2. ALGEMEEN
2.1 Algemene criteria voor afwijkingen
2.1.1 Relatie planologische afwijking en parkeernormering
Gebruik maken van de mogelijkheden om van het bestemmingsplan af te wijken kan in veel gevallen tot gevolg hebben dat de mogelijkheden om op eigen terrein te parkeren worden beperkt. Van de mogelijkheden in dit beleid kan dan ook alleen gebruik worden gemaakt indien voldoende parkeermogelijkheden op eigen terrein beschikbaar blijven (conform de Nota Autoparkeren of een geactualiseerd beleidsdocument welke hetzelfde onderwerp regelt), tenzij aannemelijk kan worden gemaakt dat de extra parkeervraag als gevolg van het bouwplan in de openbare ruimte kan worden opgevangen. Hierbij zal uiteraard worden gekeken naar de parkeerdruk in de openbare ruimte.
2.1.2 Relatie planologische afwijking en bestemmingsplan
In het kader van de actualisering van de bestemmingsplannen is geconcludeerd dat in enkele gevallen geen maatwerk is geleverd ten aanzien van maximale hoofdbouwdieptes. De geactualiseerde bestemmingsplannen sluiten daarnaast op onderdelen niet meer aan op de laatste ruimtelijke inzichten of maatschappelijke ontwikkelingen. Van een actueel bestemmingsplan mag worden verwacht dat het de laatste planologische inzichten bevat. Om tegemoet te komen aan de wens om, gezien de huidige maatschappelijke ontwikkelingen, met name op grotere percelen een diepere hoofdbouw toe te staan is in deze beleidsregels een aantal uitzonderingen opgenomen. In voorkomende gevallen, bijvoorbeeld ‘voortschrijdend inzicht’ of kennelijke verschrijvingen, wordt een tussentijdse wijziging van het beleid voorgesteld zodat in alle vergelijkbare gevallen eenduidig kan worden gehandeld.
2.1.3 Relatie planologische afwijking en welstand
Het bestemmingsplan is hèt instrument waarmee aan gronden een bestemming wordt gegeven en waarmee de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden vastgelegd.
Ten aanzien van de verhouding tussen beeldkwaliteit (welstand) en het bestemmingsplan is de jurisprudentie duidelijk. De welstandstoets zal zich in beginsel moeten richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Met andere woorden: hoe duidelijker de bebouwingsmogelijkheden in een bestemmingsplan zijn omschreven, des te terughoudender dient de welstandstoets te zijn. Een afwijking die past in deze beleidsregels mag uitsluitend worden verleend indien het plan niet in strijd is met het bepaalde in de Welstandsnota.
2.1.4 Relatie planologische afwijking en vergunningvrije bouwwerken
Een ander aspect is de relatie tussen vergunningsvrij bouwen en het afwijken van het bestem-mingsplan. Naast het zonder planologische toets omgevingsvergunningvrij ondernemen van de activiteiten “bouwen van een bouwwerk” en “strijdig planologisch gebruik” (mits betrekking hebbend op activiteiten als bedoeld in artikel 2 van bijlage II bij het Bor) bepaalt de Wabo dat voor het bouwen van op de grond staande bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied, die passen binnen het bestemmingsplan en niet hoger zijn dan 5 meter, geen omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit “bouwen van een bouwwerk” en ook niet voor de activiteit “planologisch afwijkend gebruik”, wanneer voldaan wordt aan de voorschriften van het bestemmingsplan (zie art. 3, 1e lid van bijlage II van het Bor). Als er voor een dergelijk bouwwerk wordt meegewerkt aan een planologische afwijking van de voorschriften uit het bestemmingsplan dan is (als behorend tot een der gevallen als bedoeld in artikel 4 van bijlage II bij de Bor) nog steeds geen omgevingsvergunning nodig voor de activiteit bouwen. In die situatie is er dus alleen een omgevingsvergunning nodig voor afwijkend planologisch gebruik. Dit betekent dat er in dat geval wordt meegewerkt aan een afwijking van het bestemmingsplan zonder dat daar een 'bouwkundige' tekening aan ten grondslag ligt. De Mor (Ministeriële regeling omgevingsrecht) geeft wel duidelijke indieningsvereisten voor het aanvragen van een vergunning voor het mogen afwijken van het bestemmingsplan, maar een tekening met gevels, materiaal, kleuren e.d. is niet noodzakelijk. Ook toetsing (vooraf) aan brandveiligheidseisen en redelijke eisen van welstand vindt niet plaats.
