2 BELEIDSKADER
2.1 Provinciaal beleid
2.1.1 Streekplan 2007
Op 13 december 2006 hebben Provinciale Staten (PS) het Streekplan Fryslân vastgesteld. Het streekplan geeft het ruimtelijk beleid van de provincie weer. Centraal uitgangspunt is een ondeelbaar Fryslân waarbij stad en platteland elkaar nodig hebben en elkaar ondersteunen. In het Streekplan wordt gesteld dat het landelijk gebied primair is bestemd voor functies die een ruimtelijk-functionele relatie met het landelijk gebied hebben. Het gaat daarbij vooral om de functies landbouw, recreatie, natuur en waterberging.
Woningbouw dient geconcenteerd te worden in bundelingsgebieden van de stedelijke centra. Ter beperking van het toekomstige ruimtebeslag van wonen worden nieuwe woningen zoveel mogelijk in het bestaande bebouwde gebied van kernen gebouwd. Ingezet wordt op een passend hergebruik van vrijkomende (agrarische) bebouwing om daarmee beeldbepalende gebouwen in het landschap te kunnen behouden, het verwijderen van beeldverstorende bebouwing, het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van bebouwing en omgeving en het behoud van de sociaaleconomische vitaliteit van het platteland. Door het toevoegen van passende, streekeigen woon- en werkfuncties wordt gestreefd naar een betere ruimtelijke kwaliteit van bestaande bebouwingslinten in het landelijke gebied.
Naast mogelijkheden voor bedrijfsvestiging via kwaliteitsarrangementen, is vestiging van bedrijven en voorzieningen in het landelijk gebied mogelijk wanneer dat om functionele redenen nodig is. Voor bestaande bedrijven in het landelijk gebied, die niet aan dat landelijk gebied zijn gebonden, is in beperkte mate ruimte voor uitbreiding. Daarbij is wel voorwaarde dat de nieuwe (bedrijfs)situatie nog past in de omgeving. Ook aan agrarische bedrijven verwante (collectieve) voorzieningen, zoals mestverwerking en –bewerking, mestvergisting en houtvergassing kunnen een passende plek in het landelijk gebied krijgen, wanneer deze voornamelijk ten dienste staan van of verband houden met de bedrijfseigen agrarische activiteiten.
In het veenweidegebied zet de provincie in op behoud en versterking van de landbouwfunctie als belangrijke drager. Daarbij wordt gestreefd naar voldoende ruimte voor ontwikkeling van agrarische bedrijven en voor perceelsverruiming, zodanig dat een efficiënte agrarische bedrijfsvoering mogelijk is èn rekening gehouden wordt met landschappelijke kernkwaliteiten. De ruimtelijke consequenties van schaalvergroting en intensivering in de landbouw zijn in beginsel te combineren met landschappelijke kernkwaliteiten. Wel kan bij bepaalde landschapstypen spanning optreden met kernkwaliteiten van het landschap (zoals de woudontginningen). De provincie ziet hier kansen voor verbreding van agrarische activiteiten met recreatie, natuur- en landschapsbeheer. Dit naast het naar aard en schaal vergroten van percelen, zodanig dat het land goed bewerkt kan worden.
2.1.2 Provinciale verordening Romte (2014)
Met de invoering van de Wet ruimtelijke ordening is de eis van goedkeuring door de provincie van bestemmingsplannen vervallen. Daarvoor in de plaats hebben PS de mogelijkheid gekregen om een provinciale verordening vast te stellen. Hierin kan worden aangegeven welk onderwerpen de provincie van provinciaal belang acht en op welke wijze deze provinciale belangen moeten worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen. Bij besluit van 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten een integraal herziene Verordening Romte vastgesteld. Deze verordening is op 1 augustus 2014 in werking getreden. De inhoud van deze Verordening komt verderop in deze notitie bij de behandeling van de beleidsthema’s aan de orde.
4 AGRARISCHE BEDRIJVEN
4.1 Oppervlakte bouwvlakken grondgebonden agrarische bedrijven
4.1.1 Samenvatting beleid oude gemeenten
Voor wat betreft de maximale oppervlakte van het bouwvlak voor grondgebonden bedrijven hanteerden de drie gemeenten ongeveer dezelfde benadering. Deze benadering hield in dat agrarische bedrijven ontwikkelingsruimte kregen. In de mate waarin deze ruimte werd geboden, bestonden echter wel verschillen.
De oppervlakte van de bouwvlakken was in Heerenveen enerzijds afhankelijk van de bestaande oppervlakte aan bebouwing en anderzijds van de concrete situatie. In het algemeen bedroeg de oppervlakte van het bouwvlak niet meer dan 1,5 ha, incidentele uitzonderingen daargelaten. Door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid
1wijzigingsbevoegdheid = daadwerkelijke aanpassing van het bestemmingsplan
kon de oppervlakte van het bouwvlak worden vergroot met 5.000m2 indien het bouwperceel al groter was dan 1 ha, of tot 1,5 ha indien het bestaande bouwvlak kleiner was dan 1 ha.
Boarnsterhim ging uit van een bouwvlak van ten hoogste 1 ha (of meer indien het bedrijf een grotere ruimtebehoefte had). Door toepassing van een vrijstellingsbevoegdheid
2vrijstellingsbevoegdheid= het verlenen van een (eenmalige) vrijstelling van het bestemmingsplan, waarbij bestemmingsplan niet wordt aangepast
kon het bouwvlak worden verruimd tot 2 ha, terwijl – in bepaalde omschreven omstandigheden – via een wijzigingsbevoegdheid het bouwvlak tot 4 ha kon worden verruimd. Bovendien kon door toepassing van vrijstellingsbevoegdheden ook in geringe mate buiten het bouwvlak worden gebouwd.
Skarsterlân hanteerde voor het bouwvlak een maximale oppervlakte van ten hoogste 1,5 ha, terwijl de totale oppervlakte aan bebouwing bovendien niet meer dan 6.000 m2 mocht bedragen. Door toepassing van een vrijstellingsbevoegdheid kon de maximale hoeveelheid aan bebouwing worden verruimd naar 7.500 m2 en door toepassing van vrijstellingsbevoegdheid kon ook hier in geringe mate buiten het bouwvlak worden gebouwd.
Op dit onderdeel bood Boarnsterhim in het algemeen dus meer ruimte dan Heerenveen en Skarsterlân. Niet alleen was de ruimte voor de agrarische bedrijven groter, maar bovendien kon met een eenvoudigere procedure de beschikbare ruimte worden vergroot.
4.1.2 Relevant provinciaal beleid
In de Verordening ‘Romte’ is over het toestaan van nieuwe of het vergroten van bestaande agrarische bouwvlakken op hoofdlijnen het volgende opgenomen:
•Een ruimtelijk plan kan uitsluitend een nieuw agrarisch bouwvlak toestaan indien:
–het bouwvlak is bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, of voor een bestaande niet-grondgebonden veehouderij die om dringende redenen van maatschappelijke aard verplaatst moet worden, en
–redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van bestaande bouwvlakken voor agrarische bedrijven of voormalige agrarische bedrijven in het landelijk gebied.
•In een ruimtelijk plan kan een bestaand bouwvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf een uitbreiding krijgen tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha, dan wel de bestaande oppervlakte behouden indien deze meer bedraagt dan 1,5 ha; in afwijking hiervan kan een groter bouwvlak worden toegestaan, mits:
–het agrarisch bedrijf grondgebonden blijft en de oppervlakte van het agrarisch bouwvlak niet meer bedraagt dan 3 ha;
•In een ruimtelijk plan waarin een uitbreiding van een agrarisch bedrijf naar een bouwvlak groter dan 1,5 hectare of een nieuw agrarisch bouwperceel is toegestaan, wordt in de plantoelichting onderbouwd dat het bedrijf milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en wat betreft schaal, verschijningsvorm en lichtuitstoot inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Voor de landschappelijke inpassing van het agrarisch bedrijf wordt een ruimtelijk inrichtingsplan opgesteld volgens de methodiek Nije Pleats, waarvan de uitvoering als voorwaardelijke bepaling in het ruimtelijk plan is opgenomen.
Daarbij heeft de provincie ook specifiek omschreven wat zij onder een grondgebonden agrarisch bedrijf verstaat: een agrarisch bedrijf waarbij het gebruik van agrarische gronden in de omgeving van het bedrijf noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, in de vorm van akkerbouw, vollegronds-tuinbouw, fruitteelt en boomteelt, grondgebonden veehouderij, en naar de aard daarmee vergelijkbare bedrijven. Of een agrarisch bedrijf grondgebonden is, hangt daarbij af van de vraag of het benodigde ruwvoer hoofdzakelijk afkomstig is van de bij het bedrijf behorende landbouwgrond en of de meeste mest bij het bedrijf kan worden afgezet.
4.1.3 Nieuw gemeentelijk beleid
Voor zover binnen bestaande bouwvlakken wordt gebouwd, blijven de bestaande bestemmingsplannen van betekenis. Daarvoor behoeft geen nieuw beleid te worden vastgesteld. Voor initiatieven die niet binnen de bestaande bouwvlakken passen, moet wel een nieuwe eenduidige beleidslijn worden vastgelegd.
De beleidsruimte die de gemeente heeft om eigen beleid te hanteren, wordt in belangrijke mate bepaald door de ruimte die het provinciaal beleid aan de gemeenten overlaat.
Provinciale Staten hebben in de Verordening Romte vastgelegd dat de maximale oppervlakte van een bouwvlak niet meer mag bedragen dan 3 ha. Het heeft weinig toegevoegde waarde om een (aanvullend) gemeentelijk maximum (bijvoorbeeld 2 of 2,5 ha.) te hanteren. Dat houdt bovendien weinig rekening met de specifieke omstandigheden en het draagvlak van de fysieke omgeving. Soms kan een uitbreiding van een bouwvlak tot een oppervlakte van 1,6 ha al te veel zijn, terwijl elders een verruiming tot 2,1 ha prima is in te passen. Daarom wordt voorgesteld niet in algemene zin een maximum oppervlakte van het bouwvlak vast te leggen, maar – binnen het provinciaal kader – zoveel mogelijk maatwerk toe te passen. De specifieke omstandigheden van de omgeving en het provinciale beleid bepalen of en in hoeverre een uitbreiding van het bouwvlak mogelijk is c.q. welke randvoorwaarden daarvoor van toepassing zijn.
De gemeenschappelijke noemer van de drie voormalige gemeenten was het bieden van voldoende ontwikkelingsruimte aan agrarische bedrijven. Dit geldt te meer daar in toenemende mate sprake is van schaalvergroting in de landbouw. Deze trend is een autonome ontwikkeling die door de gemeente niet valt te beïnvloeden en als een gegeven moet worden beschouwd. Het is wel belangrijk dat deze schaalvergroting niet ten koste gaat van de bestaande landschappelijke waarden c.q. de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het landschap zoals de provincie die benoemt
3De Structuurvisie Grutsk op 'e Romte, zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 26 maart 2014, bevat een uitvoerige inventarisatie van de landschappelijke kernkwaliteiten in de provincie;
.
