Aanhef
Voorwoord
Door de gemeente Heeze - Leende is aan Bureau van Nierop opdracht verstrekt voor het opstellen van een nieuw beheerplan voor de gemeentelijke bos- en natuurterreinen. Het veldwerk is uitgevoerd door Dirk Loos en Thijmen Scholten. De rapportage is opgesteld door Drs. Jac Hendriks, Koen van Tongen Msc, Thijmen Scholten Msc. en ir. Léon van Nierop.
Er is overleg geweest met beleidsmedewerkers van diverse afdelingen. De begeleiding vanuit de gemeente werd verzorgt door Mike Stoffels en Jan Corstens.
Bureau van Nierop is iedereen dankbaar die heeft bijgedragen aan het tot stand komen van onderliggende rapportage.
Riethoven, 31 mei 2024
Samenvatting
De Nota Bossen en Natuurterreinen 2024 - 2034 is opgesteld voor de bossen en natuurterrein die eigendom zijn van de gemeente Heeze - Leende. Het omvat een totaal van 270 hectare die is onderverdeeld in 4 deelgebieden en een aantal afzonderlijk gelegen kleine percelen. De vier deelgebieden zijn: het Meerven, 45 Bunder, de Hulsbroeken en Strijperheg.
Het Meerven betreft een uitgestrekt heideterrein met drie grote en diverse kleinere vennen, omringd door bos. 45 Bunder is voor een deel natuurlijk bos met inlandse eik en grove den en voor een deel uit douglassparren. De Hulsbroeken is een typische heideontginning die na 1900 is ingeplant met voornamelijk grove dennen. Strijperheg is een elzenbroekbos met zwarte els, zachte berk en zomereik in de boomlaag. Het gebied bevat ook open en natte delen, die bestaan uit struweel van grauwe wilg en gagel, rietvelden en open water.
Voor deze vier deelgebieden is een overzicht gemaakt van het relevante beleid. De belangrijkste beleidskaders zijn: de Brabantse bossenstrategie, Natuurnetwerk Brabant, Natura 2000, Groen Structuurplan Heeze - Leende, Landschapsontwikkelingsplan Sgôn Heeze - Leende, en het gemeentelijke Duurzaamheidsbeleidplan.
De huidige situatie van de terreinen is vastgelegd door middel van literatuuronderzoek (abiotische omstandigheden, landschappelijke context en historie) en een bosinventarisatie. Via de bosinventarisatie is een samenvatting gemaakt van de belangrijkste karakteristieken zoals: boomsoortensamenstelling, leeftijdsopbouw, ontwikkelingsfase, bosstructuur, struiklaag, houtoogst en dood hout. Ook zijn de natuurwaarden en karakteristieken van flora, fauna, recreatie en cultuurhistorie omschreven.
Op basis van het beleid en de huidige kenmerken van het bos zijn doelstellingen opgesteld. De hoofddoelstellingen zijn ‘Verhogen biodiversiteit en klimaatbestendigheid van het bos’ en ‘Behouden productiefunctie binnen de multifunctionele bossen met een minimale impact op het bosklimaat en de bodem’. Binnen de natuurterreinen is de hoofddoelstelling ‘Behouden van de habitattypen en doelsoorten en inzetten op de toename van kwaliteit en kwantiteit’.
Er is ruimtelijke ingeving gegeven aan de doelstellingen door een visiekaart op te stellen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen natuurbos, multifunctioneel bos en natuurterrein. Daarnaast zijn er rustgebieden aangewezen waarbinnen recreatie niet mogelijk is en zijn er gebieden aangewezen waarbinnen intensieve recreatie wel mogelijk is.
In streefbeelden wordt uitgewerkt welke meetbare kenmerken worden nagestreefd. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de korte termijn (10 jaar) en de lange termijn (50+ jaar).
Tot slot wordt beschreven op welke manier het bos beheerd moet worden om de doelstellingen te halen en het gewenste streefbeeld te bereiken. Het beheer bestaat uit het bestrijden van ongewenste soorten, uitvoeren van dunningen, verjongen van het bos, onderhouden van de natuurterreinen en het sturen van de recreatie.
Hoofdstuk 2 Omschrijving bossen en natuurterreinen
2.3 Abiotische factoren
2.3.1 Geomorfologie
De gemeente Heeze - Leende is gelegen op heuvelachtige gronden met bijbehorende vlaktes en laagtes welke deel uitmaken van de Roerdalslenk (zie figuur 5). De laag zand aan de oppervlakte is afgezet door de wind op het einde van de laatste ijstijd. Het wordt dekzand genoemd, omdat het als een deken over het hele gebied ligt. De dekzandlaag is niet overal even dik, omdat het zand is afgezet in brede langgerekte ruggen. Tussen deze dekzandruggen liggen dalvormige laagten waarin beekdalen zijn ontwikkeld.
Figuur 5 Geomorfologische kaart
2.3.2 Bodem en grondwater
De bossen van de deelgebieden Meerven, 45 bunders en Hulsbroeken zijn aangelegd op gronden die voorheen bestonden uit heidegebieden. Bodemkundig worden deze gronden gerekend tot de haar- en veldpodzolgronden en tot de duinvaaggronden (zie figuur 6). De duinvaaggronden zijn aanwezig in de reliëfrijke zandverstuivingen terwijl in de vlakke gebieden de haar- en veldpodzolgronden aanwezig zijn. Het kenmerkende aan deze twee bodemtypes is dat ze beiden zijn gevormd onder heidevegetatie. Haarpodzolgronden zijn ontstaan op hoger gelegen heidegebieden waar de waterstand laag is. Veldpodzolgronden ontwikkelden zich echter in lagergelegen heidegebieden met een periodiek of permanent hoge grondwaterstand en ze zijn kenmerkend voor jonge heideontginningen.