2.1.5 Relatie planologische afwijking en Tuindorp ’t Lansink
Het gebied Tuindorp ‘t Lansink is aangewezen als beschermd dorpsgezicht in de zin van artikel 35 van de Monumentenwet (oud). Voor percelen gelegen in het bestemmingsplan “Tuindorp ’t Lansink” wordt in principe geen medewerking verleend aan een verzoek om planologische afwijking, behalve als het een erf- of perceelsafscheiding betreft waarop (naast een positief advies van de Welstandscommissie) een positief advies van de Monumentencommissie is ontvangen. Het vigerende bestemmingsplan biedt voor het overige voldoende bouwmogelijkheden.
In incidentele situaties kan een uitzondering gelden en middels ontheffing toch medewerking worden verleend aan planologische afwijking wanneer sprake is van een aantoonbaar maatschappelijk belang en/of zichtbare verbetering van de ruimtelijke samenhang en/of een aanmerkelijke verbetering van verpauperde/niet beschermwaardige delen. Dit kan gelden voor zowel de bebouwde percelen als de openbare ruimte.
2.1.6 Relatie planologische afwijking en beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten
Gelet op de uiteenlopende soorten monumenten en het bij veel monumenten streven naar behoud door ontwikkeling, is het lastig om hiervoor eenduidig beleid te formuleren. Bij gemeentelijke monumenten zal in overleg met de monumentencommissie worden bepaald in hoeverre een afwijking kan worden verleend. Voor rijksmonumenten gebeurt dit in overleg met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Het belang van de monumentenzorg staat in alle gevallen voorop.
3. BELEIDSREGELS
3.1 Begrippen
3.1.1 Definities
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
aanbouw:
een bijbehorend bouwwerk dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk bijbehorend bouwwerk onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
aansluitend terrein:
het terrein dat op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt;
achtererfgebied:
erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen
afhankelijke woonruimte:
een gastenverblijf of bijbehorend bouwwerk, welke een ruimtelijke eenheid vormt met de woning, die voor mantelzorg geschikt is of wordt gemaakt, waarbij sprake is en blijft van één huishouden op het perceel.
ander bouwwerk:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde;
antenne-installatie:
installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;
bebouwde kom:
het gebied gekenmerkt door het begin van een langs wegen gelegen aaneengesloten bebouwing van zodanige omvang en dichtheid, dat een voor de weggebruiker duidelijk herkenbaar verschil in karakter van de wegomgeving aanwezig is met een buiten de bebouwde kom gelegen weg;
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
bebouwingspercentage:
een op de verbeelding aangegeven percentage dat het gedeelte van het bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;
bestemmingsgrens:
een op de verbeelding aangegeven lijn, die de grens vormt van een bestemmingsvlak;
bestemmingsvlak:
een op de verbeelding aangeven vlak met eenzelfde bestemming;
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
bouwgrens:
een op de verbeelding aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak;
bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels van een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
bijgebouw:
een bijbehorend bouwwerk, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en dat qua afmetingen ondergeschikt is aan en niet rechtstreeks toegankelijk is vanuit dat (hoofd)gebouw;
carport:
een bouwwerk met tenminste een dak en niet, of aan maximaal twee zijden van wanden voorzien, die niet tot de constructie van de carport zelf behoren;
detailhandel:
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;
erfgrens:
de grens van een erf;
erker:
een bijbehorend bouwwerk, zijnde een toevoeging van ten hoogste één bouwlaag op de begane grond aan de gevel van een woning;
gebouw:
elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
hoofdgebouw:
een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
luifel:
Een plat uitgebouwd afdak aan een hoofdgebouw, veelal (doch niet uitsluitend) tegen een gevel boven een deur geplaatst, niet zijnde zonwering als bedoeld in artikel 2 sub 8 van bijlage II bij het Bor;
mantelzorg:
intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;
medische belemmering:
een medische belemmering die leidt tot extra ruimtebehoefte, welke behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;
oorspronkelijk:
gelijktijdig met het bijbehorende hoofdgebouw opgericht;
openbaar toegankelijk gebied:
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
openbare weg:
weg als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b van de Wegenverkeerswet 1994;
opstal(len):
alles wat boven op een stuk grond gebouwd, geplaatst, geplant is etc.;
overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak, met maximaal 1 wand (valt onder de categorie bijbehorend bouwwerk);
peil:
Het peil vastgesteld conform de bepalingen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Bij ontbreken van een definiëring geldt de volgende bepaling:
-voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
-voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
perceel:
één of meerdere aan elkaar grenzende en kadastraal vastgelegde eenheden terrein, welke in het bezit zijn van dezelfde eigenaar en waarop krachtens het bestemmingsplan zelfstandige, bij elkaar behorende bouwwerken zijn toegelaten;
recreatiewoning:
een permanent aanwezig gebouw, geen stacaravan zijnde, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, voor recreatieve doeleinden bewoond te worden. Hieronder worden tevens aangemerkt een chalet en een vakantiehuisje. Permanente bewoning van de recreatiewoning, chalet of vakantiehuisje is niet toegestaan;
uitbouw:
een bijbehorend bouwwerk dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk bijbehorend bouwwerk door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
voorerfgebied:
het erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied;
voorgevel:
voor wat betreft de realisatie van bijbehorende bouwwerken wordt slechts één gevel als voorgevel aangemerkt, namelijk de gevel die zich als belangrijkste gevel manifesteert;
voorgevelrooilijn:
voorgevelrooilijn danwel bouwgrens als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening;
woning:
(een gedeelte van) een gebouw met woonfunctie/een complex van ruimtes, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één individueel huishouden;
woongebouw:
een gebouw, dat één of meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.
