zijde gerealiseerd. Als de woning beschikt over een tuin of een balkon worden deze bij sterke voorkeur aan de geluidluwe kant van de woning gerealiseerd; als de woning beschikt over een balkon aan de geluidbelaste zijde moet deze zodanig afsluitbaar zijn, dat de geluidbelasting wordt teruggedrongen tot onder de ambitiewaarde voor het betreffende gebied.

b) De woning moet zo zijn gesitueerd en zodanige kenmerken hebben dat dit voor de doelgroep waarvoor de woning is bedoeld voldoende compensatie geeft om een gelijkwaardige kwaliteit van het woon- en leefklimaat te waarborgen. Deze gelijkwaardigheidseis moet door de aanvrager/initiatiefnemer worden onderbouwd.

Tabel 7 toelichting maatregelen

Maatregelen

Toelichting

a) Geluidluwe gevel. Verblijfsruimte aan de geluidluwe zijde. Buitenruimte aan geluidluwe zijde.

Eén zijde van de woning moet hierbij beschikken over een geluidluwe gevel. Op deze gevel wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde niet overschreden. Deze eis maakt het indirect ook mogelijk om in een woning een geluidluwe verblijfsruimte en achter een woning een geluidluwe buitenruimte te creëren.

b) Gelijkwaardig woon- en leefklimaat

Uitgangspunt is dat een woning ten minste één geluidluwe gevel bezit en dat eventuele buitenruimten zich aan de geluidluwe kant bevinden. Er zijn situaties denkbaar waarin dit niet in redelijkheid gerealiseerd kan worden. Als er in dergelijke situaties toch een geluidgevoelige bestemming gerealiseerd moet worden, kan dat alleen als maatregelen/voorzieningen worden getroffen om een gelijkwaardig woon- en leefklimaat te realiseren. Dit zal per locatie en per doelgroep verschillen en hiervoor zijn geen eenduidige criteria op te stellen. Onderwerpen die in de overweging een rol moeten spelen:

-Keuzevrijheid van de doelgroep; als toekomstig bewoner in alle vrijheid kan kiezen (of van de keuze kan afzien) om in een dergelijke woning te gaan wonen (bijvoorbeeld een duurdere koopwoning), dan kan dat eerder worden toegestaan dan in een situatie waarin de doelgroep minder keuzemogelijkheden heeft (ouderenhuisvesting, begeleid wonen, sociale huurwoningen, etc.)

-Balkons of andere buitenruimten die afsluitbaar zijn om geluid af te schermen

-Ligging; in sommige gevallen kan de ligging van een pand de hoge geluidbelasting “compenseren”, bijvoorbeeld in de nabijheid van het centrum, of een fraai uitzicht.

-Oppervlak van de woonruimte: een grote woonruimte kan het gebrek aan geluidluwe gevels of buitenruimten compenseren.

-Extra akoestische maatregelen: er zou voor kunnen worden gekozen om een hoogbelaste woning extra te isoleren, zodat de hoge geluidbelasting binnen niet hoorbaar is. Ook kan daarbij worden betrokken de isolatie ten opzichte van aanpandige woningen: een hogere isolatiewaarde dan het Bouwbesluit voorschrijft, zodat de kans op eventuele geluidhinder door buren wordt verkleind.

5.3 Geluidwering / (wettelijk) binnenniveau voor nieuwe en bestaande gebouwen.

5.3.1 Dove gevels

Voor dove gevels (gevels zonder te openen deuren en ramen grenzend aan geluidgevoelige vertrekken en een zodanige karakteristieke geluidwering dat wordt voldaan aan het wettelijk binnenniveau; zie tabel 8) behoeven geen hogere waarden te worden vastgesteld. Het feit dat een gevel geen te openen deuren of ramen heeft, heeft effecten op het woon- en leefklimaat. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening heeft een woning bij voorkeur maximaal één dove gevel. Als één of meer dove gevels worden toegepast, dient er ten minste één geluidluwe gevel aanwezig te zijn.

5.3.2 30 km/uur-wegen

ONDERZOEK BIJ 30KM-WEGEN

Volgens artikel 74 van de Wet geluidhinder geldt langs een 30-km weg geen geluidzone en zijn de bepalingen over akoestisch onderzoek, voorkeursgrens-waarden en maximale ontheffingswaarden niet van toepassing. In de praktijk kunnen deze wegen echter wel degelijk geluidhinder veroorzaken.

Bij de beoordeling of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat kunnen deze wegen dan ook niet bij voorbaat buiten beschouwing worden gelaten. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit in verschillende uitspraken vastgesteld.

Om deze reden kiest Hengelo er voor om bij planontwikkeling uitdrukkelijk ook aandacht te besteden aan de geluidbelasting vanwege 30 km-wegen.

