Gemeentelijke regelgeving

Gedragscode voor burgemeester en wethouders Hellendoorn 2026

Gemeente Hellendoorn · geldt sinds 31 maart 2026

Aanhef

Nijverdal, 3 maart 2026, kenmerk 2026-001850

De raad van de gemeente Hellendoorn;

gelet op het bepaalde in artikel 41c, tweede lid en artikel 69, tweede lid van de Gemeentewet;

b e s l u i t :

vast te stellen de

Gedragscode voor burgemeester en wethouders Hellendoorn 2026

ARTIKEL 1.1 KERNBEPALING

Collegeleden mogen hun invloed en stem niet gebruiken om een persoonlijk belang veilig te stellen of het belang van een ander of andere organisatie waarmee zij een persoonlijke betrokkenheid hebben. Collegeleden moeten actief en uit zichzelf belangenverstrengeling tegengaan.

ARTIKEL 1.2 ONTHOUDEN DEELNAME BERAADSLAGING EN STEMMING

1Collegeleden onthouden zich van deelname aan de (voorbereiding op de) beraadslaging en stemming als er sprake is van een beslissing waarbij strijd met artikel 28 Gemeentewet aan de orde is.

2Als een collegelid ingevolge het eerste lid niet deelneemt aan de beraadslaging en de stemming, meldt het collegelid dit voorafgaand aan de behandeling van het agendapunt en vermeldt hij of zij op welke wijze de besluitvorming hem of haar in het bijzonder aangaat. Collegeleden onthouden zich ook van beïnvloeding in andere fases van de besluitvorming.

3Onthouding van deelname aan de beraadslaging en stemming wordt aangetekend in de besluitenlijst van het college.

ARTIKEL 1.3 MELDEN VAN FUNCTIES NAAST HET COLLEGELIDMAATSCHAP

1Collegeleden leveren de secretaris bij aanvang van het collegelidmaatschap de informatie aan over hun nevenfuncties. Als gaande het collegelidmaatschap nieuwe functies aanvaard worden of de omstandigheden met betrekking tot bestaande functies wijzigen, wordt de informatie die hierop betrekking heeft direct aangeleverd bij de secretaris.

2De informatie betreft in ieder geval:

a.de omschrijving van de functie;

b.de organisatie voor wie de functie wordt verricht;

c.of het al dan niet een functie betreft uit hoofde van het collegelidmaatschap en;

d.of de functie bezoldigd of onbezoldigd is.

3De secretaris legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is openbaar en via internet beschikbaar.

4Een voornemen tot aanvaarding van een betaalde of onbetaalde nevenfunctie maakt het collegelid kenbaar aan de raad. Bij aanvaarding van de nevenfunctie maakt het collegelid deze openbaar.

ARTIKEL 1.4 ONGEWENSTE NEVENFUNCTIES

Collegeleden vervullen geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van het burgemeester- of wethouderschap.

ARTIKEL 1.5 MELDEN VAN FINANCIËLE BELANGEN

1Collegeleden doen bij de secretaris opgaaf van hun substantiële financiële belangen (zoals aandelen, opties en derivaten) in ondernemingen waarmee de gemeente zakendoet of waarin de gemeente een belang heeft.

2Ook een tussentijds ontstaan financieel belang dient opgegeven te worden.

3De informatie betreft in ieder geval:

a.een omschrijving van het belang (aard en omvang);

b.de organisatie waarin het financiële belang bestaat.

4De secretaris legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is niet openbaar en uitsluitend voor politieke ambtsdragers in te zien.

ARTIKEL 1.6 AFSPRAKEN BIJ VERBODEN HANDELINGEN EN VERBODEN OVEREENKOMSTEN

1Collegeleden die voornemens zijn een handeling te verrichten of een overeenkomst aan te gaan als bedoeld in artikel 41c/69 juncto 15, lid 1 van de Gemeentewet, bespreken dit voornemen in het college.

2In het geval dat wordt besloten ontheffing te vragen als bedoeld in artikel 41c/69 juncto artikel 15, lid 2 van de Gemeentewet, ondersteunt de secretaris bij het aanvragen van de ontheffing.

