Bijlage 1 - Vergunningsvrij bouwen
Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. De Wabo omschrijft een aantal bouwactiviteiten waarvoor geen omgevingsvergunning hoeft worden aangevraagd. Wel wordt aangeven dat een aantal vergunningsvrije bouwwerken niet in ernstige mate strijdig mogen zijn met redelijke eisen van welstand. Bouwwerken die in ernstige mate strijdig zijn met redelijke eisen van welstand worden gezien als een exces. De gemeente heeft de mogelijkheid hier tegen repressief op te treden. In hoofdstuk 8 wordt de excessenregeling beschreven. Voor alle drie de welstandsniveaus geldt de excessenregeling, dus mogen bouwwerken niet in ernstige mate strijdig zijn met redelijke eisen van welstand. Dat betekent in het beginsel dat dergelijke vergunningsvrije bouwwerken, in alle drie de welstandsniveaus niet in ernstige mate strijdig mogen zijn met redelijke eisen van welstand.
In het besluit omgevingsrecht (Bor), – Bijlage II - Hoofdstuk II is vastgelegd welke bouwwerken vergunningvrij zijn.
Bijlage 2 - Begrippenlijst
A
Aanbouwen: Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw.
Aangekapt: Met kap bevestigd aan dakvlak.
Aanzichten: De mogelijke kanten van een bouwwerk waar je naar kunt kijken; de gevels.
Aardtinten: Rood/bruine tinten.
Accent: Plek die nadruk krijgt.
Achtergevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de achtergevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.
Achterkant: De achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zij erf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen.
Afdak: Hellend dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschutting te dienen.
Afgeknot dak: Een dak dat voor minder dan 50% in het horizontale vlak ligt.
Afstemmen: In overeenstemming brengen met.
Algemene criteria: Een aantal vakkundige beoordelingsaspecten, die gezamenlijk het algemene toetsingskader vormen van de welstandsadvisering.
Antennedrager: Antennemast of andere constructie bedoelt voor de bevestiging van een antenne.
Antenne-installatie: Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
Asymmetrische kap: Zadeldak met twee ongelijke dakvlakken.
Authentiek: Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.
B
Band: Horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen, kunststeen of baksteen.
Bebouwing: Eén of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.
Beeldkwaliteitplan: Hierin wordt bij ontwikkelgebieden de criteria en aanbevelingen verwerkt om te komen tot een ruimtelijk kwalitatieve inpassing van de ontwikkeling in de omgeving.
Beschot: Houten bekleding van een muur, inwendig als een lambrisering, meestal niet tot de volle hoogte.
Bedrijfsbebouwing: Gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter.
Behouden: handhaven, bewaren, in stand houden.
Beleidsintentie: Na te streven bedoeling van het beleid.
Belendende: Naastgelegen, (direct) grenzend aan.
Bijgebouwen: Grondgebonden gebouw meestal van één bouwlaag dat los van het hoofdgebouw op het erf of kavel staat; meestal bedoeld als schuur, tuinhuis of garage.
Blinde wand, muur of gevel: Gevel of muur zonder raam, deur of andere opening.
Boeiboord: Opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.
Boerderij: Gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis.
Borstwering: Lage dichte muur tot borsthoogte.
Bouwblok: Een geheel van geschakelde bebouwing.
Bouwen: Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk.
Bouwlaag: Horizontale reeks ruimten in een gebouw.
Bouwperceel: Een aaneengesloten terreinoppervlak, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.
Bouwwerk: Algemene benaming voor alle soorten gebouwde objecten.
Bovenbouw: Bovenste, uit een oogpunt van gebruik meestal belangrijkste gedeelte van een gebouw, meestal in tegenstelling tot de onderbouw, het dragende gedeelte, fundament.
Bungalow: Meestaal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.
C
Carport: Afdak om de auto onder te stallen, meestal bij of grenzend aan een woning.
Classicisme: Stroming in de bouwkunst, bouwstijl.
Conformeren: Zich voegen naar, gelijkvorming maken, aanpassen aan, afstemmen op.
Context: Omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken.
Contrasteren: Een tegenstelling vormen.
Criteria: Datgene waarop de beoordeling wordt gebaseerd.
D
Dak: Overdekking van een gebouw of onderdeel ervan, bestaande uit één of meer hellende vlakken (schilden) of uit een horizontaal vlak.