Bij het verlenen van vrijstellingen of het vaststellen van bestemmingsplannen zal de gemeente zich uitspreken over de aanvaardbaarheid van het (niet-zoneringsplichtige) wegverkeerslawaai van deze wegen. De overwegingen zullen zich vooral richten op de gevelbelasting vanwege het wegverkeer en het binnen-niveau binnen geluidgevoelige vertrekken. Als de binnenwaarde van 33 dB bij een standaard-geluidwering van 20 dB niet bij voorbaat vaststaat, wordt nader onderzoek verlangd. Als onderzoek uitwijst dat de standaard-geluidwering onvoldoende is om te waarborgen dat aan de plafondwaarde voor binnenniveau wordt voldaan, wordt als voorwaardelijke beperking in de regels van het bestemmingplan opgenomen dat gebruik als geluidgevoelige bestemming alleen is toegestaan als wordt aangetoond dat de geluidwering voldoende is om de plafondwaarde voor het binnenniveau te waarborgen.

5.3.3 Functieverandering / rechtens verkregen niveau

RECHTENS VERKREGEN NIVEAU

Voorbeeld: als een kantoorgebouw een woonfunctie krijgt, gelden de geluidweringseisen die golden op grond van de bouwvergunning voor dat kantoorgebouw.

Op grond van het Bouwbesluit 2012 geldt bij het vernieuwen of veranderen van een bestaand bouwwerk als eis voor de geluidwering van gevels (artikel 3.5) en van de geluidwering tussen verschillende woonfuncties (artikel 3.18) het “rechtens verkregen niveau

2Het rechtens verkregen niveau is gedefinieerd als: “niveau dat het gevolg is van de toepassing op enig moment van de relevante op dat moment van toepassing zijnde technische voorschriften en dat niet lager ligt dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk en niet hoger dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een te bouwen bouwwerk”. Het Bouwbesluit stelt geen eisen aan de bescherming tegen geluid voor bestaande bouwwerken.

”. Het rechtens verkregen niveau bij functie-verandering voor de geluidwering van gevels en van scheidingswanden tussen ruimten is het niveau van eisen dat gold op grond van de verleende bouwvergunning voor dat betreffende pand. Het betreft dan ook geen eenduidige eis en zal niet in alle gevallen een waarborg zijn voor een acceptabel woon- en leefklimaat. De gedachte hierachter is dat “de markt” er voor moet zorgdragen dat er geen gebouwen gerealiseerd worden waar geen vraag naar is. De gemeente is echter van oordeel dat zij hierin ook een ruimtelijke taak heeft. Bij ruimtelijke besluiten moet er sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Het woon- en leefklimaat maakt hier een belangrijk onderdeel van uit. Zeker als wordt gebouwd voor een doelgroep die minder keuzevrijheid heeft (ouderenhuisvesting, begeleid wonen, sociale huurwoningen, starterswoningen e.d.) is de gemeente van oordeel dat in het belang van een goede ruimtelijke ordening een zeker kwaliteitsniveau moet worden gewaarborgd. Dit is voor functieverandering niet anders dan bij nieuwbouw. Zo nodig kan hierbij een beroep worden gedaan op de bevoegdheid die artikel 13 van de Woningwet het college geeft om voorzieningen voor te schrijven die verder gaan dan de eisen die volgen uit het Bouwbesluit, voor zover deze niet verder gaan dan de eisen die gelden voor nieuwbouw.

Ook bij functieverandering moet daarom naar het oordeel van de gemeente worden getoetst aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat ook bij functieverandering in beginsel moet worden voldaan aan het wettelijk binnenniveau voor nieuwbouw (= de ambitiewaarde uit tabel 8). Alleen als de aanvrager aannemelijk kan maken dat hiervoor geluidwerende maatregelen nodig zijn die in redelijkheid niet gevraagd kunnen worden, kan een hogere waarde voor het binnenniveau worden aangehouden. Een hoger binnenniveau dan de saneringswaarde voor bestaande hooggeluidbelaste woningen (= 38 dB = de plafondwaarde uit regel 5 en 6 van tabel 8) acht de gemeente strijdig met een goede ruimtelijke ordening.

Als om de functieverandering te kunnen realiseren het college een hogere geluidgrenswaarde moet vaststellen, wordt dit besluit alleen genomen als er sprake is van een goede ruimtelijke ordening zoals in voorgaande alinea bedoeld.

Als er sprake is van een bestemmingsplanwijziging wordt in het bestemmingsplan als voorwaardelijke beperking vastgelegd dat gebruik als geluidgevoelige functie alleen is toegestaan, als wordt aangetoond dat de geluidwering zodanig is dat het binnenniveau niet wordt overschreden, uitgaande van de per geluidbron gecumuleerde geluidbelasting zonder aftrek.