Bij een vergroting tot een oppervlakte van 1,5 ha moet de uitbreiding van een bouwvlak landschappelijk inpasbaar zijn, al dan niet door het treffen van compenserende maatregelen. Bij deze beoordeling zal de landschappelijke inpassing een belangrijke rol spelen. De Structuurvisie Grutsk op 'e Romte kan hierbij behulpzaam zijn. Bij een vergroting van het bouwvlak tot een oppervlakte van meer dan 1,5 ha moeten meerdere aspecten beoordeeld worden, e.e.a. volgens de systematiek van de ‘Nije Pleats’
4Een methode van planvorming waarbij een team van deskundigen in een vroeg stadium integraal adviseert over alle aspecten die relevant zijn voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van een concrete ruimtelijke ontwikkeling, zoals de vestiging of uitbreiding van een agrarisch bedrijf of de vestiging of uitbreiding van een recreatieve inrichting.
. Dit is een (verplichte) doorwerking van provinciaal beleid, zoals aangegeven in paragraaf 3.1.2.
Voor wat betreft de vraag wat onder een grondgebonden agrarische bedrijf of grondgebonden veehouderij wordt verstaan, wordt de omschrijving uit de provinciale verordening gehanteerd. Deze wijkt af van wat daar in de geldende bestemmingsplannen daaronder wordt verstaan. In de nieuwe omschrijving wordt sterker het accent op ‘grondgebondenheid’ gelegd
5Grondgebonden veehouderij: een veehouderij waarbij voldoende grond in de omgeving van het bedrijf aanwezig is om overwegend te voorzien in de mestafzet en het benodigde ruwvoer van de veehouderij, inclusief een neventak niet-grondgebonden veehouderij die wat betreft aard en schaal ondergeschikt is aan de grondgebonden bedrijfsvoering
.
Samenvattend is het voorgestelde gemeentelijk beleid daarom als volgt:
•geen nieuwvestiging van intensieve bedrijven; in uitzonderlijke gevallen kan dit wel worden toegestaan indien daar een dringende reden van maatschappelijke aard
6De term ‘dringende reden van maatschappelijke aard’ is ontleend aan de verordening ‘Romte’. Daarin wordt als voorbeeld van een dringende maatschappelijke reden genoemd een intensieve veehouderij die teveel stikstof uitstoot op een kwetsbaar natuurgebied in de omgeving. De verplaatsing of nieuwvestiging is dus alleen toegestaan indien daarmee een ruimtelijk of maatschappelijk knelpunt wordt opgeheven. (vgl: de notitie ‘binnenstedelijk verichten’)
voor aanwezig is;
•een uitbreiding van een bestaand bedrijf of de nieuwvestiging van een grondgebonden bedrijf tot en met een oppervlakte van 1,5 ha (gerekend over deoppervlakte van het bouwvlak) moet plaatsvinden op landschappelijk verantwoorde wijze (zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders); indien noodzakelijk zal een beplantingsplan (of anderszins een plan met compenserende maatregelen) moeten worden overlegd, waarvan de realisering als een voorwaardelijke verplichting
7het opnemen van een voorwaarde verplichting houdt de verplichting in bepaalde maatregelen (zoals bijvoorbeeld het uitvoeren van een landschapsplan) te treffen, zonder welke van de vrijstelling of toegekende bestemming geen gebruik mag worden gemaakt.
aan de vergunning of het bestemmingsplan wordt gekoppeld.
•een uitbreiding van een bestaand bedrijf tot een oppervlakte van meer dan 1,5 ha, (ook indien het huidige bedrijf een oppervlakte heeft van meer dan 1,5 ha) en een nieuwvestiging van een grondgebonden bedrijf met een oppervlakte van meer dan 1,5 ha wordt alleen toegestaan indien het bedrijf voor wat betreft schaal, verschijningsvorm, ontsluitingssituatie en lichtuitstoot inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten (een en ander volgens de Nije Plaets-methodiek).
4.2 Oppervlakte bouwvlakken niet-grondgebonden bedrijven
4.2.1 Samenvatting beleid oude gemeenten
Vanwege de uitstraling op de omgeving en de landschappelijke inpassing werd door de drie gemeenten onderscheid gemaakt tussen grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven. Heerenveen, Boarnsterhim en Skarsterlân hanteerden daarbij wel hun eigen beleid.
Heerenveen had ervoor gekozen om enerzijds geen nieuwe intensieve bedrijven toe te staan, maar anderzijds gevestigde intensieve bedrijven wel ruimte te bieden voor verdere ontwikkeling. Daarbij speelde de overweging mee dat het ‘op slot zetten’ van bestaande bedrijven feitelijk een sanering zou inhouden, terwijl bovendien het aantal bestaande intensieve bedrijven beperkt was. Bovendien kon een uitbreiding ook nodig zijn om te kunnen voldoen aan gewijzigde regelgeving. Vooral de regelgeving op het gebied van dierenwelzijn is in beweging. Dat kan leiden tot een grotere ruimtebehoefte, zonder dat het aantal dieren toeneemt. Skarsterlân hanteerde dezelfde benadering als Heerenveen.
Boarnsterhim hanteerde een strikter beleid. Voor bestaande intensieve bedrijven was de bestaande oppervlakte uitgangspunt. Deze oppervlakte mocht met ten hoogste 500m2 worden uitgebreid. Bij het bereiken van deze omvang was er geen verdere groei meer mogelijk. Nieuwvestiging was evenmin mogelijk.
4.2.2 Relevant provinciaal beleid
De provincie heeft haar beleid ten aanzien van niet-grondgebonden agrarische bedrijven als volgt beschreven:
•In een ruimtelijk plan kan een bestaand bouwvlak voor een niet-grondgebonden veehouderij een uitbreiding krijgen tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha, dan wel de bestaande oppervlakte behouden indien deze meer bedraagt dan 1,5 ha;
•Nieuwvestiging in de vorm van omzetting is alleen in uitzonderlijke gevallen toegestaan; daarbij dient sprake te zijn van dringende redenen van maatschappelijke aard en de bestemming voor een niet-grondgebonden veehouderij op de oude locatie moet worden verwijderd;
Onder een niet-grondgebonden bedrijf verstaat de provincie een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals varkens-, pluimvee-, pelsdier-, of
vleeskalverhouderij, rundveemesterij, niet grondgebonden geiten-, schapen-, of melkveehouderij, of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen.
4.2.3 Doorwerking gemeentelijk beleid
Wij stellen voor om uit te gaan van de provinciale kaders en voor het gemeentelijk beleid geen beperkingen te stellen aan bestaande bedrijven. Het aantal niet-grondgebonden bedrijven is klein ten opzichte van het totaal aan agrarische bedrijven
Afbeelding 3.Aantal hokdieren 2014 (bron: CBS)
(verwezen wordt naar de CBS-gegevens in afbeelding 3), terwijl het stellen van verdergaande voorwaarden zoals bijvoorbeeld het uitsluiten van verdere groei feitelijk op een sanering van bedrijven neer kan komen of daar dicht bij in de buurt komt.
Daar komt nog bij dat de regelgeving betreffende het dierenwelzijn sterk in beweging is en dat een uitbreiding van de bebouwing noodzakelijk is zonder dat dit gepaard gaat met een toename van het aantal dieren.
Samenvattend is het voorgestelde gemeentelijk beleid dus als volgt:
•geen nieuwvestiging van intensieve bedrijven; in uitzonderlijke gevallen kan dit wel worden toegestaan indien daar een dringende reden van maatschappelijke aard
8De term ‘dringende reden van maatschappelijke aard’ is ontleend aan de verordening ‘Romte’. Daarin wordt als voorbeeld van een dringende maatschappelijke reden genoemd een intensieve veehouderij die teveel stikstof uitstoot op een kwetsbaar natuurgebied in de omgeving. De verplaatsing of nieuwvestiging is dus alleen toegestaan indien daarmee een ruimtelijk of maatschappelijk knelpunt wordt opgeheven.
voor aanwezig is;
•bestaande intensieve bedrijven mogen zich verder ontwikkelen tot een oppervlakte van ten hoogste 1,5 ha; hierbij gelden dezelfde voorwaarden die ook voor niet- intensieve bedrijven gelden;
4.3 Niet-grondgebonden neventak
4.3.1 Samenvatting beleid oude gemeenten
De drie betrokken bestemmingsplannen voorzagen ook in de mogelijkheid voor een intensieve neventak. Daarmee wordt bedoeld dat een grondgebonden agrarisch bedrijf naast haar grondgebonden bedrijfsactiviteiten in ondergeschikte mate ook niet- grondgebonden bedrijfsactiviteiten mocht ontplooien. Per gemeente bestond verschil in de mate waarin deze ondergeschikte bedrijfsactiviteiten waren toegestaan.
Om te borgen dat deze neventakken ondergeschikt bleven ten opzichte van de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, werden door Heerenveen twee voorwaarden gesteld. Enerzijds mocht de omvang van de neventak niet meer bedragen dan 0,5 Volwaardige Arbeidskracht (VAK)
9Een VAK was een kengetal van het Landbouweconomisch Instituut (LEI) waarmee de arbeidsinzet in een agrarische bedrijf werd aangegeven. Dit kengetal wordt al geruime tijd niet meer gebruikt.
en anderzijds mocht de gezamenlijke oppervlakte
10De oppervlakte wordt berekend over door de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en ruimten die voor de neventak worden gebruikt.
van deze neventak niet meer bedragen dan 1.500m2. Indien en voor zover de omvang van deze neventak niet meer zou bedragen dan 0,5 VAK, kon de maximale oppervlakte van deze neventak door het verlenen van een vrijstelling worden opgehoogd naar 2.500m2. De omvang van de neventak wordt namelijk mede bepaald door de diersoort die in de neventak worden gehouden. De vrijstellingsbevoegdheid maakte het mogelijk hier rekening mee te houden.
Skarsterlân bood een maximale oppervlakte van 2.000m2 en via het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid kon dit worden verhoogd naar 3.000m2. Daarbij werd wel uitgegaan van een norm van 0,75 VAK.
Boarnsterhim ging uit van een maximale oppervlakte voor een neventak van ten hoogste 500m2. Daarbij werd niet voorzien in afwijkingsbevoegdheden om deze maat te verruimen.
4.3.2 Relevant provinciaal beleid
De provincie staat ondergeschikte neventakken toe, mits de omvang qua aard en schaal ondergeschikt is aan het grondgebonden bedrijf. Het is aan de gemeente om hier een verdere invulling aan te geven.
4.3.3 Doorwerking gemeentelijk beleid
Wij stellen voor om als beleid uit te gaan van beleid van de voormalige gemeente Heerenveen, vooral omdat bestaande bouw- en gebruiksrechten zoveel mogelijk gerespecteerd moeten worden en het beperken van deze gebruiksrechten flink zou ingrijpen in de exploitatiemogelijkheden van de bestaande agrarische bedrijven.
