Gemeentelijke regelgeving

Nota Bodembeheer Helmond 2023-2033

Gemeente Helmond · geldt sinds 19 december 2023

Aanhef

De raad van de gemeente Helmond

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 oktober 2023;

gelet op artikel 44 en 47 van het Besluit bodemkwaliteit en artikel 4.3.5 van de Regeling bodemkwaliteit;

besluit:

1De Nota Bodembeheer Helmond 2023-2033 vast te stellen;

2De bevoegdheid tot wijziging van de bodemfunctieklassenkaart bij de bodembeheernota te delegeren aan het college van B&W;

3De Nota Bodembeheer Helmond 2017-2027 in te trekken;

4Het Besluit van het college van burgemeester en wethouders houdende regels omtrent Bodemkwaliteitskaart PFAS Helmond in te trekken.

Voor u ligt de Nota Bodembeheer Helmond 2023-2033 met hierin de lokale regelgeving voor duurzaam bodembeheer.

2. BODEM IN TIJDELIJK DEEL VAN HET OMGEVINGSPLAN

2.2 Erkenning bodemkwaliteitskaarten

2.2.1 Bodemkwaliteitskaart Helmond

De gemeente Helmond heeft eerder bodemkwaliteitskaarten gemaakt ten behoeve van het bepalen van de diffuse bodemkwaliteit voor genormeerde stoffen en voor PFAS-stoffen (inclusief GenX). Die kaarten zijn geactualiseerd en worden vervangen door de kaarten die in deze Nota zijn opgenomen. De verantwoording voor de actualisatie van de bodemkwaliteitskaarten is opgenomen in de rapporten:

•Actualisatie bodemkwaliteitskaart gemeente Helmond 2023 (Antea Group, projectnummer 0480313.102, 07-06-2023);

•Actualisatie bodemkwaliteitskaart PFAS gemeente Helmond 2023 (Antea Group, projectnummer 0480313.103, 07-06-2023).

Bij de actualisatie zijn de uitgangspunten en voorwaarden van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten gehanteerd. De beleidsmatige en technische achtergronden van de bodemkwaliteitskaart zijn niet gewijzigd ten opzichte van de eerder vastgestelde bodemkwaliteitskaarten. Daarom is bij de actualisatie volstaan met een statistische en ruimtelijke analyse van bodemonderzoeksgegevens uit het gemeentelijke bodeminformatiesysteem. Bij die analyse is ook gekeken naar de kwaliteit van de (licht verontreinigde) grond die de afgelopen vijf jaar is toegepast volgens het gebiedsspecifieke kader. Tot slot is ook een nieuwe statistische berekening uitgevoerd op de grondwaterkwaliteit, om zo een indruk te krijgen van eventueel lokaal verhoogde achtergrondconcentraties in het Helmondse grondwater.

De stofgroep PFAS is niet opgenomen in de bodemkwaliteitskaart voor genormeerde stoffen omdat PFAS nog niet zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit van PFAS moet los worden getoetst van de overige stoffen. Omdat onderscheid duidelijk weer te geven, zijn de kaarten hiervoor ook afzonderlijk van elkaar opgesteld. Ook is de gehanteerde zone-indeling afwijkend.

De gegenereerde kentallen over de periode sinds het vaststellen van de vorige kaart, zijn vergeleken met de kentallen van de vorige kaarten. Daarbij is gebleken:

•Er waren ruim voldoende waarnemingen beschikbaar om statistisch betrouwbare kentallen te genereren.

•De bodemkwaliteitskaarten zijn enigszins gewijzigd ten opzichte van de vorige bodemkwaliteitskaarten:

o Voor genormeerde stoffen is de kwaliteit van de ondergrond van zone “Industrie voor 1967” nu geclassificeerd als kwaliteitsklasse “Wonen”, waar deze voorgeen geclassificeerd was als klasse “Achtergrondwaarden”.

o De zone-indeling voor de stofgroep PFAS is gewijzigd ten opzichte van de voorgaande PFAS-bodemkwaliteitskaart. Op de voorgaande kaarten waren er losse ondergrondkaarten voor GenX, PFOA en PFOS. Dit onderscheid is losgelaten.

•Het gebiedsspecifiek bodembeleid van de afgelopen jaren leidt niet tot een relevante beïnvloeding (verslechtering) van de actuele bodemkwaliteit.

De nieuw opgestelde kaart(en) van de bodemkwaliteit in deze Nota worden gebruikt als kaart voor het bepalen van:

•De kwaliteit van de ontvangende bodem (gebruikt bij de dubbele toets in het generieke toetsingskader).

