Gemeentelijke regelgeving

Wijziging gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg

Gemeente Heerlen · geldt sinds 15 juni 2024

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen

Overwegende dat

de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022 is gewijzigd ter verbetering van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen;

alle gemeenschappelijke regelingen daarom voor 1 juli 2024 moeten worden aangepast;

Gelet op

artikel 1 en artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen

de door de gemeenteraad verleende toestemming d.d. 29-05-2024

Besluit

de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningsschap Oostelijk Zuid-Limburg te wijzigen met ingang van 1 juli 2024, waardoor deze als volgt komt te luiden:

Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid Limburg

De deelnemende colleges besluiten

ieder voor zover het hun eigen bevoegdheden betreft

de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg te wijzigen met ingang van 1 juli 2024, waardoor deze als volgt komt te luiden:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

1In deze gemeenschappelijke Regeling wordt verstaan onder:

a.de Gemeente(n): een (of alle) aan de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid Limburg deelnemende gemeente(n);

b.de Colleges: de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de deelnemende gemeenten;

c.Gedeputeerde Staten: het College van Gedeputeerde Staten van Limburg;

d.het Werkvoorzieningschap: het “openbaar lichaam Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid Limburg” genoemd in artikel 2 van deze Regeling;

e.de Wet: de (vigerende) Wet gemeenschappelijke regelingen;

f.de Regeling: de gemeenschappelijke regeling “Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid Limburg”;

g.Wsw: de Wet sociale werkvoorziening;

h.Werknemer: degene die krachtens artikel 2 lid 1 Wsw in een dienstbetrekking tot het Werkvoorzieningschap staat of degene die krachtens artikel 7 lid 1 met Wsw-subsidie werkzaam isbij een andere werkgever;

i.Personeel: degenen, die anders dan krachtens de Wsw in een dienstbetrekking tot het Werkvoorzieningschap staan;

j.UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

k.Subsidiegemeente: de Gemeente die op grond van de Wsw subsidie ontvangt voor een Werknemer;

l.Woongemeente: de gemeente waar de Werknemer woonachtig is.

m.niet-subsidiabele kosten: uitvoeringskosten van het Wozl, die niet afgedekt worden door de Rijkssubsidie.

2Waar in de Regeling een wet of regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, wordt in de plaats van de Gemeente, de raad, het college, de burgemeester en de secretaris c.q. griffier onderscheidenlijk gelezen het Werkvoorzieningschap, het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, de voorzitter en de directeur/secretaris van het openbaar lichaam Werkvoorzieningschap.

Artikel 2 Doelstelling/te behartigen belangen

Het Werkvoorzieningschap heeft tot doel:

1Het voorzien in en het bieden van passende werkgelegenheid en arbeidsrevalidatie voor ingezetenen, die blijkens een door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) afgegeven indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn.

2Uitvoering geven aan de door de deelnemende Gemeenten opgedragen werkzaamheden in het kader van de Participatiewet.

Artikel 3 Deelname aan samenwerkingsvormen

1Het Werkvoorzieningschap kan deelnemen aan gemeenschappelijke regelingen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 93 tot en met 95 van de Wet.

2Het besluit daartoe wordt door het Algemeen Bestuur genomen.

Artikel 3a Inspraak

1Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de gemeenten betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.

2In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen.

3Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste twee gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken.

4Het dagelijks bestuur informeert de gemeenten zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.

Artikel 3b Zienswijzen

1Besluiten van het bestuur worden alleen aan zienswijzen onderworpen indien de Wet of deze regeling dat expliciet voorschrijft.

2Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de gemeenteraden om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste twee gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de gemeenteraden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte.

3Indien het tweede lid wordt toegepast, dan hebben de gemeenteraden twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven zijn, stelt het dagelijks bestuur de gemeenteraden en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

HOOFDSTUK 2 HET RECHTSPERSOONLIJKHEID BEZITTEND LICHAAM

Artikel 4 Openbaar lichaam

1Er is een openbaar rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wetgemeenschappelijke regelingen, genaamd ‘het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid Limburg’. Het is gevestigd te Heerlen.