Het meest zuidelijk gelegen gebied dat binnen het beheer van gemeente Heeze - Leende valt, Strijperheg, is echter van een andere aard. Het terrein ligt in de bovenloop van het beekdal van de Strijper Aa. Het bos dat dit ven omringt bevindt zich vrijwel volledig op vlierveengrond. Vlierveengronden zijn veengronden die zich kenmerken door de afwezigheid van duidelijke bodemvorming en minerale bovenlaag van zavel, klei of zand.
Figuur 6 Bodemkaart
In deelgebied Meerven zijn de grondwaterstanden laag als gevolg van ontwatering ten behoeve van de landbouw en als gevolg van de drinkwaterwinning. Op veel plekken ligt het grondwater dieper dan 2 meter onder maaiveld (zie figuur 7).
De deelgebieden 45 Bunder, Hulsbroeken, en Strijperheg zijn gedeeltelijk of geheel gelegen binnen een beekdal. De grondwaterstanden variëren hier tussen de 40 cm en 120 cm onder maaiveld. In de beekdalen komt kwelwater naar boven (figuur 8). Als gevolg van vernattingsmaatregelen uitgevoerd door Waterschap de Dommel zijn de waterstanden binnen deelgebied Strijperheg in de afgelopen jaren gestegen. Langs de beek ligt een natuurlijk overstromingsgebied (zie §3.2). Een groot deel van het jaar staan hier delen van het bos onder water.
Voor een detailkaart per deelgebied van bodem en grondwater wordt verwezen naar bijlage I.
Figuur 8 Kaart met de mate van infiltratie en kwel
2.3.3 Stikstofdepositie
In de Aerius monitor 2022 is de stikstofdepositie modelmatig berekend en gedetailleerd weergegeven op de habitattypen van het Natura 2000 gebied Leenderbos, Groote Heide & de Plateaux, alsmede de overschrijding van de Kritische Depositiewaarde (KDW). Deze informatie is gedownload in GIS voor weergave in dit rapport. In het Meerven is sprake van een matige overbelasting en dicht bij de snelweg een sterke overbelasting (figuur 10). In Strijperheg is de depositie hoger, maar hier is vrijwel geen sprake van overbelasting (figuur 9), omdat de Kritische Depositiewaarde van alluviale bossen en Hoogveenbossen hoger is dan die van heide en zure vennen (zie tabel 2).
Tabel 2 De kritische depositie waarde per habitattypen.
Overbelasting met stikstofdepositie van de habitattypen Stuifzanden met struikhei, zandverstuivingen, zure vennen, vochtige heiden, en droge heiden in het deelgebied Meerven vereist maatregelen om de instandhouding te garanderen. Voor het nemen van herstelmaatregelen zoals begrazing met schapen, maaien en chopperen wordt gebruik gemaakt van subsidie van de provincie Noord-Brabant die hiervoor beschikbaar is. De overbelasting heeft ook gevolgen voor de vergunningverlening. Uit de natuurdoelanalyses van van Natura 2000 gebieden in Noord-Brabant van 2023 is gebleken, dat er op grote schaal sprake is van overbelasting en dat het halen van de instandhoudingsdoelen niet gegarandeerd is. De provincie heeft daarop besloten om geen nieuwe natuurvergunningen af te geven voor projecten die kunnen leiden tot toename van stikstofdepositie.
Figuur 9 Overbelasting van stikstof op de habitattypen in deelgebied Strijperheg.
Figuur 10 Overbelasting van stikstof op de habitattypen in deelgebied Meerven.
Hoofdstuk 3 Relevant beleid
3.1 Provinciaal beleid
3.1.1 Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
Deelgebied Meerven en Strijperheg zijn onderdeel van een Natura-2000 gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Hierin wordt bepaalde flora en fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Alle Natura 2000-gebieden zijn gekozen op basis van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten.
In beide deelgebieden zijn verschillende habitattypen aanwezig (figuur 12 &13). Het geldende beleidskader is het in 2017 opgestelde beheerplan van het Natura 2000 gebied (Provincie Noord-Brabant, 2017). De doelstellingen hebben betrekking op de habitattypen en doelsoorten. Voor de natuurterreinen gelegen binnen het Natura 2000-gebied gelden instandhoudingsdoelstellingen voor de aanwezige habitattypen:
•H2310 Stuifzandheiden met struikheide: toename oppervlakte en kwaliteit
•H2330 Zandverstuivingen: toename oppervlakte en kwaliteit
•H3130 Zwakgebufferde vennen: toename oppervlakte en kwaliteit
•H3160 Zure vennen: toename oppervlakte en kwaliteit
•H4010A Vochtige heide: toename oppervlakte en kwaliteit
•H4030 Droge heide: toename oppervlakte en kwaliteit
•H91D0 Hoogveenbossen: toename oppervlakte en kwaliteit
•H91E0C Vochtige alluviale bossen: toename oppervlakte en kwaliteit
De landelijke staat van instandhouding van type H2310, H2330 en H4030 is zeer ongunstig. Van de overige habitattypen is de landelijke staat van instandhouding matig ongunstig.
De nachtzwaluw, boomleeuwerik en roodborsttapuit zijn aangewezen als doelsoort binnen het Natura-2000 gebied. Voor deze soorten gelden de volgende doelstellingen;
•A224 Nachtzwaluw: behoud oppervlakte en kwaliteit leefgebied
•A246 Boomleeuwerik: behoud oppervlakte en kwaliteit leefgebied
•A276 Roodborsttaput: behoud oppervlakte en kwaliteit leefgebied
Figuur 12 Aanwezige habitattypen binnen deelgebied Strijperheg.