•De kwaliteit van vrijkomende grond (ontgravingskaart, tevens bewijsmiddel voor de bodemkwaliteit bij hergebruik van grond binnen het gebiedsspecifieke toetsingskader).

2.2.2 Andere bodemkwaliteitskaarten

De bodemkwaliteitskaart van Helmond kan worden gebruikt voor het bepalen van de kwaliteit van een binnen het beheergebied partij vrijkomende grond of bagger of voor het bepalen van de kwaliteit van de ontvangende bodem.

Door de grens van het beheergebied gelijk te trekken met de gemeentegrens, kiest de gemeente Helmond er tevens voor de bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten niet als bewijsmiddel voor de kwaliteitsklasse van een partij grond of bagger te erkennen. De belangrijkste redenen hiervoor zijn:

•De gemeente Helmond kent de buitengemeentelijke herkomstlocaties niet goed (alleen het adres) en weet dus niet of deze verdacht zijn op de aanwezigheid van bodemverontreiniging.

•De gemeente Helmond heeft geen inzicht in de kwaliteit van de bodemdata die onder de externe kaarten liggen noch in de manier waarop deze kaarten zijn opgesteld.

•Het verdient de voorkeur om grond uit het eigen beheergebied zo duurzaam mogelijk te hergebruiken.

Bij deze Nota zijn in de bijlage ook de kaarten met lokaal verhoogde achtergrondconcentraties in het Helmondse grondwater opgenomen. Deze kunnen worden gebruikt om te onderbouwen of nader bodemonderzoek nodig is indien een verhoogde concentratie zware metalen in het grondwater wordt aangetoond op een onverdacht perceel.

2.4 Gebiedsspecifieke toepassingseisen

2.4.1 Onderbouwing lokale normstelling

Door middel van gebiedsspecifiek beleid (maatwerk onder de Omgevingswet) worden vraag en aanbod van partijen grond (en baggerspecie) beter op elkaar afgestemd dan mogelijk is onder het generieke kader. Dit maakt het mogelijk dat maatschappelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden, zonder dat er risico’s zijn bij het gebruik van de bodem. De maatschappelijke ontwikkelingen in de openbare ruimte behelzen met name wegreconstructies en de aanleg en onderhoud van kabels en leidingen.

Het resultaat van deze afstemming resulteert in de lokale normstelling, ook wel toepassingseis genoemd. Deze normstelling is deels gebaseerd op het generieke normkader en is deels gebiedsspecifiek ingevuld middels Lokale Maximale Waarden (LMW). Daarbij is uitgegaan van de actuele bodemkwaliteitszones uit de bodemkwaliteitskaart. Er kan bij het toepassen van een partij uitsluitend gebruik gemaakt worden van de LMW als de toe te passen partij afkomstig is uit het beheergebied (zie paragraaf 1.7 van deze Nota). Op deze manier wordt voldaan aan het standstill-beginsel op beheergebied-niveau.

2.4.2 Lokale normstelling: functiekaart is toepassingskaart

De kaart met de bodemfuncties in bijlage 2 geldt als “gebiedsspecifieke toepassingskaart”. Die bodemfunctieklassenkaart kan periodiek door het college van B&W worden geactualiseerd naar aanleiding van door de gemeenteraad vastgestelde (wijzigingen van) bestemmingsplannen. De nieuwe kaart vervangt dan de functiekaart in bijlage 2. De actuele gebiedsspecifieke toepassingskaart is steeds als bodemfunctieklassenkaart te vinden in het Gemeenteblad en op de landelijke website voor decentrale regelgeving.

2.4.3 Afwijkend percentage bodemvreemde bijmengingen

Het Besluit bodemkwaliteit stelt in artikel 34 dat een partij grond en baggerspecie maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Bodemvreemde materialen komen van nature niet in de bodem voor, bijv. puin, koolas, plastic, hout, asbest en metaal. De gemeente Helmond vindt dit maximale percentage in veel gevallen te hoog. Binnen het gebiedsspecifieke beleid wordt alleen een beperkte chemische verslechtering acceptabel geacht. Als 20% bodemvreemd materiaal zonder meer wordt toegestaan, ontstaat echter ook een verslechtering in bijvoorbeeld de fysische en cultuurtechnische eigenschappen. Bovendien kan verdergaande verwering van bodemvreemde materialen later alsnog leiden tot ongewenste bodembelasting met verontreinigende stoffen.