2Het rechtsgebied van het Werkvoorzieningschap omvat het grondgebied van de Gemeenten.

Artikel 5 Bestuursorganen

Het Werkvoorzieningschap heeft in ieder geval de volgende bestuursorganen:

het Algemeen Bestuur,

het Dagelijks Bestuur,

de Voorzitter.

Artikel 6 Het Algemeen Bestuur

1Aan het algemeen bestuur worden alle bevoegdheden overgedragen die nodig zijn om de doelstelling als genoemd in artikel 2 te verwezenlijken, tenzij die bevoegdheden bij wet of bij deze Regeling aan een ander bestuursorgaan zijn toegekend/overgedragen.

2Het algemeen bestuur besluit niet tot het vaststellen of wijzigen van meerjarige strategische plannen dan nadat de gemeenteraden gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen op het concept bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen.

3De portefeuillehouders sociale zaken en/of arbeidsmarktbeleid van de Gemeenten hebben qualitate qua zitting in het Algemeen Bestuur. De leden hebben zitting voor een tijdvak, gelijk aan dat van de zittingsduur van leden van de Colleges, met dien verstande dat zij in het Algemeen Bestuur zitting blijven houden tot aan het tijdstip dat (zijn of haar) opvolger zijn portefeuille heeft aanvaard en aanwijzing als lid van het Algemeen Bestuur heeft aanvaard.

4Het Algemeen Bestuur kiest uit zijn midden een Voorzitter en een plaatsvervangend Voorzitter.

5Hij/zij die ophoudt lid te zijn van het college van Burgemeester en wethouders, namens welke hij/zij lid is van het Algemeen Bestuur, houdt onverminderd het bepaalde in de laatste zijn van lid 3 van dit artikel, van rechtswege op lid te zijn van het Algemeen Bestuur.

6Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur is onverenigbaar met de hoedanigheid van Werknemer. Deze onverenigbaarheid bestaat eveneens ten aanzien van het Personeel.

Artikel 7 Besluitvorming door het Algemeen Bestuur

1Een vergadering van het Algemeen Bestuur wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebben leden vertegenwoordigd is. Een portefeuillehouder, lid van het Algemeen Bestuur kan zich bij verhindering laten vervangen door een collega lid van het college uit zijn Gemeente. Indien ingevolge bovenstaande de vergadering niet geopend wordt, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.

Op deze nieuwe vergadering is het bepaalde in de eerste zin van dit lid niet van toepassing. Het Algemeen Bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge de eerste zin niet geopende vergadering was belegd, alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

2Ieder lid van het Algemeen Bestuur brengt één stem uit, vermeerderd met één stem voor iedere 15.000inwoners of gedeelte daarvan van de Gemeente welke hij vertegenwoordigt. Voor de berekening van het inwonertal wordt uitgegaan van het aantal inwoners op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de vergadering plaatsvindt, zoals dit voorkomt onder de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers.

3In de vergadering van het Algemeen Bestuur worden alle besluiten genomen bij gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

4Wanneer ten aanzien van zaken geen der leden stemming vraagt, wordt aangenomen dat conform het voorstel is besloten. Bij het doen van keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen, dient steeds tot stemming te worden overgegaan, tenzij het (Algemeen) Bestuur unaniem besluit van stemming af te zien. Alsdan wordt evenals ten aanzien van zaken aangenomen dat conform het voorstel is besloten. Indien tot stemming wordt overgegaan, wordt over alle zaken mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, doch bij het doen van keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen, bij gesloten en ongetekende briefjes. De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen is geheim. Indien stemmen staken, over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden. Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot.

5De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling. Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming heeft onthouden, verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen. Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen. Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een beslissing bijgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. Indien de stemmen staken ineen voltallige vergadering, of in een ingevolge het gestelde in de vorige zin opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen. Onder voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit het Algemeen Bestuur bestaat, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht.

