Aanhef
0Samenvatting
Het Besluit bodemkwaliteit stelt regels aan het hergebruik van partijen grond en bouwstoffen. Voor grond gelden de landelijke (generieke) regels of gemeenten mogen zelf lokaal beleid voor hergebruik van grond op stellen tot bepaalde (lokale) waarden. Dit noemen we gebiedsspecifiek beleid.
Partijen grond die vrijkomen in de gemeente Heerenveen kunnen onder de generieke regels slechts beperkt worden hergebruikt. Dit levert naast de maatschappelijk knelpunten (veel gebruik van primair gewonnen zand, weinig hergebruik) ook hoge kosten op voor extra transport en acceptatie elders.
De gemeente kiest met deze nota bodembeheer voor gebiedsspecifieke oplossingen om hergebruik van grond zoveel mogelijk te stimuleren. Daarnaast wil de gemeente de kwaliteit van de bodem meer laten aansluiten op de functie van een gebied. Het beleid is erop gericht hergebruik te faciliteren zonder dat daarbij sprake is van onaanvaardbare risico’s voor mens, dier of plant. Het beschermen en optimaal benutten van de bodem in de gemeente Heerenveen staat daarbij voorop.
Het beleid uit deze nota sluit goed aan bij eerder vastgesteld bodembeleid van de gemeente Heerenveen en dat van de omliggende gemeenten in Fryslân. Door gebruik te maken van een eenduidige normering op klassenniveau worden de regels voor het uitwisseling en toepassing van (hergebruiks)grond eenvoudiger.
2 Invulling bodembeleid
2.2 Ambitie en voorwaarden
2.2.1 Ambities
De gemeente Heerenveen heeft ambities vastgesteld om op een duurzame manier om te gaan met hergebruik van grond en bagger. Deze ambities zijn:
•Ruimte bieden voor hergebruik van grond en baggerspecie voor haar burgers, bedrijven en de eigen organisatie op een wijze dat duurzaam bodemgebruik gegarandeerd is voor de toekomst;
•De kwaliteit van de bodem meer te laten aansluiten op de functie ervan.
Het geactualiseerde bodembeleid wijzigt niets ten aanzien van de hierboven gestelde ambities. Ook de onderstaande voorwaarden om het duurzaam hergebruik te stimuleren wijzigen hierbij niet.
2.2.2 Voorwaarden
Om een blijvend duurzaam bodemgebruik te waarborgen, zijn de volgende voorwaarden gesteld:
•Het op te stellen normenkader moet eenduidig, helder en handhaafbaar zijn;
•Het nieuwe beleid moet afgestemd zijn in de regio om grensoverschrijdende toepassing van grond te faciliteren;
•Er mogen geen onaanvaardbare risico's zijn voor mens en milieu bij het actuele gebruik;
•De totale bodemkwaliteit in Heerenveen mag niet verslechteren. Plaatselijk mag verslechtering optreden als de gebruiksfunctie dit toelaat, mits gecompenseerd door een gelijktijdige verbetering elders.
Het geactualiseerde bodembeleid moet helder en breed uitgedragen worden aan burgers, bedrijven en binnen de eigen organisatie. Door de opgedane kennis en ervaring de afgelopen jaren, zijn enkele wijzigingen doorgevoerd in het eerder opgestelde beleid. Deze wijzigingen worden in hoofdstuk 3 beschreven.
2.3 Doelstellingen
2.3.1 Benutten hergebruiksmogelijkheden
Hergebruik binnen de gemeente is beperkt als gevolg van veel relatief schone bodems. Slechts enkele gebieden, de oude woongebieden, vallen in de klasse 'Wonen'. In de dorpen Akkrum en Aldeboarn is een kleine zone met klasse Industrie. Woongebieden gebouwd na 1940 en zelfs de bedrijventerreinen zijn schoon (klasse AW2000). Volgens het generieke beleidskader mag uitkomende grond met de kwaliteit ‘Wonen’ alleen worden toegepast in de gebieden met
kwaliteit ‘Wonen’ én de functie ‘Wonen’ of ‘Industrie’. In de praktijk zijn dit de oude woongebieden, waar juist weinig vraag naar grond is. Grond vrijkomend uit de oudere woongebieden in Akkrum en Aldeboarn kan volgens deze regels nergens in de gemeente worden toegepast en moet tegen hoge kosten worden afgevoerd. Dit levert naast de kosten ook onnodige stagnatie van grondverzet en export op van verontreinigde grond tot buiten de gemeentegrenzen.
Het beperken van de toepassing van licht verontreinigde grond is ook vanuit het oogpunt van risico’s niet nodig. Het opgestelde gebiedsspecifiek beleid heeft voldoende waarborgen qua normering en toetsing voor verantwoord hergebruik. In het voorgaand bodembeheerplan zijn risicobeoordelingen uitgevoerd en voldoet het beleid ruimschoots aan de landelijke risiconormen voor hergebruik. De GGD heeft in een schriftelijke reactie laten weten hiermee in te stemmen.
De brief van de GGD is opgenomen in bijlage 12.
2.3.2 Aansluiting kwaliteit van de bodem op de functie
De kwaliteit van de bodem en de functie die deze bodem vervult, zijn niet altijd dezelfde. Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, is een groot deel van het grondgebied van de gemeente Heerenveen relatief schoon, zowel ter plaatse van woon- als industriegebieden. Bij het generieke kader geldt bij het toepassen van grond en bagger op deze bodem de strengste eis. Hier mag in dat geval alleen schone grond worden toegepast (kwaliteitsklasse Achtergrondwaarden). Met het gebiedsspecifieke kader is het mogelijk de bodemfunctie en de bodemkwaliteit op elkaar te laten aansluiten en daarbij in woongebieden en op bedrijventerreinen grond toe te passen die voldoet aan deze bodemkwaliteitsklassen.
De functies van een gebied zijn qua bodemfunctie verdeeld in 7 verschillende functies. Deze functies zijn uiteindelijk geclusterd tot 3 functieklassen. De generieke bodemkwaliteitsklassen zijn eveneens geënt op deze bodemfunctieklassen. In de onderstaande tabel is dit verschil weergegeven.
Figuur 3: Verdeling van functies naar functieklassen (bron: NOBO rapport)
Door de koppeling van bodemfunctieklassen aan kwaliteitsklassen kan eenvoudig het principe bodemkwaliteit volgt de bodemfunctie gehanteerd worden. Immers de bodemkwaliteit moet voldoen aan de functieklasse in een gebied. Deze generieke indeling in klassen leveren dan ook geen risico’s op voor de in de klasse gehanteerde bodemfunctie. Zo levert grond ingedeeld in de klasse Wonen geen risico’s op voor mens, dier en plant.
Ook het gebiedsspecifieke toetsingskader gaat uit van het 'stand-still' principe, maar dan op gebiedsniveau. Dat betekent in de praktijk dat binnen bepaalde delen van het beheergebied de bodemkwaliteit mag 'verslechteren', terwijl elders binnen het gebied een verbetering wordt gerealiseerd.
Zo beschikt de gemeente over veel bermen (lage ecologische waarde) die plaatselijk verontreinigd zijn met PAK’s en zware metalen. Voor overtollige grond uit deze bermen zou op basis van het generieke beleid feitelijk geen plek zijn voor hergebruik. Gebiedsspecifiek beleid faciliteert die mogelijkheid wel waardoor bermengrond binnen de zone wegbermen hergebruikt kan worden. Hiermee worden tegelijkertijd hoge kosten voor transport en acceptatie elders vermeden.
3 Beleidskeuzes
3.7 Wegbermen
3.7.1 Algemeen
De milieubelasting van het verkeer vormt nog steeds een bron van vervuiling van de berm. Het is daarom niet zinvol schone grond in een wegberm toe te passen, wetende dat over een aantal jaren deze berm vervuild zal raken. De geactualiseerde bodemkwaliteitskaart bevat 2 wegbermenzones met verschillende kwaliteiten; de bermen naast asfaltwegen hebben de kwaliteit Industrie en de overige wegbermen hebben de kwaliteit Wonen.
Voor de begrenzing van de bermen wordt aangesloten bij de figuren hieronder. Deze figuren zijn afkomstig uit een brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009). De wegreconstructie zelf maakt geen deel uit van de zone wegbermen.
Figuur 7: Begrenzing wegbermen
Om nuttig hergebruik van bermgrond mogelijk te maken is het onderbeschreven beleid van toepassing.
3.7.2 Bermen bij gemeentelijke en provinciale wegen binnen de bebouwde kom (gebieden met de functie Wonen of Industrie)
Hergebruik van bermengrond binnen de bebouwde kom van Heerenveen en de overige dorpen is alleen mogelijk indien de toe te passen grond voldoet aan de functie-eis van het betreffende gebied. In de meeste gevallen zal dit een kwaliteit Wonen (of Industrie) zijn. Door deze bovengrens in woongebieden wordt voorkomen dat er risico’s ontstaan voor spelende kinderen in bermen.
3.7.3 Bermen bij gemeentelijke en provinciale wegen buiten de bebouwde kom
Voor deze wegen wordt toegestaan dat grond uit deze wegbermen wordt hergebruikt binnen de zone wegbermen. Of de grond afkomstig is uit de zone asfaltwegen of overige wegen doet er niet toe, zolang de grond alleen binnen de zone wegbermen wordt toegepast. Lokaal kan het voorkomen dat bermen hierdoor in kwaliteit achteruit gaan. De toepassingseis voor dit type bermen is dan klasse Industrie.
Aan deze bermen worden geen hoge ecologische waarden toegekend. Voorwaarde is wel dat de fysische kwaliteit van de uitkomende bermgrond binnen dezelfde fysische zone wordt toegepast. Binnen de gemeente Heerenveen kennen we de onderstaande fysische kwaliteiten:
•Venige bermen;
•Zanderige bermen;
•Kleiige bermen (waarbij ook zavel wordt gerekend).
Het onderscheid tussen de verschillende fysische kwaliteiten is weergegeven op de onderstaande kaart. Ter volledigheid is deze kaart in een hogere resolutie ook opgenomen in bijlage XI.
Figuur 8: Fysische kwaliteit grond uit bermen
Voor alle overige gebieden waaronder de bermen van spoorzones en Rijkswegen geldt het generieke beleidskader. Ook geldt het generieke kader voor toepassing van grond/bagger in Heerenveen, afkomstig van buiten de gemeentegrenzen van Heerenveen (stand-still op klasseniveau).
3.7.4 Hergebruik bermengrond buiten de zone
Hergebruik van bermengrond uit zone 5 (wegbermen bij niet-asfaltwegen) buiten deze zone en binnen het beheergebied kan zonder aanvullend onderzoek plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en de toepassingskaarten. Zone 4 (wegbermen bij asfaltwegen) is heterogeen verontreinigd met PAK, zodat voor vrijkomende grond uit deze zone aanvullende spelregels gelden. Uit de uitgevoerde risicobeoordeling met Sanscit (bijlage III, paragraaf 10.3) blijkt dat voor zone 4 (wegbermen asfaltwegen) er geen sprake is van humane, ecologische of verspreidingsrisico’s voor de bodemgebruiksvorm ‘ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’ (Figuur 3: Verdeling van functies naar functieklassen (bron: NOBO rapport)). In het Besluit bodemkwaliteit is aan deze bodemgebruiksvorm de functieklasse ‘industrie’ gegeven.