Dakafdekking: Vlak of hellend dak van een gebouw, waarop dakbedekking is aangebracht.
Dakhelling: De hoek van het dakvlak.
Dakkapel: Ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak, vooral bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten.
Daknok: Hoogste punt van een schuin dak. Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.
Dakopbouw: Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok of dakrand van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.
Dakraam: Raam in een dak.
Daktrim: Afwerking bovenzijde dakrand ten behoeve van waterkering.
Dakvlak: Een vlak van het dak/kap.
Dakvoet: Laagste punt van een schuin dak. Het snijpunt van de daklijn en de onderliggende gevellijn.
Damwandprofiel: Metalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering.
Detail: Ontmoeting/aansluiting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.
Detaillering: Vormgeving van de uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen c.q. aansluitingen.
Diversiteit: Verscheidenheid, afwisseling, variatie.
Drager en invulling: De drager is de constructie van een gebouw, waaraan de invulling is toegevoegd om te beschermen tegen weer en wind (heeft vooral betrekking op gebouwen uit de jaren vijftig en zestig, waarbij het verschil tussen drager en invulling werd gebruikt om de woning in een groot gebouw of rij huizen te onderscheiden).
Duurzaam/Bestendig: behoud van kwaliteit in loop der tijd, ook onder invloed van fysische klimaat te plaatse.
E
Ensemble: Architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel.
Erf: al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbied.
Voorerf: gedeelte van het erf dat aan de voorzijde van het gebouw is gelegen.
Achtererf: gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het gebouw is gelegen.
Zijerf: gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het gebouw is gelegen.
Eerste verdieping: Tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen.
Erker: Kleine toevoeging van meestal één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, op de begane grond meestal uitgevoerd in metselwerk, hout en glas.
Exces: Een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is.
Excessenregeling: Omschrijving van situaties waarin handhavend opgetreden kan worden om een exces tegen te gaan.
F
Flat: Groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.
G
Galerij: Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.
Gebiedscriteria: Criteria gebaseerd op de bestaande ruimtelijke kwaliteiten van een gebied om het gewenste bebouwingsbeeld te realiseren.
Gebouw: Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Gedekte kleuren: niet-opvallende, rustige kleuren ( bijvoorbeeld donker rood, dondergroen, donderbruin en grijs).
Gepotdekseld: Horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken).
Gevel: Verticaal scheidingsvlak van een gebouw tussen buiten en binnen.
(Gevel)geleding: Onderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, verspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen.
Gevelmakelaar: Decoratieve bekroning van een geveltop.
Goot: Waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak.
Gootklos: Zie klossen.
Gootlijn: Veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen.
H
Hardheidsclausule: Richtlijn waarmee in bijzondere situaties gemotiveerd afgeweken kan worden van de geldende gebiedscriteria.
Hoekaanbouw: Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw.
Hoek- en kilkeper: snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.
Hoofdgebouw: Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn con¬structie of afme¬tingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
Hoofdvorm: De basisvorm, grondvorm van een bouwwerk.
Hoogwaardig materiaal materiaal dat duurzaam is en bij veroudering / in de tijd het oorspronkelijk beeld behoudt.
I
Industriebebouwing: Bebouwing met een industriële bestemming.
Inferieur materiaal: armoedige materialen waarvan bekend is dat die onevenredig ‘lelijk’ verouderen en/of die een groot contrast vormen met de kwalitatief betere materialen van de bestaande bebouwing.
Installatie: set van beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf.
K
Kap: Samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt.
Kavel: Grondstuk, kadastrale eenheid.
Keper: Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.
Kern: Veelal kleinschalig stedelijk gebied, ook wel centrum van een dorp of stad.
Klossen: Uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten.
Koofbord: Gebogen vlak dat de overgang vormt van en vlakke zoldering of vlak plafond naar de muur.
Kop: In het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw.
L
Lak: Afwerklaag van schilderwerk.
Landschappelijke waarde: De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur.
Latei: Draagbalk boven gevelopening.
Lessenaarsdak: Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.
Lichtkoepel: Raamconstructie meestal in een plat dak, in de vorm van een koepel.
Lijst: Een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel. Kroonlijst, gootlijst.
Lineair: Rechtlijnig, langgerekt.
Lint(bebouwing): Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterverbinding.
Luifel: afdak buiten tegen de muur van een gebouw aangebracht en verder niet ondersteund, meestal boven een deur, raampartij of gehele pui.