Op grond van artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit wordt bepaald dat binnen de gemeente Helmond in gebieden met de functieklassen Overig (Landbouw/natuur) en Wonen alleen grond en baggerspecie mag worden toegepast met een maximaal percentage bodemvreemd materieel aan steenachtig materiaal en hout van vijf gewichtsprocenten. Ander bodemvreemd materiaal, zoals glas, plastics of piepschuim, mag alleen sporadisch in de ontgraven grond of baggerspecie voorkomen. Het gaat in alle gevallen uitsluitend om bodemvreemde materiaal dat al vóór het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig is en vermenging daarmee redelijkerwijs niet kon worden voorkomen

Voor de meeste gevoelige functies (Wonen met tuin, plaatsen waar kinderen spelen en moes- en volkstuinen mag dit percentage niet meer dan twee gewichtsprocenten bedragen. Ander bodemvreemd materiaal, zoals plastics of piepschuim, mag alleen sporadisch in de ontgraven grond of baggerspecie voorkomen. Het gaat in alle gevallen uitsluitend om bodemvreemde materiaal dat al vóór het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig is en vermenging daarmee redelijkerwijs niet kon worden voorkomen

Naar verwachting leidt deze strengere norm voor de aanwezigheid van bodemvreemd materiaal in grond niet tot problemen. In het stedelijk gebied waar vaker grotere hoeveelheden bodemvreemd materiaal voorkomen kunnen deze namelijk eenvoudig en relatief goedkoop in voldoende mate worden verwijderd door het zeven van de vrijgekomen grond.

2.4.4 Normstelling aangewezen wegen en wegbermen

Het Besluit bodemkwaliteit kent voor het toepassen van grond in bermen en taluds van rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen een apart toetsingskader. De kwaliteit van de daar toe te passen grond en baggerspecie hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem, maar moet voldoen aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse industrie. Deze uitzondering is begrensd tot 10 meter vanaf de rand van de verharding of het ballastbed (zie ook de begrippenlijst in bijlage 1).

Voor (bermen van) gemeentelijke wegen is er geen uitzondering gemaakt in het toetsingskader van het Besluit bodemkwaliteit. De kwaliteit van de daartoe te passen grond moet aansluiten bij de kwaliteit en functie van het omliggende gebied.

De gemeente Helmond kiest er daarom voor om de zwaarst belaste bermen van de wegen in te delen in de functieklasse industrie:

•Het gaat dan om de zogenaamde gebiedsontsluitingswegen die relatief veel verkeer verwerken. Toepassen van schone grond of grond van klasse wonen is daar niet duurzaam omdat de kwaliteit van die grond zal gaan verslechteren.

•De kwaliteit van de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse Industrie of is schoner. Omdat het gaat om bermen langs drukke wegen die amper worden betreden, zal dit niet leiden tot significatie aanvullende blootstelling aan verontreinigende stoffen door inname van grond.

2.4.5 Normstelling bij hergebruik van baggerspecie

Als men stedelijke bagger wil hergebruiken in het buitengebied, is vaak een partijkeuring noodzakelijk. De baggerspecie afkomstig uit stedelijk gebied is namelijk vaak van mindere kwaliteit dan specie uit het landelijk gebied. Dit is het gevolg van al dan niet voormalige (industriële) lozingen en diverse puntbronnen zoals overstorten.

Bij zo'n partijkeuring worden in stedelijke baggerspecie vaak organische parameters zoals PAK en minerale olie in verhoogde gehalten aangetoond. Hierdoor zal er maar weinig stedelijke bagger geschikt zijn voor hergebruik in het buitengebied (eis = AW2000).

Omdat de organische parameters in een aerobe omgeving echter snel afbreken, kan voor de toepassing van de bagger in het buitengebied een drie keer hoger maximaal gehalte PAK en minerale olie worden toegestaan. Alle andere parameters moeten wel voldoen aan de maximale waarden en rekenregels van de klasse AW2000.

In onderstaande tabel zijn de maximaal toegestane gehalten voor minerale olie en PAK(VROM) in stedelijke bagger opgenomen. De gemeten gehaltes in de bagger moeten hieraan direct getoetst worden, dus zonder de normaliter gebruikelijke correctie voor het gehalte aan organische stof.

Tabel 2.1: maximaal toegestane gehalten voor minerale olie en PAK(VROM) in stedelijke bagger

Parameter

Toegestane gehalte (mg/kg ds.), standaard bodem

Minerale olie

500

PAK (VROM)

4,5

Opmerking: Als de baggerspecie na onderzoek volgens de NEN5720 of een partijkeuring conform AP04 schoon (AW2000) blijkt te zijn, gelden er geen toepassingsbeperkingen.

Het beleid geldt alleen voor ongerijpte baggerspecie, dus niet voor gerijpte bagger/ grond. Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem.