Dat betekent dat intensieve neventakken bij recht zijn toegestaan, mits de neventak ondergeschikt is ten opzichte van de bedrijfsvoering en een oppervlakte heeft van niet meer dan 1.500m2. Door toepassing van een ‘afwijkingsbevoegdheid’ kan de maximale oppervlakte worden verhoogd tot 2.500m2, mits dat noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de gewijzigde eisen voor het dierenwelzijn dan wel om een ‘volwaardige neventak’ te kunnen uitoefenen. Niet-grondgebonden neventakken die reeds een oppervlakte van 2.500 m2 hebben bereikt, zouden dan niet verder kunnen uitbreiden, ook niet wanneer gewijzigde regelgeving daartoe aanleiding geeft. Daarom stellen wij voor om in het beleid nog de mogelijkheid op te nemen om, onder voorwaarden, de bestaande oppervlakte met 10% te kunnen uitbreiden indien de bestaande oppervlakte 2.500m2 of meer bedraagt;
Hoewel dit is aangegeven in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’, wordt de term ‘volwaardige arbeidskracht’ (VAK) in de landbouwstatistieken niet meer gehanteerd. Daarom kan deze term in het beleid ook niet meer worden gehanteerd. In plaats daarvan wordt als criterium aangehouden dat de productieomvang van de neventak niet meer mag bedragen dan de helft van de totale productieomvang van het agrarisch bedrijf ter plekke.
4.4 Bedrijfsbebouwing
4.4.1 Samenvatting beleid oude gemeenten
Voor wat betreft de maatvoering voor bedrijfsbebouwing zijn de bouwregels op grote lijnen met elkaar in overeenstemming. Algemeen uitgangspunt was dat gebouwen en overkappingen in het bouwvlak gebouwd moeten worden. Verschillen zijn met name aan te treffen in de minimale en/of maximale maatvoering waarbij de ene gemeente per bouwonderdeel soms net wat meer ruimte bood dan de andere gemeente.
4.4.2 Relevant provinciaal beleid
Het provinciale beleid aangaande de bedrijfsgebouwen bepaalt dat:
•een ruimtelijk plan geen bouwmogelijkheid bevat voor een stal met een goothoogte van meer dan 5 meter; een hogere goothoogte kan worden toegestaan mits het geen gestapelde stal betreft en in de plantoelichting is gemotiveerd dat een grotere goothoogte inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.
4.4.3 Doorwerking nieuw gemeentelijk beleid
Als nieuw beleid worden de bouwregels voorgesteld zoals die in onderstaande tabel schematisch zijn weergegeven:
max. oppervlakte (m²)
goothoogte (m)
dakhelling
bouwhoogte (m)
binnen of buiten bouwvlak
bouwwerk
gezamenlijk
Min.
Max.
Max.
bedrijfsgebouwen overkappingen
-
-
5
15(a)
60
15
binnen bouwvlak
bij afwijking
6,5(b)
buiten (c)
serrestallen
-
-
3,5
-
-
5
binnen bouwvlak
niet-inpandige bedrijfswoning (max 1)
150
-
4
30
60
-
binnen bouwvlak
bij afwijking
6(b)
bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoning
-
100
3,5
-
60
-
binnen bouwvlak
bij afwijking
-
150/200(d)
-
-
-
-
binnen bouwvlak
veldschuren
bestaand
3m(e)
-
60(e)
-
bestaand
(a) de eis van eenminimale dakhelling geldtniet voor een (gezamenlijke) oppervlakte aan bebouwing (of gedeelten daarvan) van niet meer dan 250m²;
(b) indien geenonevenredige afbreuk wordtgedaan aan de landschappelijke waarden
(c) indien geen afbreuk wordtgedaan aan de landschappelijke waarden, de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 250m² en deze bouwwerken niet voor bewoning zijn bedoeld;
(d) tot 150m²: indien geenonevenredige afbreuk wordt gedaanaan het straat- en bebouwingsbeeld en de landschappelijke waarden;
tot 200m²: zie bij voorwaarden tot 150m² èn de woningof bedrijfsgebouw(en) een gemeentelijk monument of Rijksmonument betreft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden;
(e) dan wel de bestaande maten indien dezemeer bedragen;
Tabel 1. Bouwregels bedrijfsbebouwing
Dit overzicht is een samenvoeging van de relevante bouwregels uit de drie gemeenten, waarbij per bouwregel of bouwonderdeel steeds voor de ruimste regeling is gekozen.
Bovendien is bij regels in één van de oude plannen die in de andere plannen niet voorkomen, bezien of hier algemene gelding aan kan worden toegekend. Uit het overzicht zijn daarom voor de oude gemeente Heerenveen nieuwe elementen als de niet-inpandige bedrijfswoningen toegevoegd, terwijl de voorgestelde regeling voor de voormalige delen van Boarnsterhim en Skarsterlan een verruiming en vereenvoudiging inhoudt. In Boarnsterhim mochten bij bedrijfswoningen bijvoorbeeld geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd.
Aantal bedrijfswoningen
In Heerenveen was bewust geen afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor de bouw van een tweede bedrijfswoning. Voorzien werd dat hier geen behoefte meer aan zou bestaan. Ook in Boarnsterhim werd deze mogelijkheid niet meer geboden. Skarsterlân bood nog wel de mogelijkheid voor een tweede agrarische bedrijfswoning, maar dat bestemmingsplan is dan ook ouder dan de andere twee plannen. Voorgesteld wordt één bedrijfswoning per agrarisch bouwperceel toe te staan en geen mogelijkheid te bieden voor de bouw van een tweede bedrijfswoning. De bestaande lijn uit Boarnsterhim en Heerenveen wordt daarmee voortgezet. Bestaande tweede en derde bedrijfswoningen mogen uiteraard blijven bestaan en ook worden aangepast en vervangen.
Oppervlakte bedrijfswoningen
Voor wat betreft de maximale oppervlakte van bedrijfswoningen gold in Heerenveen een algemeen maximum van 120m2. In Boarnsterhim en Skarsterlân gold alleen voor niet-inpandige woningen een maximum van 120m2. Voor inpandige woningen (woningen die zijn opgenomen in de bedrijfsbebouwing en niet als zelfstandig onderdeel herkenbaar zijn) gold geen maximale oppervlakte. Wij stellen voor om in het vervolg alleen een maximale oppervlakte voor niet-inpandige bedrijfswoningen te hanteren.
Daarnaast stellen wij voor om de maximale oppervlakte van niet-inpandige be- drijfswoningen op te hogen naar 150m2. Dat is (aanzienlijk) meer dan wat voorheen in de drie gemeenten was toegestaan. De bestaande oppervlaktemaat van 120m2 was gebaseerd op de overweging dat het wonen een toegevoegde functie is in het buitengebied en dat daarom bedrijfswoningen niet ongelimiteerd groot mogen zijn. Aan de andere geldt ook dat de gemiddelde woning steeds groter wordt en men een grotere behoefte heeft aan woonkwaliteit. Dat zet de huidige maximale oppervlakte aan bedrijfswoningen onder druk. Hoewel wij geen mogelijkheden zien om de maximale oppervlakte voor niet-inpandige bedrijfswoningen los te laten, kan wel de maximale oppervlakte worden verhoogd tot 150m2, zonder dat de woning een overheersend element gaat worden in het buitengebied.
Als maximale goothoogte voor bedrijfswoningen gaan wij uit van 4 meter en van een minimale dakhelling van 30o en een maximale dakhelling van 60o, dan wel de dakhellingen die bij bepaalde kapconstructies horen, dan wel de bestaande dakhelling indien deze meer of minder bedraagt.
Serrestallen
Serrestallen zijn een redelijk nieuw fenomeen in Nederland en wijken door hun vorm en materiaalgebruik af van de traditionele stallen. Een serrestal bestaat uit een systeem van tunnelframes en het dak heeft een gebogen vorm. De dakbedekking bestaat uit één of twee lagen kunststoffolie met daaroverheen een schaduwdoek. Er komt wel daglicht, maar geen directe zon in de stal.
De wanden van de stal bestaan in het algemeen uit een lage keerwand met daarboven windbreekgaas of een ventilatiegordijn. De ventilatie gaat via de zijgevels. In Heerenveen zijn reeds een aantal van deze nieuwe stallen gebouwd. In Heerenveen waren serrestallen bij direct recht toegestaan en in Boarnsterhim was daarvoor een vrijstellingsbevoegdheid opgenomen. In het voorstel zijn serrestallen bij direct recht toegestaan. In de Welstandsnota 2016 zijn daarvoor welstandscriteria opgenomen.
4.6 Agrarische nevenfuncties
4.6.1 Samenvatting beleid oude gemeenten
Boarnsterhim en Heerenveen boden in hun bestemmingsplannen mogelijkheden voor agrarische nevenfuncties.
In Heerenveen bestonden de volgende mogelijkheden:
•mestvergisting (max. 2.500m2)
•logiesverstrekking (max. 5 appartementen of kamers)
•consumptieverkooppunten (max. 10m2)
•productiegebonden detailhandel (max. 100m2)
Deze mogelijkheden waren gekoppeld aan een vrijstellingsbevoegdheid waarbij ook getoetst moest worden aan een aantal afwegingscriteria. Daarnaast bestond de mogelijkheid voor aan-huis-verbonden beroepen die ook voor ‘reguliere’ woningen van toepassing was.
Boarnsterhim bood in haar bestemmingsplan meer mogelijkheden voor ‘agrarische nevenactiviteiten’ dan Heerenveen, maar ook daar waren voorwaarden en afwegingscriteria aan verbonden en dus waren deze ook aan een vrijstellingsbevoegdheid gekoppeld: uitsluitend als ‘nevenactiviteit’ en alleen in bestaande bedrijfsgebouwen tot maximaal 1/3e deel van de bedrijfsgebouwen
Langs deze weg bestonden mogelijkheden voor de volgende nevenactiviteiten:
■ paardenhouderijen;
■ aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven;
■ niet-agrarische bedrijvigheid
11aanvullend: deze waren opgesomd in een aparte bijlage: alleen bedrijven in categorieën 1 en 2, zonder grote verkeersaantrekkende werking en geen buitenopslag of stalling buiten bedrijfsgebouwen
;
■ Bed&Brochje;
■ stalling/opslag vaartuigen of kampeermiddelen;
■ recreatie-appartementen;
■ boerderijwinkel;
■ groepsaccomodatie;
■ theeschenkerij;
■ ontvangstruimten tbv maatschappelijke zorg- en recreatieve activiteiten;
Skarsterlân bood geen mogelijkheden.
4.6.2 Relevant provinciaal beleid
In de verordening ‘Romte’ is aangegeven dat bij agrarische bedrijven bedrijfsactiviteiten en nevenactiviteiten kunnen worden toegestaan.
Als bedrijfsactiviteiten worden genoemd: mestverwerking, mestbewerking, mestvergisting; verbranding, vergisting of vergassing van biomassa; verwerking of bewerking van eigen agrarische producten, of daarmee naar de aard vergelijkbare activiteiten.
Als nevenactiviteiten worden genoemd: detailhandel in streekeigen producten; zorgactiviteiten; natuur- en landschapsbeheer; bedrijfsactiviteiten behorende tot de milieucategorieën 1 en 2 of naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbare bedrijfsactiviteiten, alsmede agrarische hulpactiviteiten, het africhten, onderbrengen en verzorgen van dieren, kleinschalige horeca, dagrecreatie, of verblijfsrecreatie, of daarmee naar de aard vergelijkbare activiteiten. Daarbij gelden de voorwaarden dat:
•deze worden uitgeoefend binnen het agrarisch bouwperceel, met uitzondering van een kleinschalig kampeerterrein
•aan het gebruik en de bebouwing zodanige regels worden gesteld dat deze ondergeschikt zijn aan de agrarische activiteiten en een zorgvuldige inpassing binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten is gewaarborgd.