Figuur 13 Aanwezige habitattypen binnen deelgebied Meerven
3.1.2 Brabantse bossenstrategie (28-01-2020)
Provincie Brabant wil met de nieuwe Brabantse bossenstrategie insteken op een nieuw en toekomstbestendig bos. Dat gebeurt door 60.000 hectare van de 70.000 hectare bos geleidelijk te vernieuwen. Daarnaast wordt de komende tien jaar 13.000 hectare nieuw bos aangelegd. Waarvan 8.000 hectare binnen het bestaande Natuurnetwerk Brabant, en maximaal 5.000 hectare daarbuiten. Lange tijd waren bossen vooral van belang voor houtproductie, recreatie en biodiversiteit; nu komen er functies bij als opslag van CO2, herstel van bodem- en waterkwaliteit en meervoudig gebruik voor recreatie en woon- en werklocaties. Er komen nieuwe bosvormen op als voedselbos, agroforestry, klimaatbos, oerbos en parkachtige zones in stedelijk gebied. Grootschalige kap - tot voor 10 jaar geleden stilzwijgend geaccepteerd - staat maatschappelijk onder grote druk.
Het primaire doel is het areaal bos vergroten, de kwaliteit ervan verbeteren en de afzet verduurzamen. De vijf belangrijke thema’s hierin zijn:
•Klimaatadaptatie en bos (bosbemesting);
•Klimaatmitigatie en bos (CO2 vastlegging);
•Herstel en ontwikkeling van bosbiodiversiteit (bijvoorbeeld toename areaal natuurbos 16% en afname productiebos 28%.);
•Luchtkwaliteit en leefomgeving (bosaanleg in stedelijke omgeving);
•Bosproducten als duurzame grondstof (voedselbos, houtoogst, agroforestry).
Conform de Brabantse bossenstrategie wordt nieuw bos bij voorkeur gerealiseerd in de groen-blauwe mantel en de integratiegebieden stadland. Deze zijn kansrijk in combinatie met doelen voor een aantrekkelijke en leefbare stad. Historische structuren zijn vaak geen belemmering voor nieuwe bossen maar een ontwerpkans. De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave met 130.000 woningen, daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug. In het landelijk gebied kunnen andere functies aanjager zijn van de transitieopgaven. In al deze opgaven kan nieuw bos van toegevoegde waarde zijn.
De ambities vanuit de bossenstrategie zijn weergegeven in figuur 14.
Figuur 14 Ambities bossenstrategie
3.1.3 Natuur Netwerk Brabant
De bossen en natuurterreinen van de gemeente Heeze - Leende zijn opgenomen in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Het NNB is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en, naar natuur om te vormen, landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. De NNB bestaat uit: bestaande natuur- en bosgebieden, gerealiseerde nieuwe natuur en nog niet gerealiseerde nieuwe natuur.
Figuur 15 Kaart van Natuur Netwerk Brabant (NNB)
3.1.4 Natuurbeheerplan
Het Natuurbeheerplan van de provincie bestaat uit een beleidsdeel met beleidsdoelen en subsidiemogelijkheden voor natuur- en landschapsbeheer (SNL) en het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) en een bijbehorende interactieve kaart. In het Natuurbeheerplan zijn natuurtypen toegewezen aan de terreinen gelegen binnen het NNB (figuur 15 en bijlage I). Natuurtypen bestaan uit twee verschillende varianten: beheertypen en ambitietypen. Het beheertype is gebaseerd op de huidige eigenschappen en het huidige beheer. De beheertypenkaart bevat de actueel voorkomende natuur in Brabant in het veld en vormt de grondslag voor de beheersubsidie in het kader van subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). In het Natuurbeheerplan is tevens een kaart met ambitietypen opgenomen. Hierop staat weergegeven welke natuurtypen op welke plek geambieerd worden. Deze kaart geeft het gewenste eindbeeld van het Natuurnetwerk Brabant. De begrenzing van het NNB is ook opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant als instructieregel voor gemeenten.
Tabel 3 De totale oppervlaktes van de verschillende beheertypen uit het Natuurbeheerplan zoals weergegeven in figuur 16.
Figuur 16 Kaart met de ambitie beheertypen uit het Natuurbeheerplan van Provincie Noord-Brabant
Figuur 17 Kaart met de beheertypen uit het Natuurbeheerplan van Provincie Noord-Brabant
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Groenstructuurplan Heeze - Leende
In Het Groenstructuurplan Heeze - Leende zijn alle uitgangspunten voor het groen binnen de gemeente Heeze - Leende voor de komende jaren uiteengezet (idverde Advies, 2021).
De speerpunten van het plan en het raakvlak met deze nota zijn hieronder weergegeven:
1Identiteit en uitstraling: cultuurhistorische elementen en de mooiste groene plekken.
2Ecologie en biodiversiteit: toepassen inheemse plantensoorten, bestrijden invasieve exoten.
3Klimaatbestendigheid: gezonde bodems, groen tegen hitte en klimaatbestendigheid.
4Bruikbaar groen: wandelen en recreëren in het groen.
Dit plan heeft vooral betrekking op het groen binnen de dorpskernen. Maar enkele bosgebieden die binnen het beheerplan behandeld worden, vallen ook onder het Groenstructuurplan.