2.4.6 Normstelling PFAS

Toelichting

PFAS is een verzamelnaam van gefluoreerde koolwaterstoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. PFAS wordt veel gebruikt bij het maken van blusschuim, coatings (o.a. teflon), verf, kleding en cosmetica. Het heeft de eigenschappen persistent, mobiel en niet tot nauwelijks biologisch afbreekbaar te zijn. PFOS (perfluoroctaansulfonzuur), PFOA (perfluoroctaanzuur) en GenX staan op de lijst van Zeer Zorgwekkend stoffen (ZZS). Een aantal andere stoffen uit de PFAS-groep staat op de lijst van potentiële ZZS.

Het Rijk heeft voor PFAS in de bodem en in bagger geen landelijke normen vastgesteld. Er is vooruitlopende op nationale regelgeving wel een Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat opgesteld. Daarom heeft de gemeente Helmond zelf beleid opgesteld in haar Beleidsregels PFAS Helmond 2019.

Het doel van de bodemkwaliteitskaart voor PFAS en de toepassingseis, uitgewerkt in de volgende paragraaf, is het grondverzet binnen het beheergebied van gemeente Helmond te vereenvoudigen voor wat betreft de stofgroep PFAS. Voor het toepassen van grond moet de toetsing op PFAS separaat plaatsvinden aan toetsing voor de genormeerde stoffen.

Achtergrondwaarden PFAS

Voor het bepalen van de actuele bodemkwaliteit is in de bodemkwaliteitskaart PFAS het 95-percentiel gebruikt. In de statistieken van het verantwoordingsrapport van de PFAS-bodemkwaliteitskaart zijn deze waarden terug te vinden. De kwaliteit is bepaald voor twee zones (zone 1 en zone 2) en deze zijn onderverdeeld in de lagen bovengrond (0,0 – 0,50 m -mv.) en ondergrond (0,50 – 2,00 m -mv.). In bijlage 3 van dit rapport zijn de ontgravingskaarten weergegeven. De hierop weergegeven kwaliteitsklassen zijn gebaseerd op het huidige landelijke kader, het Handelingskader PFAS (december 2021) om tot verschillende kwaliteiten per zone te komen. De kaart geeft niet de gehanteerde kwaliteitsklasse door de gemeente Helmond weer. Het gemeentelijke beleid van Helmond kan hiervan afwijken.

Toepassingseis PFAS voor toepassen van grond/bagger

De lokale maximale waarden voor PFAS voor hergebruik van grond binnen de gemeente Helmond zijn als volgt vastgesteld:

Tabel 2.2: Lokale maximale waarden PFAS gemeente Helmond in grond

Bodemfunctie

PFOS

PFOA

GenX

Overige PFAS

Overig

P95

P95

P95

P95

Wonen

3

7

3

3

Industrie

3

7

3

3

Voor toepassingen van grond en baggerspecie afkomstig uit de gemeente Helmond geldt het gebiedsspecifieke kader en daarmee de Lokale Maximale Waarden uit de bovenstaande tabel. In de bijlage 3 zijn de bijbehorende toepassingskaarten weergegeven.

Voor partijen afkomstig van buiten de gemeente Helmond geldt het generieke toetsingskader uit het Besluit Bodemkwaliteit. Er moet dan ook nog getoetst worden aan de lokale bodemkwaliteit (de achtergrondwaarde vastgesteld op het gemiddelde van de betreffende kwaliteitszone). Dit is weergegeven op de toepassingskaarten PFAS voor grond en baggerspecie afkomstig van buiten Helmond in bijlage 3.

Zie voor meer informatie over toepassingen met PFAS-houdende partijen grond en bagger de Beleidsregels PFAS Helmond 2019. Voor toepassingen in gebieden die zijn aangewezen voor waterwinningen voor menselijke consumptie gelden aanvullende regels op grond van de vigerende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.

3. BODEMBELEID

3.1 Bijzondere situaties bij het toepassen van grond en baggerspecie

3.1.1 Kabels en leidingen

In het Besluit bodemkwaliteit is beschreven dat het tijdelijk verplaatsen of uit een toepassing wegnemen van grond is toegestaan als deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht.

Formeel betekent dit dat de vrijgekomen grond in dezelfde laag moet worden teruggebracht. Ook moet de ligging van de partij ten opzichte van het grondwatervlak voor en na de tijdelijke uitname gelijk blijven. Reden hiervoor is dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond over het algemeen slechter is dan die van de ondergrond. Door het niet gescheiden houden van beide lagen, worden verschillende kwaliteitsklassen gemengd.

Het gescheiden ontgraven en houden van de boven- en ondergrond is in de praktijk echter moeilijk realiseerbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen (inclusief riolering). De grond die bij dit soort werkzaamheden wordt ontgraven, wordt namelijk vaak in één depot geplaatst. Daarbij wordt over het algemeen geen onderscheid gemaakt in grond afkomstig uit de bovengrond of uit de ondergrond, met als consequentie dat de grond gemengd in de sleuf wordt teruggebracht. Dit is hieronder geïllustreerd.