ARTIKEL 1.7 TEGENGAAN VAN DRAAIDEURCONSTRUCTIE

1Voormalig collegeleden mogen gedurende een jaar na het eind van het burgemeester- of wethouderschap niet als externe partij betaalde werkzaamheden verrichten voor of ten behoeve van de gemeente. Uitzondering hierop is het raadslidmaatschap.

2Het college draagt voormalige collegeleden niet eerder dan een jaar na aftreden voor als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij.

ARTIKEL 2.1 KERNBEPALING

Collegeleden mogen hun invloed en hun stem niet laten kopen of beïnvloeden door geld, goederen of diensten die hen zijn gegeven of in het vooruitzicht zijn gesteld.

ARTIKEL 2.2 OMGANG MET GESCHENKEN, FACILITEITEN EN DIENSTEN

Collegeleden nemen van derden geen geschenken aan en accepteren geen faciliteiten of diensten waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die hen uit hoofde van of vanwege hun functie als collegelid worden aangeboden, tenzij het gaat om een incidentele, kleine attentie (zoals een bloemetje of een fles wijn) met een geschatte waarde van maximaal €50,-.

ARTIKEL 2.3 UITNODIGINGEN

1Collegeleden accepteren geen lunches, diners, recepties en andere uitnodigingen, waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die hen uit hoofde van of vanwege hun functie als collegelid worden aangeboden en die door anderen betaald of georganiseerd worden, tenzij dat behoort tot de uitoefening van het collegewerk en/of de aanwezigheid beschouwd kan worden als functioneel.

2Deelname aan werkbezoeken, excursies en evenementen die verband houden met het raadswerk en voor rekening van anderen dan de gemeente komen, melden de collegeleden bij de secretaris binnen één week nadat de excursie, dan wel het evenement heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt ook melding gemaakt wie de kosten voor zijn rekening heeft genomen indien de kosten niet zijn betaald door de gemeente. Melding kan achterwege blijven, indien er sprake is van andere overheidsorganisaties.

ARTIKEL 2.4 (BUITENLANDSE) DIENSTREIZEN

1Collegeleden leggen een uitnodiging tot een (buitenlandse) dienstreis, met uitzondering van een dienstreis naar een Europese instelling, ter goedkeuring voor aan burgemeester en wethouders. Zij geven daarbij informatie over het doel en de duur van de reis, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het gezelschap dat meereist, de kosten voor de gemeente, welke kosten voor rekening van anderen komen en de manier waarop van de reis verslag wordt gedaan.

2Een uitnodiging voor een (buitenlandse) dienstreis wordt alleen geaccepteerd als het bezoek aantoonbaar van belang is voor de gemeente en de schijn van corruptie minimaal is.

3Het college informeert de gemeenteraad over het genomen besluit.

4Collegeleden maken openbaar wat het doel, de bestemming en de duur van de (buitenlandse) dienstreis is geweest. Daarbij maken de collegeleden ook openbaar wat de kosten waren voor de gemeente en welke kosten voor rekening van anderen zijn gekomen. De secretaris legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is via internet beschikbaar.

ARTIKEL 3.1 KERNBEPALING

Collegeleden gaan op prudente wijze om met gemeentelijke faciliteiten en financiële middelen voor zover deze hen ter beschikking staan en gebruiken deze alleen waarvoor ze bedoeld zijn.

ARTIKEL 3.2 GEBRUIK VAN INTERNE VOORZIENINGEN

Collegeleden houden zich aan de regels voor het gebruik van interne voorzieningen van algemene aard, zoals vergaderruimtes, eventuele ict-voorzieningen en dergelijke.

ARTIKEL 3.3 ONKOSTENVERGOEDINGEN EN DECLARATIES

Collegeleden houden zich aan de regels die gelden voor onkostenvergoedingen en declaraties.

ARTIKEL 4.1 KERNBEPALING

Collegeleden gaan zorgvuldig en correct om met de informatie waarover zij uit hoofde van hun lidmaatschap van het college van burgemeester en wethouders beschikken.

ARTIKEL 4.2 TRANSPARANTIE

Collegeleden zijn open en transparant over de eigen beslissingen en de beweegredenen daarvoor. Collegeleden handelen in overeenstemming met de Gemeentewet en met de Wet open overheid.