Grond uit de zone 4 (wegbermen bij asfaltwegen) kan dus zonder aanvullend onderzoek worden hergebruikt op toepassingslocaties binnen het beheergebied die vallen onder deze gebruiksvorm en functieklasse. Bepalend hierbij is de beschrijving van de bodemfunctie. In het rapport NOBO
7Rapport NOBO, onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2205, 2006, 2007, ministerie van VROM (huidig I&M), december 2008
, Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, wordt onder de bodemfunctie ‘ander groen, bebouwing, infractructuur en industrie’ de onderstaande beschrijving gegeven.
Figuur 9: Beschrijving bodemgebruiksvorm (bron: NOBO-rapport)
Omdat de bovenstaande beschrijving van de gebruiksvorm breed geintepreteerd kan worden, zal hergebruik van grond uit de zone 4 (wegbermen bij asfaltwegen) gebonden zijn aan specifieke regels. De gemeente beoordeelt per geval of sprake is van een bodemgebruiksvorm die past binnen de bovengenoemde omschrijving.
Indien grond uit de zone 4 (wegbermen bij asfaltwegen) wordt toegepast in andere, meer gevoelige bodemfunctieklassen of –gebruiksvormen binnen het beheergebied, dient altijd een partijkeuring uitgevoerd te worden.
Bij hergebruik van bermengrond buiten het beheergebied wordt geadviseerd vooraf contact op te nemen met de gemeente (bevoegd gezag) waarin de toepassing is voorzien.
5 Melding, toezicht en handhaving
5.1 Melding Besluit bodemkwaliteit
5.1.1 Wie moet melden en welke toepassing moet worden gemeld
Een ieder die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit grond of baggerspecie toepast, moet dit verplicht voorafgaand aan de toepassing melden bij het bevoegde gezag. In principe moeten alle toepassingen worden gemeld, dus ook bijvoorbeeld de toepassing van schone grond of tijdelijke opslag van grond. De eisen voor schone grond zijn wel lichter. De toepassingslocatie van een werk van meer dan 50 m³ schone grond hoeft slechts eenmalig te worden gemeld.
De meldingsplicht kent een aantal uitzonderingen. De volgende toepassingen hoeven niet te worden gemeld:
•Het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel;
•Het toepassen van grond en ingedroogde baggerspecie door particulieren anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf. Dit onderscheid geldt omdat het bij particulieren vaak gaat om relatief kleine partijen grond;
•Het toepassen van grond of ingedroogde baggerspecie binnen één vestigingslocatie van een landbouwbedrijf. Voorwaarde is dat deze afkomstig is uit de bodem van dezelfde vestigingslocatie en wordt toegepast op landbouwpercelen met een vergelijkbare teelt. Het is bijvoorbeeld niet gewenst dat tarragrond en grond uit spoelbassins van bollentelers op landbodems met een andersoortige teelt terecht komen;
•Het toepassen van schone grond en ingedroogde baggerspecie in hoeveelheden kleiner dan 50 m³.
Het feit dat een bepaald soort toepassing is vrijgesteld van de meldingsverplichting betekent uiteraard nog steeds dat de toepassing aantoonbaar moet voldoen aan de toepassingsvereisten van het Besluit bodemkwaliteit (zie hiervoor de generieke of gebiedsspecifieke toepassingskaart). De bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de grond schoon is, dienen zorgvuldig te worden bewaard door de toepasser.
5.1.2 Waar moet worden gemeld
Meldingen moeten worden ingezonden via het Meldpunt bodemkwaliteit (https://meldpuntbodemkwaliteit.agentschapnl.nl). Het meldpunt stuurt de melding vervolgens door naar het bevoegd gezag die de melding inhoudelijk beoordeelt. De gemeente doet dit op basis van het stappenplan/stroomschema 'beoordeling ontvangen meldingen'.
In ieder geval beoordeelt de gemeente de melding op de volgende punten:
•De wijze van toepassing (overeenkomstig het generieke én gebiedsspecifieke beleid);
•De tijdige en correcte melding van de toepassing;
•De kwaliteitsverklaringen (inclusief check op kwalibo).
Indien aanvullende informatie noodzakelijk is, wordt dit door gemeente aangevraagd bij de melder. Als de melding is doorgestuurd door het meldpunt dan wordt de melding geregistreerd en ontvangt de melder binnen vijf werkdagen een schriftelijke (intern per email) reactie van de gemeente.
Bij de gemeente Heerenveen worden de meldingen door de medewerker bodem geregistreerd en centraal gearchiveerd.
5.1.3 Wanneer en welke gegevens moeten worden gemeld
De toepassing moet tenminste vijf werkdagen van tevoren worden gemeld. Er wordt gebruik gemaakt van standaard meldingsformulieren die op de website van Agentschap NL staan (www.meldpuntbodemkwaliteit.agentschapnl.nl).
Voor de volgende toepassingen zijn er meldingsformulieren:
•toepassing grond;
•toepassing Baggerspecie;
•schone grond;
•tijdelijke opslag.
5.3 Verdeling van verantwoordelijkheden
5.3.1 Procedure, toezicht en handhaving
In deze paragraaf is de hoofdlijn bij de handhaving opgenomen. De, in het kader van de landelijke handhavingsstrategie, vastgestelde handhavingsprotocollen zullen worden gevolgd na bestuurlijke vaststelling hiervan. In de afdelingsplannen zal een uitwerking plaatsvinden van beschikbare uren in relatie tot beschikbare menskracht waarbij eveneens rekening wordt gehouden met de Nota helder en haalbaar handhaven uit 2013 waarin prioriteiten en aandachtsgebieden bij de handhaving zijn gesteld.
Op ambtelijk niveau vindt binnen de gemeente Heerenveen periodiek afstemming plaats (grondstromenoverleg) tussen de afdelingen Vergunningen, Handhaving, IBOR (civiele projecten) en Wijkbeheer. Doel van dit overleg is om de afstemming en samenwerking te bevorderen.
1.Toezicht op gemelde toepassingen:
Na de toetsing of de melding voldoet door de afdeling Vergunningen van de gemeente, wordt de melding doorgegeven aan de milieuinspecteur. Deze controleert of de partij is toegepast overeenkomstig de melding. Het naleefgedrag wordt door middel van toezicht hierbij geïnventariseerd zodat selectieve handhaving plaatsvindt: hoe beter een (particuliere) partij de regelgeving naleeft, hoe minder zal worden gecontroleerd. De mogelijkheid is er altijd om steekproefsgewijs te controleren als het naleefgedrag goed te noemen is.
Het toezicht op gemelde toepassingen bestaat uit tenminste controleren:
•Of de samenstelling van de grond en/of baggerspecie en de toepassing overeenkomen met de melding (administratief en steeksproefsgewijs een controlemonster);
•Of de aangegeven hoeveelheid grond en/of baggerspecie wordt aangebracht;
•In het geval van gebiedsspecifiek beleid nagaan of sprake is van 'standstill' binnen het beheergebied.
Start aanleg toepassing
Het bevoegd gezag kan de start van een werk niet uitstellen op grond van de melding, aangezien er geen beschikking wordt afgegeven. Er kan pas toezichthoudend of handhavend worden opgetreden bij het daadwerkelijk toepassen van de grond/baggerspecie op de bodem.
Toezichthouders
Toezichthouders moeten zijn aangewezen op basis van de wetten die ten grondslag liggen aan het Besluit bodemkwaliteit. De toezichthouders moeten beschikken over voldoende kennis en bevoegdheden om een transport te kunnen stoppen en aan een onderzoek te kunnen onderwerpen.
2.Toezicht op niet gemelde toepassingen
Wanneer een toepassing in het veld wordt geconstateerd die mogelijk meldingsplichtig is op grond van het Besluit bodemkwaliteit wordt deze gecontroleerd en beoordeeld door het bevoegde gezag.
Voor degene die een toepassing van grond, bagger of een bouwstof achteraf waarneemt, is het belangrijk om te weten welke handhavingsstappen moeten worden gezet. Omdat het kan gaan om signaaltoezicht wordt hiervoor een eenvoudig toe te passen stappenplan ontwikkeld. Een milieu-inspecteur handelt de interne meldingen van constatering af. Bij controle op deze niet gemelde toepassingen van grond en bagger ligt de nadruk op het verkrijgen van bewijsmiddelen en zal alsnog een melding voor de toepassing moeten worden gedaan. De handhaving zal plaatsvinden aan de hand van een stappenplan/stroomschema uit de landelijke handhavingsstrategie, na bestuurlijke vaststelling hiervan. Voor het integraal toezicht en handhaving is het belangrijk dat signalen van het vrijkomen van grond of het voornemen van het toepassen van grond door collega's van de afdeling Handhaving van de gemeente bij de milieuinspecteurs terecht komen. Hiervoor bestaat een eenvoudig stappenplan: signaleren en doorgeven!
Het toezicht op niet gemelde toepassingen bestaat uit:
•Het verkrijgen van bewijsmiddelen;
•Controleren of volgens het geldende toepassingskader (generiek, gebiedsspecifiek, tijdelijke opslag, verspreiding, grootschalige bodemtoepassing) wordt toegepast (opvragen gegevens van samenstelling of erkende kwaliteitsverklaring);
•Indien een kwaliteitsverklaring wordt overgelegd, controleren of is toegepast als aangegeven in de kwaliteitsverklaring;
In het geval van gebiedsspecifiek beleid nagaan of sprake is van 'standstill' binnen het beheergebied.
5.3.2 Toezicht en toezichtloket
Preventieve handhaving
Preventieve handhaving omvat toezicht door middel van controle ter voorkoming van een bestuursrechterlijk of strafrechterlijk handhavingstraject.
Naast de bevoegdheid om bestuursrechterlijk te handhaven, hebben handhavende instanties ook bevoegdheden in de rol van toezichthouder. Een toezichthouder heeft bevoegdheden die verder reiken dan de reikwijdte van het bevoegde gezag en kan daarmee op meer actoren in de keten toezicht uitoefenen. Bij een overtreding of een vermoeden daarvan kan de toezichthouder het betrokken lokale bevoegde gezag en de inspecties informeren en kan het bevoegde gezag de afweging maken tot het nemen van bestuursrechterlijke maatregelen.
Daarnaast kan de toezichthouder of het bevoegd gezag ook kiezen voor strafrechtelijke handhaving en een procesverbaal op (laten) maken door de politie.
5.3.3 Repressieve handhaving
Repressieve handhaving is handhaving nadat een overtreding is geconstateerd of indien er een redelijk vermoeden bestaat van een overtreding. Het gaat om het houden van gerichte controles en bestaat bij het vermoeden van een overtreding uit bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk optreden.
Optreden bij vermoeden van een overtreding
Bij het vermoeden van een overtreding kunnen gerichte controles worden gehouden, waarbij nader onderzoek plaatsvindt.