M
Maaiveld: Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht, de gemiddelde hoogte van het terrein, grenzend aan de gevels, op het tijdstip van de aanvraag om bouwvergunning.
Mansardekap: Een dak met aan twee zijden onder een stompe hoek geknikt of gebroken dakvlak, waarbij het onderste gedeelte van het dak steiler is dan het bovenste deel (waardoor een geknikte vorm ontstaat). Dakhelling 52-70 graden gemeten vanuit de goot voor het onderste dakvlak, De helling van het tweede dakvalk, naar de nok bedraagt minimaal 20 en maximaal 45 graden. (Bij andere verhoudingen raakt de mansardekap uit verhouding.)
Markies: Opvouwbaar zonnescherm.
Massa: Zichtbaar volume van bebouwing.
Metselverband: Het zichtbare patroon van metselwerk.
Middenstijl: Verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn.
Monument: Aangewezen onroerend goed als bedoeld in artikel 3 van de Monu¬menten¬wet 1988, zoals deze luidt op het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan.
Muurdam: Op de erfgrens aan de gevel gemetselde muur.
N
Natuurlijke waarde: De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.
Negge: Het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn.
O
Objectcriteria: Criteria die gelden voor specifieke objecttypen zoals bv. windmolens en ligboxstallen.
Omgevingsvergunning: Een geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu.
Ondergeschikt: Voert niet de boventoon.
Onderbouw: Het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met meerdere verdiepingen.
Ontsluiting: De toegang tot een gebouw, gebied of een terrein.
Ontwikkelgebied: Grotere nieuwbouw of herbouwlocatie.
Oorspronkelijk: Origineel, aanvankelijke vorm, authentiek.
Oorspronkelijk bouwwerk:Reeds aanwezige, vergunde bouwwerk.
Oorspronkelijke gevel: Gevel van een gebouw zoals deze nieuw is gebouwd.
Ornament: Versiering.
Openbaar groen: Met het openbaar groen wordt bedoeld hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Een weiland, bos of water kan in dit verband niet worden aangemerkt als openbaar groen.
Openbare ruimte: Publieke ruimte die voor iedereen toegankelijk en/of beleefbaar is. Het is een fysieke plaats waar een groot deel van het publieke leven zich afspeelt. Meeste openbare ruimte bevind zich in de openlucht. Meestal eigendom en beheer van de publieke overheid. (bv. de straat, plantsoen, waterwegen, bos, enz).
Opmaak: De ordening van kleur en materialen waarmee een bouwwerk in aanzicht wordt gerealiseerd.
Orthogonaal: Rechthoekig.
Oriëntatie: De hoofdrichting van een gebouw.
Overhoeks: Diagonaal, vanuit de twee aansluitende zijden gezien ( in een hoek situatie).
Overstek: Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.
P
Paneel: Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting.
Parcellering: herkenbare onderverdeling, indeling in min of meer gelijkmatige delen.
Penant: Gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw, metselwerk in een gevel langs openingen.
Pilaster: Weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen.
Plaatmateriaal: Materiaal van kunststof, staal, hout meestal ten behoeve van gevelbekleding.
Plint: Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.
Profiel: omtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan.
Profilering: aangebrachte vorm en maatvoering van profiel
Portiek: Gemeenschappelijke trappenhuis en/of een terugspringende ruimte voor de straat- of toegangsdeur.
R
Raamdorpel: Horizontal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd.
Raamhout: Hout waaruit ramen vervaardigd worden of omlijsting waarbinnen het paneel van een deur of beschot wordt ingesloten. Ook wel draaiende of schuivende delen van kozijn/post.
Reclamecriteria: Criteria die gelden voor vormgeving van omgevings vergunningsplichtige reclame.
Referentiekader: Het geheel van waarden en normen binnen een bepaalde groep waarnaar verwezen kan worden.
Renovatie: Vernieuwing.
Representatief: goed ogend, verzorgd, aansluitend bij de karakteristiek (vaak van een betreffend gebied).
Respecteren: Met eerbied behandelen, eerbiedigen, waarderen.
Rijenwoningen: Geschakelde eengezinswoningen in een rij.
Ringkap: zie ‘afgeknot dak’.
Ritmiek: Regelmatige herhaling.
Rollaag: Een in verband gemetselde laag van op hun kant of kop gemetselde stenen. Horizontale of gebogen rij stenen of betonbalk boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.