4.6.3 Doorwerking naar nieuw gemeentelijk beleid
Uit de bestemmingsplannen van Heerenveen en Boarnsterhim blijkt een duidelijke keuze om agrarische nevenfuncties toe te staan. Het kan voor agrarische bedrijven een mogelijkheid zijn om in plaats van schaalvergroting – wat vooral in bepaalde landschapstypen niet altijd haalbaar is – te kiezen voor taakverbreding. Wij stellen voor om deze beleidskeuze in de nieuwe gemeente te continueren en daarbij binnen de provinciale kaders maximale ruimte te bieden voor taakverbreding.
Hierbij is uitgangspunt om zoveel mogelijk bij ‘direct recht’ toe te staan, dus zonder dat er sprake is van een voorafgaande belangenafweging en besluitvorming. Dit is een uitvloeisel van het dereguleringsbeleid vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Heerenveen op 11 juni 2012. In het geldende bestemmingsplan uit 2007 was daar uiteraard nog geen rekening meegehouden en dat geldt uiteraard ook voor het bestemmingsplan uit Boarnsterhim uit 2008.
De ruimte die Boarnsterhim bood, is te ruim om als direct recht en zonder voorafgaande belangenafweging in het beleid op te nemen. Het aan de andere kant volstaan met activiteiten die alleen zonder belangenafweging kunnen worden toegestaan, vormt een (onnodige) beperking van mogelijkheden.
Om hieraan tegemoet te komen, wordt een ‘tweetrapsraket’ voorgesteld. Op grond daarvan worden nevenactiviteiten die een bepaalde omvang niet te boven gaan bij direct recht toegestaan. Voor nevenactiviteiten die deze omvang te boven gaan is een voorafgaande toetsing en belangenafweging noodzakelijk. Deze nevenactiviteiten worden dan ook aan een afwijkingsbevoegdheid gekoppeld.
Deze benadering staat wellicht op gespannen voet met het raadsbesluit van 11 juni 2012. Daar kan echter tegen worden ingebracht dat het niet opnemen van deze afwijkingsbevoegdheden juist kan leiden tot meer buitenplanse afwijkingsprocedures.
Bovendien is er dan meer mogelijk dan in het bestemmingsplan is opgenomen en daarmee wordt afbreuk gedaan aan de rechtszekerheidsfunctie van het bestemmingsplan.
Voorgesteld wordt om de volgende ‘agrarische nevenfuncties’ toe te staan, hetzij bij recht, hetzij bij nadere afweging. Dat laatste wil zeggen dat de toelaatbaarheid afhankelijk is van de vraag in hoeverre andere belangen onevenredig worden geschaad. Daartoe worden ook de criteria benoemd waaraan getoetst moet worden.
soort ‘neventak’
‘direct recht’
‘bij nadere afweging’
consumptieverkooppunt
max. 50m²
max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a)
logiesverstrekking (d)
max. 100m²
beroepsuitoefening-aan-huis ca
max. 100m²
n.v.t.
detailhandel in bedrijfs-/streekeigen producten
max. 50m²
max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (b)
opslag vaar- en voertuigen
max. 500m²
max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a)
mestvergisting
n.v.t.
(c)
africhten, verzorgen en onderbrengen van dieren
max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen
n.v.t.
niet-agrarische bedrijfsactiviteiten of agrarische hulpbedrijven
n.v.t.
max. 30% vangezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a) volgens staat van bedrijven (e)
ruimten ten behoeve van dagrecreatievevoorzieningen
max. 100m²
max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a)
verwerking- en bewerking van bedrijfseigen agrarische producten
max. 100m²
max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a)
Landschapsbeheer
max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen
n.v.t.
Zorgfunctie
max. 100 m²
max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a)
(a) afwegings- en toetsingscriteria:
geen onevenredige afbreuk aan: woonsituatie, milieusituatie, verkeersafwikkeling èn ondergeschikt onderdeel van agrarische bedrijfsvoering (cumulatief);
(b) afwegings- en toetsingscriteria:
geen onevenredige afbreuk aan: woonsituatie, milieusituatie, verkeersafwikkeling, winkelapparaat in de kernen èn ondergeschikt onderdeel van agrarische bedrijfsvoering (cumulatief)
(c) afwegings- en toetsingscriteria:
alleen binnen het bouwperceel, geen onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven; in hoofdzaak alleen mest en/oforganische (bij)producten van het eigenbedrijf, al dan niet aangevuld met mest en/of organische (bij)producten van andere bedrijven; de gezamenlijke oppervlakte van de bouwwerken ten behoeve van de (bedrijfseigen) mest- en/of organische (bij)productvergisting ten hoogste 2500 m²; de hoogte van een mest- en/of organische (bij)productvergistingsinstallatie ten hoogste 10 m; gelegen aan een weg, die berekend is op zwaar verkeer en geen onevenredige afbreuk aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
(d) behoeft geen onderdeel uit te makenvan bedrijfswoning en mag ookin een bedrijfsgebouw ondergebracht worden;
(e) zoals opgesomd in bijlage 2
Tabel 3. Nevenfuncties bij agrarische bedrijven
De lijst van toegestane niet-agrarische bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de bestaande lijsten uit de geldende bestemmingsplannen waarbij gekozen is voor bedrijven in de categorieën 1 en 2, die geen verkeersaantrekkende werking hebben èn die als niet- industrieel kunnen worden aangemerkt of die een duidelijke relatie hebben met de agrarische functie. In de lijst komen ook enkele bedrijven voor die genoemd worden onder categorie 3.1. Die worden toch inpasbaar geacht omdat ze een duidelijk relatie hebben met de agrarische functie en/of die vanwege de beperkte omvang qua invloed op de omgeving als bedrijf in categorie 2 kunnen worden aangemerkt.
In deze opsomming komen overigens ook functies voor die geur- of milieuhindergevoelig kunnen zijn en waarvan de vestiging op een agrarisch bedrijf consequenties kan hebben voor de bedrijfsvoering (Wet Milieubeheer, Activiteitenbesluit, Wet Geurhinder en Veehouderij). Dit heeft echter geen rol gespeeld bij de selectie van toegestane nevenactiviteiten. Er wordt van uitgegaan dat de betrokken ondernemer dit aspect meeweegt bij de keuze voor een bepaalde nevenactiviteit en de plaats op het bedrijf waar deze activiteit wordt ondergebracht.
4.7 Hergebruik vrijkomende agrarische opstallen
4.7.1 Provinciaal beleid
Bij hergebruik van vrijkomende (agrarische) gebouwen kunnen de volgende functies worden toegestaan:
a.wonen en zorg, met dien verstande dat woningen - voor zover deze geen verband houden met zorgverlening - slechts zijn toegestaan in de voormalige bedrijfswoning en in aanwezige karakteristieke gebouwen;
b.dagrecreatie, functies op het gebied van natuur- en landschapsbeheer, cultuur, kunst, educatie,
c.restaurants, logies of daarmee vergelijkbare horecavormen;
d.detailhandel, voor zover deze verband houdt met de hoofdfunctie van het perceel en daaraan bedrijfsmatig en wat betreft omvang ondergeschikt is;
e.dienstverlening en niet-industriële bedrijven behorende tot de milieucategorieën 1, 2 en 3 of naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbare bedrijven, mits ruimtelijk en functioneel passend in de karakteristiek van de omgeving.
4.7.2 Doorwerking naar nieuw gemeentelijk beleid
Uit het beleid van Heerenveen en Skarsterlân bleek een duidelijke keuze voor een ruimhartige opstelling bij het toestaan van nieuwe functies voor vrijgekomen (agrarische) opstallen. Voorgesteld wordt daarom deze lijn in het geharmoniseerde beleid door te zetten en daarbij aansluiting te zoeken bij de provinciale kaders.
Dat betekent dat in beginsel hergebruik van voormalige agrarische opstallen aanvaardbaar moet worden geacht:
soort ‘hergebruik’
voorwaarden
wonen
a.geen opslag- of stalling buiten gebouwen
b.alleen in bestaande gebouwen of uitbreiding met ten hoogste 10%;
c.geen onevenredige verkeersaantrekkenede werking
d.geen onevenredige afbreuk aan de gebruiksmogelijkheden van bestaande agraiosche opstallen.
e.geen onevenredige afbreuk aan de landschappelijkeen cultuurhistorische waarden
zorgfunctie
verblijfsrecreatie
agrarische aanverwante bedrijven
agrarisch dienstverlenende bedrijven
manege
opslag van vaar-en voertuigen
dagrecreatie
niet-agrarischebedrijven (opgesomd in bijlage)
landschapsbeheer
De lijst van toegestane niet-agrarische bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de bestaande lijsten uit de geldende bestemmingsplannen waarbij gekozen is voor bedrijven in de categorieën 1 en 2, die geen verkeersaantrekkende werking hebben èn die als niet- industrieel kunnen worden aangemerkt of die een duidelijke relatie hebben met de agrarische functie. In de lijst komen ook enkele bedrijven voor die genoemd worden onder categorie 3.1. Die worden toch inpasbaar geacht omdat ze een duidelijk relatie hebben met de agrarische functie en/of die vanwege de beperkte omvang qua invloed op de omgeving als bedrijf in categorie 2 kunnen worden aangemerkt.
5 WONINGEN IN HET BUITENGEBIED
5.1 Hoofdgebouwen
5.1.1 Samenvatting beleid oude gemeenten
De verschillen tussen de drie voormalige gemeenten kwamen vooral tot uiting in de ontwikkelingsruimte die werd geboden voor aanpassingen en veranderingen van de woningen, of anders gezegd in de maximale omvang van deze woningen. Géén van de drie gemeenten stond nieuwbouw van woningen, anders dan vervangende nieuwbouw, toe in het buitengebied
14Op grond van de notitie ‘burgerwoningbouw in het buitengebied’ konden in het verleden in Heerenveen op smalle open plekken in de bebouwingslinten nog wel woningen worden gebouwd. Met de vaststelling van de notitie ‘Binnenstedelijk verdichten’ (vastgesteld door de gemeenteraad op 24 november 2014) is deze mogelijkheid vervallen.
.
De maximale oppervlakte van woningen (hoofdgebouw) bedroeg in Boarnsterhim en Skarsterlân ten hoogste 120m2. In Heerenveen was de maximale oppervlakte afhankelijk van het landschapstype waar de woning in was gelegen en deze liep uit één van 90m2 (in bos- en natuurgebieden), via 100m2 (in lintbebouwing en in de veenpolders) tot 120m2 (in woudontginningen). Boarnsterhim en Skarsterlân bestaan – in ieder geval die gedeelten die nu deel uitmaken van de nieuwe gemeente Heerenveen - hoofdzakelijk uit veenpolders en bieden dus voor woningen in dat landschapstype een maximale oppervlakte van 120m2. Voor hetzelfde landschapstype ging Heerenveen uit van een maximale oppervlakte van 100m2. Ook bestonden verschillen in maximale goothoogte, bouwhoogte en toegestane dakhellingen.