Figuur 3.1: Werkzaamheden kabels en leidingen

Gezien de ervaringen uit de praktijk, maar ook om de werkbaarheid te vergroten, en recht te doen aan het in het algemeen aan de orde zijnde verloop in gehalten, is door de gemeente Helmond besloten om bij de tijdelijke uitname van grond, specifiek bij werkzaamheden aan ondiep liggende kabels en leidingen, het gescheiden ontgraven en terugplaatsen van de boven- en ondergrond op onverdachte tracés/locaties als onuitvoerbaar aan te merken.

Consequentie van deze werkwijze is dat de bodem ter plaatse van leidingtracés geroerd raakt met als mogelijk gevolg het mengen van verschillende kwaliteitsklassen. In een aantal bodemkwaliteitszones kan hierdoor lokaal enige verslechtering van de bodemkwaliteit in de ondergrond optreden. De verslechtering wordt echter geaccepteerd omdat sprake is van een verwaarloosbaar milieurisico. Het gevolg van niet gescheiden ontgraven is hieronder schematisch weergegeven.

Figuur 3.2: Uitzonderingssituatie leidingentracés

Opgemerkt wordt dat de grond ter plaatse van leidingtracés in het verleden naar verwachting al vermengd is geraakt bij de aanleg van de kabels en leidingen (incl. riolering) dan wel dat de kabelgoten destijds mogelijk zijn aangevuld met schone grond.

Bij het terugplaatsen van de grond dient altijd de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming danwel de zorgplicht uit de Omgevingswet in acht te worden genomen.

3.1.2 Tijdelijke opslag

Eén van de wettelijke voorschriften voor de tijdelijke opslag van grond of baggerspecie is dat de kwaliteit ervan moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de onderliggende bodem als de opslag langer duurt dan zes maanden.

Bij grondverzet volgens het gebiedsspecifieke beleid van de gemeente Helmond, leidt dit mogelijk tot problemen. Er kan zich namelijk een situatie voordoen waarin de ontvangende bodem bijvoorbeeld schoon is maar waar wel partijen grond van de kwaliteitsklasse Wonen mogen worden toegepast. Diezelfde partijen grond zouden daar dan niet tijdelijk mogen worden opgeslagen. Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit bodemkwaliteit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing".

Gezien deze discrepantie is door de gemeente Helmond het volgende besloten:

•Partijen grond die volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen van de gemeente Helmond op een bepaalde locatie binnen de gemeente mogen worden toepast, mogen eveneens tijdelijk op die locatie worden opgeslagen.

•De andere voorwaarden voor de tijdelijke opslag uit het Besluit bodemkwaliteit blijven onveranderd van kracht.

3.1.3 Toepassingsmogelijkheden ongerijpte baggerspecie

In het Besluit bodemkwaliteit geldt voor het verspreiden van ongerijpte baggerspecie op het aangrenzend perceel een ecologische normwaarde. Of de kwaliteit van de baggerspecie hieraan voldoet wordt bepaald via de zogenaamde ms-PAF methode.

Deze toets geldt alleen bij het verspreiden op percelen direct grenzend aan de watergang van herkomst. In Helmond is er echter vaak geen of onvoldoende ruimte voor het verspreiden van specie op de aangrenzende percelen. Aan de andere kant is er bij agrariërs vraag naar deze baggerspecie. De baggerspecie wordt door hen gebruikt als bodemverbeteraar. Om aan deze vraag gehoor te geven, en tevens te voldoen aan de duurzaamheidsdoelen, is hieronder specifiek beleid uitgewerkt om vrijkomende baggerspecie in een groter gebied her te kunnen gebruiken.

Ongerijpte baggerspecie afkomstig uit watergangen in het beheergebied wordt gezien als grond en mag volgens de regels uit deze Nota bodembeheer worden toegepast als bodem. Hierbij geldt:

•De ongerijpte baggerspecie mag ontwaterd zijn, maar dient in natte ongerijpte toestand toegepast te worden in diktes van maximaal 15 centimeter (nat);

•Baggerspecie uit onverdachte watergangen (art. 4.3.4 lid 4 van de Regeling bodemkwaliteit) behoeft niet te worden onderzocht;

•Baggerspecie uit de verdachte watergangen moet zijn onderzocht via waterbodemonderzoek volgens de NEN5720 of een partijkeuring conform AP04. De toetsingsresultaten van het waterbodemonderzoek moeten liggen onder de ms-PAF;

