Gemeentelijke regelgeving

BELEIDSREGEL ANTENNES VOOR MOBIELE TELECOMMUNICATIE HELMOND 2012

Gemeente Helmond · geldt sinds 22 september 2012

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van Helmond,

Gelet op artikel 1.2 van de invoering Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2.1 en 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, artikel 2 en 4, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

Beschrijving onderwerp

1. Inleiding

Mobiel telefoneren en het gebruik van internet zijn niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Naast de sociale functie, draagt een mobiele telefoon voor veel mensen bij aan hun veiligheidsgevoel. Ziekenhuizen en andere (zorg)instellingen maken ook massaal gebruik van mobiele oplossingen, bijvoorbeeld om sneller te beschikken over patiëntonderzoeksgegevens en om te kunnen communiceren tijdens het vervoer van patiënten. Ook door de politie en andere hulpdiensten wordt mobiele communicatie ingezet, bijvoorbeeld om burgers te kunnen waarschuwen bij rampen en calamiteiten.

Zonder antennes kan er niet mobiel gecommuniceerd worden. Door het toenemende aantal gebruikers en aanbieders van mobiele communicatienetwerken is er sprake van een groeiende vraag naar plaatsingsmogelijkheden voor antenne-installaties. Vaak kunnen antenne-installaties geplaatst worden op bestaande bouwwerken, waardoor deze (meestal) omgevingsvergunningvrij kunnen worden geplaatst. Indien er geen bestaande hoge bouwwerken aanwezig zijn, moeten dergelijke installaties in speciale masten worden geplaatst. Het plaatsen van vrijstaande masten voor antenne-installaties hoger dan vijf meter is omgevingsvergunningplichtig. De meeste bestemmingsplannen voorzien echter niet in de mogelijkheid om masten ten behoeve van antenne-installaties te bouwen. Wel kan de gemeente met behulp van juridische afwijkingsmogelijkheden medewerking verlenen ondanks strijd met het bestemmingsplan voor de plaatsing van een antennemast. Om te komen tot een verantwoorde stedenbouwkundige, landschappelijke en maatschappelijk inpassing van deze masten is beleid ten aanzien van de locatiekeuze noodzakelijk. In deze ‘nota’ staan criteria die de gemeente Helmond toepast bij het verlenen van afwijkingen van het bestemmingsplan of opgenomen kunnen worden in nieuwe bestemmingsplannen. Dit vergroot de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van zowel burgers als aanvragers.

2. Doelstelling

Het beleid dient een kader te scheppen binnen welke het college van burgemeester en wethouders van de haar in de Wabo toegekende bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning ten aanzien van de plaatsing van antenne-installaties voor telecommunicatie, gebruik mag maken.

3. Wettelijk kader

Hieronder wordt het wettelijk kader uitgelicht ten aanzien van het plaatsen van antenne-installaties voor telecommunicatie.

3.1 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens

In de discussie rondom de plaatsing van antenne-installaties wordt artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (Hierna: EVRM) genoemd. Dit artikel is in zoverre van toepassing, dat een algemeen verbod om antenne-installaties op te richten zich in beginsel niet met dit artikel verdraagt. Beperkingen ten behoeve van de bescherming van de belangen van anderen en in het bijzonder omwonenden zijn toelaatbaar. Artikel 10 tast de verplichting tot het aanvragen van een vergunning krachtens de Wabo niet aan.

3.2 Telecommunicatiewet

De belangrijkste wet in Nederland betreffende telecommunicatie is de Telecommunicatiewet (hierna: Tw). Hierin wordt onder andere de uitgifte van frequenties en nummers, de sector specifieke mededinging, bescherming van de consument, veiligheid en het toezicht geregeld. In de Tw zijn eveneens regels opgenomen over het aanbieden van openbare telecommunicatie-infrastructuur en vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte. In deze wet wordt ook de verplichting tot het delen van antenne-opstelpunten geregeld. Het delen van antenne-opstelpunten wordt site-sharing genoemd en betreft een afstemming (technisch, constructief, financieel en juridisch) tussen operators indien zij voor de plaatsing van hun antenne-installaties gebruik maken van een bouwwerk dat in eigendom is van één van de operators. Meestal gaat het dan om een antennemast die door een operator is gebouwd en waar een andere operator zijn installatie in hangt.

3.3 Wabo

Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Of er voor het bouwen van een antenne-installatie een omgevingsvergunning nodig is, hangt af van de hoogte van de installatie. Voor het bouwen van antenne-installaties die niet hoger dan vijf meter zijn, is onder bepaalde voorwaarden geen omgevingsvergunning nodig. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).