5.1.2 Provinciaal beleid
In het provinciaal beleid is niet expliciet vastgelegd hoe groot woningen in het buitengebied mogen zijn. Wel valt uit de verordening (artikelen 1.5.1 en 1.6.1) op te maken dat een oppervlakte van 300m2 (hoofdgebouw met bijgebouwen) voor de provincie uitgangspunt is.
5.1.3 Nieuw gemeentelijk beleid
Voor het geharmoniseerd beleid wordt het volgende voorgesteld:
Hoofdgebouw
Max.‘bij recht’
bij ‘afweging’
Oppervlakte
150m² (a)
-
Goothoogte
4m (a)
6m (b)
Dakhelling
minimaal 30°, maximaal 60° tenzij (afgeknotte) schildkap of mansardekap
Breedte van de voorgevel
10m (c)
Afstand ten opzichte van de weg
als bestaand
toe- of afname(d)
Afstand zijdelingse perceelsgrens
3m (c)
0m (e)
opmerkingen:
(a) dan wel de bestaande maat indien dezemeer bedraagt;
(b) mits geen onevenredige afbreukwordt gedaan aan de landschappelijke waarden en het straat- en bebouwingsbeeld;
(c) alleen van toepassing in de bebouwingslinten;
(d) mits geen bezwaren vanuit de Wet geluidhinder en geen onevenredige afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld
(e) mits geen onevenredige afbreuk aan de woonsituatie en het straat- en bebouwingsbeeld
Met uitzondering van de oppervlaktemaat (die aanzienlijk ruimer is dan wat voorheen van toepassing was) zijn de voorgestelde bouwregels een selectie uit de bestaande bouwregels, waarbij alleen een aantal noodzakelijke zaken zijn geregeld. Voor de bebouwingslinten is een aanvullende regel opgenomen. Dat hangt samen met de gebiedsgerichte benadering uit het Dereguleringsbesluit 2012 en de Welstandsnota 2016
Deze keuze voor een oppervlaktemaat van 150m2, is gebaseerd op de volgende overwegingen.
In de lintbebouwing van de dorpen en de bebouwde kom van Heerenveen zelf wordt in actuele bestemmingsplannen voor het hoofdgebouw uitgegaan van een gevelbreedte van 10 meter en een maximale diepte van 15 meter. Dat betekent een maximale oppervlakte van 150m2 voor het hoofdgebouw. Het blijkt goed mogelijk te zijn om een woning met een dergelijke oppervlakte te bouwen zonder daarbij afbreuk te doen aan de kenmerkende elementen van het bebouwingslint.
Wat geldt voor de linten in de dorpen en in de bebouwde kom van de plaats Heerenveen, geldt naar onze mening ook voor de linten in het buitengebied. Daarom stellen wij voor om ook daar uit te gaan van een oppervlakte van ten hoogste 150m2. Het is vervolgens een logische stap om in het belang van de eenduidigheid voor het hele buitengebied een maximale oppervlaktelimiet te hanteren van 150m2. Dat geldt uiteraard ook voor (agrarische) bedrijfswoningen in het buitengebied.
Wonen in het buitengebied is en blijft een toegevoegde functie. De gemeente voert een zeer terughoudend beleid in het toestaan van een nieuwe woningen in het buitengebied, maar de maximale oppervlakte van bestaande woningen heeft daar géén effect op. De ondergeschiktheid van de woonfunctie in het buitengebied komt vooral tot uiting in het niet verder laten toenemen van het aantal woningen.
5.2 Bijbehorende bouwwerken
5.2.1 Samenvatting beleid oude gemeenten
Wat voor de hoofdgebouwen geldt, is ook van toepassing op bijbehorende bouwwerken
15onder bijbehorende bouwwerken wordt hier verstaan: uitbreidingen van het hoofdgebouw die geen onderdeel daarvan uitmaken
. Ook hier hanteerden de drie gemeenten niet hetzelfde beleid.
Boarnsterhim hanteerde voor bijbehorende bouwwerken bij woningen een maximale oppervlakte van 50m2, met dien verstande dat ten hoogste 50% van achter- en zijerven bebouwd mocht worden. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet ten minste 1 meter bedragen. Vrijstelling was mogelijk tot 150m2, mits dit noodzakelijk was voor een aan-huis-verbonden beroep of het hobbymatig houden van vee
16vlak voor de herindeling is dit functionele criterium vervallen
.
Heerenveen ging bij recht uit van een maximale oppervlakte van 100m2. Bij afwijking kon tot 150m2 worden toegestaan, mits dit vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar was. Mits geen afbreuk werd gedaan aan de monumentale waarden was bij Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten bovendien een verhoging tot 200m2 mogelijk. Bovendien kende de gemeente een saneringsregeling voor bijgebouwen die onder het overgangsrecht vielen.
Skarsterlân ging uit van een maximale oppervlakte van 50m2. Bijbehorende bouwwerken mochten alleen gebouwd worden indien het hoofdgebouw niet groter was dan 300m2.
Afwijkingen waren mogelijk tot 100m2 en met functionele criteria tot 200m2.
5.2.2 Nieuw gemeentelijk beleid
Voor het geharmoniseerd beleid wordt het volgende voorgesteld:
Bijbehorende bouwwerken
Max.‘bij recht’
bij ‘afweging’
Oppervlakte
100m²
150m² (b), 200 m² (c),
> 150m² (d)
Goothoogte
3,5 m (a)
-
Dakhelling
maximaal 60°
-
Afstand achter de voorgevel Hgb
1m
-
Opmerkingen
(a) dan wel de bestaande maat indien dezemeer bedraagt;
(b) indien geenonevenredige afbreuk wordtgedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld en de landschappelijke waarden;
(c) zie onder b èn de woningeen gemeentelijk monument of Rijksmonument betreften geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden;
(d) mits ten minste het dubbele aan bestaande bouwwerken wordt gesloopt (saneringsregeling)
Ook hier zijn de voorgestelde maten een gemiddelde van wat de drie gemeenten hanteerden waarbij steeds de ruimste maat als uitgangspunt is genomen en gestreefd is naar vereenvoudiging.
Relatie met vergunningsvrij bouwen (Besluit omgevingsrecht)
Op 1 november 2014 is er een wijziging van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Als gevolg daarvan is de regeling voor het zonder omgevingsvergunning mogen bouwen van bijbehorende bouwwerken verruimd. Vooral grotere percelen kunnen daar profijt van hebben. Op grond van de nieuwe regels kan onder voor aanvrager gunstige omstandigheden tot 150m2 vergunningsvrij worden gebouwd. Toch heeft het zin om nog beleid te formuleren voor bijbehorende bouwwerken, omdat dit een aanvullende werking kan hebben. De omvang van wat vergunningsvrij gebouwd kan worden, hangt nauw samen met de oppervlakte van het ‘bebouwingsgebied’ en ‘het achtererfgebied’. In de voorgestelde regels zijn de bebouwingsmogelijkheden ruimer. Bovendien is in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’ de maximale omvang van wat onder erf moet worden verstaan ook ingeperkt. Tenslotte biedt het Bor geen ruimere regeling voor monumenten, zoals het voorgestelde beleid dat wel doet.
5.3 Nevenfuncties bij het wonen
5.3.1 Samenvatting beleid oude gemeenten
Ook voor wat betreft nevenfuncties die bij woningen waren of konden worden toegestaan, bestonden er verschillen tussen de drie gemeenten. Deze verschillen hebben vooral betrekking op de maximale oppervlakte. Het is belangrijk om ‘terughoudend’ om te springen in het toestaan van nevenfuncties die geen duidelijke relatie hebben met het buitengebied of de woonfunctie. Het buitengebied is namelijk niet bedoeld voor de vestiging van stedelijke functies.
5.3.2 Provinciaal beleid
Er geldt geen specifiek provinciaal beleid voor het toestaan van nevenfuncties bij het wonen. Dat houdt in dat er hiervoor ruimte voor is, mits geen afbreuk wordt gedaan aan het karakter als woonhuis of de uitstraling van een woonfunctie.
5.3.3 Doorwerking gemeentelijk beleid
In de oude gemeente Heerenveen bestond zoals aangeven al in beperkte mate ruimte voor nevenfuncties voor het wonen. Omdat uitgangspunt is niet terug te gaan in al geboden mogelijkheden, wordt voorgesteld deze mogelijkheden ook in de nieuwe gemeente te continueren. Het betreft hier een beperkte ruimte welke in oppervlakte is begrensd en daarom geen afbreuk doet aan het karakter als woonhuis of uitstraling van de woonfunctie. Deze zijn toegestaan, hetzij bij recht, hetzij bij nadere afweging. Dat laatste wil zeggen dat de toelaatbaarheid afhankelijk is van de vraag in hoeverre andere belangen onevenredig worden geschaad. Daartoe worden ook de criteria benoemd waaraan getoetst moet worden. Onderstaande tabel heeft een overzicht van deze nevenfuncties.
Nevenfuncties
‘direct recht’
‘bij nadere afweging’
beroepsuitoefening- aan-huis ca
max. 50m² en max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (e)
n.v.t.
logiesverstrekking
n.v.t.
max. 50m² en max 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a)
streekgebonden detailhandel
n.v.t.
max. 25m² (b)
consumptieverkooppunten
n.v.t
max. 50m² en max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwenen overkappingen (c)
kleinschalige bedrijven (d)
in de lintstructuren langs Schoterlandse weg, Aengwirderweg, 1e en 2e Compagnonsweg tot en met de Bij de Leijwei (f)
(a) afwegings- en toetsingscriteria:
geen onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrijven en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden
(b) afwegings- en toetsingcriteria:
geen onevenredige afbreuk aan: gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de woonsituatie, milieusituatie, verkeersafwikkeling, winkelapparaat in de kernen;
(c) afwegings- en toetsingscriteria:
geen onevenredige afbreuk aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
(d) mits ondergebacht in de bijbehorende bouwwerken èn niet in combinatie met beroepsuitoefening- aan-huis of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit in het hoofdgebouw;
(e) bedrijven opgesomd in bijlage 1;
(f) bedrijven opgesomd in bijlage 3;
Tabel 4. Nevenfuncties bij woningen
6 WOONBOERDERIJEN
6.1 Bouwmassa hoofdgebouw
6.1.1 Samenvatting beleid oude gemeenten
Heerenveen en Boarnsterhim kenden, zoals al is aangegeven, een aparte regeling voor woonboerderijen: voormalige agrarische bedrijfsgebouwen die – al dan niet verbouwd of aangepast – geheel of in overwegende mate als woning in gebruik zijn. De beide gemeenten kenden een regeling om de landschappelijke waardevolle gebouwen te behouden. In Heerenveen waren de bouwregels voor woonboerderijen op de bestaande situatie afgestemd, in Boarnsterhim gold een meer algemene regeling op grond waarvan nadere (bouw)regels konden worden gesteld teneinde te voorkomen dat afbreuk werd gedaan aan het ruimtelijk beeld in bepaalde benoemde gebieden. Een en ander is nader uitgewerkt in een bij het bestemmingsplan behorende landschapskaart. Het hieraan ten grondslag liggende motief is (deels) gelijk aan dat wat in Heerenveen aan de regeling ten grondslag ligt. De wijze waarop daar uitvoering aan is gegeven, wijkt echter behoorlijk af.