•De beoogde toepassing wordt gemeld bij de gemeente Helmond (bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit). Bij de melding wordt ook een zogenaamde "Toets Herkomst" gevoegd indien geen partijkeuring is uitgevoerd (zie paragraaf 3.3.2 voor meer informatie over de Toets Herkomst);

•Voor toepassing van baggerspecie buiten het aangrenzende perceel geldt geen ontvangstplicht; de eigenaar van het perceel waarop de baggerspecie wordt toegepast dient derhalve altijd toestemming te geven. De initiatiefnemer van het baggerwerk (de ontdoener) moet de kwaliteitsgegevens verstrekken aan de perceeleigenaar (de ontvanger);

•Als door landelijke ontwikkelingen eventuele verruimingen ontstaan van de bovengenoemde normeringen en uitgangspunten dan zal hierbij worden aangesloten.

3.2 Uitleg regels en procedures

3.2.1 Toetsing bodemkwaliteit bij eindsituatieonderzoek

Wanneer een bedrijf haar bodembedreigende bedrijfsactiviteiten definitief staakt, moet de eindsituatie van de bodemkwaliteit in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden vastgelegd. De resultaten van dit eindsituatie-onderzoek worden vergeleken met die van het nulsituatieonderzoek. Op deze manier kan worden nagegaan of de bedrijfsactiviteiten tot een verslechtering van de bodemkwaliteit hebben geleid en als dat zo is moet een bodemsanering worden uitgevoerd.

Het komt wel eens voor dat de nulsituatie niet is vastgelegd. Volgens de standaardregels van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt dan uitgegaan van klasse AW2000 (schone grond). De gemeente staat toe dat, in overeenstemming met het Bkl, ook gekozen kan worden voor herstel tot de achtergrondwaarden als bepaald in de bodemkwaliteitskaart. Voor het bepalen van de achtergrondwaarde aan de hand van de bodemkwaliteitskaart wordt gebruik gemaakt van de p80 voor genormeerde stoffen, indien deze minder streng zijn dan de AW2000, en de p95 voor PFAS.

Voor de terugsaneerwaarde bij herstel van de staat de gemeente Helmond toe dat de gebiedsspecifieke toepassingskaart (kwaliteit grond past bij de bodemfunctie) wordt gebruikt.

3.3 Milieuhygiënische verklaringen.

3.3.1 Bodemkwaliteitskaart

Bij het hergebruik van binnen de gemeente Helmond vrijgekomen grond mag de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel worden gebruikt voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit ter plaatse. Voorwaarde hierbij is dat de actuele bodemkwaliteit op de betreffende herkomstlocatie (naar verwachting) overeenkomt met de bodemkwaliteit in de betreffende bodemkwaliteitszone.

Gebruik van de Toets Herkomst

Als de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel wordt gebruikt, dient dit volledig ingevulde formulier Toets Herkomst bij de melding te worden gevoegd. Het formulier wordt volledig ingevuld en ondertekend en wordt als bijlage bij de melding ‘Besluit bodemkwaliteit’ ingediend. Het formulier is te downloaden op de website van de gemeente Helmond.

Uitgesloten locaties

Om gebruik te kunnen maken van een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel moet de herkomstlocatie 'onverdacht' zijn ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging c.q. een bodemkwaliteit hebben die naar verwachting niet afwijkt van de lokale bodemkwaliteitsklasse.

Voorbeelden van locaties die verdacht kunnen zijn op bodemverontreiniging zijn:

•Voormalige stortplaatsen;

•Locaties waar reeds bodemverontreiniging is aangetoond;

•Locaties waar bodemsanering in uitvoering is of sprake is van restverontreiniging na bodemsanering;

•De ondergrond ter plaatse van (voormalige) saneringslocaties;

•Locaties waar brand is geweest;

•Locaties waar bij calamiteiten mogelijk bodemvreemde stoffen op of in de bodem zijn gelekt;

•Locaties die zijn opgehoogd met materiaal van onbekende aard en/of samenstelling.

Uit het vooronderzoek (cf. NEN 5725) dan wel het formulier Toets Herkomst, volgt of er (mogelijk) sprake is van (een van) de bovenstaande situatie(s). De verdachte locaties zijn uitgesloten van het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. De kwaliteitsklasse dient in dat geval op een andere wijze aangetoond te worden.

3.3.2 Lokaal onderzoek

Een partijkeuring geeft meer zekerheid over de milieuhygiënische kwaliteit van een partij grond (of baggerspecie) dan de bodemkwaliteitskaart. Wanneer er op de herkomstlocatie een onderzoek is uitgevoerd dat voldoet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit, geeft dat onderzoek een beter beeld van de aanwezige kwaliteit op die locatie dan de op een statistische analyse gebaseerde bodemkwaliteitskaart. In dat geval gaan wij uit van de resultaten van de lokaal uitgevoerde partijkeuring.