ARTIKEL 4.3 GEHEIMHOUDINGSPLICHT

1Collegeleden die de beschikking krijgen over gegevens waarvan zij het geheime karakter kennen of redelijkerwijs kunnen vermoeden, zijn verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behalve als de wet hen tot mededeling verplicht.

2Geheime informatie wordt door het collegelid veilig beheerd en bewaard.

ARTIKEL 4.4 GEBRUIK INFORMATIE TE EIGEN BATE OF ANDER GEBRUIK

Collegeleden maken niet voor eigen gewin of voor het gewin van een ander gebruik van (nog) niet openbare informatie waarover zij als collegelid beschikken.

ARTIKEL 4.5 GEBRUIK (SOCIALE) MEDIA

In uitlatingen op (sociale) media houden collegeleden de eer en het aanzien van het openbaar bestuur hoog. Collegeleden geven niet opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken over gebeurtenissen in en rond de gemeente.

ARTIKEL 5.1 KERNBEPALING

Collegeleden gaan binnen en buiten de vergaderzaal op respectvolle wijze met elkaar, andere politieke ambtsdragers, ambtenaren en inwoners om. Collegeleden onthouden zich, ook in de privésfeer, van gedragingen die schadelijk zijn of kunnen zijn voor de eer en het aanzien van het openbaar bestuur.

ARTIKEL 5.2 BEJEGENING

1Collegeleden bejegenen elkaar, de raads- en burgerleden, de griffier, de gemeentesecretaris en andere ambtenaren op correcte wijze zowel mondeling, schriftelijk als in de (sociale) media.

2Collegeleden onthouden zich van pestgedrag, seksuele intimidatie, discriminatie, agressie en geweld. Ook ‘op de persoon spelen’, grof taalgebruik, ongepaste grappen en ongefundeerde beschuldigingen van strafbaar gedrag aan het adres van raadsleden of andere fracties zijn omgangsvormen die niet worden geaccepteerd.

3Optreden tegen grensoverschrijdende bejegening tijdens vergaderingen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Zo nodig spreken collegeleden elkaar hierop aan.

ARTIKEL 5.3 HOUDEN AAN REGELS EN AANWIJZINGEN

Collegeleden houden zich tijdens de vergaderingen van het college en van de raad aan het reglement van orde en volgen de aanwijzingen van de voorzitter op.

ARTIKEL 5.4 VERTROUWENSPERSOON

1Collegeleden die zich geconfronteerd zien met ongewenste omgangsvormen kunnen zich wenden tot de vertrouwenspersoon voor een luisterend oor, begeleiding en ondersteuning.

2Biedt ondersteuning door de vertrouwenspersoon geen oplossing of is bemiddeling tussen collegeleden gewenst dan draagt de secretaris een (externe) bemiddelaar aan.

3Biedt bemiddeling geen oplossing en wenst een van de betrokken collegeleden verdere actie, dan wordt het Protocol omgaan met (vermoedens van) schending van de gedragscode door burgemeester en wethouders gevolgd.

4De vertrouwenspersoon brengt jaarlijks een geanonimiseerd verslag van bevindingen uit aan het presidium, de griffier en de burgemeester.

5De vertrouwenspersoon kan uit eigen beweging signaleringen delen met de burgemeester, griffier en/of de secretaris.

ARTIKEL 6.1 EENDUIDIGE INTERPRETATIE

De gemeenteraad en het college bevorderen de eenduidige interpretatie van deze gedragscode. In geval van leemtes en onduidelijkheden in de gedragscode voorzien zij daarin.

ARTIKEL 6.2 TOEZICHT OP NALEVING

1Het college ziet erop toe dat burgemeester en wethouders de gedragscode naleven.

2Er is een door de raad vastgesteld protocol hoe om te gaan met (vermoedens van) integriteitsschendingen. Dit protocol (bijlage 1) maakt onlosmakelijk deel uit van deze gedragscode.

ARTIKEL 6.3 JAARLIJKS AANDACHT

Jaarlijks organiseren de raad en het college een (gezamenlijke) bijeenkomst die in het teken staat van het onderwerp integriteit.