6.1.2 Provinciaal beleid
Er geldt geen specifiek provinciaal beleid voor woonboerderijen. Wel is het beleid er op gericht om karakteristieke elementen in het landschap te behouden.
6.1.3 Nieuw gemeentelijk beleid
Ten aanzien van het aspect bouwmassa, wordt voorgesteld om het beleid vooralsnog niet te harmoniseren en de beide regelingen naast elkaar te laten voortbestaan. Bij het opstellen van de (geharmoniseerde) Welstandsnota 2016 is – vanuit pragmatische overwegingen - het uitgangspunt gehanteerd om de beschermende werking van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ ten aanzien van de cultuurhistorische waarden, zoals opgenomen in de Landschapskaart, te behouden. Daarbij is ook overwogen dat binnen enkele jaren de nieuwe Omgevingswet met het omgevingsplan verwacht wordt. Het omgevingsplan wordt een integraal plan waar alle beleidsfacetten -waaronder ook het erfgoedbeleid- van de leefomgeving in zijn opgenomen. Aan de hand van de mogelijkheden die deze nieuwe wetgeving biedt en voorschrijft kunnen de twee bestaande beleidsinstrumenten het beste afgestemd en samengevoegd worden.
6.2 Bijbehorende bouwwerken
6.2.1 Samenvatting beleid oude gemeenten
In Heerenveen werd in de bijgebouwenregeling geen onderscheid gemaakt tussen ‘reguliere’ woningen en woonboerderijen. Boarnsterhim maakte dat onderscheid wèl. Zoals eerder al is aangegeven, maakt Skarsterlân in het geheel geen onderscheid in woonboerderijen en ‘reguliere’ woningen. De maximale oppervlakte was in Boarnsterhim beperkt tot 50m2 dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter was. Bovendien mocht de gezamenlijke oppervlakte van woning en (voormalige) bedrijfsgebouwen niet meer bedragen dan 300m2.
6.2.2 Provinciaal beleid
In het provinciaal beleid is niet expliciet een maximale oppervlakte voor woningen in het buitengebied opgenomen. Wel valt uit de verordening (artikelen 1.5.1 en 1.6.1) op te maken dat een oppervlakte van 300m2 (hoofdgebouw met bijgebouwen) voor de provincie uitgangspunt is.
6.2.3 Nieuw gemeentelijk beleid
Gelet op de uitgangspunten om niet af te dingen op bestaande bouwrechten, wordt voorgesteld om uit te gaan van de Heerenveense regels voor bijbebehorende bouwwerken. Onderstaande tabel heeft een overzicht van de voorgestelde bouwregels
Bijbehorende bouwwerken
Max.‘bij recht’
bij ‘afweging’
Oppervlakte
100m²
150m² (b),200 m² (c) , meer dan 150m² (d)
Goothoogte
3,5 m (a)
-
Dakhelling
maximaal 60° (a)
-
Afstand achter de voorgevel Hgb
1m
-
(a) dan wel de bestaande maat indien dezemeer bedraagt;
(b) mits geen onevenredige afbreukwordt gedaan aan de landschappelijke waarden en het straat- en bebouwingsbeeld;
(c) bij Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten en mits geenonevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden en het straat- en bebouwingsbeeld;
(d) mits ten minste het dubbele aanbestaande bouwwerken wordtgesloopt (overgangsrecht) en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden en het straat- en bebouwingsbeeld
Tabel 5. Bouwregels voor woonboerderijen
6.3 Nevenfuncties bij woonboerderijen
6.3.1 Samenvatting beleid oude gemeenten
Ook voor wat betreft de neventakken die bij woonboerderijen waren toegelaten, bestonden verschillen tussen Heerenveen en Boarnsterhim. Deze verschillen hebben vooral betrekking op de toegelaten omvang c.q. de maximale oppervlakte. Deze ruimte was in Boarnsterhim groter dan in Heerenveen, zij het dat een deel aan een afwijking was gekoppeld.
6.3.2 Provinciaal beleid
Er geldt geen specifiek beleid voor het toestaan van nevenfuncties bij het wonen. Dat houdt in dat er hiervoor alleen ruimte voor is, mits geen afbreuk wordt gedaan aan het karakter als woonhuis of de uitstraling van een woonfunctie.
6.3.3 Gemeentelijk beleid
In de oude gemeenten bestonden zoals aangeven al in beperkte mate ruimte voor nevenfuncties voor het wonen. Omdat uitgangspunt is niet terug te gaan in al geboden mogelijkheden, wordt voorgesteld deze mogelijkheden ook in de nieuwe gemeente te continueren. Het betreft hier een beperkte ruime welke in oppervlakten zijn begrensd en daarom geen afbreuk doen aan het karakter als woonhuis of uitstraling van de woonfunctie. Onderstaande tabel heeft een overzicht van deze nevenfuncties. Ten opzichte van de ‘reguliere’ woningen is voor nevenfuncties bij woonboerderijen meer ruimte. De oppervlakte van de bebouwing is vaak aanzienlijk groter dan bij reguliere woningen en dus is er ook meer mogelijk zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de woonfunctie of woonuitstraling van de bebouwing. Ook speelt daarin de overweging mee dat het bieden van nevenfuncties een extra stimulans kan zijn om deze voor het landschap kenmerkende bebouwing te behouden. Een overzicht van de toe te stane nevenfuncties en de daarbij horende voorwaarden zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Nevenfuncties
‘direct recht’
‘bij afwijking’
beroepsuitoefening-aan-huis ca
max. 100m² en max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen
logiesverstrekking, recreatieappartementen, kampeerboerderijen e.d.
max. 100 m² en max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a)
kleinschalige detailhandel in streekgebonden artikelen
een verkoopvloeroppervlakte van ten hoogste 10% van de bestaande bebouwing met een maximum van 100m²;(b)
consumptieverkooppunten
max. 100 m² en max. 30%van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (c)
kleinschalige bedrijvigheid (e)
in de lintstructuren langs Schoterlandse weg, Aengwirderweg, 1e en 2e Compagnonsweg tot en met de Bij de Leijwei(f)
paardenbakken
indien hobbymatig
stalling van voer-en vaartuigen
max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a)
voorzieningen ten behoeve van dagrecreatief medegebruik
oppervlakte ten hoogste 30% deel van de bestaande bebouwing met een maximum van 100m²;(d)
(a) afwegings- en toetsingscriteria:
geen onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrijven en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aande woonsituatie, de verkeersveiligheid en de de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
(b) afwegings- en toetsingscriteria:
alleen verkoop van lokaal bereide, verwerkte en/of toegepaste producten met een lokaal verzorgingsgebied (inclusief boerderijwinkel) en geen onevenredige afbreuk aan woonsituatie, milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de verkeersafwikkeling èn het winkelapparaat in de kernen
(c) afwegings- en toetsingscriteria:
geen onevenredige afbreuk aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
(d) afwegings- en toetsingscriteria:
geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen en geen onevenredige afbreuk aan het woon- en leefklimaat van aangrenzende woningen, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen alsmede de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;
(e) mits ondergebacht in de bijbehorende bouwwerken èn nietin combinatie metberoepsuitoefening- aan-huis of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit in het hoofdgebouw
(f) bedrijven opgesomd in bijlage 3 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’
Tabel 6. Nevenfuncties bij woonboerderijen
6.4 Extra wooneenheden in woonboerderijen
6.4.1 Samenvatting beleid oude gemeenten
Heerenveen kende de mogelijkheid om in voormalige boerderijpanden één of meerdere wooneenheden extra toe te staan. Dit is als stimulans voor het behoud van de oorspronkelijke bouwmassa. Boarnsterhim en Skarsterlân kenden deze mogelijkheid niet. Zoals aangegeven in 6.1.1 was het beleid in Boarnsterhim er wel op gericht om landschapswaardevolle boerderijen te behouden.
6.4.2 Provinciaal beleid
Algemeen uitgangspunt van de provincie is dat er in het landelijk gebied geen nieuwe woningen bij mogen komen. Een uitzondering daarop geldt voor onderbrengen van een of meerdere nieuwe woningen in karakteristieke, voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. De provincie vindt deze afwijking gerechtvaardigd omdat dit een middel kan zijn voor het behoud van karakteristieke bebouwing en tegelijkertijd zorgt voor nieuwe sociale en economische dragers in het landelijk gebied waarmee kapitaalvernietiging kan worden voorkomen.
6.4.3 Nieuw gemeentelijk beleid
Het is voor de landschappelijke waarden van belang om karakteristieke elementen van voormalige agrarische bebouwing te behouden. Daarom wordt voorgesteld om het beleid om in (karakteristieke) voormalige agrarische bebouwing meerdere woningen toe te staan, ook in de nieuwe gemeente Heerenveen voort te zetten en daarbij uit te gaan van de volgende voorwaarden:
•de woonoppervlakte per extra wooneenheid bedraagt ten minste 100m2;
•er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het woon- en leefklimaat van aangrenzende woningen, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen alsmede de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;
Bijlage 1: Lijst van aan-huis-verbonden beroepen
Uitoefening van (para)medische beroepen, waaronder:
individuele praktijk voor huisarts, psychiater, psycholoog, fysiotherapie of bewegingsleer, voedingsleer, mondhygiëne, tandheelkunde, logopedie, enz. individuele praktijk dierenarts;
Kledingmakerij:
(maat)kledingmakerij en kledingverstelbedrijf; Woningstoffeerderij;
Kantoorfunctie ten behoeve van bedrijvigheid die elders wordt uitgeoefend, zoals:
schoonmaakbedrijf, schoorsteenveegbedrijf, glazenwasserij, maar ook ten behoeve van bijvoorbeeld een groothandelsbedrijf of een klein transportbedrijf;
Reparatiebedrijfjes:
schoen/lederwarenreparatiebedrijf, uurwerkreparatiebedrijf, goud- en zilverwerkreparatiebedrijf, reparatie van kleine (elektrische) gebruiksgoederen reparatie van muziekinstrumenten.
In ieder geval zijn autoreparatiebedrijven en las-en montagebedrijven uitgezonderd.
Advies- en ontwerpbureaus:
reclame ontwerp, grafisch ontwerp, architect;
(Zakelijke) dienstverlening:
notaris, advocaat, accountant, juridisch adviseur, assurantie-/verzekeringsbemiddeling, exploitatie en handel in onroerende zaken;
Overige dienstverlening:
kappersbedrijf, schoonheidssalon, tattooshop, gastouderopvang, fotostudio;
Onderwijs:
Autorijschool;
Bijlage 2: Staat van Bedrijven
SBI-2008
OMSCHRIJVING
CATEGORIE
-
nummer
01
-
LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW
016
0
Dienstverlening t.b.v.de landbouw:
016
1
-algemeen (o.a.loonbedrijven): b.o. > 500 m²
3.1
016
2
-algemeen (o.a.loonbedrijven): b.o.<= 500 m²
2
016
3
-plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o.> 500 m²
3.1
016
4
-plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o.<= 500 m²
2
-
02
-
BOSBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. BOSBOUW
021, 022, 024
Bosbouwbedrijven
3.1
10, 11
-
VERVAARDIGING VANVOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN
101, 102
7
-loonslachterijen
3.1
108
8
-vervaardiging van snacks en vervaardiging van kant-en-klaar-maaltijdenmet p.o. < 2.000 m²
3.1
102
0
Visverwerkingsbedrijven:
102
6
-verwerken anderszins: p.o. <= 300 m²
3.1
1071
0
Broodfabrieken, brood-en banketbakkerijen:
1071
1
-v.c. <2500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens
2
1073
Deegwarenfabrieken
3.1
110101
Destilleerderijen en likeurstokerijen
4.2
1102 t/m 1104
Vervaardiging van wijn,cider e.d.