Als de verandering mogelijk wordt gemaakt met een omgevingsvergunning ex. artikel 2.12 van de Wabo moet in de motivering van dat besluit een goede ruimtelijke onderbouwing worden gegeven. Een dergelijke onderbouwing is alleen mogelijk als de aanvrager in de aanvraag duidelijk aangeeft welke geluidsisolerende maatregelen hij treft om te voldoen aan binnenniveau Als deze maatregelen ontbreken of onvoldoende worden onderbouwd, dan kan de vergunning niet worden verleend.

GELUIDWERING TUSSEN AANPANDIGE WONINGEN

Als in een bestaand bouwwerk verschillende aanpandige woningen/apparte-menten worden gecreëerd, geldt als eis voor de geluidwering tussen deze woonfuncties ook het rechtens verkregen niveau. Ook voor deze situatie ligt het rechtens verkregen niveau niet eenduidig vast. Bij de omvorming van kantoorruimten gelden op grond van het Bouwbesluit 2012 geen geluidweringseisen tussen aanpandige verblijfsruimten. Burenlawaai is een belangrijke bron van geluidhinder (zie ook paragraaf 1.3).

In feite is de geluidwering die het Bouwbesluit 2012 voor nieuwbouw van aanpandige verblijfsruimten voorschrijft een minimumeis voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met een doordachte constructie en materiaalkeuze zal in veel gevallen dit niveau gerealiseerd kunnen worden zonder onevenredige hoge kosten. In een bestemmingsplan kunnen geen technische eisen worden opgenomen die afwijken van het Bouwbesluit. Bij functieverandering echter stelt het Bouwbesluit ten aanzien van de geluidwering tussen woningen/appartementen geen eisen.

Ook de geluidwering tussen woningen/appartementen is een belangrijk aspect van het oordeel of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en daarmee van de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Omdat bij functieverandering naar wonen voor de geluidwering geen wettelijke eisen gelden, is de gemeente van oordeel dat in het belang van een goede ruimtelijke ordening bij functieverandering in beginsel een geluidwering tussen aanpandige woningen/appartementen moet worden gerealiseerd die ook geldt voor nieuwe woningen. Bij veel minder geluidwering is een ruimte in feite niet geschikt voor een woonfunctie en is bij langdurig verblijf gezondheidsschade niet onaannemelijk. Als sprake is van een bestemmingsplanwijziging om de functieverandering mogelijk te maken zal als voorwaardelijke beperking in het bestemmingsplan worden opgenomen dat gebruik als woonruimte alleen mogelijk is als in de bouwaanvraag word aangegeven welke geluidwerende maatregelen worden getroffen om een geluidwering te bereiken die overeenkomt met de eisen voor nieuwbouw. Alleen als de initiatiefnemer op grond van een technisch en financieel deugdelijke onderbouwing aannemelijk maakt dat dit niveau in redelijkheid niet haalbaar is, kan een lager niveau worden geaccepteerd.

Als de verandering mogelijk wordt gemaakt met een omgevingsvergunning ex. artikel 2.12 van de Wabo moet in de motivering van dat besluit een goede ruimtelijke onderbouwing worden gegeven. Een dergelijke onderbouwing is alleen mogelijk als de aanvrager in de aanvraag duidelijk aangeeft welke geluidwerende maatregelen worden getroffen om een geluidwering te bereiken die overeenkomt met de eisen voor nieuwbouw. Als deze maatregelen ontbreken of onvoldoende worden onderbouwd, dan kan de vergunning niet worden verleend.

5.3.4 Renovatie van bestaande woningen

Ook bij ingrijpende renovatie van een woning moet het rechtens verkregen niveau worden aangehouden. Als bij die renovatie de gevel ingrijpend wordt gewijzigd en kozijnen, deuren en ramen worden vervangen, speelt de geluidwering daarbij een rol. Uitgangspunt is een minimale geluidwering van 20 dB. Als het woningen betreft die een geluidbelasting ondervinden van meer dan 53 dB dan ligt het, gelet op de zorgplicht die woningeigenaren hebben, voor de hand om bij renovatie van gevels van die woningen:

a) als dat redelijkerwijs mogelijk is zodanige geluidwerende maatregelen te verlangen dat wordt voldaan aan het binnenniveau voor nieuwe woningen (=33 dB; bij woningen van ná 1986 waarvoor een hogere waarde is vastgesteld, is dat een verplichting) en;

b) in ieder geval zodanige geluidwerende maatregelen te verlangen dat wordt voldaan aan het binnenniveau van 38 dB.

Bij niet-gesaneerde woningen heeft de gemeente geen harde wettelijke mogelijkheden om dit af te dwingen, maar treedt zij met initiatiefnemers in overleg om dit te stimuleren.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.