De toezichthouder kan besluiten om onderzoek te laten doen naar de kwaliteit van een partij grond of bagger. Dit moet volgens de handhavingsprotocollen landelijke handhavingssstrategie, nadat deze bestuurlijk is vastgesteld. Hiermee kan worden aangetoond dat een partij niet voldoet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. De toezichthouder komt hiertoe als:
•De geleverde bewijsmiddelen voldoen, maar er aanwijzingen zijn dat een partij grond of bagger niet overeenkomt met de gegevens die bij de melding zijn verstrekt;
•De geleverde bewijsmiddelen voldoen, maar de gebruiker dubieuze gegevens verstrekt;
•De gebruiker in het geheel geen gegevens verstrekt en weigert deze te verstrekken;
•De gebruiker reeds eerder één of meerdere overtredingen heeft begaan en de toezichthouder grote twijfel heeft over de geleverde gegevens.
De gemeente besteedt het onderzoek/bemonstering naar de kwaliteit van grond en bagger uit aan een daartoe gecertificeerde instelling. Indien blijkt dat de partij niet voldoet aan de eisen wordt opgetreden als bij een overtreding (bestuursrechterlijke en/of strafrechterlijke handhaving).
Optreden bij overtreding
Bij een overtreding is bestuursdwang, dwangsom en strafrechtelijk optreden mogelijk. Bij deze laatste overtreding kan contact worden gezocht met het Team milieu Noord-Nederland.
Bijlage I Referenties en begrippen
Referenties
1Besluit Bodemkwaliteit (3 december 2007, Staatsblad nr. 469) en rectificatie d.d.
–http://wetten.overheid.nl/BWBR0022929/geldigheidsdatum_03-07-2015/informatie
2Regeling bodemkwaliteit (20 december 2007, Staatscourant nr. 247) en diverse wijzigingen d.d.
–http://wetten.overheid.nl/BWBR0023085/geldigheidsdatum_03-07-2015/informatie
3Handreiking Besluit Bodemkwaliteit, SenterNovem/Bodem+
4Kijk op Risicotoolbox Bodem, Beoordelen van de actuele bodemkwaliteit en kiezen van Lokale Maximale Waarden, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), publicatie rapport 711701082/2008
5Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, VROM, Min. van Verkeer en Waterstaat 3 september 2007 en wijzigingen d.d.
–januari 2008 en 2014.
6NOBO-rapport, Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling: Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen 2005, 2006,2007
7Bodembeheerplan Gemeente Heerenveen, 19 januari 2010, projectnr. 14207-200191, Oranjewoud.
8Nota groenbeheer gemeente Heerenveen, H. Huisman
9Ingenieursbureau Oranjewoud B.V., 2001. Onderzoek naar lokale puntbronnen en achtergrondverontreiniging aan de Herenwal
10www.heerenveen.nl
11www.wikipedia.nl
Begrippen
Generiek beleid
Beleid waarbij het landelijk beleid en landelijk geldende normen worden gehanteerd.
Gebiedsspecifiek beleid
Beleid gericht op lokale of regionale situatie met specifiek hiervoor geldende normen.
Lokale Maximale Waarden
Gebiedsspecifieke normen voor de chemische bodemkwaliteit.
RisicoToolBox (RTB)
Instrumentarium waarmee een risico-inschatting kan worden gedaan bij het bepalen van lokale maximale waarden en waarmee de huidige kwaliteit van de bodem kan worden beoordeeld.
Kwalibo
Kwaliteitsborging bodembeheer heeft tot doel het verbeteren van de kwaliteit van de uitvoering van bodemwerkzaamheden en is gericht op de bodemintermediairs zoals adviesbureau’s, laboratoria, aannemers, grondbanken en producenten van bouwstoffen.
Grond
Grond is vast materiaal en bestaat uit minerale delen met een maximum korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem wordt aangetroffen, alsmede van nature voorkomende schelpen en grind in een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie. Het besluit stelt aanvullend dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten.
Baggerspecie
Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via oppervlaktewater of de voor dat doel bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de voorkomende schelpen en grind in een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Het besluit stelt aanvullend dat een partij baggerspecie maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten.
Bouwstof
Een bouwstof is materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond en baggerspecie, in de hoedanigheid waarin het is bestemd om te worden toegepast.
Bodemkwaliteitskaart
Diverse kaarten die als geheel een beschrijving geven van de bodemkwaliteit in een bepaald gebied. De bodemkwaliteitskaart bestaat uit verschillende 'lagen' waarbij elk van de lagen gericht is op de ruimtelijke presentatie van een bepaald kenmerk dat bepalend is voor de (verwachte) bodemkwaliteit.
(Homogeen) deelgebied
Homogene deelgebieden zijn delen van het grondgebied waar op basis van een aantal factoren een min of meer gelijke homogene diffuse bodemkwaliteit wordt verwacht (gebiedsspecifieke achtergrondwaarden). Hierbij kan worden gedacht aan factoren als bodemgebruik (wonen, industrie), historie (oude stadskern, nieuwe buitenwijken) en bodemtype (zand, veen of klei).
Verdachte locatie
Locatie waarvoor op basis van vooronderzoek concrete aanwijzingen bestaan dat die locatie, of een deel ervan, is verontreinigd met één of meer stoffen als gevolg van menselijk handelen.
Bodemfunctiekaart
De bodemfunctiekaart geeft de gebruiksfuncties van de verschillende gebieden weer in een beheersgebied waarvoor het bodembeleid geldt.
Ontgravingskaart
Deze kaart geeft de kwaliteitsklasse van de te ontgraven grond aan (op basis van de gemiddeld gemeten gehalten).
Toepassingskaart
Op deze kaart wordt aangegeven welke kwaliteit grond waar toegepast mag worden.
Achtergrondwaarde
De achtergrondwaarden zijn landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit en geven de bovengrens aan voor wat in de dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden (ook wel AW2000 genoemd) zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. Dit omdat in dergelijke gronden geen belasting door lokale verontreinigingsbronnen aanwezig wordt geacht. Achtergrondwaarde van een verontreinigende stof in de bodem is de waarde, gebaseerd op de som van de natuurlijke achtergrondwaarde en de antropogene achtergrondwaarde.
Interventiewaarde
De interventiewaarde geeft het concentratieniveau in de grond, waterbodem of grondwater aan waarboven de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant en dier heeft, in ernstige mate kunnen zijn verminderd.
Gemiddelde
Gemiddelde concentratie/gehalte van een stof in een deelgebied. Hiertoe worden alle concentraties van de representatieve waarnemingen bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal waarnemingen.
80percentielwaarde (P80)
Deze waarde geeft per stof en per deelgebied een concentratieniveau aan en wel het niveau dat door 80% van de representatieve waarnemingen niet wordt overschreden; 20% van de representatieve waarnemingen is dus hoger dan deze waarde. Op deze wijze kunnen ook andere statistische kentallen als de P25, P50, P90 of P95 worden weergegeven.
Uitbijter/extremen
Uitbijters of uitschieters zijn ongebruikelijk hoge of lage waarnemingen in een steekproef. Het zijn waarnemingen die niet voldoen aan het patroon dat door de andere waarnemingen wordt bevestigd. Met andere woorden een gehalte dat niet tot de populatie van de diffuse bodemverontreiniging behoort.
Bijlage II Toelichting Besluit bodemkwaliteit
II.1De toetsingskaders van het Besluit bodemkwaliteit
Het hergebruik van grond en baggerspecie volgens het Besluit bodemkwaliteit is enerzijds gebaseerd op de milieuhygiënische kwaliteit van zowel de her te gebruiken grond of baggerspecie als de ontvangende bodem en anderzijds op de functie van de ontvangende bodem. Het Besluit kent voor de algemene toepassing van grond en baggerspecie op of in de bodem een generiek (landelijk geldend) kader en een gebiedsspecifiek (lokaal vast te stellen) kader. Met gebiedspecifiek beleid kunnen lokale bodembeheerders zelf bodemkwaliteitsnormen vaststellen en daarbij kan worden gestuurd op beschermingsniveau en toepassingsmogelijkheden. Als randvoorwaarde geldt dat sprake moet zijn van ‘stand-still’ op gebiedsniveau.
Gebiedsspecifiek beleid is mogelijk voor één of meerdere beheergebieden of voor delen van een beheergebied. Hierbij kunnen voor één of meerdere stoffen lokale normen worden vastgelegd. Wanneer geen gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld, geldt automatisch het generieke beleid.
Daarnaast heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om gebruik te maken van toetsingskaders voor bijzondere toepassingen; te weten grootschalige bodemtoepassingen, verspreiding van grond en bagger en tijdelijke opslag. Voor ieder toetsingskader gelden andere mogelijkheden met bijbehorend normenstelsel. Het is aan de gemeente per gebied of situatie het meest passende kader te kiezen. De verschillende toetsingskaders zijn hieronder nader toegelicht.
Let wel: het Besluit bodemkwaliteit is niet het enige toetsingskader. Een toepassing moet ook kunnen op grond van andere geldende regels, zoals de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO). Zo kan een partij grond op basis van het Besluit bodemkwaliteit ergens een jaar mogen worden opgeslagen, de WRO kan dit verbieden.
II.2Generiek toetsingskader
Zowel het generieke- als het gebiedsspecifieke toetsingskader hanteren als uitgangspunt bij het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem dat de bodem zijn functie duurzaam kan blijven vervullen en gaan uit van een ‘stand-still’ benadering. Bij het generieke toetsingskader moet dit ‘stand-still’ principe op klasseniveau plaatsvinden.
Er zijn landelijk geldende kwaliteitswaarden geformuleerd, gekoppeld aan de functies landbouw/natuur, wonen en industrie. In figuur 2 is het onderscheid van deze klassen opgenomen.
Figuur 1: Overzicht generieke normen landbodem
De kwaliteit van de bodem en de functie die deze bodem vervult, zijn niet altijd dezelfde. In dat geval geldt bij het toepassen van grond en bagger op deze bodem de strengste eis. Zo mag in gebieden met de bodemfunctieklasse Wonen en waar de kwaliteit van de bodem binnen de klasse Industrie valt, alleen grond worden toegepast met een kwaliteit die voldoet aan de klasse Wonen. Figuur 3 geeft een visuele toelichting op deze regels.
Figuur 2: Regels van het generieke beleid
(de kleur van het vlak representeert de bodemkwaliteit, de iconen de functie)
Voor meer informatie en achtergronden bij de generieke toepassingseisen wordt verwezen naar de handreiking Besluit bodemkwaliteit (www.bodemplus.nl).
II.3Gebiedsspecifiek toetsingskader
Ook het gebiedsspecifieke toetsingskader gaat uit van het 'stand-still' principe, maar dan op gebiedsniveau. Dat betekent in de praktijk dat het bevoegd gezag zelf de ruimte heeft hoe zij de normen stelt, als de kwaliteit binnen haar gebied maar niet verslechtert. Het Besluit biedt daarmee de mogelijkheid het bodembeleid aan te passen aan de lokale of regionale situatie, waarmee het grond en baggerverzet kan worden geoptimaliseerd.
Figuur 3: In de onderste rij zijn de gebiedsspecifieke mogelijkheden afgezet tegen de generieke mogelijkheden in de bovenste rij.
Bij het grondverzet bestaat de mogelijkheid op lokaal of regionaal niveau concentratiegrenzen van de bodemgebruiksklassen te optimaliseren. Dit kan door het vaststellen van Lokale Maximale Waarden (zie figuur 3). Zo kunnen voor bepaalde gebieden normen worden gesteld die beter passen bij de functie die ze hebben en die grondverzet beter mogelijk maken. Dit zijn feitelijk ook de hoofdredenen om gebruik te maken van het gebiedsspecifieke kader.