2
-
13
-
VERVAARDIGING VAN TEXTIEL
132
0
Weven van textiel:
133
Textielveredelingsbedrijven
3.1
139
Vervaardiging van textielwaren
3.1
139, 143
Vervaardiging van gebreide en gehaakte stoffenen artikelen
3.1
14
-
VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT
141
Vervaardiging kleding van leer
3.1
141
Vervaardiging van kledingen -toebehoren (excl.van leer)
2
142, 151
Bereiden en vervenvan bont; vervaardiging van artikelen van bont
3.1
15
-
VERVAARDIGING VAN LEER EN LEDERWAREN (EXCL. KLEDING)
151
Lederwarenfabrieken (excl. kleding en schoeisel)
D
3.1
SBI-2008
OMSCHRIJVING
categorie
-
nummer
152
Schoenenfabrieken
3.1
16
-
HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D.
16102
0
Houtconserveringsbedrijven:
16102
2
-met zoutoplossingen
3.1
162
1
Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout, p.o. <200 m2
3.1
162902
Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken
2
-
17
-
VERVAARDIGING VANPAPIER, KARTON EN PAPIER- EN KARTONWAREN
1712
0
Papier- en kartonfabrieken:
1712
1
-p.c. < 3 t/u
3.1
58
-
UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA
581
Uitgeverijen (kantoren)
1
18129
Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen
2
1814
A
Grafische afwerking
1
1814
B
Binderijen
2
1813
Grafische reproduktie en zetten
2
1814
Overige grafische aktiviteiten
D
2
182
Reproduktiebedrijven opgenomen media
1
20
-
VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUKTEN
2120
0
Farmaceutische produktenfabrieken:
2120
1
-formulering en afvullen geneesmiddelen
3.1
2120
2
-verbandmiddelenfabrieken
2
2051
Kruit-, vuurwerk-, en springstoffenfabrieken
5.3
2052
0
Lijm- en plakmiddelenfabrieken:
205903
A
Chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken
3.1
22
-
VERVAARDIGING VANPRODUKTEN VAN RUBBEREN KUNSTSTOF
221102
0
Loopvlakvernieuwingsbedrijven:
221102
1
-vloeropp. < 100 m2
3.1
23
-
VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUKTEN
231
0
Glasfabrieken:
231
Glasbewerkingsbedrijven
3.1
232, 234
0
Aardewerkfabrieken:
232, 234
1
-vermogen elektrische ovens totaal <40 kW
2
237
0
Natuursteenbewerkingsbedrijven:
2391
Slijp- en polijstmiddelen fabrieken
D
3.1
26, 28, 33
-
VERVAARDIGING VAN KANTOORMACHINES EN COMPUTERS
26, 28, 33
A
Kantoormachines- en computerfabrieken incl. reparatie
2
-
26, 27, 33
-
VERVAARDIGING VANOVER. ELEKTR. MACHINES,
SBI-2008
OMSCHRIJVING
categorie
-
nummer
APPARATEN EN BENODIGDH.
293
Elektrotechnische industrie n.e.g.
2
26, 33
-
VERVAARDIGING VAN AUDIO-, VIDEO-,TELECOM-APPARATEN EN -BENODIGDH.
261, 263, 264,
331
Vervaardiging van audio-, video- en telecom-apparatuur e.d. incl. reparatie
3.1
2612
Fabrieken voor gedrukte bedrading
3.1
26, 32, 33
-
VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN
26, 32, 33
A
Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl.reparatie
2
30
-
VERVAARDIGING VANTRANSPORTMIDDELEN (EXCL. AUTO'S, AANHANGWAGENS)
301, 3315
0
Scheepsbouw- en reparatiebedrijven:
301, 3315
1
-houten schepen
3.1
31
-
VERVAARDIGING VANMEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G.
9524
2
Meubelstoffeerderijen b.o. < 200m2
1
321
Fabricage van munten, sieraden e.d.
2
322
Muziekinstrumentenfabrieken
2
323
Sportartikelenfabrieken
3.1
324
Speelgoedartikelenfabrieken
3.1
32991
Sociale werkvoorziening
2
32999
Vervaardiging van overigegoederen n.e.g.
3.1
41, 42, 43
-
BOUWNIJVERHEID
41, 42, 43
1
-bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000m²
3.1
41, 42, 43
2
Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000 m²
3.1
41, 42, 43
3
-aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m²
2
-
45, 47
-
HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS
45204
B
Autobeklederijen
1
45205
Autowasserijen
2
49
-
VERVOER OVER LAND
493
Taxibedrijven
2
52
-
DIENSTVERLENING T.B.V.HET VERVOER
52102, 52109
A
Distributiecentra, pak- en koelhuizen
3.1
53
-
POST EN TELECOMMUNICATIE
531, 532
Post- en koeriersdiensten
2
61
A
Telecommunicatiebedrijven
1
62
-
COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE
62
A
Computerservice-en informatietechnologie-bureau's e.d.
1
72
-
SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK
721
Natuurwetenschappelijk speur- en ontwikkelingswerk
2
722
Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek
1
37, 38, 39
-
MILIEUDIENSTVERLENING
382
A0
Afvalverwerkingsbedrijven:
382
A4
-pathogeen afvalverbranding (voor ziekenhuizen)
3.1
382
A7
-verwerking fotochemisch en galvano-afval
2
Bijlage 3: Lijst van kleinschalige bedrijvigheid in de linten
Hoveniersbedrijven
Brood- en banketbakkerijen (v.c. < 2.500 kg meel/werk)
Vervaardiging van wijn, cider en andere niet gedestilleerde, gegiste dranken
Vervaardiging van kleding en kledingtoebehoren (excl. van leer)
Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken
Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen
Grafische afwerking
Binderijen
Grafische reproductie en zetten
Overige grafische activiteiten
Reproductiebedrijven opgenomen media
Verbandmiddelen fabricage
Metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven: galvaniseren
Fabrieken voor medische apparaten en instrumenten, orthopedische artikelen, optische instrumenten en uurwerken
Fabricage van munten, sieraden, e.d.
Muziekinstrumentenfabrieken
Bouwinstallatiebedrijven (kleinschalig)
Bouw- en aannemingsbedrijven (kleinschalig)
Dineruitzendingsbedrijven
Autoreparatiebedrijven (excl. plaatwerken, spuiten en tectyleren)
Autobeklederijen
Fietsen-, brom- en motorfietsenreparatiebedrijven
Post- en koeriersdiensten
Verhuurbedrijven van roerende goederen (kleinschalig)
Computerservice- en informatietechnologie-bureau’s, e.d.
Natuurwetenschappelijk speur- en ontwikkelingswerk
Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek
Musea
Kunstateliers
Sociaal-culturele instellingen n.e.g.
Chemische wasserijen en ververijen
Wasverzendinrichtingen
Wasserettes, wassalons
Foto- en filmontwikkelcentrales
Uitvaartcentra
Alsmede bedrijvigheid die naar de aard en de invloed op de omgeving vergelijkbaar is met de hiervoor genoemde bedrijvigheid;
n.e.g. = niet eerder genoemd; v.c. = verwerkingscapaciteit
Bijlage 4: SAMENVATTING NIEUW BELEID
onderstaand overzicht bevat een verkorte weergave van het voorgestelde beleid in vergelijking met dat van de voormalige gemeenten. Vanwege de overzichtelijkheid zijn details achterwege gebleven
AGRARISCHE BEDRIJVEN
nieuw
Skarsterlan
Heerenveen
Boarnsterhim
oppervlakte bouwpercelen
-verruiming mogelijk tot
1,5 ha17
1,5 ha18
tot 1,5 ha
2ha19
-verruiming mogelijk indien bestaand > 1,5 ha
> 1,5 ha20
(max 3 ha)
+ 2.500m2
+ 0,5 ha
4ha21
-verruiming niet grondgebonden bedrijf
tot max. 1,5 ha22
gelijk aan grondgebonden
gelijk aan grondgebonden
+500m2
Intensieve neventak
-direct recht
1.500m2
2.000m2
1.500m2
500m2
-bij afwijking
2.500m2 of tot 110%
3.000m2 of tot 110%
2.500m2
n.v.t.
Bedrijfsbebouwing
buiten bouwvlak bij afwijking mogelijk?
ja, mits< 250m2
ja, mits< 75m2 en goothoogte 3 m en bouwhoogte 5 m
neen
ja, mits< 100m2 en hoogte max 5 m
-goothoogte
5m
4m
3,5 m
4,5 m
-bouwhoogte
15m
8m/10m/14m23
15m
12m
-goothoogte bij afwijking
6,5 m24
6,5 m25
6m26
6m
-dakhelling
15– 60o27
min 15o28
-
min 15o29 30
-kassen (ondersteunend)
niet toegestaan
max. 300 m2
niet toegestaan
max. 1000 m2
-goot/bouwhoogte serrestallen
3,5 – 5 m
niet geregeld
-
niet geregeld
veldschuren
-oppervlakte
als bestaand
-
als bestaand
`-
-goothoogte en dakhelling
3m, 60o
-
3m, 15-60o
Bedrijfswoning
-oppervlakte31
150m2
120m2
120m2
120m2
-goot/bouwhoogte
4m+30o<dakhelling>60o
4-8 m
4m+30o<dakhelling>60o
3,5-9m +>15o
bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoning (oppervlakte)
100m2
niet toegestaan
100m2
niet toegestaan
-bij afwijking
150m232, 200m233
n.v.t.
150m2, 200m234
n.v.t.
bouwhoogte binnenbouwvlak
14m
14m
bouwhoogte buitenbouwvlak
3m
2m
Bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde
Mestsilo’s, sleufsilo’s en mestzakken binnen bouwvlak
-
mestsilo’s: 4 m
sleufsilo’s: 3 m
mestzakken: geen regeling
silo’s /bassins: 5 m
mestzakken: geen regeling
mestsilo’s : 4 m
met afwijking: 6 m
sleufsilo’s: 3 m
Mestsilo’s, sleufsilo’s en mestzakken buiten bouwvlak (bij afwijking)
750m2,
max. 5 m
mestsilo’s: max 5 m, 750m2 + 2500m3,
sleufsilo’s: max 3 m
mestsilo’s :max 3,50m + 750m2
mestzakken: <200m2 en <2m;
mestsilo’s: 750m2
sleufsilo’s: 750m2
Torensilo’s (bij afwijking)
max 3, max 25 m
max 3, max 25 m
alleen indienbestaand
max 3, max 25 m
erf- en terreinafscheidingen
2m (binnen bouwvlak)
1m (buiten bouwvlak)
-
2m (binnen bouwvlak)
1m (buiten bouwvlak)
overige bouwwerken
15m (binnen bouwvlak)
5m (buiten bouwvlak)
14m (binnen bouwvlak) 3 m (buiten bouwvlak)
15m (binnen bouwvlak)
5m (buiten bouwvlak)
14m (binnen bouwvlak)
2m (buiten bouwvlak)
AGRARISCHE NEVENACTIVITEITEN
Nevenfuncties bij recht toegestaan
consumptieverkooppunt35
logiesverstrekking beroepsuitoefening-aan-huis36
detailhandel in bedrijfs/streekeigen producten37
opslag/stalling38
mestvergisting39
houden van dieren40
niet-agrarische bedrijven41
dagrecreatieve voorzieningen42
landschapsbeheer43
n.v.t.
beroepsuitoefening-aan-huis;
n.v.t.