Artikel 8

1Het Algemeen Bestuur vergadert in het openbaar.

2De deuren worden gesloten wanneer het door een vijfde der aanwezige leden wordt gevorderd, of de voorzitter het nodig acht.

3Het Algemeen Bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

4Het Algemeen Bestuur kan omtrent het in besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van stukken, welke aan het Algemeen Bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Zij wordt door hen die bij de behandeling tegenwoordig waren en allen die op andere wijze van het behandelde en van de stukken kennis nemen, in acht genomen totdat het Algemeen Bestuur haar opheft.

5Het Dagelijks Bestuur, de Voorzitter en de Commissie, kan omtrent de inhoud van stukken als bedoeld in het vorige lid, geheimhouding opleggen. Het geeft hiervan terstond kennis aan het Algemeen Bestuur.

6De oplegging van geheimhouding vervalt, indien de oplegging niet door het Algemeen Bestuur in zijn eerstvolgende vergadering, die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, te samen vertegenwoordigend meer dan de helft van het aantal stemmen, is bezocht, wordt bekrachtigd. In geval van niet-bekrachtiging vervalt de oplegging.

Artikel 9 Het Dagelijks Bestuur

1Het Dagelijks Bestuur wordt door het Algemeen Bestuur uit zijn midden gekozen.

2Het Dagelijks Bestuur bestaat uit de Voorzitter en twee overige leden.

3De leden van het Dagelijks Bestuur worden zo gekozen dat zij samen nooit de meerderheid van het Algemeen Bestuur uitmaken in het aantal te vertegenwoordigen stemmen.

4Bij afwezigheid of ontstentenis van een lid van het Dagelijks Bestuur wordt hij, indien het Algemeen Bestuur dit nodig acht, vervangen door een ander lid van het Algemeen Bestuur.

5De leden van het Dagelijks Bestuur verliezen hun functie, wanneer zij geen zitting meer hebben in het Algemeen Bestuur, met dien verstande dat zij in het Dagelijks Bestuur zitting blijven houden tot aan het tijdstip dat hun opvolger zijn aanwijzing als lid van het Dagelijks Bestuur heeft aanvaard.

6Ieder lid van het Dagelijks Bestuur heeft één stem.

7In het Dagelijks Bestuur hebben als adviseur zitting degenen die door het Dagelijks Bestuur als zodanig worden benoemd. Zij hebben geen stemrecht.

Artikel 10 Bevoegdheden van het Dagelijks Bestuur

1De taken en bevoegdheden van het Dagelijks Bestuur volgen uit de Wet, deze Regeling of zijn door het Algemeen Bestuur overgedragen.

2Het Dagelijks Bestuur is bevoegd:

a.het voorbereiden van al hetgeen in het Algemeen Bestuur ter kennisneming, overweging en beslissing moet worden gebracht, alsmede het uitvoeren van de besluiten van het Algemeen Bestuur;

b.het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit.

3De bestuursorganen van deze Regeling kunnen bepalen op welke wijze verandering kan worden gebracht in de overgedragen bevoegdheden, met dien verstande dat niet kan worden besloten tot uitbreiding van de overgedragen bevoegdheden.

Artikel 11 Besluitvorming door het Dagelijks Bestuur

1Besluitvorming vindt plaats bij gewone meerderheid van stemmen.

2De leden van het Dagelijks Bestuur hebben elk één stem.

3Er vindt geen besluitvorming plaats als minder dan twee leden aanwezig zijn.

4Het Dagelijks Bestuur vergadert zo vaak als de Voorzitter of tenminste twee leden dit nodig oordelen.

5Datum, tijdstip en plaats van een vergadering van het Dagelijks Bestuur worden door de Voorzitter aan de leden meegedeeld. De vergaderingen zijn besloten.

Artikel 12 De Voorzitter

1Het Algemeen Bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan, tevens zijnde voorzitter van het Dagelijks Bestuur.