Voor de begripsbepalingen die niet in deze beleidsregels zijn voorzien, gelden de bepalingen van het van toepassing zijnde bestemmingsplan. Voor zover mede het bestemmingsplan hier niet in voorziet zijn de voorschriften van de Bouwverordening van toepassing.
3.1.2 Wijze van meten
Bij de toepassing van deze beleidsregels wordt als volgt gemeten:
De (bouw)hoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een ander-bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
De goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
Bij het meten van de goothoogte van een bouwwerk worden afwijkende goothoogtes ten behoeve van esthetische accenten (tot een maximum van 25% van de totale gootlengte van het gebouw) buiten beschouwing gelaten.
De oppervlakte van een bouwwerk:
De oppervlakte gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
Indien een gebouw voorzien is van een niet geheel door wanden omsloten overkapping, wordt het gedeelte van het gebouw onder deze overkapping mede als oppervlakte berekend, met dien verstande dat deze bepaling niet van toepassing is op dakoverstekken en luifels met een diepte van minder dan 0,5 meter;
De bebouwde oppervlakte:
De buitenwerks gemeten oppervlakte van het op een bouwperceel aanwezige c.q. op te richten gebouw of gebouwencomplex, gemeten op een meter boven peil;
De afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens:
De kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de (zijdelingse) perceelsscheiding van het bouwperceel;
De inhoud van een bouwwerk:
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
De diepte van een hoofdgebouw:
Vanaf de aan de straat gelegen bouwgrens tot aan de achtergevel van het hoofdgebouw of vanaf de bestaande voorgevel tot aan de achtergevel van het gebouw;
Tenzij anders bepaald, worden de waarden zoals hier opgenomen in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
•afstanden loodrecht,
•hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. Bij een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, wordt gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is, en
•ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken worden buiten beschouwing gelaten.
3.2 Een bijbehorend bouwwerk
3.2.1 Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan binnen de bebouwde kom
Een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan voor een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan binnen de bebouwde kom kan worden verleend voor:
Bouwen in het voorerfgebied bij een woning
1een (uitbreiding van een) erker, balkon of luifel aan een woning, in het voorerfgebied welke voldoet aan de volgende kenmerken:
a.de breedte van de erker of balkon mag maximaal 2/3 van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw bedragen, danwel - indien er sprake is van een erker - de breedte van de bestaande gevelopening indien deze breder is. Voor een luifel blijft deze maximale breedtemaat buiten toepassing;
b.de diepte gemeten vanaf de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan maximaal 1,50 meter bedragen;
c.de hoogte van een erker, gemeten vanaf het aansluitende terrein, mag maximaal 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw bedragen;
d.bij een woning met twee naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevels mag de erker om de hoek worden doorgezet aan de naar de openbare weg gekeerde gevels (“hoekerker”).
2het wijzigen of vergroten van een oorspronkelijk bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied met maximaal 10 m2 met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte van het oorspronkelijk bijbehorend bouwwerk mag bedragen.
3het volbouwen van de ruimte tussen een oorspronkelijk bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevel en de voorgevel van de woning met dien verstande dat er dient te worden gebouwd binnen het verlengde van de zijdelingse begrenzing van het oorspronkelijk bijbehorend bouwwerk en de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte van het oorspronkelijk bijbehorend bouwwerk mag bedragen.
4het oprichten of vergroten van een carport in het voorerfgebied die voldoet aan de kenmerken als genoemd in 3.2.1 lid 7e.