Rooilijn: Lijn die in het bestemmingsplan of bouwverordening aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden.
Ruimtelijke kwaliteit: Optimaal samenspel tussen de gebruikswaarde, de toekomstwaarde en de esthetische waarde, ofwel de schoonheid van een gebied of een gebouw. (vrij naar Vitruvius)
S
Samenhang: Wijze waarop aspecten/delen met elkaar verband houden, op elkaar zijn afgestemd: vormen van een logisch geheel.
Schilddak: Dak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde.
Sculpturaliteit: vorm expressie, van de aard van een beeldhouwwerk.
Slagenlandschap: Een landschap met langgerekte ontginningslinten met haaks daarop een stelsel van smalle kavels gescheiden door afwateringssloten.
Situering: Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving.
Sneltoetscriteria: Criteria die gelden voor veel voorkomende kleine bouwplannen.
Speklaag: lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk, doorgaans van Brabantse arduin, later ook van zandsteen.
Stijl: Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming.
Supervisor: Persoon die tot taak heeft te bevorderen dat een hoogstaande ontwerpkwaliteit wordt bereikt: het gaat hierbij om de ontwerpkwaliteit van het afzonderlijke bouwproject, een goede afstemming met het ontwerp van de openbare ruimte en de afstemming met andere bouwprojecten binnen een stedenbouwkundig plan.
T
Tactiel: Met de tastzin verbonden.
Tent-, punt- of piramidedak: Dak gevormd door vier driehoekige dakschilden die in één punt bijeenkomen.
Textuur: De waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).
Tympaan: Driehoekig of segment -vormige bekroning van een (klassiek) gebouw of van een onderdeel daarvan.
U
Uitbouw: Aan het gebouw vastzittend bouwwerk dat rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk is.
V
Verdieping: bouwlaag.
Volant: Strook stof als afronding en versiering van zonnescherm of markies.
Voorgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.
Voorgevelrooilijn: Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan dan wel de gemeentelijke bouwverordening.
Voorkant: De voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar de weg of het openbaar groen.
W
Weg: Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Welstandscommissie: Door de gemeenteraad benoemde commissie die aan B&W advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand (zoals die in de welstandsnota zijn vastgelegd).
Windveer: Plank bevestigd langs de kanten van een met riet of pannen gedekt dak ter afdekking van de voorrand. Worden soms aan de bovenzijde over elkaar gekeept.
Woning: Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding.
Wolfdak/wolfeinden: Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfeind).
Z
Zadeldak: Een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel.
Zijgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.
Bijlage 3 – Beeldkwaliteitplannen
Deze bijlage bevat een lijst met de actueel geldende beeldkwaliteitplannen. Eerder vastgestelde beeldkwaliteitplannen die niet meer worden genoemd, kunnen worden beschouwd als uitontwikkelde gebieden. Hier zijn nu de gebiedscriteria van toepassing. Naast de vastgestelde beeldkwaliteitplannen, worden ook in procedure zijnde (ontwerp) beeldkwaliteitplannen benoemd. Daarmee wordt de welstandsnota een dynamisch geheel, waar in de loop der tijd nieuwe documenten aan worden toegevoegd en/of verwijderd. De gehanteerde nummering correspondeert met de nummering op de bijgevoegde kaart 3 Beeldkwaliteitplannen.
Kern Heerenveen
1.
Centrum / Station
1c.
Molenplein Heerenveen, Stedebouwkundigplan en beeldkwaliteitsplan voor herontwikkeling Molenplein en omgeving
ontwerp 28042015
1d.
Van Dekemalaan, bkp Herontwikkeling woningbouw Van Dekemalaan evennr.6-20,
ontwerp 07062013
1e.
Heerenveen – Centrum – onderdeel gevelreclame
vastgesteld 03092001
2.
Heerenveen Stad van Sport
2a.
Wooncomplex Nieuwburen, bkp Wooncomplex Nieuwburen,
vastgesteld 14112011
2b.
Stadion, bkp Sportstad Abe Lenstra stadion
vastgesteld 28032011
3.
Skoatterwâld
3a.
Fase 1, parkvilla’s, bkp Skoatterwâld – Parkvilla’s,
vastgesteld 01072013
3b.