2De Voorzitter vertegenwoordigt het Werkvoorzieningschap in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen.

De Voorzitter ondertekent de stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan. Hij kan onder eigen verantwoording en behoudens de beperkingen, die wat betreft de stukken welke van het Dagelijks Bestuur uitgaan, door dit Bestuur worden gesteld, het tekenen van bepaalde stukken, die van het Dagelijks Bestuur of van hem uitgaan, aan anderen opdragen.

3Hij zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering van het Algemeen Bestuur en is bevoegd wanneer die orde op enigerlei wijze door de toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken.

HOOFDSTUK 3 DE SECRETARIS EN HET PERSONEEL

Artikel 13 De directeur/secretaris

1Het Werkvoorzieningschap heeft een ambtelijke organisatie, met aan het hoofd de directeur/secretaris.

2De directeur/secretaris wordt benoemd en ontslagen door het Dagelijks Bestuur.

3Het Dagelijks Bestuur wijst een plaatsvervanger voor de directeur/secretaris aan, die de directeur/secretaris is in geval van verhindering of ontstentenis vervangt.

4Het Dagelijks Bestuur stelt de bezoldiging van de directeur/secretaris vast.

5Het Dagelijks bestuur stelt een instructie voor de directeur/secretaris vast.

Artikel 14 Taken en bevoegdheden van de directeur/secretaris

1De directeur/secretaris staat het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, de Voorzitter en de Bestuurscommissies terzijde.

2De directeur/secretaris is aanwezig tijdens de vergaderingen van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur en draagt zorg voor de notulering daarvan.

3Door de directeur/secretaris worden alle stukken die van het Algemeen Bestuur en van het Dagelijks Bestuur uitgaan (mee-) ondertekend.

4De directeur/secretaris is belast met de leiding van de ambtelijke organisatie.

5De functie van directeur/secretaris is onverenigbaar met het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur.

Artikel 15 Rechtspositie

1Op het Personeel van het openbaar lichaam Werkvoorzieningschap zijn de rechtspositie en de overige arbeidsvoorwaarden, geldend voor het personeel van de Gemeente Heerlen, van toepassing.

2Het Dagelijks Bestuur kan, gehoord een vertegenwoordiging van het Personeel, besluiten om van het bepaalde in het vorige lid af te wijken.

Artikel 16 Personeel

1Het Dagelijks Bestuur stelt regels voor de bezoldiging van het Personeel vast.

2Het Dagelijks Bestuur stelt de formatieomvang vast.

3Het Dagelijks Bestuur benoemt en ontslaat het Personeel, gehoord de directeur/secretaris.

HOOFDSTUK 4 COMMISSIES

Artikel 17 Bestuurscommissies

Het Algemeen Bestuur kan ter behartiging van bepaalde belangen Bestuurscommissies instellen.

HOOFDSTUK 5 FINANCIËN

Artikel 18 Organisatie van beheer en administratie

1Het Algemeen Bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de administratie en van het beheer van de vermogenswaarden van het Werkvoorzieningschap.

2Het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur gaan geen geldleningen aan, tenzij het voornemen daartoe aan de Gemeenten is gemeld onder het stellen van een termijn van ten minste vier weken om blijk te geven van hun zienswijze.

3Alle niet-subsidiabele kosten komen voor rekening van de Woongemeente op basis van het bepaalde in artikel 23 lid 1 van deze Regeling.

Artikel 19 Ontwerp-begroting, algemene financiële/beleidsmatige kaders en voorlopige jaarrekening

Het Dagelijks Bestuur zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de ontwerp-begroting. inclusief de algemene financiële en beleidsmatige kaders, en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de Gemeenten. Een en ander overeenkomstig artikel 34, 34b en 35 van de Wet.

Artikel 20 De begroting

1Het Algemeen Bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij

1dient.

2Het Dagelijks Bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.