Is voorafgaand aan het toepassen sprake van niet-proces gestuurde rijping of tijdelijke opslag van de baggerspecie, dan mogen de in-situ onderzoeksgegevens voor de betreffende partij baggerspecie gewoon als bewijsmiddel worden gebruikt. Bij het rijpingsproces zal de milieuhygiënische kwaliteit van de baggerspecie echter in veel gevallen verbeteren. Het verdient daarom aanbeveling om een partij baggerspecie na het rijpen opnieuw te onderzoeken. Omdat de NEN 5720 geen onderzoeksstrategie kent voor depots, dient in dat geval de partij baggerspecie aan de hand van de SIKB BRL 1000 te worden gekeurd.

3.3.3 Overige erkende bewijsmiddelen

Wanneer de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt, dient de milieuhygiënische kwaliteit op een andere wijze te worden aangetoond:

•partijkeuring;

•erkende kwaliteitsverklaring;

•fabrikant-eigen-verklaring;

•Bodemonderzoek mits dat voldoet aan een van de volgende de onderzoeksstrategieën, bedoeld in NEN 5740:

o de toetsing of sprake is van schone bodem;

o de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties;

o waterbodemonderzoek mits dat voldoet aan het toepassingsgebied, bedoeld in NEN 5720.

3.3.4 Bewijsmiddelen in relatie tot PFAS-houdende grond of baggerspecie

De extra bewijsmiddelen die nodig zijn voor PFAS-houdende grond en baggerspecie zijn beschreven in de Beleidsregels PFAS Helmond 2019, artikel 11 en 12.

Bijlage 1 begrippenlijst

Bagger(specie)

In het Besluit bodemkwaliteit staat de volgende definitie van baggerspecie:

Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.

Baggerspecie die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. Met het gebiedsspecifiek beleid in deze bodembeheernota wordt een strengere gehanteerd.

De bovenstaande definitie verandert niet bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Bodembeheergebied

Een aaneengesloten, door het bestuursorgaan (bijvoorbeeld een gemeente, waterschap of Rijkswaterstaat) afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van een of meer beheerders.

Bodemfunctieklassenkaart

Kaart waarop de verschillende bodemfuncties zijn aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Overig’ of ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’.

Bodemkwaliteitskaart

De bodemkwaliteitskaart bestaat uit de volgende kaartlagen:

1Een kaart met zones van vergelijkbare bodemkwaliteit;

2De ontgravingskaart met de kwaliteit die in het algemeen op een locatie verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast;

3De toepassingskaart met de kwaliteitseisen waaraan toe te passen grond moet voldoen. De toepassingskaart geeft ofwel het generieke (landelijke) beleid uit het Besluit bodemkwaliteit weer, ofwel het gebiedsspecifieke (lokale) beleid uit deze bodembeheernota.

Bodemkwaliteitsklasse

In het Besluit bodemkwaliteit worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen:

•Klasse Achtergrondwaarde – AW2000.

•Klasse Wonen.

•Klasse Industrie.

Bij de toetsingsmethodiek voor de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’ wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen (zie onderstaand). Voor de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten is het basispakket van toepassing. De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’ is minder streng dan de toetsingsmethodiek voor het bepalen van de ontgravingsklasse (zie het kopje ‘Ontgravingskaart’ in deze bijlage). Met de minder strenge toets wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit van een gebied op basis van één stof wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse ‘Industrie’. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge regels gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarden voor de functie ‘Industrie’. Hierdoor verslechtert de kwaliteit van het gebied.

Tabel A: Staffel toegestane aantal overschrijdingen

Aantal gemeten stoffen

Aantal toegestane overschrijdingen

1-6

0

Basispakket (7-15)

2

16– 26

3

27– 36

4

37– 48

5

Klasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’:

•Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel A;

•De overschrijding mag maximaal tweemaal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden – AW2000 bedragen;

•De overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens ‘Wonen’.

Klasse ‘Wonen’:

•Alle gehalten voldoen aan de klassegrens ‘Wonen’, met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel A;

•De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens ‘Wonen’ plus de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden – AW2000 bedragen;

•De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens ‘Industrie’ bedragen.