Er zijn grenzen aan het stellen van Lokale Maximale Waarden. Er moet wel worden gemotiveerd of zij geen onaanvaardbare risico's opleveren voor de functie die de betreffende bodem vervult. Om dit te bepalen is door het RIVM de Risicotoolbox ontworpen. Deze toolbox geeft aan welke humane en/of ecologische risico's het verhogen van de generieke concentratiegrenzen voor een specifieke situatie met zich meebrengen. De beoordeling of deze risico's acceptabel zijn voor de specifieke situatie is een beleidsmatige afweging door het bevoegd gezag.
Figuur 4 geeft een visuele toelichting op hoe een gemeente om zou kunnen gaan met Lokale Maximale Waarden.
Figuur 4: Mogelijke regels van het gebiedsspecifieke beleid
(de kleur van het vlak representeert de bodemkwaliteit, de iconen de functie)
II.4Toetsingskaders voor bijzondere toepassingen
II.4.1Verspreiden van baggerspecie
Het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel was tot juli 2008 geregeld in het besluit ‘Vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen’. Hierbij mocht licht verontreinigde baggerspecie tot 20 m uit de oever op het aangrenzende perceel worden verspreid. Het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel is nu formeel vastgelegd in het Besluit bodemkwaliteit. De ‘20 meter’-grens is vervallen, voortaan is dit de perceelsgrens. Er hoeft geen toetsing van de kwaliteit van de ontvangende bodem plaats te vinden. De bovengrens wordt gevormd op basis van een ecologische risicobepaling: de zogenaamde msPAF methode (meer stoffen-Potentieel Aangetaste Fractie). De uitslag van deze toets is een risicopercentage. In de Regeling bodemkwaliteit, behorend bij het Besluit, is opgenomen onder welk percentage de baggerspecie verspreidbaar is op het aangrenzend perceel.
Figuur 5: Overzicht normen verspreiden baggerspecie op aangrenzend perceel (landbodem)
II.4.2Grootschalige bodemtoepassingen
Het Besluit bodemkwaliteit biedt tevens een apart kader voor grootschalige toepassingen van grond en baggerspecie in hoeveelheden van meer dan 5.000 m3. Daarbij valt te denken aan ophogingen als terpen of geluidswallen (zie figuur 6).
Figuur 6: Voorbeelden van grootschalige toepassingen
Ook het verondiepen van diepe plassen/putten valt hieronder. Wat betreft deze laatste toepassing is onlangs het concept-rapport "Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen" gepubliceerd
9d.d. 25-11-2009, werkgroep van het Implementatieteam Besluit bodemkwaliteit.
. Deze handreiking vormt een noodzakelijke aanvulling op het Besluit en heeft als doel om meer duidelijkheid te verschaffen over deze specifieke toepassingsmogelijkheid alsmede om andere aspecten te verduidelijken (zoals procedures en ruimtelijke inpassing).
Binnen het kader van grootschalige bodemtoepassingen mag grond worden toegepast die een slechtere kwaliteit heeft dan de ontvangende bodem. Voorwaarde is dat het gehalte aan verontreinigende stoffen de klasse Industrie niet overschrijdt, dat de toepassing plaatsvindt in een laagdikte van minimaal 2 meter (0,5 meter voor (spoor)weg toepassingen) en dat een leeflaag wordt aangebracht van minimaal 0,5 meter dikte. De leeflaag moet geschikt zijn voor de functie en passen bij de daadwerkelijke kwaliteit van de omliggende bodem. Voor de toepassing in wegen en spoorwegen geldt een laagdikte van een 0,5 meter met een afdekking van een aaneengesloten laag van bouwstoffen.
Voor grootschalige toepassingen geldt geen toetsing aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Om te voorkomen dat te veel stoffen vanuit de toepassing uitlogen naar de onderliggende bodem, mag de toe te passen grond de in het Besluit opgenomen emissietoetswaarde niet overschrijden (geldt niet voor toepassingen onder oppervlaktewater).
Kwaliteit van bermen en taluds bij grootschalige toepassingen
Voor bermen en taluds bij rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen zijn uitzonderingen opgenomen voor de kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie. Hiervoor geldt dat alleen hoeft te worden getoetst aan de Maximale Waarden voor de klasse Industrie. Er geldt geen toets van de ontvangende bodemkwaliteit. Deze uitzondering is gemaakt omdat de milieubelasting van het verkeer (nog steeds) een bron vormt van vervuiling van de berm. De uitzondering is daarom begrensd tot een maximum van 10 meter vanaf de rand van de verharding of ballastbed. De uitzondering geldt niet voor gemeentelijke wegen. Deze bermen en taluds worden wel getoetst aan de kwaliteit en functie van de naastliggende bodem, omdat gemeentelijke wegen vaak door bewoond gebied gaan.
Kleinschalige toepassingen
Onder het generieke beleid is het niet meer mogelijk om grond/baggerspecie in kleinschalige werken waarvan de grond niet voldoet aan de kwaliteit of de functie van de ontvangende bodem, toe te passen. Op basis van het Bouwstoffenbesluit kon categorie I grond (onder voorwaarden) worden toegepast in een kleinschalig werk (>50 m3) op een schone bodem. Met het Besluit bodemkwaliteit zal derhalve aan de generieke toepassingseis moeten worden voldaan, tenzij sprake is van een grootschalige toepassing. Met het gebiedsspecifieke beleid bestaat deze mogelijkheid nog wel, mits aan de Lokale Maximale Waarden van het toepassingsgebied wordt voldaan.
II.4.3Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie
Ook voor tijdelijke opslag van grond en baggerspecie geldt een bijzonder toetsingskader. Binnen dit kader mag grond en bagger tijdelijk worden opgeslagen zonder te voldoen aan de dubbele toetsing aan kwaliteit én functie. Voor opslag tot 6 maanden van grond hoeft de partij ook niet te voldoen aan de kwaliteit van de ontvangende bodem, bij langere opslag wel. Toetsing aan de functie is echter niet nodig. Voor opslag van baggerspecie in weilanddepots gelden de toetsingskaders voor het verspreiden van baggerspecie. Weilanddepots mogen alleen worden aangelegd op het aangrenzende perceel van de watergang waaruit de bagger afkomstig is.
Tijdelijke opslag moet wel altijd worden gemeld. Het Besluit bodemkwaliteit vereist weliswaar geen Omgevingsvergunning, maar als voorwaarde geldt dat de opslag plaatsvindt voorafgaand aan een definitieve nuttige toepassing. Daarom moet de eindbestemming bij het melden ook al worden aangegeven. In artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit is opgenomen wat als nuttige en functionele toepassing wordt verstaan.
Wanneer grond of baggerspecie tijdelijk wordt opgeslagen, dient vooraf door het bevoegd gezag te worden bepaald of sprake is van een tijdelijke opslag als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. In tabel 1 zijn de vormen van tijdelijke opslag benoemd zoals aangegeven in het Besluit bodemkwaliteit.
Tabel 1: Overzicht beleid tijdelijke opslag
Vorm van tijdelijke opslag
Voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit:
Maximale duur van de opslag
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
Kortdurende opslag
6maanden
-
Ja
Tijdelijke opslagop landbodem
3jaar
Kwaliteit moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem
Ja, met duur vande opslag en eindbestemming
Tijdelijke opslagin oppervlaktewater
10jaar
Kwaliteit moetvoldoen aan kwaliteitsklasse van de ontvangende waterbodem
Ja, met duur vande opslag en eindbestemming
Weilanddepot:
opslag baggerspecie op aangrenzend perceel
3jaar
Alleen baggerspecie die voldoet aan de generieke verspreidingsnorm voor verspreiding over aangrenzende percelen
Ja, met duurvan de opslagen eindbestemming
Bijlage III Bodemkwaliteitskaart
III.1Uitgangspunten en stappen
De bodemkwaliteitskaart is opgesteld conform de Richtlijn bodemkwaliteits- kaarten. Deze richtlijn beschrijft de acht stappen die moeten worden doorlopen om tot een bodemkwaliteitskaart te komen:
In Stap 1 worden de beleidsmatige en technisch-inhoudelijke keuzes gemaakt.
In Stap 2 dient te worden vastgesteld welke kenmerken binnen het beheergebied naar verwachting een belangrijke rol spelen bij het definiëren van deelgebieden.
In Stap 3 worden bodemgegevens geschikt gemaakt voor verwerking tot een bodemkwaliteitskaart.
In Stap 4 worden voorlopige homogene deelgebieden samengesteld. Dit gebeurt op basis van de kenmerken waarvan in stap 2 werd verwacht dat deze bepalend zijn voor de bodemkwaliteit.
In Stap 5 wordt op basis van de beschikbare meetresultaten vastgesteld of de indeling in deelgebieden van stap 4 juist is.
Indien nodig wordt in Stap 6 aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd.
In Stap 7 worden de verschillende soorten gegevens, die van elke bodemkwaliteitszone beschikbaar zijn, in samenhang geïnterpreteerd. Op basis hiervan wordt een rapport opgesteld waarin de totstandkoming van de bodemkwaliteitskaart wordt weergegeven en gemotiveerd.
In Stap 8 wordt, op basis van de bodemkwaliteit in combinatie met de functiekaart, de toepassingseis per bodemkwaliteitszone geformuleerd. Tevens wordt per bodemkwaliteitszone aangegeven onder welke voorwaarde grondverzet zonder aanvullende keuring is toegestaan. Dit resulteert in een toepassingskaart en een ontgravingskaart.
Naast de genoemde richtlijn is de bodemkwaliteitskaart gebaseerd op het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. Ook is gebruikgemaakt van de 'Handreiking Besluit bodemkwaliteit' van Bodem+ (tegenwoordig onderdeel van Rijkswaterstaat Leefomgeving) en van het boekje 'Grondverzet met bodemkwaliteitskaarten' van TNO/Deltares (opgesteld in opdracht van Bodem+).
III.2Relatie oude bodemkwaliteitskaart
Om hergebruik van grond binnen de eigen gemeente op eenvoudige wijze te faciliteren, hebben de gemeenten Heerenveen, Skarsterlân en Boarnsterhim in het verleden al een bodemkwaliteitskaart (en bodembeheernota) opgesteld:
•Heerenveen
'Bodembeheerplan gemeente Heerenveen', Oranjewoud, projectnummer 14207-20019, revisie 02, januari 2010.
•Boarnsterhim
'Regionale bodemkwaliteitskaart Fryslân', Oranjewoud, projectnummer 206115.03, revisie 01, december 2011.
•Skarsterlân
‘Regionale bodemkwaliteitskaart gemeenten Gaasterlân-Sleat, Lemsterland, Skasterlân en Sudwest Fryslân, Oranjewoud, projectnummer 243586, revisie 01, juli 2012.
Voor het actualiseren, en naar de nieuwe gemeentegrenzen opschalen, van de bodemkwaliteitskaart is de bij voorgaand genoemde kaarten gehanteerde indeling in bodemkwaliteitszones als basis gebruikt (zie paragraaf III.4).
III.3Technisch-inhoudelijke onderbouwing
De technisch-inhoudelijke onderbouwing gaat in op de eisen waar een bodemkwaliteitskaart aan moet voldoen.