3Het Dagelijks Bestuur stelt jaarlijks een ontwerp-begroting van baten en lasten op, voorzien van een toelichting en zendt dit ontwerp 12 weken voordat zij aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden toe aan de raden van de Gemeenten. De raden van de Gemeenten kunnen bij het Dagelijks Bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijzen zijn vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden. Het Dagelijks Bestuur stelt de raden van de Gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

4Artikel 35, leden één, drie en vier (1,3, en 4) van de Wet zijn niet van toepassing op begrotingswijzigingen die niet van invloed zijn op de hoogte van de jaarlijkse bijdragen van de individuele Gemeenten aan de Regeling.

Artikel 21 De jaarrekening

1Het Dagelijks Bestuur biedt de rekening van baten en lasten over het afgelopen jaar met alle bijbehorende bescheiden ter vaststelling aan het Algemeen Bestuur aan.

2Deze gaat vergezeld van een verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, ingesteld overeenkomstig de ingevolge de Gemeentewet aangewezen deskundige, en van hetgeen het Dagelijks Bestuur overigens te harer verantwoording dienstig acht.

3Het Dagelijks Bestuur zendt de jaarrekening, met alle bijbehorende stukken, binnen twee weken na de vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekeningbetrekking heeft aan Gedeputeerde Staten.

4In de jaarrekening wordt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 23, lid 1, van deze Regeling, de door iedere Gemeente over het desbetreffende jaar verschuldigde bijdrage opgenomen.

Artikel 22 Inkomstenbronnen

De begroting van het Werkvoorzieningschap wordt gevoed uit:

a.de bijdragen van de Gemeenten, de bijdrage wordt berekend naar evenredigheid van de in de integratie-uitkering Sociaal Domein opgenomen Wsw-middelen die door het Rijk in het voorafgaande kalenderjaar voor de betreffende gemeente is vastgesteld, nadat het Algemeen Bestuur zich heeft vergewist van iedere mogelijkheid tot verkrijgen van aanvullende subsidie. Nadere regels in deze kunnen worden gesteld door het Dagelijks Bestuur.

b.de bijdragen van de Gemeenten voor de taken die op hun verzoek worden uitgevoerd.

c.subsidies;

d.overige inkomsten.

Artikel 23 Betaling van bijdragen

1De kosten van het Werkvoorzieningschap worden gedragen door de Gemeenten. Deze betalen hiertoe een bijdrage in de kosten van het Werkvoorzieningschap, welke bijdrage jaarlijks bij de goedkeuring van de begroting door het Algemeen Bestuur van het Werkvoorzieningschap wordt bepaald.

De hoogte van de te betalen bijdrage wordt berekend naar evenredigheid van de in de integratie-uitkering Sociaal Domein opgenomen Wsw-middelen die door het Rijk in het voorafgaande kalenderjaar voor de betreffende gemeente is vastgesteld, nadat het Algemeen Bestuur zich heeft vergewist van iedere mogelijkheid tot verkrijgen van aanvullende subsidie. Nadere regels in deze kunnen worden gesteld door het Dagelijks Bestuur.

2De in het vorige lid bedoelde bijdragen worden aan het Werkvoorzieningschap afgedragen binnen 30dagen na ontvangst van de berekening, als bedoeld in artikel 21 lid 4 (of telkens als de Gemeenten/Colleges zelf de subsidies hebben ontvangen).

3De Colleges betalen voor de vijftiende dag van de tweede maand van elk kwartaal telkens een vierde deel van de voor het begrotingsjaar geraamde bijdragen als bedoeld in lid 1.

4Bij niet-tijdige betaling van de in lid 3 bedoelde bijdrage zal rente verschuldigd zijn gelijk aan de debetrente in rekening courant die de N.V. Bank voor Nederlandse Gemeenten alsdan aan zijn relatie inrekening brengt.

Artikel 24 Borgstelling

1De betaling van rente, aflossing en kosten van de door het Werkvoorzieningschap aangegane geldleningen en op te nemen gelden in rekening -courant, wordt door de Gemeenten gegarandeerd.