5Indien het betreft het oprichten of vergroten van een overig bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied bij een woning met twee naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevels wordt van geval tot geval bekeken in hoeverre van afwijkingsmogelijkheden ten aanzien van bouwen in het voorerfgebied gebruik gemaakt kan worden.
6Voorgaande beleidsregels ten aanzien van bouwen in het voorerfgebied bij een woning zijn niet van toepassing op de gevallen waarin de begrenzing van het achtererfgebied niet evenwijdig loopt met het verlengde van de lijn die gelijk loopt met de voorgevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw. In die gevallen zal van geval tot geval bekeken worden in hoeverre van afwijkingsmogelijkheden ten aanzien van bouwen in het voorerfgebied gebruik gemaakt kan worden.
Bouwen in het achtererfgebied bij een woning
7een (uitbreiding van een) bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied met een bouwhoogte niet hoger dan 5 meter en voldoet aan de volgende kenmerken:
a.de voorgevel van het bijbehorend bouwwerk is gelegen op een afstand van tenminste 2,5 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan danwel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt, met dien verstande, dat slechts één gevel als voorgevel kan worden beschouwd. Indien er sprake is van (een deel van) een erker, welke dient te voldoen aan het bepaalde in het eerste lid van artikel 3.2.1, dient deze gelegen te zijn op een afstand van tenminste 1 meter achter de voorgevel of het verlengde daarvan.
b.de afstand van het bijbehorend bouwwerk tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt tenminste 1 meter danwel de bestaande afstand indien deze minder is, tenzij op de perceelsgrens wordt gebouwd;
c.de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk is niet hoger dan 3,50 meter, danwel de bestaande goothoogte indien deze meer bedraagt;
d.de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw bedraagt per perceel niet meer dan:
-50 m2 voor percelen met een grootte tot en met 500 m2;
-75 m2 voor percelen groter dan 500 m2;
-100 m2 voor percelen groter dan 1000 m2,
met dien verstande dat de oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken, die op dat gedeelte van het bouwperceel zijn of worden gebouwd waar volgens het vigerende bestemmingsplan danwel op grond van deze beleidsregels het hoofdgebouw nog als hoofdgebouw vergroot kan worden, niet wordt gerekend tot het gezamenlijk oppervlak aan bijbehorende bouwwerken.
Indien sprake is van (een uitbreiding van) een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van of in verband met:
-(de aanwezigheid van) een kantoor- of praktijkruimte ten dienste van een aan huis gebonden beroep c.q. beroeps/bedrijfsmatige (kleinschalige) activiteiten;
-een medische belemmering van één of meer bewoners van het hoofdgebouw of ten behoeve van mantelzorg;
de maximaal toegestane gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken met 25 m2 mag worden vermeerderd, met dien verstande, dat sprake moet zijn van een causaal verband tussen de uitbreiding en het aan huis gebonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten respectievelijk de medische belemmering of de mantelzorgbehoefte;
e.indien sprake is van de bouw van een carport behoeft niet te worden voldaan aan de kenmerken bedoeld onder a en d. Een carport mag worden opgericht met dien verstande dat:
-de carport achter of op gelijke hoogte met de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht; indien sprake is van een carport die wordt opgericht direct grenzend aan een bestaande carport op een aangrenzend perceel welke voor de voorgevel is gesitueerd of het verlengde daarvan, mag deze carport ook voor de voorgevel worden opgericht, maar alleen als de uitvoering identiek is aan de al bestaande carport op het aangrenzende perceel;
-de bouw- en goothoogte van de carport mag in afwijking van het bepaalde in sub c hoger zijn dan 3,50 meter, voor zover sprake is van een carport die wordt gebouwd aan een al bestaande carport. In dat geval mag de hoogte maximaal de hoogte van de bestaande carport bedragen.
8een (uitbreiding van een) bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied met een bouwhoogte hoger dan 5 meter en voldoet aan de volgende kenmerken:
a.de goothoogte van het bijbehorend bouwwerk is niet hoger dan de in het bestemmingsplan voor hoofdbouw aangegeven goothoogte, dan wel de bestaande goothoogte van het hoofdgebouw indien deze meer bedraagt;
b.de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk is niet hoger dan de in het bestemmingsplan voor hoofdbouw aangegeven bouwhoogte, dan wel de bestaande bouwhoogte van het hoofdgebouw indien deze meer bedraagt;
c.de afstand van het bijbehorend bouwwerk tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2 meter, dan wel de afstand tot de perceelsgrens die volgt uit het bestemmingsplan indien deze minder is dan 2 meter, dan wel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt dan de hiervoor bedoelde afstanden.
d.de maximaal bebouwde oppervlakte van het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende achtererfgebied is niet meer dan 50%.
e.de bouwdiepte bij:
-rijwoningen (meer dan twee door middel van hoofdbouw aaneengeschakelde woningen) is niet dieper dan de in het bestemmingsplan vastgestelde hoofdbouwdiepte, met dien verstande dat deze diepte bij percelen groter dan 200m2 mag worden uitgebreid met maximaal 1 meter mits:
•het achtererfgebied niet meer dan 50% bebouwd wordt;
•de afstand van de uitbreiding tot de achtererfgrens minimaal 5 meter bedraagt.