ARTIKEL 6.4 EVALUATIE

Minimaal één keer per bestuursperiode evalueert het college de gedragscode op actualiteit, functioneren en of deze naar behoren wordt nageleefd.

ARTIKEL 7.1 INTREKKING

De Gedragscode politieke ambtsdragers, vastgesteld op 26 juni 2007 en gewijzigd op 1 februari 2022, wordt ingetrokken.

ARTIKEL 7.2 INWERKINGTREDING

Deze gedragscode treedt in werking met ingang van de dag na datum van bekendmaking.

ARTIKEL 7.3 CITEERTITEL

Deze regeling wordt aangehaald als: ‘Gedragscode voor burgemeester en wethouders Hellendoorn 2026’.

Bijlage 1 Protocol omgaan met (vermoedens van) schending van de gedragscode door burgemeester en wethouders

Artikel 1 Algemeen

1Dit protocol beschrijft hoe om te gaan met (vermoedens van) integriteitsschendingen door de burgemeester of door wethouders. Dit protocol is vastgesteld door de raad en maakt onderdeel uit van de Gedragscode voor burgemeester en wethouders gemeente Hellendoorn 2026.

2In gevallen waarin dit protocol niet voorziet of waarbij de toepassing niet eenduidig is, vindt, op initiatief van de burgemeester of plaatsvervangend voorzitter van de raad, bespreking plaats in het presidium van de raad.

3Het protocol is openbaar en via de gemeentelijke website te raadplegen. Burgemeester en wethouders ontvangen bij hun aantreden een exemplaar van het protocol.

4De burgemeester ziet toe op de naleving van de stappen uit dit protocol.

Artikel 2 Het bespreken van integriteitskwesties

1Als een wethouder twijfelt of een handeling, die hij wil verrichten of nalaten, een overtreding van de gedragscode zou kunnen zijn, wint hij advies in bij de burgemeester en/of de gemeentesecretaris.

2Bij twijfel over het handelen van een ander is het uitgangspunt dat de burgemeester respectievelijk een wethouder eerst betrokkene daarop aanspreekt. Daar wordt alleen van afgeweken als het een vermoeden van een ernstige schending betreft en eventueel vervolgonderzoek in gevaar komt als het betreffende collegelid op de hoogte gesteld wordt. Wanneer de ander na het aanspreken zijn handelen niet feitelijk corrigeert of het vermoeden blijft bestaan dat de gedragscode niet wordt nageleefd, is melding van (het vermoeden van) schending van de gedragscode de vervolgstap.

Artikel 3 Melding

1Een ieder die schending van de gedragscode vermoedt, kan hiervan melding doen bij de burgemeester, of als de melding de burgemeester betreft, bij de griffier.

2Indien iemand een melding doet wordt deze, voor zover van toepassing, overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van dit protocol afgehandeld.

Artikel 4 Melding en vooronderzoek bij (vermoedens van) schending van de gedragscode door een wethouder

1Als een wethouder vermoedt dat een regel van de gedragscode niet wordt nageleefd door een andere wethouder, dan meldt hij dat bij de burgemeester.

2De burgemeester neemt de melding in behandeling en neemt daarbij kennis van de afweging van de melder over toepassing van artikel 2, lid 2 van dit protocol (het voeren van het gesprek tussen de melder en betrokkene).

3Als de burgemeester vermoedt dat een regel van de gedragscode niet wordt nageleefd door een wethouder, dan meldt hij dit bij de gemeentesecretaris.

4De burgemeester verricht in samenspraak met de gemeentesecretaris vooronderzoek, teneinde te beoordelen of er sprake is van een vermoedelijke schending van de gedragscode.

5De burgemeester meldt het voornemen tot een vooronderzoek bij de melder. Allen betrachten geheimhouding ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid.

6De betrokken wethouder wordt op de hoogte gesteld van het vooronderzoek naar een vermeende schending, tenzij het een vermoeden van een ernstige schending betreft en eventueel vervolgonderzoek in gevaar komt als de betreffende wethouder op de hoogte gesteld wordt.