2De Gemeenten doen ter zake afstand van de voorrechten die het Burgerlijk Wetboek aan borgen toekent.

3De verplichtingen voortvloeiend uit de vorenstaande leden gelden in verhouding tot het algemeen deel van de laatst definitief vastgestelde algemene uitkering uit het gemeentefonds, per 1 januari van het jaar voorafgaande aan het begrotingsjaar.

HOOFDSTUK 6 ARCHIEF

Artikel 25 Archivering

1Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Werkvoorzieningschap.

2De directeur/secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Werkvoorzieningschap, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

3Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Werkvoorzieningschap, die niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.

4Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Werkvoorzieningschap wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Heerlen.

5Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Werkvoorzieningschap, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van de gemeente Heerlen.

6De archivaris van de gemeente Heerlen brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Werkvoorzieningschap, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

7Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van het Werkvoorzieningschap.

HOOFDSTUK 7 INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN TERUGROEPING

Artikel 26 Inlichtingenplicht voor de Gemeenten

De besturen van de Gemeenten verstrekken op verzoek van het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur of de Bestuurscommissie(s) de benodigde inlichtingen en geven de medewerking, die voor de vervulling van de taken van het openbaar lichaam het Werkvoorzieningschap nodig is.

Artikel 27 Inlichtingen en verantwoording door het Dagelijks Bestuur

1De leden van het Dagelijks Bestuur zijn tezamen en ieder afzonderlijk aan het Algemeen Bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

2Zij geven (on)gevraagd aan het Algemeen Bestuur alle informatie, die voor een juiste beoordeling van het door het Dagelijks Bestuur te voeren en gevoerde beleid nodig is. Deze informatie wordt verstrekt tijdens de vergaderingen van het Algemeen Bestuur.

3Zij geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het Algemeen Bestuur, wanneer dit of één of meer leden daarom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen. Deze inlichtingen worden, behoudens strijdigheid met het algemeen belang, zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen twee maanden in een vergadering van het Algemeen Bestuur verstrekt.

Artikel 28 Inlichtingen door de leden van het Dagelijks Bestuur en Algemeen Bestuur

1Een lid van het Algemeen bestuur verschaft de raad en het college van zijn Gemeente op de voor die Gemeente gebruikelijke wijze alle inlichtingen, die door deze raad of dit college worden verlangd.

2Deze inlichtingen worden zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt.

3De raad kan een lid van het Algemeen Bestuur, nadat de inlichtingen in een vergadering of schriftelijk zijn verstrekt of dienden te zijn verstrekt, ter verantwoording roepen voor het door hem in het Algemeen Bestuur gevoerde beleid. Het Dagelijks Bestuur verstrekt aan de Gemeenten alle noodzakelijke informatie die nodig is om een correcte verantwoording af te leggen aan het Rijk met betrekking tot de bestede middelen, alsmede elke informatie die in het kader van de beleidsvaststelling en beleidsverantwoording noodzakelijk is, binnen de daarvoor in de Wet gestelde termijnen.

Artikel 29 Actieve informatieplicht van de bestuursorganen

1Het bestuur geeft de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.

2Deze inlichtingen worden in beginsel verstrekt via het ondernemingsplan, kwartaalrapportages, jaarstukken en in voorkomende gevallen raadsinformatiebrieven.

Artikel 29A Onverenigbare bezigheden en betrekkingen

1De leden van het Algemeen Bestuur mogen:

a.Niet als advocaat, procureur, gemachtigde, of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van de wederpartij van het Werkvoorzieningschap of ten behoeve van het Bestuur van het Werkvoorzieningschap in geschillen;

b.Niet als gemachtigde of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden bij het aangaan van overeenkomsten als bedoeld onder c met het Werkvoorzieningschap;

c.Rechtstreeks nog middellijk een overeenkomst aangaan betreffende:

i.Het aannemen van werk ten behoeve van het Werkvoorzieningschap;

ii.Het buiten dienstbetrekking tegen beloning doen van verrichtingen ten behoeve van het Werkvoorzieningschap;

iii.Het doen van leveranties aan het Werkvoorzieningschap;

iv.Het verhuren van niet-registergoederen aan het Werkvoorzieningschap;

v.Het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van het Werkvoorzieningschap;

vi.Het onderhands verwerven van onroerende goederen van het Werkvoorzieningschap;

vii.Het onderhands huren of pachten van het Werkvoorzieningschap;

2Van het (hierboven) bepaalde onder lid 1 c kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen.