3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Sgôn Heeze - Leende
Dit plan is een gemeentelijk beleidsdocument dat onderdeel uitmaakt van de structuurvisie (HAS KennisTransfer, 2012). Het plan bestaat uit een analyse van de abiotische, biotische en antropogene structuur in de gemeente. Vervolgens zijn op basis van inrichting, belevingswaarde, uitstraling en gebruik zes verschillende deelgebieden te onderscheiden. Deze gebieden zijn: Natuurlijk landschap, natuurlijke overgangszone, agrarisch landschap, kleinschalig agrarisch landschap, agrarische overgangszone en bebouwd gebied. Deze deelgebieden zijn elk opgedeeld in vijf thema’s: natuur & water, grondgebruik, bebouwing & ruimtelijke kwaliteit, cultuurhistorie en recreatie & toerisme.
Vooral het thema natuur en water heeft een relatie met deze nota. Bij dit thema wordt er in de visie sterk ingezet op natte en droge natuurlijke verbindingen, verloving van de houtopstand en agrarisch natuurbeheer. De natte en droge natuurlijke verbindingen moeten de verschillende natuurgebieden van Heeze - Leende met elkaar verbinden en de mogelijkheden voor flora- en faunamigratie versterken. Om de ecologische en esthetische waarde van de bossen te vergroten wordt een verloving van de houtopstand geadviseerd. Op het thema recreatie wordt het creëren van struinnatuur geadviseerd waardoor recreanten op een meer intieme manier kennis maken met de natuur. Ook het vergroten van het aantal fietsroutes en korte ommetjes wordt geadviseerd.
3.3.3 Duurzaamheidsbeleidplan
De gemeente heeft als doel om met haar beleid ten minste aan te sluiten bij de rijksdoelstellingen- en ambities in het kader van duurzaamheid, zoals een drastische reductie van de CO₂ uitstoot en een toename van het aandeel duurzaam geproduceerde energie. Om dit te bewerkstelligen moet bij iedere gemeentelijke keuze duurzaamheid integraal worden meegenomen, met als afwegingskader eenduidig duurzaamheidsbeleid dat breed gedragen wordt door de gemeenschap (Gemeente Heeze-Leende, 2019). Het duurzaamheidsbeleid van Heeze - Leende is vormgegeven in een ‘kapstok’ met vijf thema’s: de energietransitie, de materiaaltransitie, mobiliteit, biodiversiteit en klimaatadaptatie. Voor elk van deze thema’s worden uitvoeringsplannen uitgewerkt. Dit bosbeheerplan heeft raakvlakken met een deel van deze thema’s.
Energietransitie
Voor de energie transitie kunnen mogelijk de reststromen uit de houtoogst gebruikt worden als energie uit biomassa. Tot nu toe is dit geen onderdeel van het gemeentelijk bosbeleid en dit zal geen doel op zich zijn.
Materiaal transitie
Hierbij is een van de doelstellingen innovatieve projecten op het gebied van circulaire economie, zoals het onderzoek naar een lokale grondstoffenmarktplaats, faciliteren en ondersteunen. Door te streven naar de productie van hoge kwaliteit hout kan het hout worden verwerkt tot duurzaam bouwmateriaal.
Biodiversiteit
Bossen en natuurterreinen herbergen een hoge biodiversiteit die met behulp van het juiste beheer behouden en verhoogd kan worden. Er wordt vermeld dat het gebied Groote Heide & de Plateaux ontwikkeld dient te worden als een duurzaam, onderscheidend leisurelandschap dat zich kan profileren op basis van natuurlijke kwaliteiten. Voor de bossen en natuurterreinen kunnen op basis van deze uitgangspunten de volgende doelstellingen worden geformuleerd:
•Investeren in het verbinden van bestaande natuur door o.a. wildtunnels aan te leggen en (waar financieel mogelijk) door middel van kavelruil;
•Actief bijdragen aan bovenregionale initiatieven voor ontwikkeling van nieuwe natuur om zo financieel haalbare groenontwikkeling in de gemeente te bewerkstelligen;
•Beheer en ontwikkeling van openbaar groen toespitsen op biodiversiteitsbevordering, bijvoorbeeld door middel van duurzaam maaibeheer, het gebruik van inheemse soorten, het reduceren van zwerfafval en het instellen van een lokale herplantplicht, bijvoorbeeld bij schade door storm;
•Groenadoptie en andere vormen van burgerparticipatie stimuleren ten behoeve van bewustwording en gedragsverandering;
•Bomenkap zo veel mogelijk reduceren door strengere eisen te stellen aan een kapvergunning, en in geval van kap een lokale herplantplicht te hanteren;
•Waar mogelijk een vorm van natuurcompensatie afdwingen bij (grote) ruimtelijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld door een belasting te heffen voor een natuurherstelfonds.
Klimaatadaptatie
Bossen vormen een microklimaat dat bijdraagt aan klimaatadaptatie. Ze kunnen een rol spelen bij het realiseren van de doelstellingen voor klimaatadaptatie. De doelstellingen zijn:
•Gevoeligheden die naar voren komen uit de gemeentelijke klimaatstresstest op basis van een zorgvuldige afweging en prioritering aanpakken, zodat de gemeente steeds beter is voorbereid op lokale gevolgen van klimaatverandering en resulterende extreme weersomstandigheden (wateroverlast, hitte, droogte, overstroming);
•Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling (omgevingsvisie, herinrichting, nieuwbouw, e.d.) klimaatadaptatie als verplicht afwegingskader meenemen;
•Investeren in het bufferen en infiltreren van (bovenregionale) wateroverschotten door realisatie van bijvoorbeeld wadi’s, sloten, vijvers waarbij ook de positieve bijdragen van deze waterpartijen (aantrekkelijke landschapselementen, bluswater in het buitengebied e.d.) zoveel mogelijk benut en benadrukt wordt.