In de richtlijn zijn de onderwerpen benoemd die essentieel worden geacht om de kwaliteit van het grondverzet te kunnen waarborgen. Deze onderwerpen moeten dan ook minimaal in de onderbouwing worden meegenomen. Dit betreft:
•Het (deel van het) beheergebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld.
•De diepte en de te onderscheiden dieptetrajecten waarover de bodemkwaliteitskaart een uitspraak doet.
•De stoffen die in de bodemkwaliteitskaart worden opgenomen.
•De onderscheidende kenmerken op basis waarvan de bodemkwaliteitszones worden gedefinieerd.
•De kwaliteitseisen waaraan een zone moet voldoen.
•De statistische kentallen op basis waarvan de zones worden gekarakteriseerd.
•In welk kader (generiek of gebiedsspecifiek) de kaart functioneert.
III.4Bodemkwaliteitszones
Algemeen
Het uitgangspunt voor het definiëren van een bodemkwaliteitszone wordt gevormd door een vergelijkbare, gebiedseigen, bodemkwaliteit. Het indelen in bodemkwaliteitszones vindt daarom over het algemeen plaats op basis van de gebruikshistorie en de milieuhygiënische bodemkwaliteit, eventueel in combinatie met de bodemopbouw.
Omdat de gemeenten Heerenveen, Boarnsterhim en Skarsterlân al beschikten over een (regionale)bodemkwaliteitskaart is, voor het actualiseren van de bodemkwaliteitskaart, de bestaande indeling in bodemkwaliteitszones als uitgangspunt gehanteerd, waarbij de nieuwe zone-indeling is gebaseerd op de actuele bodemkwaliteit. Zo zijn de zones ‘buitengebied’ met een gelijkwaardige kwaliteit AW2000 samengevoegd tot één zone.
Zone-indeling
De nieuwe zone-indeling is in de onderstaande tabel opgenomen. Hierbij is uitgegaan van de actuele bodemkwaliteit zoals in de voorgaande bodemkwaliteitskaarten berekend. De wegbermen vormen aparte zones omdat de samenstelling van de zone wegbermen in de verschillende kaarten niet uniform is.
Tabel 2: Oude en nieuwe zone-indeling
Zonenaam oude BKK
Bodemkwaliteit
Voorlopige zonenaam (voorafgaand aan samenvoeging)
Oud-Heerenveen
Wonen tot 1940
BG; Wonen
OG; AW2000
Zone 2
Wonen na 1940
BG; AW2000
OG; AW2000
Zone 1
Industrie
BG; AW2000
OG; AW2000
Zone 1
Buitengebied
BG; AW2000
OG; AW2000
Zone 1
Bermen overige wegen
BG; Wonen
Zone 5
Bermen asfaltwegen
BG; Industrie
Zone 6
Boarsterhim
Regionale zone 3
BG; Industrie
OG; Wonen
Zone 4
Regionale zone 2
BG; Wonen
OG; Wonen
Zone 3
Regionale zone 1
BG; AW2000
OG; AW2000
Zone 1
Skarsterlân
Regionale zone 3/6
BG; AW2000 OG; AW2000
Zone 1
Regionale zone 7 (wegbermen)
BG; Industrie
10Geen waarnemingen aanwezig in de dataset.
n.v.t.
De voorlopige zone-indeling is later op basis van zonekwaliteit teruggebracht tot 6 zones. Deze zonekaart is opgenomen in bijlage IV.
Zone wegbermen
Voor de zone ‘ wegbermen’ is een andere indeling gehanteerd omdat de zone wegbermen in Oud-Heerenveen afwijkt van de wegbermendefinitie zoals gehanteerd in Boarsterhim en Skarsterlân. In oud Heerenveen is de zone wegbermen gesplitst in asfaltwegen en overige wegen, de wegconstructie hierbij inbegrepen).
Voor de huidige zone-indeling is besloten om de wegbermen te selecteren door link en rechts van wegen een buffer van 2 meter aan te houden voor wegen binnen het bebouwd gebied en een zone van 4 meter voor wegen die gelegen zijn buiten de bebouwde kom. Waarnemingen die binnen deze zone vallen (de wegconstructie zelf uitgezonderd) zijn opgenomen in de nieuwe zone wegbermen.
Op basis van een verhardingsinventarisatie (afkomstig uit het beheerpakket GBI) zijn de wegbermen opnieuw ingedeeld in asfalthoudende wegen en overige wegen.
Voor de asfalthoudende wegbermen zijn de onderstaande verhardingen toegekend:
•Bitumineus;
•Slijtlaag 2/6 mm en 4/8 mm;
•Steenmastiekasfalt 0/8 en 0/11;
•Dichtasfaltbeton 0/11.
III.5Beheergebied bodemkwaliteitskaart
Het gebied waarvoor deze bodemkwaliteitskaart is opgesteld, is gelijk aan het grondgebied van de gemeente Heerenveen na de gemeentelijke herindeling van 1 januari 2014.
Figuur 13: Grondgebied Heerenveen (bron: Wikipedia)
Uitgesloten gebieden
Een aantal locaties binnen het grondgebied van de gemeente Heerenveen is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart:
•De bodem onder oppervlaktewater. De gemeente is hiervoor geen bevoegd gezag in het kader van het Besluit bodemkwaliteit;
•De bodem ter plaatse van de rijkswegen (RWS) en de spoorzone (NS/Prorail);
•Herenwal; deze locatie is sterk heterogeen en uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart;
•Verdachte en verontreinigde locaties. Enekel voorbeelden hiervan:
o Oksel klaverblad A7/A32 (hier is relatief veel klasse Industriegrond toegepast);
o Voormalige stortlocaties Kostverloren en Haskerdijken en stortplaats Ecopark de Wierde.
Dit zijn locaties waar (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden (of plaatsvinden) waarvan bekend is, of het vermoeden bestaat, dat de bodemkwaliteit op de betreffende locatie c.q. perceel afwijkt van die van de omgeving. Deze locaties zijn, voor zover bekend, buiten beschouwing gelaten bij de data-bewerking. De lijst met uitbijters is opgenomen als bijlage VIII. Het overzicht van uitgesloten locaties is dynamisch en hiervoor wordt verwezen naar de gemeente.
Voor de uitgesloten gebieden mag geen gebruik worden gemaakt van onderliggende bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van een toe te passen partij grond en/of de ontvangende bodem. In het hoofddocument is dit nader beschreven.
III.6Uitgangspunten actualisatie
Deze bodemkwaliteitskaart is opgesteld:
•Voor alleen grond en dus niet voor grondwater of waterbodems;
•Samenvoeging van deelgebieden vindt zoveel mogelijk plaats op basis van gelijke bodemkwaliteit;
•Er dient een vergelijkbaarheidsmeting te worden uitgevoerd voor waarnemingen in de periode 2005-2010 en 2010-2015. Bij vergelijkbare kwaliteit kan de dataset worden samengevoegd tot één. Meer waarnemingen geeft een betrouwbaarder beeld van de bodemkwaliteit;
•Vaststelling van de actuele bodemkwaliteit vindt plaats op basis van de P80
11De P80 wil zeggen dat 80% van de waarnemingen onder een bepaalde waarde ligt.
. Dit geeft een hogere mate van zekerheid;
•Op basis van relevante informatie uit het bodeminformatiesysteem van de gemeente Heerenveen (incl. bodeminformatie Boarnsterhim en Skarsterlân), aangevuld met aanvullende waarnemingen (zie paragraaf III.7.2);
•Voor de parameters van het standaard stoffenpakket grond:
–metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink);
–polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM);
–polychloorbifenylen (PCB som 7);
–minerale olie (GC).
•Met minimaal 20 waarnemingen per zone en 3 waarnemingen ter plaatse van ieder niet- aaneengesloten gelegen deelgebied;
•Voor de toetsing is uitgegaan van de normen en rekenregels voor het op landbodem toepassen van grond. De bij deze toepassing behorende toetsingswaarden (klasse achtergrondwaarde, klasse wonen en klasse industrie) zijn opgenomen in tabel 1 van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit;
•Voor de boven- en ondergrond (0-0,5 en 0,5-2,5 m –mv). Voor de zone wegbermen geldt een dieptetraject tot 0,3 m-mv).
III.7Databewerking
III.7.1Gegevens bodeminformatiesysteem
Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart is gebruik gemaakt van de gegevens aanwezig in een datadump van het bodeminformatiesysteem (BIS). De gemeente Heerenveen maakt gebruik van Nazca-i. Hierin zijn ook de gegevens van de voormalige gemeente Boarnsterhim en SkarsterLân opgenomen.
In een bodeminformatiesysteem zijn de onderzoeksgegevens van diverse typen onderzoeken opgenomen, zoals verkennend en nader onderzoeken maar ook saneringen en evaluatierapporten. Omdat de bodemkwaliteitskaart een betrouwbare en representatieve weergave moet zijn van de actuele (diffuse) bodemkwaliteit, moeten onderzoeksgegevens van bijvoorbeeld puntbronnen of verdachte percelen buiten beschouwing worden gelaten.
Dit betekent dat de dataset moet worden bewerkt ('opgeschoond') zodat alleen die analysegegevens overblijven, die geschikt zijn om te worden gebruikt voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart. De uitgangspunten en selecties die bij deze databewerking (de zogenoemde 'rekensessies') zijn gehanteerd, zijn beschreven in bijlage VIII. De rekensessies zelf worden toegelicht in paragraaf III.7.3.
III.7.2Aanvullend bodemonderzoek
Het aantal waarnemingen, dat na het bewerken van de dataset overbleef, voldeed niet aan de criteria van de richtlijn voor het aantal waarnemingen in een snipper en/of de spreiding van waarnemingen over een zone. In de onderstaande tabel 2 zijn de zones en het aantal aanvullende waarnemingen opgenomen.
Tabel 3: overzicht aanvullende waarnemingen
Naamzone
Aantal te onderscheiden trajecten
Aantal boringen
Reden
Wegbermen (asfalthoudend)
1
–bovengrond (0,0-0,3 m –mv.)
5st.
Onvoldoende spreiding
Wegbermen (overige wegen)
1
–bovengrond (0,0-0,3 m –mv.)
4st.
Onvoldoende spreiding
Zone 3 (vml. Boarnsterhim)
2
–bovengrond (0,0-0,5 m –mv.)
–ondergrond (0,5-2,5 m –mv.)
4st.
Onvoldoende waarnemingen
In totaal zijn 13 extra waarnemingen verzameld en geanalyseerd op het NEN5740 pakket voor grond. Voor de wegbermen was sprake van een onvoldoende spreiding van de bestaande waarnemingen over de zone. Dit is het gevolg van de herindeling waarbij nieuw grondgebied is toegevoegd aan de gemeente. Omdat de zone wegbermen een meer heterogeen beeld laat zien dan de andere zones, is een hogere spreidingseis aangehouden. De gemeente is in 20 gelijke vakken verdeeld waarbij in ieder vak minimaal één waarneming aanwezig moet zijn.
Voor zone 3 geldt dat deze zone onderdeel was van de regionale bodemkwaliteitskaart NO Fryslân. Het gebied waartoe deze zone behoorde was onderdeel van één snipper waarbij de eis van minimaal 3 waarnemingen is losgelaten. Hierdoor was maar 1 waarneming beschikbaar.