Klasse ‘Industrie’:

•Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse ‘Wonen’ of ‘Achtergrondwaarden – AW2000’ wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse ‘Industrie’;

Bodemvreemd materiaal

Onder bodemvreemd materiaal vallen alle materialen die niet onder de definitie van grond vallen en bij ontgraving al in de bodem aanwezig waren. Deze bijmenging mag niet opzettelijk zijn toegevoegd aan de partij of het gevolg zijn van onzorgvuldige ontgraving of sloopwerkzaamheden (Regeling bodemkwaliteit, artikel 1.1, lid 2). Na inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft de definitie van bodemvreemd materiaal gelijk en is beschreven in artikel 4.1271 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Geval van ernstige bodemverontreiniging

In minimaal 25 m3 grond overschrijden de gehalten voor één of meer stoffen de interventiewaarde van de Wet bodembescherming. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt er niet meer gesproken van “ernstig verontreinigd” maar van “sterk verontreinigd” in het geval één of meer stoffen de Interventiewaarde bodemkwaliteit overschrijden. Het volumecriterium wordt losgelaten. De kwaliteitseisen staan in tabel 1 van bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit 2021.

Grond

Grond is vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie.

Interventiewaarde

Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken over een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden voor de genormeerde stoffen zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013. Voor kunnen door het bevoegde gezag Wet bodembescherming lokale interventiewaarden worden vastgelegd in afwachting van landelijke regelgeving.

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt er gesproken van de ‘interventiewaarde bodemkwaliteit’. Deze waarden staan voor verschillende stoffen in bijlage IIA van het Bal.

Openbare ruimte

De percelen die in eigendom zijn van overheden.

Particuliere ontgraving

Een ontgraving uitgevoerd door een particulier waarbij de ontgraven grond met particulier materieel (bijvoorbeeld een aanhangwagen) wordt afgevoerd; de ontgraving is daarmee niet-projectmatig.

Onverharde wegberm

Met onverharde wegbermen wordt bedoeld: de strook grond naast de (klinker- en asfalt)weg of spoorweg. Uitgangspunt voor de definitie van onverharde wegberm is dat er geen afwateringsgoot met straatkolken aanwezig is. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,3 meter beneden het maaiveld. De strook heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter en eindigt binnen die 10 meter bij:

•de erfgrens, of

•de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot, of

•de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot, of

•als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos).

Voor de begrenzing van de wegbermen wordt aangesloten bij de onderstaande figuren. Deze figuren zijn afkomstig uit een brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009).

Figuur A: Functiegrens langs wegen en spoorlijnen

PFAS, Poly- en perfluoralkylstoffen

Poly- en perfluoralkylstoffen zijn chemische stoffen die door de mens zijn gemaakt. Zij komen van nature niet in het milieu voor. Voorbeelden van PFAS zijn GenX, PFOA (perfluoroctaanzuur) en PFOS (perfluoroctaansulfonaten). PFAS kunnen een negatief effect hebben op milieu en gezondheid. PFAS kunnen in het milieu terechtkomen via de lucht of via het afvalwater van fabrieken die deze stoffen gebruiken. Ze kunnen ook in het milieu terecht komen door het gebruik van bijvoorbeeld brandblusmiddelen die PFAS bevatten.

Bijlage 2 Bodemkwaliteitskaart genormeerde stoffen 2023

De kaarten die horen bij de bodemkwaliteitskaart zijn digitaal beschikbaar via de website: www.helmond.nl/bodembeheer

I. Zonering

II. Ontgravingskaart bovengrond

III. Ontgravingskaart ondergrond

IV. Bodemfunctieklassenkaart

V. Generieke toepassingskaart bovengrond

VI. Generieke toepassingskaart ondergrond

VII. Gebiedsspecifieke toepassingskaart boven- en ondergrond

VIII. Grondwaterkwaliteitskaart arseen

IX. Grondwaterkwaliteitskaart barium

X. Grondwaterkwaliteitskaart cadmium

XI. Grondwaterkwaliteitskaart chroom

XII. Grondwaterkwaliteitskaart kobalt

XIII. Grondwaterkwaliteitskaart koper

XIV. Grondwaterkwaliteitskaart kwik

XV. Grondwaterkwaliteitskaart lood

XVI. Grondwaterkwaliteitskaart molybdeen

XVII. Grondwaterkwaliteitskaart nikkel

XVIII. Grondwaterkwaliteitskaart zink

Bijlage 3 Bodemkwaliteitskaart PFAS 2023

De kaarten die horen bij de bodemkwaliteitskaart zijn tevens digitaal beschikbaar via de website: https://www.helmond.nl/bodembeheer

I. Zonering

II. Ontgravingskaart PFAS bovengrond

III. Ontgravingskaart PFAS ondergrond

IV. Generieke toepassingskaart PFAS bovengrond

V. Generieke toepassingskaart PFAS ondergrond

VI. Gebiedsspecifieke toepassingskaart PFAS bovengrond

VII. Gebiedsspecifieke toepassingskaart PFAS ondergrond

VIII. Verdeling meetlocaties PFAS Grondwater

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.