3.3.4 Omgevingsvisie
In 2023 is de Omgevingsvisie Heeze-Leende 2040 vastgesteld. In de omgevingsvisie staan grote doelen voor de lange termijn maar ook acties voor de korte termijn. Relevant voor de natuurgebieden worden de onderstaande doelen en acties genoemd.
Landschappelijke kwaliteiten
•Benadrukken cultuurhistorie
•Aandacht voor archeologie
•Beschermen natuurgebieden
•Vergroten verbondenheid van natuur
Duurzaam en toekomstbestendig
•Vergroten biodiversiteit
Recreatieve waarde
•Recreatieve routes: We zorgen voor aantrekkelijke routes voor wandelaars, fietsers, ruiters en mountainbikers. De prioriteit ligt daarbij op het optimaliseren van de bestaande routestructuren en het verbeteren van de kwaliteit ervan. Daarbij zorgen we voor goede voorzieningen langs de paden, zoals bankjes en picknickplaatsen, prullenbakken en watertappunten. Uitbreiding van het aantal routes is niet het doel.
•Recreatieve koppeling met de dorpen: De recreatieve startpunten in de dorpscentra moeten ervoor zorgen dat recreanten hun weg vinden naar onze levendige dorpscentra. Samen met andere partijen investeren we in passende recreatieve voorzieningen. Korte ommetjes, de beleefbaarheid van cultuurhistorie (zoals kasteel Heeze) en de toegang tot natuurgebieden (parkeren in/nabij dorpen) moeten uitnodigen tot beweging in, en beleving van, het landschap. Investeringen in andere recreatieve faciliteiten laten we in principe over aan de recreatieondernemers.
Natuurgebieden en beekdalen
•Versterken groene buffer rondom kwetsbare Natura 2000 gebieden
•Aandacht voor faunabeheer
•Ontwikkelen duurzaam leisure-landschap
•Voldoende ruimte voor opvangen en vasthouden van water in de beekdalen
•Natte natuurontwikkeling in de beekdalen in combinatie met extensieve recreatie
•In principe geen opwaardering van infrastructuur in de natuurgebieden en beekdalen
3.3.5 Natuurbrandbeheersplan
Naar aanleiding van verschillende branden in de omgeving (Strabrechtse heide 2010, Deurnsche Peel 2020), heeft de gebiedscommissie Heeze-Leende, een natuurbrandbeheersplan opgesteld met als doel een natuurbrand te voorkomen die voor hen niet meer te accepteren is. Hiervoor zijn de voornaamste risico’s en knelpunten van het gebied beschreven. Voor de natuurgebieden van de Gemeente Heeze-Leende zijn de voornaamste risico’s: het ontbreken van voldoende wegen beschikbaar als brandweerroute, de aanwezigheid van brandbare tot zere brandbare vegetatie en het niet beheren van compartimentsgrenzen. Op basis van deze risico’s zijn een aantal concrete risico’s geformuleerd.
Hoofdstuk 4 Huidige staat bossen en natuurterreinen
4.1 Soortensamenstelling
4.1.1 Hoofdboomsoort
In veruit het grootste gedeelte van het bos is grove den de hoofdboomsoort (figuur 19 & 20). Deze grove dennen zijn in de jaren 1920-1970 grootschalig aangeplant. Ook de tweede bosgeneratie van douglas, fijnspar Oostenrijkse den, Corsicaanse den en Japanse lariks zijn in deze periode aangeplant.
De berken hebben zich spontaan gevestigd. Dit betreft een nieuwe generatie bos die opkomt naarmate de grove dennenbossen ouder worden en er meer licht beschikbaar komt. Ook het aandeel inlandse eik is voornamelijk uit spontane verjonging ontstaan onder de grove dennenbossen. Overige boomsoorten komen slechts in kleine hoeveelheden voor.
Hoofdboomsoort: Dit is de boomsoort die het grootste aandeel van de boomlaag beslaat. Bij aangeplante bossen is vaak een monocultuur aanwezig van dezelfde leeftijd. Er is dan een duidelijke hoofdboomsoort aanwezig. In oudere bossen of bossen die op natuurlijke wijze zijn ontstaan, zijn vaak meerdere boomsoorten aanwezig van verschillende leeftijden. De hoofdboomsoort is dan minder duidelijk aanwezig.
Figuur 19 Staafdiagram van de hoofdboomsoorten
Figuur 20 Kaart met de hoofdboomsoort per vak
4.1.2 Boomlaag
Wanneer enkel naar de hoofdboomsoort wordt gekeken lijkt het bos hoofdzakelijk uit uit grove den te bestaan. Wanneer naar alle bomen in de diverse boomlagen wordt gekeken ziet het beeld er al iets anders uit. Uit figuur 21 valt op te maken dat het bos een meer gevarieerde soortsamenstelling heeft. Van de, na de aanleg dominant aanwezige grove den, is nog slechts 49% aanwezig tegenover 64% in 2003 (figuur 22). Als gevolg van het bosbeheer van afgelopen 20 jaar zijn veel grove dennen in de boomlaag geoogst waardoor er via spontane verjonging ruimte is gekomen voor een tweede generatie bos die hoofdzakelijk bestaat uit inlandse eik en ruwe berk. Het aandeel inheemse loofbomen (inlandse eik en berk) is hierdoor flink toegenomen. Verder is het aandeel uitheems naaldbomen, douglas en fijnspar, flink afgenomen. Fijnspar is hierbij zelfs afgenomen van 7% in 2003 naar 0,25% in 2023. Dit is met name te wijten aan de massale sterfte van fijnspar door de Letterzetter. Op dit moment bestaat 91% van het bos uit inlandse soorten in de boomlaag. Dit is positief voor de biodiversiteit. De overige 9% van de kroonlaag bestaat uit exoten, waarvan 7% uit de invasieve exoten Amerikaanse eik en douglas. Vanwege hun invasieve eigenschappen kunnen deze soorten een bedreiging vormen voor de inlandse bossen. Het aandeel wilg bevindt zich uitsluitend in deelgebied Strijperheg en bestaat voornamelijk uit laag struweel met grauwe wilg.