Watervelden bkp’s:
–Heerenveen Skoatterwâld – Watervelden,
–Heerenveen Skoatterwâld – Watervelden
vastgesteld 18062007
veld F en G,
vastgesteld 15092014
3c.
Wetterstrip, bkp Heerenveen
Skoatterwâld – Wetterstrip oost,
vastgesteld 07122009
3d.
Eilandenrijk / Het Meer
–bkp Heerenveen Skoatterwâld – fase 2,
vastgesteld 25062007
3e.
Eilanden, bkp Heerenveen Skoatterwâld – fase 2,
vastgesteld 25062007
3f.
Rietvelden
–bkp Heerenveen Skoatterwâld – fase 2,
vastgesteld 25062007
–bkp Heerenveen Skoatterwâld –Waterrandwoningen,
vastgesteld 08122008
3g.
Tj.Stienstraweg, bkp Heerenveen Skoatterwâld – fase 2,
vastgesteld 25062007
3i.
Fase 3, bkp 3e fase Skoatterwâld, woningbouw ten oosten van de bosvelden,
vastgesteld 20102014
3k.
Speciaal onderwijs,
vastgesteld 12032012
4.
Heerenveen Noord
5.
Heerenveen Midden
5a.
Bkp Heerenveen Midden – Tellepark zuidblok,
vastgesteld 12032012
5b.
Taconishof, bkp Heerenveen Midden – Taconishof,
vastgesteld 14052012)
5d.
Bkp Herontwikkeling woningbouw Sieger vd Laanstr. even nrs 2-36, 74-96,
vastgesteld 29062015
5e.
Bkp FalkenaPark
vastgesteld 13042015
6.
De Akkers
7.
Nijehaske
8.
De Greiden
9.
De Heide / Heidemeer
10.
Heerenveen Zuid
11.
Oudeschoot
12.
Nieuweschoot
13.
Oranjewoud
Bedrijventerreinen
14.
Klaverblad NoordOost
15.
IBF
15a.
Beeldkwaliteitsplan IBF
vastgesteld 25062007
15b.
Beeldkwaliteitsplan IBF inpassing zuivelfabrieken,
vastgesteld 14122012
15c.
Beeldkwaliteitplan IBF - inpassing zuivelfabriek (2)
vastgesteld 16092013
16.
De Kavels
17.
Leeuwarderstraatweg
18.
Kanaal
19.
Business Park Friesland
20.
Heerenveen Zuid
21.
Haskerveen
Dorpen
22.
Tjalleberd / De Streek
22a.
Tjalleberd MFA, bkp Tjalleberd MFA,
vastgesteld 30062014
22b.
Tjalleberd De Eide, bkp Tjalleberd De Eide,
vastgesteld 07032011
23.
De Knipe
24.
Bontebok
25.
Jubbega
25a.
Jubbega Schoolweg, bkp Jubbega Woningbouw schoollocaties,
vastgesteld 06022012
25b.
Jubbega Buntgras, bkp Jubbega Woningbouw schoollocaties,
vastgesteld 06022012
26.
Mildam
26a.
Molenlaan, bkp project Molenlaan,
vastgesteld 24102014
27.
Katlijk
28.
Nieuwehorne / Oudehorne
28a.
Nieuwehorne De Fjilden, bkp Oude- en Nieuwehorne De Fjilden,
vastgesteld 24032014
29.
Akkrum / Nes
29a.
Randweg/Sinnebuorren, bkp Herontwikkeling Akkrum Sinnebuorren,
vastgesteld 23032015
29b.
Tusken de Marren, bkp Tusken de Marren,
vastgesteld 24112014
29c.
Bedrijventerrein Spikerboor, bkp
vastgesteld 26082008
30.
Aldeboarn
30a.
Ark & Reau, bkp
vastgesteld 23032007
30c.
Prikwei, bkp
vastgesteld 15102013
31.
Haskerdijken / Nieuwebrug
32.
Buitengebied –
Kaart 1 Niveau-indeling
In de analoge versie zijn er uitsneden van kaart 1 bijgevoegd; kaart 1A uitsnede plaats Heerenveen, kaart 1B uitsnede Akkrum-Nes-Aldeboarn.
Kaart 2 Gebiedsindeling
In de analoge versie zijn er uitsneden van kaart 2 bijgevoegd; kaart 2A uitsnede plaats Heerenveen, kaart 2B uitsnede Akkrum-Nes-Aldeboarn.