Omdat dit onvoldoende is om de feitelijke gebiedskwaliteit te bepalen, zijn in totaal 4 waarnemingen toegevoegd aan de zone (2 per onderscheidende bodemlaag).
Voor het bepalen van het tekort aan waarnemingen is uitgegaan van de parameters lood en PCB’s (één stof uit oude stoffenpakket en één stof uit het nieuwe pakket). De tellingen zijn uitgevoerd met de dataset die is overgebleven na het uitvoeren van de 2e rekensessie, waarbij de extreme gehalten (uitbijters) al uit de dataset zijn verwijderd.De resultaten van het aanvullend bodemonderzoek zijn aan de bewerkte dataset toegevoegd waarna een nieuwe rekensessie is uitgevoerd.
III.7.3Rekensessies
Voor het tot stand komen van de bodemkwaliteitskaart zijn meerdere rekensessies uitgevoerd. De uitgevoerde berekeningen worden hieronder kort toegelicht.
Rekensessie 1 en 2:
De data, zoals aanwezig in de samengevoegde datadumps van de bodeminformatiesystemen, is doorgerekend en geclassificeerd (op basis van de gemiddeld gemeten gehalten). Hierbij is uitgegaan van de in bijlage IV aangegeven zone-indeling.
De uitgangspunten en selecties die bij deze rekensessie zijn gehanteerd, zijn beschreven in bijlage
VIII. Op basis van de uitkomsten van deze rekensessies zijn extremen gehalte uit de database verwijderd. Deze extremenanalyse heeft in 2 rekensessies plaatsgevonden.
Rekensessie 3:
Op basis van de opgeschoonde data, na het verwijderen van extremen, is het tekort aan waarnemingen bepaald (zie paragraaf 0). Ook is hierbij het voorstel voor samenvoeging van zones opgesteld. Tijdens de uitvoering van het veldwerk en het toevoegen van de nieuwe waarnemingen aan de dataset heeft een uitsplitsing van rekensessies plaatsgevonden (rekensessie 4).
Rekensessie 4:
In deze rekensessie is de dataset opgedeeld in de onderstaande jaartallen:
•Periode 2005-2010;
•Periode 2010-2015.
Er heeft een vergelijking plaatsgevonden van de aangetroffen gehalten in de beide datasets op het P80-gehalte. In de onderstaande tabel zijn voor de zone 1 en zone 2 de waarnemingen voor de bovengrond weergegeven.
Tabel 4: Periodevergelijking dataset
Stofnaam
Zone 1 bovengrond
Zone 2 bovengrond
P80
2005-2010
P80
2010-2015
P80
2005-2010
P80
2010-2015
Barium (Ba)
95
94
155
152
Cadmium (Cd)
0.45
0.58
0.52
0.59
Cobalt (Co)
10
9.0
12
10
Koper (Cu)
26
19
24
20
Kwik (Hg)
0.14
0.20
0.22
0.32
Lood (Pb)
81
52
115
137
Molybdeen (Mo)
1.5
1.5
1.5
1.5
Nikkel (Ni)
11
13
15
14
Zink (Zn)
83
83
126
105
PCB (som 7)
0.0066
0.025
0.013
0.013
PAK 10 VROM
1.1
2.3
2.6
3.9
Minerale olie (totaal)
53
89
72
93
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de gehalten van individuele stoffen tussen de verschillende periodes van 0-5 jaar terug en 5-10 jaar met elkaar vergelijkbaar is. Er zijn geen grote verschillen tussen de 2 periodes. In overleg met de gemeente is hierop besloten de data tot 10 jaar terug te gebruiken voor deze actualisatie. Meer waarnemingen geven een betrouwbaarder beeld van de bodemkwaliteit. Met deze vergelijking is voldaan aan de eis uit de Richtlijn.
Rekensessie 5:
In rekensessie 5 is de dataset aangevuld met de waarnemingen van het aanvullend onderzoek van de wegbermen en zone 3. Op basis van de gemeten gehalten zijn vervolgens de kwaliteitsklassen (o.b.v. P80) van de zones bepaald. Daarnaast zijn de voor de bodemkwaliteitskaart benodigde (statistische) kentallen gegenereerd:
•Het aantal waarnemingen;
•De gemiddelde gehalten per parameter (incl. lutum en organische stof);
•De maximaal gemeten gehalten;
•Diverse percentielwaarden (P50, P80, P90, P95);
•Boven- en ondergrens van het 80% betrouwbaarheidsinterval rond het gemiddelde;
•Heterogeniteitstoets;
•Standaarddeviatie en variatiecoëfficient.
De uitkomsten van deze 5e rekensessie zijn opgenomen in bijlage IX. De kentallen zijn weergegeven voor standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). Voor het in standaardbodem weergeven van de statistische kentallen is uitgegaan van het gemiddelde organische stof/humus- en lutumgehalte per zone.
III.7.4Samenvoeging van kwaliteitszones
Op basis van de bovenbeschreven rekensessies zijn zones van gelijkwaardige bodemkwaliteit samengevoegd. Door deze samenvoeging wordt het aantal zones beperkt en dus groeit het aantal waarnemingen per samengevoegde zone. In de onderstaande tabel zijn de uitkomsten van de bodemkwaliteit van iedere zone beschreven op basis waarvan de samenvoeging is bepaald.
De zonekaart is toegevoegd als bijlage IV. In verband met de leesbaarheid van de kaarten zijn de zones 5 en 6 (wegbermen asfaltwegen en overige wegen) niet op de kaarten aangegeven.
Tabel 5: Samenvoeging homogene deelgebieden
Zone-indeling
Zonenaam oude bkk.
Bodemkwaliteit na rekensessie 5
Toekenning definitieve zone
Zone 1
•Wonen na 1940
•Industrie
•Buitengebied
•Regionale zone 1 (B’him)
•Regionale zone 3 (S’lân)
BG; AW2000 OG; AW2000
Zone 1
Zone 2
•Wonen tot 1940
BG; Wonen
OG; AW2000
Zone 2
Zone 3
•Regionale zone 2 (B’him)
BG: AW2000
OG: AW2000
Zone 1
Zone 4
•Regionale zone 3 (B’him)
BG: Industrie
OG: Industrie
Zone 3
Zone 5
Bermen asfaltwegen
BG; Industrie
Zone 4
Zone 6
Bermen overige wegen
BG; Wonen
Zone 5
III.8Bodemkwaliteitskaart
De bodemkwaliteitskaart bestaat uit:
•Een kaart met indeling in bodemkwaliteitszones.
•Een ontgravingskaart.
•Een (generieke) toepassingskaart.
Dit hoofdstuk geeft een korte toelichting op voornoemde kaarten.
III.8.1Indeling bodemkwaliteitszones
Binnen het grondgebied van de gemeente Heerenveen worden, na samenvoeging, 5 bodemkwaliteitszones onderscheiden:
•Zone 1; zone met schone grond die voldoet aan Achtergrondwaarden;
•Zone 2; zone met kwaliteit Wonen (bovengrond) en Achtergrondwaarden (ondergrond);
•Zone 3; zone met kwaliteit Industriegrond;
•Zone 4; bermen bij asfaltwegen, klasse Industrie;
•Zone 5; bermen bij overige wegen, klasse Wonen.
Deze zones zijn weergegeven op kaartbijlage IV.
Een aantal locaties is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie paragraaf III.5). Voor deze locaties mag geen gebruik worden gemaakt van onderliggende bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van een toe te passen partij grond en/of de ontvangende bodem. Dit is nader toegelicht in de bodembeheernota.
Figuur 14: Uitgesloten locatie ‘Herenwal’
III.8.2Ontgravingskaart
Deze kaart geeft de kwaliteitsklasse van de bodem aan op het moment dat deze wordt ontgraven voor hergebruik elders (= beoordeling als een partij grond). Voor het tot stand komen van deze kaart zijn de P80 gemeten gehalten van de zones getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit.
De uitkomsten van deze toetsing zijn weergegeven in tabel 6 en op kaartbijlage VI. Hierbij is onderscheid gemaakt in de bovengrond (0-0,5 m –mv) en de ondergrond (0,5-2,5 m –mv). Voor het traject dieper dan 2,5 m-mv geldt de ontgravingskaart van de ondergrond. Voor de zone wegbermen geldt een dieptetraject van 0,3 m –mv.. Voor grond vrijkomend uit het traject dieper dan 0,3 m-mv. geldt de kwaliteit van de ontgravingskaart voor de ondergrond in de betreffende zone.
Tabel 6: kwaliteitsklasse vrijkomende grond
Bodemkwaliteitszone
Kwaliteitsklasse vrijkomende grond
0,0-0,5 m –mv
Kwaliteitsklasse vrijkomende grond
0,5-2,5 m –mv
1
AW2000
AW2000
2
Wonen
AW2000
3
Industrie
Industrie
4*
Industrie
omgevingskwaliteit
5*
Wonen
omgevingskwaliteit
*) voor deze bodemlaag geldt een diepte van 0,3 m-mv.
III.8.3Toepassingskaart
Het landelijk geldende beleidskader van het Besluit bodemkwaliteit (= het generieke kader) schrijft voor dat:
•De kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie geschikt moet zijn voor de functie die de bodem heeft.
•Door het toepassen van de partij grond of baggerspecie de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem niet mag verslechteren.
Dit betekent dat een op de landbodem toe te passen partij grond of baggerspecie getoetst moet worden aan zowel de kwaliteitsklasse als de functieklasse van de ontvangende bodem. De strengste van beide klassen bepaalt uiteindelijk de kwaliteitsklasse waar een toe te passen partij grond of baggerspecie aan moet voldoen (zie tabel ).
Tabel 7: systematiek generiek toepassingskader
Functie (op kaart)
Actuele bodemkwaliteit
Welke kwaliteit maximaal toepassen
Landbouw/natuur
Achtergrondwaarde
Achtergrondwaarde
Landbouw/natuur
Wonen
Achtergrondwaarde
Landbouw/natuur
Industrie
Achtergrondwaarde
Wonen
Achtergrondwaarde
Achtergrondwaarde
Wonen
Wonen
Wonen
Wonen
Industrie
Wonen
Industrie
Achtergrondwaarde
Achtergrondwaarde
Industrie
Wonen
Wonen
Industrie
Industrie
Industrie
Om tot een toepassingskaart te kunnen komen, is dus informatie nodig over de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem en de bodemfunctieklasse. Deze klassen worden hieronder nader toegelicht.
III.8.4Kwaliteitsklasse ontvangende bodem
In de onderstaande tabel 8 is de kwaliteitsklasse van de (ontvangende) bodem aangegeven. Hiervoor is geen aparte kaart opgesteld omdat deze kwaliteitsklasse alleen van toepassing is op het samenstellen van de generieke toepassingskaart. De berekening voor deze kwaliteitsklasse wijkt iets af van de klassebeoordeling voor de ontgravingskaart. Voor het tot stand komen van deze klasseindeling is het P80-gehalte van de parameters in de zones getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit.