Figuur 21 Verdeling van de boomsoorten in de boomlaag
Figuur 22 Staafdiagram met de verdeling van de boomsoorten in de boomlaag in 2003
In figuur 23 staat de mate van menging van het bos weergeven. Hierbij valt op dat het 51% van het bos uit een monocultuur bestaat, waarbij meer dan 90% van het oppervlak uit slechts 1 boomsoort bestaat. Echter is 23% van het bos sterk gemengd waarbij de boomlaag bestaat uit 3 of 4 soorten.
Figuur 23 Staafdiagram met de mate van menging van de boomlaag
Tabel 4 Classificatie van de mate van menging
4.1.3 Onderetage
De bomen in de onderetage van het bos zijn minder hoog en groeien op plekken waar het kronendak niet gesloten is zodat ze voldoende licht ontvangen. Op ruim 60 hectare is geen onderetage aanwezig (figuur 24). In tegenstelling tot de bomen in de boomlaag bestaat de onderetage hoofdzakelijk uit spontane verjonging. In de onderetage is de verdeling tussen de boomsoorten dan ook afwijkend ten opzichte van de boomlaag. Hier is berk de meest voorkomende boomsoort gevolgd door de inlandse eik en grove den. Deze soorten komen ook als belangrijkste voor in de potentieel natuurlijke vegetatie (PNV), het droog berken-zomereikenbos (zie §2.4). De grove den verjongt zich enkel op een minerale bodem met voldoende licht op de bodem. Verjonging onder bestaand bos vindt daarom ook slecht in beperkte mate plaats. Het aandeel grove den in de verjonging is daarom relatief laag t.o.v. het aandeel in de boomlaag.
De Amerikaanse eik en douglas vormen samen een kleine 10% van de onderetage. Deze soorten zijn invasieve soorten die een bedreiging vormen voor de inheemse soorten en als ongewenste soorten worden gezien, met name in bossen met een natuurdoelstelling.
Figuur 24 Staafdiagram met de verdeling van de boomsoorten in de onderetage
4.1.4 Struiklaag en verjonging
De mate en kwaliteit van de verjonging is van groot belang voor de toekomstige ontwikkeling van het bosecosysteem en de duurzame instandhouding van het bos. De struiklaag bevindt zich tussen 0,5 en 6 meter boven de bosbodem en bevat zowel boom- als struikvormers. Lijsterbes en vuilboom komen het meest voor in de struiklaag (figuur 25). Van de boomvormers is berk de meest dominante soort in de struiklaag. Deze zullen doorgroeien naar het kronendak en bevinden zich slechts tijdelijk in de struiklaag. De Amerikaanse vogelkers die ook geld als invasieve soort vormt 14% van de totale struiklaag. Het aandeel struikvormers is hoger dan het aandeel boomvormers. Om het bosecosysteem met volwassen bos in de toekomst te behouden is verjonging van boomvormende soorten essentieel.
Figuur 25 Staafdiagram met de verdeling van de soorten in de struiklaag
4.11 Karakteristieken cultuurhistorie
4.11.1 Cultuurhistorische bossen
Enkele stukken bos vallen onder “historisch groen” volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 40). Een van deze gebieden is het gebied “Bos en houtwallen Heezerven”, gelegen in deelgebied Meerven. Dit betreft bos met houtwallen en plaatselijk hakhout wat dateert uit ongeveer 1850 tot 1920. Het ligt op de grens van een oude akker en stuifzand.
Iets ten noordoosten van Heeze, ten oosten van De Dommel, bevindt zich een kleinschalig bosgebied. Dit stukje bos valt binnen een gebied met oude boskernen, houtwallen en heggen. Het gebied waar ons beheerstuk in valt bevat landschapselementen met autochtone bomen en struiken die dateren van voor 1850. Ook binnen deelgebied Strijperheg is een strook oud bos aanwezig dat dateert uit de periode 1880-1940. Hier zijn plaatselijk restanten van hakhoutbeheer aanwezig. De waarde wordt beschreven als ‘redelijk hoog’.
Figuur 40 Cultuurhistorische elementenkaart
4.11.2 Cultuurhistorische relicten
De cultuurhistorische relicten zijn onder andere; wallen, greppels, kuilen en heuvels die zich in het landschap bevinden.
Oude goederenspoorlijn Heeze-Valkenswaard
Door het bosgebied tussen Heeze en Valkenswaard slingert een 12 kilometer lang spoorlijntje, ook wel het “Bels lijntje” genoemd. De aanleg van deze spoorlijn kwam voort uit de eerder in 1866 geopende spoorverbinding tussen Neerpelt en Eindhoven via Valkenswaard waarover zowel goederen als personen werden vervoerd. De verbinding bleek voor persoonsvervoer niet succesvol te zijn. Het tracé van Valkenswaard naar Eindhoven is in 1959 gesloten vanwege overlast in Eindhoven na de aanleg van het hoogspoor in 1953. Op verzoek van de Belgische regering is het vervangen door een nieuwe verbinding via Heeze en Geldrop. Dit deel van het “Bels lijntje” is van 1959 tot 1973 in gebruik geweest voor goederenvervoer. De rails is in 1985 opgebroken. Aan weerszijden van de A2 is het dijklichaam afgegraven over een lengte van 700 en 800 m. De overige restanten van de spoordijk zijn tot de dag van vandaag aanwezig in het bos van de gemeente Heeze - Leende. Vanaf Heezerenbosch tot aan de Huisvenseweg is het tracé ingericht als verhard fietspad.