3Het lid van het Algemeen Bestuur dat in strijd met lid 1 van dit artikel handelt, kan worden geschorst door het Algemeen Bestuur.

HOOFDSTUK 8 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING VAN DEREGELING

Artikel 30 Toetreding

Voor toetreding tot de Regeling wordt volstaan met een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de toetredende Gemeente (na verkregen toestemming van de betreffende gemeenteraad),mits het Algemeen Bestuur het verzoek tot toetreden inwilligt. Een daartoe strekkend besluit van het Algemeen Bestuur kan slechts worden genomen met een meerderheid van twee/derde van het aantal stemmen. In het besluit van het Algemeen Bestuur kan de deelname aan de Regeling afhankelijk worden gesteld van het voldoen aan bepaalde voorwaarden door de betrokken Gemeente.

Artikel 31 Uittreding

1Een college van burgemeester en wethouders van een van de deelnemende gemeenten kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.

2Een college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van 2 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen.

3Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.

4Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende gemeente omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.

5Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende gemeente gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende gemeente omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.

Artikel 31a Procedure en inhoud van het uittredingsplan

1Het in artikel 31, derde lid, bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende gemeente.

2De uittreedsom wordt als volgt bepaald: de uittredende gemeente betaalt over het eerste kalenderjaar na de uittreding 100% van de jaarlijkse bijdrage, over het tweede jaar 80%, over het derde jaar 60%, over het vierde jaar 40% en over het vijfde jaar 20% van de jaarlijkse bijdrage.

3Voor wat betreft de juridische, personele en organisatorische consequenties geldt dat het algemeen bestuur met de uittredende gemeente de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten onderzoekt. Het voorgaande behoefte echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de gemeente.

Artikel 32 Opheffing

1De gemeenschappelijke regeling kan worden opgeheven met instemming van alle gemeenten minus één. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de gemeenteraden gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college naar voren te brengen.

2In geval van ontbinding van de Regeling en daardoor opheffing van het Werkvoorzieningschap, stelt het Algemeen Bestuur‚ de Gemeenten gehoord hebbende, een liquidatieplan vast, waarin in elk geval een sociaal plan ten aanzien van het Personeel is opgenomen. In het liquidatieplan kan van de bepalingen van de Regeling worden afgeweken.

3Zo nodig blijven de bestuursorganen van de Regeling ook na de ingangsdatum van de opheffingsbesluiten in functie, totdat de liquidatie is beëindigd.

Artikel 33 Wijziging

De Regeling kan, worden gewijzigd indien de Colleges van burgemeester en wethouders van tenminste twee/derde van de deelnemende Gemeenten daartoe besluiten, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.

HOOFDSTUK 9 SLOTBEPALINGEN

Artikel 34 Onvoorziene situaties

In alle gevallen waarin deze Regeling niet voorziet beslist het Algemeen Bestuur, zoveel mogelijk analoog aan of in de geest van de bepalingen van de Gemeentewet, de Wet en de Regeling.

Artikel 34a Evaluatie

De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien twee gemeenten hierom verzoeken. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de gemeenten voorleggen

Artikel 35 Duur en inwerkingtreden

1De Regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

2Een wijziging van de Regeling treedt in werking op de dag nadat het college van de gemeente Heerlen de gewijzigde Regeling in alle deelnemende gemeenten bekend heeft gemaakt overeenkomstig artikel 26 van de Wet.

3Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de Wet.

Artikel 36 Naam

De Regeling kan worden aangehaald als “gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap OZL”.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.