De uitkomsten van deze toetsing zijn weergegeven in tabel. Hierbij is onderscheid gemaakt in de bovengrond (0-0,5 m –mv), ondergrond (0,5-2,5 m –mv) en het traject voor de wegbermen (tot 0,3 m-mv). Voor het traject dieper dan 2,5 m –mv geldt de kwaliteitsklasse van de ondergrond (0,5-2,5 m –mv). Voor grond vrijkomend uit het traject dieper dan 0,3 m-mv in de bermen geldt de kwaliteitsklasse van de ondergrond in de betreffende omliggende zone.
Tabel 8: kwaliteitsklasse ontvangende bodem
Bodemkwaliteitszone
Kwaliteitsklasse ontvangende bodem
0,0-0,5 m-mv
Kwaliteitsklasse ontvangende bodem
0,5-2,5 m-mv
1
AW2000
AW2000
2
Wonen
AW2000
3
Industrie
Industrie
4*
Industrie
Omgevingskwaliteit
5*
Wonen
Omgevingskwaliteit
*) voor deze bodemlaag geldt een diepte van 0,3 m-mv.
III.8.5Bodemfunctiekaart
De bodemfunctiekaart is een weergave van het huidige, en eventueel toekomstige, gebruik van de landbodem. Bij het toekennen van een functieklasse wordt onderscheid gemaakt in:
•Gebieden met de functie 'wonen';
•Gebieden met de functie 'industrie';
•Overige gebieden (deze gebieden zijn niet ingedeeld in de functie 'wonen' of 'industrie' en vallen daardoor automatisch in de functie 'landbouw/natuur').
De bodemfunctiekaart is opgenomen als kaartbijlage V. De functiekaarten van de voormalige gemeenten Heerenveen, Boarnsterhim en Skasterlân zijn als basis gebruikt waarna actualisatie en uniformering heeft plaatsgevonden.
III.8.6Toepassingskaart (generiek)
Zoals hiervoor is beschreven, is de generieke toepassingskaart een combinatie van de bodemfunctieklasse en de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem (actuele bodemkwaliteit boven- en ondergrond). De strengste van beide klassen bepaalt aan welke kwaliteitsklasse een toe te passen partij grond of baggerspecie moet voldoen.
De generieke toepassingskaart (voor het bodemtraject 0,0-0,5 en 0,5-2,5 m -mv) is opgenomen als kaartbijlage VII.
III.8.7Toepassingskaart (gebiedsspecifiek)
Voor bepaalde gebieden gelden Lokale Maximale Waarden. De gebiedsspecifieke toepassingskaart is gebaseerd op de bodemfunctie-klassenkaart. De kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem (actuele bodemkwaliteit) speelt bij het gebiedsspecifieke beleid hier geen rol. Voor het gebiedsspecifieke beleid wordt daarbij ook geen onderscheid gemaakt in de boven- respectievelijk de ondergrond. Een uitgebreide toelichting en afweging voor het opstellen van de ze kaart is beschreven in het hoofdrapport.
De gebiedsspecifieke toepassingskaart is opgenomen als kaartbijlage VII.
III.9Vaststelling en herziening
Vaststelling
De bodemkwaliteitskaart, inclusief de beschrijving van het tot stand komen daarvan, moet door het college van burgemeester en wethouders worden vastgesteld voordat met de bodemkwaliteitskaart grondverzet kan worden gefaciliteerd.
Herziening
Omdat nieuwe onderzoeksgegevens van invloed kunnen zijn op de bodemkwaliteit, dient de actualiteit van de bodemkwaliteitskaart, en de eventuele noodzaak tot herziening hiervan, met enige regelmaat te worden getoetst.
Bij een dergelijke toets moeten in principe alle stappen voor het opstellen van een bodemkwaliteits-kaart opnieuw worden doorlopen. Alleen dan kan worden vastgesteld of de kaart nog wel voldoende in overeenstemming is met de werkelijkheid.
Ook in het geval er geen wijzigingen in de bodemkwaliteitsklasse optreden als gevolg van nieuwe onderzoeksgegevens, moet de bodemkwaliteitskaart elke 5 jaar opnieuw beleidsmatig worden vastgesteld.
III.10Betrouwbaarheid van de bodemkwaliteitskaart
Om de betrouwbaarheid van een bodemkwaliteitskaart te kunnen aantonen, moeten volgens de richtlijn enkele controles worden uitgevoerd. Deze controles zijn in dit hoofdstuk beschreven.
III.10.1Aantal waarnemingen en ruimtelijke verdeling
Voor de beoordeling van de bodemkwaliteit dienen er per zone minimaal 20 waarnemingen te zijn. Met uitzondering van de kwaliteitszone 3 wordt in alle zones aan dit criterium voldaan. Deze zone was gelegen in de regionale bodemkwaliteitskaart van NO Fryslân. Bij het opstellen van deze kaart is door de gemeenten besloten af te wijken van de eis dat in iedere snipper minimaal 3 waarnemingen aanwezig zijn. De berekende bodemkwaliteit in deze zone wijkt sterk af van de kwaliteitsklasse zoals in andere zones berekend. Aangezien het hierbij gaat om kleine oppervlakten van de dorpen Akkrum en Aldeboarn, is besloten om voor deze zone de ‘snipper’ benadering uit de Richtlijn te volgen. Dit betekent dat voor zone 3 er per onderscheidende bodemlaag minimaal 3 waarnemingen aanwezig zijn.
Een voorwaarde voor het verkrijgen van een betrouwbaar beeld van de bodemkwaliteit, is ook dat de waarnemingen voldoende ruimtelijk verspreid binnen de zone moeten liggen. Om dit te kunnen toetsen schrijft de richtlijn voor dat een zone in 20 gelijke vakken moet worden ingedeeld en dat in ten minste 10 van deze vakken waarnemingen moeten liggen.
In verband met een tekort aan waarnemingen na het uitvoeren van de 2e rekensessie is een aanvullend bodemonderzoek verricht (zie paragraaf 0). De boringen van dit onderzoek zijn zo veel mogelijk ruimtelijk verspreid over het gemeentelijk grondgebied verricht. Daarnaast is met het aanvullend bodemonderzoek het aantal waarnemingen in ieder deelgebied aangevuld tot het vereiste aantal van 3 stuks en voldoende spreiding.
Op basis van de waarnemingen aanwezig in de dataset, aangevuld met de boringen van het aanvullend bodemonderzoek, wordt geconcludeerd dat het aantal waarnemingen voor elke kwaliteitszone en de ruimtelijke verdeling van de waarnemingen toereikend is.
III.10.2Heterogeniteit en ruimtelijke variabiliteit
Heterogeniteit
Een bodemkwaliteitskaart wordt gebaseerd op de gemiddeld gemeten gehalten binnen de zones. Deze gehalten worden getoetst aan de toetsingswaarden van het Besluit bodemkwaliteit, op grond waarvan vervolgens een indeling in een kwaliteitsklasse plaatsvindt.
Is binnen een zone echter sprake van sterke heterogeniteit (= mate van spreiding in de gemeten gehalten ten opzichte van de normwaarden) dan kunnen de gemiddelden een vertekend beeld geven van de bodemkwaliteit alsmede van de kwaliteit van vrijkomende partijen grond. In dat geval zou ten onrechte van de bodemkwaliteitskaart gebruik worden gemaakt als bewijsmiddel.
Om voor de zones na te kunnen gaan hoe het met de heterogeniteit is gesteld, is gebruik gemaakt van een berekening die is beschreven in het boekje ‘Grondverzet met bodemkwaliteitskaarten’ van TNO/Deltares (opgesteld in opdracht van Bodem+). Dit in verband met een gebrek aan een andere (landelijk) geldende toets.
In het voornoemde boekje wordt voorgesteld om de heterogeniteit te bepalen door het verschil tussen twee percentielwaarden (de P5 en P95; de kop en de staart van de verdeling) te delen door een referentiewaarde van de normen (maximale waarde ‘industrie’ minus de achtergrondwaarde):
De uitkomst van deze vergelijking levert een factor op die de mate van heterogeniteit weergeeft:
–bij waarden kleiner dan 0,25: er is sprake van weinig heterogeniteit
–bij waarden tussen 0,25 en 0,5: er is sprake van beperkte heterogeniteit
–bij waarden tussen 0,5 en 0,75: er is sprake van heterogeniteit
–bij waarden groter dan 0,75: er is sprake van sterke heterogeniteit
Het resultaat van deze ‘heterogeniteitstoets’ maakt deel uit van het overzicht met statistische kentallen in bijlage IX.
Hieruit blijkt dat in meerdere kwaliteitszones voor één of meerdere parameters sprake is van (beperkte) heterogeniteit. Dit komt vooral voor in de zones 3 (bovengrond) en 4 (asfaltwegen). De heterogeniteit wordt deels veroorzaakt doordat er nog een aantal relatief hoge waarden in het gegevensbestand voorkomen, die met behulp van de extremenanalyse niet verwijderd zijn omdat hiervoor geen duidelijke reden bestond. Zone 3 bestaat uit de bebouwing in een oude kern waarvan bekent is dat heterogeniteit voorkomt als gevolg van menselijk handelen door de eeuwen heen. Ook speelt mee dat er maar een beperkte hoeveelheid waarnemingen aanwezig zijn. In zone 4 zijn ook enkele hoge gehalten aan PAK’s aanwezig die zorgen voor een heterogeen beeld. De overige zones laten overigens een homogeen beeld zien. Hiermee voldoet de kaart aan de eis uit de Richtlijn om te gebruiken als wettig bewijsmiddel.
Ruimtelijke variabiliteit
In de richtlijn voor bodemkwaliteitskaarten staat vermeld dat bij de indeling in bodemkwaliteitszones rekening moet worden gehouden met de ruimtelijke variabiliteit. Dit betekent dat als alle hoge(re) waarnemingen in één hoek van een zone worden aangetoond, deze hoek als een aparte zone moet worden gedefinieerd.
Omdat het eventueel optreden van ruimtelijke variabiliteit in de waarnemingen tot uiting zou moeten komen in enerzijds de kentallen en anderzijds de mate van heterogeniteit, zijn deze uitkomsten hiervoor als signaal gehanteerd.
Zoals hiervoor is aangegeven, volgt uit de (toelichting op de) heterogeniteitstoets dat voor een aantal kwaliteitszones sprake is van heterogeniteit en dit in verband moet worden gebracht met de langdurige beïnvloeding door menselijk handelen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat sprake is van een ruimtelijke variabiliteit, in ieder geval niet in die mate dat dit aanleiding geeft om op basis hiervan de zone-indeling aan te passen.
III.10.3Saneringscriterium
Hergebruik van sterk verontreinigde grond is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit niet zondermeer toegestaan. Wanneer sprake is van een gebiedseigen diffuse verontreiniging, waarbij de gehalten boven de interventiewaarden liggen, maar er geen sprake is van het overschrijden van het saneringscriterium, kan de gemeente het herschikken van deze grond binnen het geval van bodemverontreiniging namelijk toestaan door hiervoor gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Als sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging moet het herschikken binnen het saneringsgeval daarnaast in een saneringsplan of BUS-melding worden beschreven. De wettelijke basis hiervoor ligt in de Wet bodembescherming en bij het desbetreffende bevoegde gezag.