7Er vindt in het kader van het vooronderzoek een gesprek met melder en eventuele betrokkenen plaats.

8Van de bevindingen uit het vooronderzoek wordt een rapport gemaakt. Als uit het vooronderzoek blijkt dat er geen sprake is van een schending van de gedragscode, is de melding afgehandeld.

9De melder en de betrokken wethouder worden op hoofdlijnen geïnformeerd over de uitkomsten van het vooronderzoek.

Artikel 5 Melding en vooronderzoek bij vermoedens van schending door de burgemeester

1Als een wethouder vermoedt dat een regel van de gedragscode niet wordt nageleefd door de burgemeester, dan meldt hij dat, door tussenkomst van de griffier, bij het presidium. Het presidium neemt de melding in behandeling en neemt daarbij kennis van de afweging van de melder over toepassing van artikel 2, lid 2 van dit protocol (het voeren van het gesprek tussen de melder en de burgemeester).

2Als het presidium vermoedt dat een regel van de gedragscode niet wordt nageleefd door de burgemeester, dan verricht het presidium hiernaar vooronderzoek. Hij kan hierbij te rade gaan bij de griffier, de andere collegeleden, de gemeentesecretaris en/of een externe adviseur.

3Het presidium meldt het voornemen tot een vooronderzoek bij de melder. Allen betrachten geheimhouding ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid.

4De burgemeester wordt op de hoogte gesteld van het vooronderzoek naar een vermeende schending, tenzij het om een vermoeden van een ernstige schending gaat en eventueel vervolgonderzoek in gevaar komt als de burgemeester op de hoogte gesteld wordt.

5Er vindt in het kader van het vooronderzoek een gesprek met melder en eventuele betrokkenen plaats.

6Van de bevindingen uit het vooronderzoek wordt een rapport gemaakt. Als uit het vooronderzoek blijkt dat er geen sprake is van een schending van de gedragscode, is de melding afgehandeld.

7De melder en de burgemeester worden op hoofdlijnen geïnformeerd over de uitkomsten van het vooronderzoek.

Artikel 6 Feitenonderzoek bij vermoedens van schending van de gedragscode door een wethouder

1Indien uit het vooronderzoek, als bedoeld in artikel 4, is gebleken dat er sprake is van een concreet en op redelijke gronden gebaseerd vermoeden dat de gedragscode niet is nageleefd door een wethouder, geeft de burgemeester opdracht hiernaar onderzoek te verrichten.

2De burgemeester meldt het voornemen tot een feitenonderzoek bij de melder, de betrokkene en het presidium. Allen betrachten discretie en prudentie ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid.

3De opdracht wordt gegeven aan een interne of externe onderzoekscommissie of extern onderzoeksbureau.

4Een interne onderzoekscommissie bestaat minimaal uit de burgemeester en de gemeentesecretaris. Ter ondersteuning kunnen zij ambtenaren en/of raadsleden aanwijzen. Aan de commissie kunnen externe deskundigen worden toegevoegd.

5Als de afstand tussen de interne onderzoekers en de betrokken wethouder te klein is om voldoende objectief onderzoek te garanderen, wordt een externe onderzoekscommissie ingesteld of een extern onderzoeksbureau ingeschakeld.

6Een externe onderzoekscommissie bestaat uit personen buiten de organisatie.

Artikel 7 Feitenonderzoek bij vermoedens van schending van de gedragscode door de burgemeester

1Indien uit het vooronderzoek, als bedoeld in artikel 5, is gebleken dat er sprake is van een concreet en op redelijke gronden gebaseerd vermoeden dat de gedragscode niet is nageleefd door de burgemeester, geeft het presidium opdracht hiernaar onderzoek te verrichten.

2Het presidium meldt het voornemen tot een feitenonderzoek bij de melder, de betrokkene en de Commissaris van de Koning. Allen betrachten vertrouwelijkheid ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid.

3De opdracht wordt gegeven aan een interne of externe onderzoekscommissie.

4Een interne onderzoekscommissie bestaat minimaal uit de plaatsvervangend voorzitter van de raad en de griffier. Ter ondersteuning kunnen zij ambtenaren en/of raadsleden aanwijzen. Aan de commissie kunnen externe deskundigen worden toegevoegd.