3.3.1 Procedure

3.4 Wro

In het algemeen passen antenne-installaties niet binnen de van toepassing zijnde bestemmingen en bebouwingsvoorschriften van vigerende bestemmingsplannen. In die gevallen is een planologische afwijkingsmogelijkheid (ruimtelijke ontheffing) van het bestemmingsplan op basis van de Wabo nodig.

Artikel 3.6 Wro stelt dat bij bestemmingsplan kan worden bepaald dat met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels.

3.5 Bor

Het Bor is een besluit dat onder de Wabo hangt. Het Bor fungeert als een wettelijk kader voor het omgevingsvergunningsvrij bouwen en gebruiken. In artikel 1, eerste lid van het Bor is de definitie van een antenne-installatie opgenomen. Dit is een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

3.6 Ministeriele Regeling omgevingsrecht

4. Beleidscriteria

Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden getoetst aan het bestemmingsplan, milieu, monumenten, nationaal en regionaal antennebeleid en welstandsaspecten. Achter in deze beleidsregel is schematisch weergegeven wanneer er wel of niet een omgevingsvergunning vereist is.

4.1 Nationaal Antennebeleid

Het kabinet heeft ervoor gekozen om een gericht antennebeleid te voeren om de juiste randvoorwaarden te scheppen, die een snelle en zorgvuldige plaatsing van antennes mogelijk maken. De belangen van de volksgezondheid, het leefmilieu, de veiligheid en van een voorspoedige economische ontwikkeling komen daarbij in evenwicht tot hun recht. Dit beleid is vastgelegd in het Nationaal Antennebeleid. Het doel van het Nationaal Antennebeleid is het binnen duidelijke kaders van volksgezondheid, leefmilieu en veiligheid stimuleren en faciliteren van voldoende ruimte voor antenne-opstelpunten.

Het Nationaal Antennebeleid concentreert zich op een drietal beleidsthema’s:

-Het aanpassen van relevante wet- en regelgeving.

-Het meer in evenwicht brengen van de vraag naar en het aanbod van opstelpunten.

-De communicatie en informatieverspreiding.

4.2 Welstandsnota

Conform artikel 6.2 van het Bor vraagt het college van burgemeester en wethouders advies aan de welstandscommissie, dan wel de stadsbouwmeester, tenzij er voor het desbetreffende bouwwerk geen redelijke eisen van de welstand gelden of bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere grond wordt geweigerd.

De volgende algemene welstandseisen worden in de welstandsnota opgenomen welke van toepassing kunnen zijn op antenne-installaties aangezien er geen specifieke welstandeisen voor gelden:

-Alle onderdelen moeten in principe een zodanige kleurstelling krijgen dat deze zo veel mogelijk wegvallen tegen de achtergrond.

-In specifieke gevallen kan in overleg tussen gemeente en operator worden afgesproken dat de antenne juist een afwijkende kleurstelling zal krijgen.

-De constructie moet zodanig worden vormgegeven dat de installatie een zo onopvallend mogelijk silhouet vormt, door o.a. aandacht te besteden aan de vorm en architectuur van het gebouw.

-Door site-sharing kan het voorkomen dat er meerdere techniekkasten bij een installatie worden geplaatst. Deze moeten dan dezelfde kleur en bij voorkeur dezelfde buitenmaten hebben.

-Bij plaatsing van apparatuurkasten op maaiveld dient beplanting of een andere aantrekkelijke afscherming te worden aangebracht zodat de apparatuur uit het zicht blijft.

-Bij voorkeur clustering van de installatie met bestaande elementen op een plat dak of aan een dakopbouw voor klimaatinstallaties of liften.

-Plaatsing van een antenne-installatie op of aan een gebouw mag tijdens en na gebruik nooit blijvende schade of zichtbare aanpassingen aan het gebouw veroorzaken.

4.3 Gemeentelijke uitgangspunten

Daar waar vergunningsvrije oplossingen te realiseren zijn, zoals op hoogspanningsmasten, lichtmasten, silo’s en hoge gebouwen of andere hoge bouwwerken, zullen de operators vanzelfsprekend gebruik maken van deze mogelijkheden. Voor de locaties waar een nieuwe mast of opstelpunt dient te worden opgericht, is het zaak om ervoor te zorgen dat deze zo goed mogelijk in de omgeving wordt ingepast. In hoeverre een mast in zijn omgeving is in te passen, zal sterk afhangen van de omgevingsfactoren en de exacte locatie van de mast.