-twee onder een kap woningen (maximaal 2 woningen in ieder geval door hoofdbouw aaneengeschakeld) is niet dieper dan de in het bestemmingsplan vastgestelde hoofdbouwdiepte, met dien verstande dat deze diepte mag worden uitgebreid met 1 meter dan wel 25% van de som van de in het concrete geval door voorschriften en of bouwgrenzen uit het bestemmingsplan voortvloeiende afstandseisen voor het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mits:
•het achtererfgebied niet meer dan 50% bebouwd wordt;
•de afstand van de uitbreiding tot de achtererfgrens minimaal 5 meter bedraagt.
-woningen uitsluitend geschakeld via aan-/uitbouwen en bijgebouwen is niet dieper dan de in het bestemmingsplan vastgestelde hoofdbouwdiepte, met dien verstande dat deze diepte mag worden uitgebreid met 1 meter dan wel 25% van de som van de in het concrete geval door voorschriften en/of bouwgrenzen uit het bestemmingsplan voortvloeiende afstandseisen voor het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mits:
•het achtererfgebied niet meer dan 50% bebouwd wordt;
•de afstand van de uitbreiding tot de achtererfgrens minimaal 5 meter bedraagt.
-vrijstaande woningen is niet dieper dan de in het bestemmingsplan vastgestelde hoofdbouwdiepte, met dien verstande dat deze diepte mag worden uitgebreid met 1 meter dan wel maximaal 50% van de som van de afstanden van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen, mits:
•het achtererfgebied behorende bij het oorspronkelijke hoofdgebouw met niet meer dan 50% bebouwd wordt;
•de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 2 meter bedraagt, danwel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt;
•de afstand van de uitbreiding tot de achtererfgrens minimaal 5 meter bedraagt.
-Bouwen in het voor- en achtererf bij andere gebouwen dan woningen Gezien de diversiteit van de omgeving waar deze gebouwen zich bevinden (b.v. industrieterreinen, binnenstad, gemengde lintbebouwing) wordt van geval tot geval beoordeeld in hoeverre van de afwijkingsmogelijkheden als bedoeld in artikel 4, bijlage II, Bor gebruik gemaakt kan worden. Dienst- en bedrijfswoningen welke in het bestemmingsplan als zodanig zijn bestemd worden op grond van dit beleid niet als woning aangemerkt. Van geval tot geval zal worden bekeken in hoeverre in hoeverre van de afwijkingsmogelijkheden als bedoeld in artikel 4, bijlage II, Bor gebruik gemaakt kan worden.
3.2.2 Bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan buiten de bebouwde kom
Voor bijbehorende bouwwerken buiten de bebouwde kom wordt in principe niet afgeweken van het geldende bestemmingsplan, aangezien recentelijk de bestemmingsplannen Buitengebied, Veegplan Buitengebied en ’t Weusthag zijn vastgesteld. In incidentele situaties kan medewerking worden verleend aan planologische afwijking wanneer sprake is van zichtbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en wordt gewerkt overeenkomstig de principes van duurzaam ruimtegebruik. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan sanering van oude, niet karakteristieke opstallen eventueel in combinatie met zorgvuldige landschappelijke inpassing met bijvoorbeeld bomen en andere landschappelijke elementen. In bepaalde gevallen kan worden verlangd dat een deskundige wordt ingeschakeld, bijvoorbeeld een ervenconsulent of een landschapsdeskundige.
3.5 Dakkapellen en dakopbouwen of gelijksoortige uitbreidingen van een gebouw
3.5.1 Voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw
Een afwijking van het bestemmingsplan wordt toegestaan voor voorzieningen gericht op het isoleren van een bestaand hoofdgebouw, opgericht vóór 1992, door middel van het aan de buitenkant aanbrengen van voorzieningen, mits de overschrijding van het bouwvlak of de toegestane bouwdiepte of de minimale afstand(en) van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens niet meer bedraagt dan 40 centimeter en daarnaast positief advies van de stadsbouwmeester is verkregen.