Archeologische vindplaatsen
In de noordoosthoek van het deelgebied Meerven is een grafheuvel aanwezig (figuur 40). Deze is 15 meter in diameter en 1 meter hoog. De grafheuvel is uit heideplaggen opgebouwd en stamt uit de vroege of midden Bronstijd. Ook bevindt er zich in het deelgebied Meerven een nederzetting uit het Mesolithicum en de Romeinse tijd. Hier zijn, aan de noordkant van het Witven, verschillende vondsten gedaan van inheems aardewerk en vuursteenartefacten.
De Oude Baan
Door het deelgebied Meerven loopt een de zandweg De Oude Baan. De aanleg van deze zandweg is gestart in 1728 om de Heezerhut te verbinden met Valkenswaard en Heeze. De Heezerhut was een stopplaats op de postroute van Eindhoven naar Luik over de Groote Heide.
Hoofdstuk 8 Beheer
8.2 Dunning
8.2.1 Natuurbos
In de natuurbossen zal geen oogst plaatsvinden. Het machinaal oogsten van de brengen zorgt voor ongewenste schade aan de bodem en ondergroei. Een lichte mate van dunning zal plaatsvinden door bomen handmatig te vellen of te ringen. De bomen blijven liggen in het bos als staand en liggend dood hout. Er worden enkel grove dennen gedund waardoor het bos wordt omgevormd naar een gemengd bos. Grove dennen worden geveld of gedund wanneer er weinig licht door het kronendak komt waardoor weinig ondergroei aanwezig is. Dunning wordt dan toegepast om de ondergroei te stimuleren en de verticale structuur te bevorderen. Ook zal er worden gedund wanneer de onderetage goed ontwikkeld is maar wordt belemmerd door de boomlaag. Door ruimte te maken in de boomlaag kunnen de (loof)bomen in de onderetage het overnemen van de grove dennen in de boomlaag.
8.2.2 Multifunctioneel bos
In de multifunctionele bossen zullen wel bomen worden geoogst. Op korte termijn zullen dunningen plaatsvinden om de monoculturen te doorbreken en de menging van het bos toe te laten nemen. Dit wordt gedaan door te dunnen in de hoofdboomsoort en de overige soorten te ontzien. Daarnaast hebben de dunningen als doel om de spontane verjonging te stimuleren. In tegenstelling tot in de natuurbossen zijn hier ook exoten met een hoge houtkwaliteit toegestaan (douglas, Japanse lariks, westerse levensboom). Er wordt gestreefd naar 20% verjonging van hoogproductieve exoten.
Via dunningen worden bomen met gunstige eigenschappen (recht en tak- of noestvrij) vrijgezet om zo een hogere aanwas te creëren in de economisch meest waardevolle bomen. Tegelijkertijd zal er aandacht blijven voor de recreatieve waarde en natuurwaarde in het bos. Het aandeel inlandse soorten wordt hooggehouden en woudreuzen, habitatbomen en aftakelende bomen worden ontzien. De blesser in het multifunctionele bos maakt een afweging uit de soms conflicterende belangen: natuur, recreatie en houtoogst.
Netwerk van Oude Aftakelende en Dode bomen (NOAD)
Om te voorkomen dat er binnen te weinig dode en aftakelende bomen blijven staan wordt er een Netwerk van Oude Aftakelende en Dode bomen (NOAD) uitgezet. Hiervoor zullen gemiddeld 3 dikke aftakelende bomen per hectare gespaard te blijven. Deze worden in het veld gemarkeerd. Dit zijn bomen met een hoge natuurwaarde zoals bijzondere soorten, aftakelende bomen, aparte groeivormen etc. Dergelijke bomen worden nooit geoogst en krijgen de kans om groot te worden en in verval te raken. Ook slecht vitale en hangende bomen die geen nadelige invloed hebben worden niet geoogst.
Bodem
Als gevolg van een houtoogst kan de bodem sterk verdichten. Hierdoor wordt onder andere het bodemleven en het afwateringsvermogen aangetast. Het natuurlijk herstel kan vele jaren in beslag nemen. Het is dus belangrijk om bodemverdichting zoveel mogelijk te voorkomen. Bodemverdichting wordt zoveel mogelijk beperkt worden door het werken met tracks en met de volgende maatregelen.
Vaste ruimingspistes
Het grootste verdichtingseffect treedt al op bij een enkele betreding. Daarom is het belangrijk om te werken met vaste ruimingspistes. Deze zullen permanent worden vastgelegd. Zowel met markering in het veld als digitaal met coördinaten. Om het berijdingsoppervlak zoveel mogelijk te beperken worden de pistes aangelegd met een tussenafstand van 40 meter. Bomen worden handmatig naar de ruimingspiste toe geveld en uitgesleept, waardoor de schade aan de verjonging beperkt blijft. In jongere opstanden is voldoende tophout aanwezig wat de oogstmachine kan gebruiken als “rijplaat” om het verdichtingseffect te verminderen. Uit oogpunt van efficiëntie worden in jongere opstanden vaste ruimingspistes met een tussen afstand van 20 meter ingemeten. Na de 3e dunning zal overgestapt worden naar ruimingspistes met een tussenafstand van 40 meter.
Dunningsperiode
Er dient geoogst te worden tijdens gunstige weeromstandigheden. Dit betekent voor zandbodems tussen de natte en droge periode in, in de nazomer.