Nevenfuncties die bij afwijking zijn toegestaan44
n.v.t.
45
mestvergisting46
logiesverstrekking47
consumptieverkooppunten48
productiegebonden
detailhandel49
50paardenhouderij
aan huis verbonden beroepen;
niet-agrarische bedrijvigheid51;
bed&brochje; stalling/opslag;
recreatieappartementen52
boerderijwinkel53;
groepsaccomodatie
theeschenkerij
dagrecreatief medegebruik
Mits:
17mits landschappelijk verantwoord (eis: landschappelijke inpassing met voorwaardelijke verplichting)
18en max. oppervlakte aan bedrijfsbebouwing: 6.000m2 en met vrijstelling tot 7.500m2 mits bedrijfsecon. noodzaak
19met vrijstellingsbevoegdheid
20volgens ‘Nije Plaets’- benadering;
21met wijzigingsbevoegdheid
22mits landschappelijk verantwoord (eis: landschappelijke inpassing met voorwaardelijke verplichting)
23bedrijfswoning: 8 m, bedrijfgebouwen: 10 m en niet meer dan één gebouw < 1.000m2 : 14 m
24geen onevenredige afbreuk aan de landschappelijke waarden
25geen onevenredige afbreuk aan de landschappelijke waarden
26geen onevenredige afbreuk aan de landschappelijke waarden
27max 10% met een maximum van 250m2 mag plat zijn afgedekt;
28uitgezonderd aanbouwen aan bedrijfsgebouwen tot 100m2 (met afwijking tot 30% van de totale oppervlakte)
29max 100m2 mag plat zijn afgedekt;
30afwijking mogelijk voor mestplaten en serrestallen
31niet-inpandig (in Heerenveen ook inpandig)
32geen onevenredige afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld en de woonsituatie
33als bij noot 16 en het hgb een rijks- of gemeentelijke monument betreft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden
34als bij noot 16 en het hgb een rijks- of gemeentelijke monument betreft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden
35tot 50m2 bij recht, tot max 30% bij afwijking
36tot 100m2 bij recht;
37tot 50m2 bij recht, tot max 30% bij afwijking
38tot 500m2 bij recht, tot max 30% bij afwijking
39diverse voorwaarden
40tot max 30% bij recht
41tot max 30% bij afwijking
42tot 100m2 bij recht, tot max 30% bij afwijking
43tot 100m2 bij recht, tot max 30% bij afwijking
44algemene voorwaarden: geen onevenredige afbreuk aan: woonsituatie, milieusituatie, verkeersafwikkeling, (winkelapparaat in de kernen) èn ondergeschikt onderdeel van agrarische bedrijfsvoering (cumulatief);
45algemene voorwaarden: geen onevenredge afbreuk aan milieusituatie, verkeersveiligheid, gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en woonsituatue;
46art 4.6 sub a van de voorschriften van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’
47max 5 appartementen en gekoppeld aan de bedrijfswoning
48max 10m2
49max 10% (100m2)
50Algemeen in Boarnsterhim: als nevenfunctie bij het agrarisch bedrijf en verder max 1/3e deel van de bedrijfsgebouwen
51bedrijven in categorie 1 en 2, geen verkeersaantrekkende werking, geen buitenopslag
Harmonisatie bestemmingsplannen Buitengebied
WONINGEN
nieuw
Skarsterlan
Heerenveen
Boarnsterhim
Hoofdgebouw
oppervlakte
150m2
120m2
90, 100 of 120 m254
120m2
goothoogte/bouwhoogte
4m/-
3,5 m/8 m
4m/8-10m55
3,5 m/9 m
-goothoogte bij afwijking
6m56
-
-
-
dakhelling (min/max)
30o/60 o
-
Min 30 o
Min 30 o
Bijbehorende bouwwerken
maximale oppervlakte
100m2
50m2 (indien Hgb< 300m2)
100m2
50m2
-bij afwijking
150m257, >150m258, 00m259
100/200 m260
150m261, >150m262, 200m263
150m264
goothoogte/bouwhoogte
3,5 m
3m/ 6 m
4m/7 m
3m/ 6-7 m
dakhelling
< 60o
-
>30o afwijking:<30o65
Nevenfuncties die bij recht zijn toegestaan
beroepsuitoefening-aan-huis;66
kleinschalige bedrijvigheid67
n.v.t.
beroepsuitoefening-aan-huis;
kleinschalige bedrijvigheid68
n.v.t.
Nevenfuncties die bij afwijking zijn toegestaan69
logiesverstrekking70
consumptieverkooppunten71
streekgebonden detailhandel72
n.v.t.
logiesverstrekking73
productiegebonden
detailhandel74,
paardrijbakken
aan huisverbonden beroepen75;
WOONBOERDERIJEN76
nieuw
Skarsterlan
Heerenveen
Boarnsterhim
Bijbehorende bouwwerken
n.v.t.
maximale oppervlakte
100m2
100m2
50m2
-bij afwijking
150m277, >150m278, 00m279
150m280, >150m281, 200m282
150m283
goothoogte/bouwhoogte
3,5 m
4m/7 m
3m/ 6-7 m
dakhelling
< 60o
>30o afwijking:<30o84
Nevenfuncties die bij recht zijn toegestaan
beroepsuitoefening-aan-huis;85
kleinschalige bedrijvigheid86
beroepsuitoefening-aan-huis; k
leinschalige bedrijvigheid87
n.v.t.
Nevenfuncties die bij afwijking zijn toegestaan88
logiesverstrekking89
kleinschalige bedrijvigheid90
consumptieverkooppunten91
stalling en opslag92
dagrecreatief medegebruik93
kleinschalige detailhandel94
logiesverstrekking95
productiegebonden detailhandel96 paardrijbakken
aan huisverbonden beroepen97;
paardenpersion
niet-agrarische bedrijvigheid98;
bed&brochje;stalling/opslag;
recreatieappartementen99
boerderijwinkel100;
groepsaccomodatie theeschenkerij
52max 100m2 per appartementen
53max 100m2 netto verkoopoppervlak
54afhankelijk van landschapstype
55afhankelijk van landschapstype
56mits geen onevenredige afbreuk aan de landschappelijke waarden en het straat- en bebouwingsbeeld
57geen onevenredige afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld en de woonsituatie
58saneringsregeling bebouwing onder overgangsrecht
59als bij noot 16 en het hgb een rijks- of gemeentelijke monument betreft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden
60mits geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid en ten behoeven van het wonen en de daarbij horende hobbys (100m2) dan wel het houden van vee of aan huis verbonden beroepen (200m2)
61geen onevenredige afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld en de woonsituatie
62saneringsregeling bebouwing onder overgangsrecht
63als bij noot 16 en het hgb een rijks- of gemeentelijke monument betreft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden
64t.b.v. aan-huis-verbonden beroep of het hobbymatig houden van vee
65mits geen onevenredige afbreuk aan landschappelijke waarden, bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden
66max 30% van de bg (max 50m2, bij woonboerderijen 100m2)
67in de lintbebouwing langs de Schoterlandseweg
68in de lintbebouwing langs de Schoterlandseweg
69m.u.v. beroepsuitoefening-aan-huis in Boarnsterhim alleen bij woonboerderijen, als nevenfunctie bij het wonen en verder max 1/3e deel van de voormalige bedrijfsgebouwen
70max 30% van de bg (max 50m2, bij woonboerderijen 100m2)
71max 30% van de bg (max 10m2)
72max 25m2, geen onevenredige invloed heeft op het winkelapparaat in de diverse kernen; 5. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
73max 30% van de bg (max 50m2, bij woonboerderijen 100m2)
7410% met een maximum van 50m2, geen onevenredige invloed heeft op het winkelapparaat in de diverse kernen; 5. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
75mits inpandig, niet meer dan 40% van de bg van de woning (max 50m2), parkeren op eigen erf en geen detailhandel m.u.v. productiegebonden detailhandel
76verschillen in de bouwregels niet verklaard
77geen onevenredige afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld en de woonsituatie
78saneringsregeling bebouwing onder overgangsrecht
79als bij noot 16 en het hgb een rijks- of gemeentelijke monument betreft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden
80geen onevenredige afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld en de woonsituatie
81saneringsregeling bebouwing onder overgangsrecht
82als bij noot 16 en het hgb een rijks- of gemeentelijke monument betreft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden
83t.b.v. aan-huis-verbonden beroep of het hobbymatig houden van vee
84mits geen onevenredige afbreuk aan landschappelijke waarden, bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden
85max 30% van de bg (max 100m2)
86in de lintbebouwing langs de Schoterlandseweg
87in de lintbebouwing langs de Schoterlandseweg
88m.u.v. beroepsuitoefening-aan-huis in Boarnsterhim alleen bij woonboerderijen, als nevenfunctie bij het wonen en verder max 1/3e deel van de voormalige bedrijfsgebouwen
89max 30% van de bg (max 100m2)
90in de lintbebouwing langs de Schoterlandseweg
91max 30% van de bg (max 100m2)
92max 30% van de bg bij woonboerderijen;
93max 30% van de bg (max 100m2) bij woonboerderijen
94max 10% + max 100m2 netto verkoopoppervlak
95max 30% van de bg (max 50m2, bij woonboerderijen 100m2)
9610% met een maximum van 50m2, geen onevenredige invloed heeft op het winkelapparaat in de diverse kernen; 5. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
97mits inpandig, niet meer dan 40% van de bg van de woning (max 50m2), parkeren op eigen erf en geen detailhandel m.u.v. productiegebonden detailhandel
98bedrijven in categorie 1 en 2, geen verkeersaantrekkende werking, geen buitenopslag
99max 100m2 per appartementen
100max 10% + max 100m2 netto verkoopoppervlak
KLEINSCHALIG KAMPEREN
afwijking
wijziging
max. aantal standplaatsen bij woningen
15
-
15
n.v.t.
-bij boerderijen en woonboerderijen
25
-
25
25
-max afstand ten opzichte eigen woning
50m(15)
100m(25)
-
50m(15)
100m(25)
-
-min afstand to.v. woningen van derden
50m
-
50m
-
max. oppervlakte kampeerterrein
-
-
-
0,75 ha
max. oppervlakte extra bebouwing
50m2 (15)
buiten bouwvlak 50m2 (25)
binnen bouwvlak 100m2 (25)
-
50m2 (15)
50-100m2 (25)
100m2
(binnen bouwvlak)
max. oppervlakte detailhandel
25m2
-
25m2
-
max. oppervlakte horeca
50m2
-
50m2
-