Algemene eisen:

-Operators moeten daar waar mogelijk zoveel mogelijk gebruik maken van elkaars masten (site-sharing). Als er een nieuwe mast wordt geplaatst, dan moet deze hiervoor geschikt zijn.

-De plaatsing op bestaande zendmasten of andere bestaande bouwwerken zoals hoogspanningsmasten, windturbines, lichtmasten en verkeersportalen heeft nadrukkelijk de voorkeur. Bij een aanvraag voor een bouwvergunning moet de operator aannemelijk maken dat het niet mogelijk is de antenne op een gebouw of bestaande antenne-installatie te plaatsen.

-Ter voorkoming van onevenredige landschappelijke/ruimtelijke verstoring, bestaat de voorkeurvoor plaatsing van enkele hogere masten boven meerdere lagere masten; technisch noodzakelijke afwijkingen van deze voorkeur moeten voldoende worden gemotiveerd.

-Er mag geen bezwaar zijn vanuit de verkeersveiligheid of in verband met de ontsluiting van percelen.

-Er mag geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

-Plaatsing van een antenne-installatie op of aan een gebouw mag tijdens en na gebruik nooit blijvende schade of zichtbare aanpassingen aan het gebouw veroorzaken.

-De antenne-installaties, evenals de bijbehorende technische installaties en de bedrading, moeten door middel van zorgvuldige materiaal- en kleurkeuze in de omgeving worden ingepast.

Stedenbouwkundige inpassing

1. Woongebied (gevoeligheid hoog)

Algemeen uitgangspunt is om het aantal vrijstaande masten in woongebieden zoveel mogelijk te beperken. In woonstraten en open locaties midden in de wijk mogen geen vrijstaande masten worden gerealiseerd. Bij plaatsing op daken moet rekening worden gehouden met het zicht vanaf de straat, bijvoorbeeld bij pleinen een ruime afstand vanaf de dakrand. Antennes die hoger zijn dan 40 meter worden in woongebieden niet toegestaan.

Voorkeursvolgorde:

2. Bedrijventerrein (gevoeligheid laag)

De verstoring van de uitstraling van een bedrijventerrein door een antennemast is bij zorgvuldige plaatsing minimaal. Bij plaatsing op daken moet een ruime afstand tot de dakrand aangehouden worden, zodat de mast(en) vanuit de openbare ruimte zo min mogelijk te zien is(zijn). Er moet aansluiting worden gezocht bij de hoogte van bestaande gebouwen en bouwwerken, zoals reclamemasten en hoogspanningsmasten.

3. Sportterrein (gevoeligheid laag)

Op sportterreinen kunnen (vrijstaande) antenne-installaties worden gerealiseerd. Deze moeten zoveel mogelijk worden gecombineerd met elementen met een gelijke uitstraling, zoals hoge lichtmasten.

4. Infrastructuur (gevoeligheid laag)

Langs hoofdinfrastructuur dient zo veel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande hoge gebouwen en bouwwerken. Als zorgvuldige inpassing mogelijk is en de verkeersveiligheid gegarandeerd is, kunnen antenne-installaties rond lokale verkeersknooppunten worden toegestaan.

Overigens is er vanuit Rijkswaterstaat een beperking gelegd op het bouwen rond snelwegen. Er dient een zone van 50 meter vrij van bebouwing te blijven. Tussen de 50 en 75 meter is er sprake van een overlegzone.

5. Landschap (gevoeligheid hoog)

In landschappen, zoals structurele groenzones, natuurgebieden, gebieden met landschappelijke waarden en langs recreatieve routes, worden geen antennes toegestaan. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld ten behoeve van de dekking van omliggende woongebieden, wordt de plaatsing van een mast toegestaan. Dit geldt alleen indien er geen enkele andere mogelijkheid is om antennes op aanwezige bebouwing te bevestigen. Hierbij wordt de deskundigheid van de gemeentelijke landschapsarchitect ingeroepen voor zorgvuldige inpassing.

Prijzen

4.4 Antenneconvenant

In het Nationaal Antennebeleid is als voorwaarde voor de omgevingsvergunningvrijheid van antenne-installaties tot 5 meter opgenomen dat een convenant is gesloten tussen de mobiele netwerkoperators, het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In dit ‘Convenant In Het Kader Van Het Nationaal Antennebeleid Inzake Vergunningvrije Antenne-installaties Voor Mobiele Telecommunicatie’, dat in juni 2002 is gesloten, staan afspraken en gedragsregels vermeld die gelden tussen de

convenantpartijen.

Bijlagen

Overzicht en tekening

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.