8.3 Verjonging
8.3.1 Natuurbos
In gebied het Meerven zijn veel zwijnen actief. Het wroeten van de zwijnen is gunstig voor de spontane verjonging van pioneersoorten als de grove den en ruwe berk. De spontane verjonging van loofhout (lijsterbes en zomereik) wordt echter belemmerd door de vraat van reeën en zwijnen in het gebied. Om de gewenste verloving van het bos te helpen zal de beperkte aanwezige verjonging van eik vrijgezet worden. De soortendiversiteit in het gebied is beperkt en ook zaadbronnen in de directe omgeving ontbreken. Om de bossuccesie te bevorderen en tegelijkertijd het bos veerkrachtiger te maken worden er ook kleinschalig nieuwe bij het gebied passende soorten aangeplant. De soorten die aangeplant worden zijn inheemse soorten die passen bij de huidige groeiplaats maar zich ook kunnen handhaven in het toekomstige klimaat. Het aanplanten van deze soorten brengt zaadbronnen in het gebied waarna de soort zich via spontane verjonging kan uitbreiden en zijn eigen plek in het ecosysteem kan innemen. Er worden inheemse klimaatbestendige soorten zoals haagbeuk, wintereik, winterlinde en ratelpopulier worden aangeplant.
8.3.2 Multifunctioneel bos
Holle grove dennenbossen
Binnen de multifunctionele bossen is 37 hectare bos met een kiemjaar tussen 1920 – 1960. Een groot deel van deze bossen zijn zogenaamde “holle dennenbossen”. In deze opstanden weinig verjonging of ondergroei aanwezig is. Er is enkel een, steeds ouder en minder vitaal wordend, scherm van grove dennen aanwezig. Om de productiefunctie voor de lange termijn te behouden dient het bos verjongd te worden.
Er worden bomen aangeplant zodat de gewenste soortensamenstelling kan worden bereikt. Op kleine schaal worden experimenten uitgevoerd met alternatieve herkomsten en soorten die minder gevoelig zijn voor klimaatverandering. Herkomsten uit Noord-Frankrijk of Italië en soorten als walnoot en gewone zilverspar kunnen aangeplant worden. De herkomsten van plantmateriaal worden hierbij vastgelegd en de plantlocaties worden gemonitord.
Daarnaast wordt er zo veel mogelijk gebruik gemaakt van spontane verjonging. Dit is alleen mogelijk voor boomsoorten die reeds aanwezig zijn. Spontane verjonging wordt gestimuleerd door licht op de bodem te brengen (d.m.v. dunningen) en door, waar nodig, de minerale bodem aan de oppervlakte te brengen. Afhankelijk van de gewenste verjonging worden gaten gemaakt in het kronendak. Om verjonging van lichtboomsoorten te realiseren worden verjongingsgaten gemaakt van maximaal 0,2 ha groot. In verjongingsgaten blijven enkele bomen (20 per ha) behouden. Deze bomen dienen als scherm om het bosklimaat te behouden. Verjonging van hoog productie soorten wordt vrijgezet en waar nodig opgesnoeid.
Douglas
In het gebied 45 Bunder zijn een aantal douglas vakken aanwezig. Deze bossen worden beheerd volgens het uitkapsysteem. Hierbij vindt oogst van afzonderlijke bomen plaats over de gehele oppervlakte op basis van boomgewijze selectie. Een selectiecriteria is de doeldiameter. Wanneer de douglas zijn doeldiameter heeft bereikt wordt deze geoogst. Doeldiameter (op borsthoogte) is 40-90 cm afhankelijk van de kwaliteit van de stam. Het gat in het kronendak dat ontstaat na het oogsten van een douglas zorgt ervoor dat de onderetage en verjonging de kans krijgen om door te groeien. Hierdoor komen verschillende fasen van het bos naast en door elkaar voor in verschillende etages. Hierdoor ontstaat een ongelijkjarig bos waarbij alle leeftijdsklassen naast elkaar voorkomen. Hier worden geen verjongingsgaten aangelegd waardoor het bosklimaat in stand blijft. Dit is gunstig voor de groeiplaatsproductiviteit. Om de menging te bevorderen worden hier schaduwsoorten als beuk en gewone zilverspar (Abies alba) aangeplant.
Bodembewerking
Gezonde bodems zijn essentieel voor weerbare bossen en kunnen veel CO2 vasthouden. Een gezonde bosbodem heeft een goed ontwikkeld bodemprofiel (duidelijk herkenbare horizonten) en geen disbalans in de mineralenhuishouding. Bodembewerking kan ervoor zorgen dat deze opgeslagen CO2 versneld vrijkomt en dat de aanwezige nutriënten deels uitspoelen. Het is nog onbekend hoeveel nutriënten en CO2 verloren gaat bij een ondiepe bodembewerking. Bij kap- en verjongingsmaatregelen is het daarom belangrijk om een goede afweging te maken tussen de voor- en nadelen van bodembewerking om te bepalen of het toepassen hiervan op een bepaalde locatie wenselijk is. Bodembewerking zal alleen worden toegepast wanneer er nauwelijks tot geen kwalitatieve verjonging van de gewenste soorten mogelijk is. Ook als er veel exoten staan kan bodembewerking nuttig zijn voor omvorming.
Bijlage I
Terreintype
Historische kaarten 1900
Historische kaarten 1950
Historische kaarten 2000
Bodemkaart
Geomorfologische kaart
Cultuurhistorie
Potentieel natuurlijke vegetatie
Beheertypen
Ambitietypen
Bossenstrategie
Legger Waterschap de Dommel
Recreatieve voorzieningen
Visie