5Als de afstand tussen de interne onderzoekers en de burgemeester te klein is om voldoende objectief onderzoek te garanderen, wordt een externe onderzoekscommissie ingesteld of een extern onderzoeksbureau ingeschakeld.

6Een externe onderzoekscommissie bestaat uit personen buiten de organisatie.

Artikel 8 Kennisgeving aan betrokkene

1De betrokken politieke ambtsdrager wordt na het besluit tot het instellen van een feitenonderzoek zo snel mogelijk per brief geïnformeerd.

2In de brief is in ieder geval opgenomen:

a.een omschrijving van het handelen of nalaten dat aanleiding is tot instellen van het onderzoek;

b.de melding dat alle betrokkenen en getuigen kunnen worden gehoord;

c.de melding dat als andere feiten en omstandigheden bekend worden die van belang kunnen zijn voor het bepalen van de omvang, aard en ernst van de integriteitsbreuk, het onderzoek zich kan uitstrekken tot die feiten en omstandigheden.

Artikel 9 Horen van betrokkene en getuigen

1De betrokken politieke ambtsdrager en getuigen kunnen worden gehoord.

2De gesprekken worden gehouden door minimaal twee leden van de onderzoekscommissie.

3Er wordt een gespreksverslag opgemaakt. De gehoorde krijgt de mogelijkheid om binnen vijf werkdagen schriftelijk te reageren op het gespreksverslag.

4Het gespreksverslag wordt ondertekend door de onderzoekscommissie en de gehoorde. Als de gehoorde weigert het gespreksverslag te ondertekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het verslag.

5Als de gehoorde dat wenst, wordt er een schriftelijke weergave van de afwijkende mening van de gehoorde bij het verslag gevoegd.

Artikel 10 Rapportage feitenonderzoek

1De rapportage van het ingestelde feitenonderzoek naar (een vermoeden van) een schending van de gedragscode door een wethouder wordt door de burgemeester aangeboden aan het presidium. Allen betrachten discretie en prudentie ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid.

2De rapportage van het ingestelde feitenonderzoek naar (een vermoeden van) een schending van de gedragscode door de burgemeester wordt aangeboden aan het presidium. Allen betrachten discretie en prudentie ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid.

3Na bespreking in het presidium wordt een samenvatting van het rapport (binnen de mogelijkheden van de wetgeving ten aanzien van openbaarheid van bestuur en privacybescherming) toegezonden aan de raad. Deze samenvatting bevat alle informatie die voor de andere raadsleden nodig is om een oordeel te kunnen vormen over het vermoeden van integriteitsschending. Deze samenvatting wordt tevens toegezonden aan de politieke ambtsdrager op wie het feitenonderzoek betrekking heeft.

Artikel 11 Aangifte

1Als er vermoeden is van een misdrijf door een wethouder, doet de burgemeester in overleg met het presidium (door tussenkomst van de griffier) aangifte bij de politie. De burgemeester informeert de wethouders hierover.

2Als er vermoeden is van een misdrijf door de burgemeester, doet de plaatsvervangend voorzitter van de raad, na overleg met de Commissaris van de Koning en het presidium, aangifte bij de politie.

3Vanaf dat moment wordt alle informatie voorgelegd aan de politie, eventueel na overleg met de officier van justitie.

Artikel 12 Communicatie en openbaarheid

1Bij (vermoedens van) schending door een wethouder zorgt de burgemeester voor de interne en externe communicatie. Hierbij wordt afhankelijk van de situatie afgestemd met de overige collegeleden, de secretaris, het presidium (door tussenkomst van de griffier) en het Openbaar Ministerie.

2Bij (vermoedens van) schending door de burgemeester zorgt de plaatsvervangend voorzitter van de raad, in afstemming met het presidium en de griffier, voor de interne en externe communicatie. Hierbij wordt afhankelijk van de situatie afgestemd met collegeleden, de secretaris, de griffier, de fractievoorzitters, de Commissaris van de Koning en het Openbaar Ministerie.

3In de communicatie geldt, waar van toepassing, de wetgeving ten aanzien van openbaarheid en privacybescherming als juridisch kader.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.