Wanneer de P95‐waarde boven de interventiewaarde ligt, bestaat de kans dat in de betreffende bodemkwaliteitszone grond voorkomt die leidt tot een overschrijding van het saneringscriterium. De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten schrijft in dat geval voor dat de P95‐ waarde moet worden ingevoerd in de risicotoolbox. Blijkt uit deze toetsing van de P95‐waarde dat er sprake is van risico's bij een bepaalde bodemgebruiksvorm, dan worden er beperkingen gesteld aan het gebruiken van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor grondverzet vanuit deze zone. Uit het percentielblad van de zone 4 (asfaltwegen) in bijlage IX blijkt dat ter plaatse van zone 4, wegbermen langs asfaltwegen, de P95‐waarde van PAK de interventiewaarde overschrijdt. Voor deze zones is dan ook een berekening met de risicotoolbox (onderdeel Sanscrit) uitgevoerd. Deze toetsing is opgenomen in bijlage X.
Uit de toetsing met de risicotoolbox volgt dat er voor de bodemgebruiksvormen ‘infrastructuur’ geen sprake is van humane, ecologische of verspreidingsrisico’s. Voor deze gebruiksvormen wordt het saneringscriterium dus niet overschreden. Dit betekent dat er vanuit dit oogpunt geen beperkingen worden gesteld aan het gebruiken van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor grondverzet binnen zone 4.
Bijlage IX Statistische kentallen
1Relevante onderzoeken
In de onderstaande tabel is een selectie weergegeven van geselecteerde onderzoeken die zijn meegenomen voor de actualisatie. Uiteindelijk bevatten de bodemonderzoeken één of meerdere monsters en analyses die zijn opgenomen in de databasebewerking.
In de onderstaande tabellen zijn de relevante selecties opgenomen:
SETTING
TEKST
FILTER_ACTIEF
1
BKK_FILTER
BODEMLAAG
JA
2
BKK_FILTER
GIS
JA
3
BKK_FILTER
PERIODE
JA
4
BKK_FILTER
AANLEIDING
JA
5
BKK_FILTER
OND_TYPE
JA
6
BKK_FILTER
NUT_BKK
NEE
7
BKK_FILTER
VERDACHT
NEE
8
BKK_FILTER
VERVALLEN
NEE
9
BKK_FILTER
VERVOLG
NEE
10
PERIODE_BEGIN
2005-03-28
JA
11
PERIODE_EINDE
2015-03-27
JA
12
PERIODE_JAAR
10jaar
JA
13
PERIODE_JAAR
15jaar
NEE
14
PERIODE_JAAR
5jaar
NEE
TYPE_ONDERZOEK_T
AANT AL
PCT_ONDERZOE
N_MONSTER
BKK_SELECT
1
Verkennend onderzoek NEN 5740
785
38
4099
ja
2
Verkennend onderzoek NVN 5740
479
23
2620
ja
3
Indicatief onderzoek
155
7
572
ja
4
Orienterend bodemonderzoek
57
3
342
ja
5
Nul- of Eindsituatieonderzoek
54
3
329
ja
6
Nader onderzoek
234
11
2682
nee
7
Sanerings evaluatie
138
7
1656
nee
8
(niet gevuld)
64
3
163
nee
9
ASB - asbest onderzoek NEN 5707
20
1
50
nee
10
Meldingsformulier BUS evaluatieverslag
19
1
126
nee
11
avr (aanvullend rapport)
18
1
183
nee
12
Partijkeuring grond
15
1
48
nee
13
BOOT
10
0
36
nee
14
Bouwstoffenbesluit
7
0
26
nee
15
Bijzonder inventariserend onderzoek
6
0
82
nee
16
Monitoringsrapportage
6
0
11
nee
17
Verkennend onderzoek voor waterbodems (NVN57
6
0
101
nee
18
brf (briefrapport)
4
0
7
nee
19
Sanerings onderzoek
4
0
13
nee
20
Nazorgplan
4
0
34
nee
21
fax
2
0
10
nee
22
Saneringsplan
2
0
46
nee
23
Bodemsanering bedrijven (BSB)
1
0
7
nee
AANLEIDING_T
N_ONDERZOEK
PCT_ONDERZOEK
N_MONSTER
BKK_SELECT
1
Bouwvergunning
500
24
1617
ja
2
bestemmingswijziging, VINEX, locatieontwikkeling
333
16
3014
ja
3
Transactie
272
13
1536
ja
4
Nulsituatie
223
11
1061
ja
5
Civieltechnisch
92
4
373
ja
6
Omgevingsvergunning
52
2
207
ja
7
Onbekend
36
2
147
ja
8
Landsdekkend
12
1
16
ja
9
Voorgaand
423
20
4393
nee
10
Vermoeden of meldingverontreiniging
79
4
461
nee
11
(niet gevuld)
24
1
173
nee
12
Calamiteit
23
1
122
nee
13
BOOT
21
1
123
nee
2Periode
De onderzoeksgegevens, op basis waarvan de actuele bodemkwaliteit wordt vastgesteld, moeten voldoende recent zijn om te waarborgen dat de gegevens representatief zijn. In de richtlijn bodemkwaliteitskaarten is aangegeven dat gegevens daarom in principe niet ouder mogen zijn dan 5 jaar. Het gebruiken van gegevens ouder dan 5 jaar (en maximaal 10 jaar) is toegestaan, mits wordt aangetoond dat deze gegevens vergelijkbaar zijn met de recentere gegevens. Voor de actualisatie is na een vergelijking besloten om bodemonderzoeken tot 10 jaar terug mee te nemen. In totaal is dat 32% van de aanwezige onderzoeken in het systeem.
PERIODE_TOV_EINDE_DATASELECTIE
ONDERZOEKEN
PCT_ONDERZOEKEN
1
[0; 5] jaar ( 2010-03-28 t/m 2015-03-27 )
272
13
2
<5; 10] jaar ( 2005-03-28 t/m 2010-03-27 )
407
19
3
<10; 15] jaar ( 2000-03-28 t/m 2005-03-27 )
561
27
4
Ouder ( t/m 2000-03-27 )
850
41
5
(Totaal aantal onderzoeken)
2090
100
3Bodemlagen
Om de analysemonsters te kunnen toekennen aan de boven- en ondergrond, is uitgegaan van de gemiddelde diepte van de bemonsterde laag. Hiermee wordt bedoelt dat:
•wanneer de gemiddelde diepte van de bemonsterde laag tussen 0,0 en 0,5 m -mv. valt, dit als
■ bovengrond is beschouwd (bijv. in het geval van een bemonsterde laag uit het traject
■ 0,2-0,7 m -mv.: de gemiddelde diepte is dan 0,45 m -mv.);
•voor de ondergrond geldt dat de gemiddelde diepte van het bemonsterde traject groter moet zijn
■ van 0,5 m -mv. en kleiner dan of gelijk aan 2,5 m -mv. (bijvoorbeeld in het geval van de laag
■ 0,3-0,8 m -mv.; de gemiddelde diepte is 0,55 m -mv.);
•Voor de zone wegbermen (zone 4 en 5) is een dieptetraject aangehouden van maaiveld tot 0,3 m-mv).
Dit betekent dat analysemonsters die buiten de genoemde dieptetrajecten vallen, niet zijn meegenomen bij de databewerking.
BODEMLAAG_ID
OMSCHRIJVING
CNT_MONSTERS
PCT_MONSTERS
1
-1
fout/onvolledig monstertraject
270
2
2
0
onder diepste bodemlaag
391
3
3
1
> 0,00 en <=0,50 m -mv
6161
47
4
60
> 0,50 en <=2,50 m -mv
6421
48
4Rapportagegrenzen en somparameter
Voor de omgang met 'kleiner dan rapportagegrens'-waarden, alsmede de wijze waarop gehalten van individuele parameters moeten worden opgeteld om tot een somparameter te komen, is aangesloten bij recente wet- en regelgeving.
Zo is in de 'Wijziging Regeling bodemkwaliteit' en de 'Circulaire bodemsanering' het volgende aangegeven:
"Wanneer het gehalte van een parameter beneden de voorgeschreven rapportagegrens van de AS3000 of AP04 ligt, mag er voor de betreffende parameter van worden uitgegaan dat wordt voldaan aan de achtergrondwaarde (AW2000).
Indien het laboratorium een waarde '< een verhoogde rapportagegrens' aangeeft, dan dient de desbetreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De hiermee verkregen rekenwaarde moet vervolgens worden getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarden.
Het eerdergenoemde geldt ook voor somparameters. Wanneer voor slechts één of enkele individuele componenten een daadwerkelijk gehalte wordt gemeten, dan wel sprake is van '< een verhoogde rapportagegrens', moeten de gehalten van alle individuele componenten in de berekening van de som worden meegenomen (dus ook de resultaten '< vereiste rapportagegrens' vermenigvuldigd met de factor 0,7).'
Het bovenstaande is op de volgende wijze toegepast op de dataset:
–Voor de somparameter PAK 10 VROM en PCB som 7 is niet uitgegaan van het optellen van de gehalten van alle individuele componenten, zoals hierboven is beschreven, maar van het geregistreerde totaalgehalte. Dit omdat in het bodeminformatiesysteem over het algemeen niet de gehalten van de individuele parameters zijn ingevuld.
–Bij het genereren van de gemiddelden gehalten en de diverse kentallen zijn voor alle parameters de 'kleiner dan rapportagegrens'-waarden vermenigvuldigd met een factor 0,7. De hierbij verkregen rekenwaarde is vervolgens getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Dit betekent dat geen rekening is gehouden met de 'kleiner dan rapportagegrens'-waarden die voldoen aan de voorgeschreven rapportagegrens van de AS3000 (of AP04).
5Kwalibo
De richtlijn geeft aan dat wanneer de datum van een bodemonderzoek is gelegen na 1 juli 2007, het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een erkende instantie. Dit in verband met eisen die vanuit Kwalibo aan onderzoeksgegevens worden gesteld.
In verband met het alleen selecteren van relevante onderzoeksrapporten op basis van de kolom 'NUT_BKK', is Kwalibo niet expliciet als voorwaarde meegenomen in de dataselectie.
Verwacht wordt echter dat dit geen noemenswaardige consequenties heeft. Kwalibo is namelijk van toepassing op alle situaties waarbij het bevoegd gezag een beslissing moet nemen. Aangezien bodemonderzoeken, die bij de gemeente worden ingediend, over het algemeen zullen zijn uitgevoerd in het kader van de aanvraag van een bouw- of milieuvergunning, worden deze onderzoeken gecontroleerd op de eisen vanuit Kwalibo.
De kans wordt dan ook zeer klein geacht dat de bodemonderzoeken, die zijn uitgevoerd na 1 juli 2007, en bij de databewerking zijn geselecteerd om te worden gebruikt voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart, niet door een erkende instantie zijn uitgevoerd.
6Coördinaten
Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart zijn alleen die waarnemingen gebruikt waarvan X- en Y-coördinaten bekend waren. Alleen in dat geval was het namelijk mogelijk om de waarnemingen aan één van de homogene deelgebieden en bodemkwaliteitszones toe te wijzen.
7Extremenanalyse
Na de onder punt 1 beschreven selectie van relevante onderzoeksrapporten, zaten er nog verhoogde gehalten in de dataset waarvan het vermoeden bestond dat deze niet tot de diffuse bodemkwaliteit behoorden (zogenoemde 'extremen').
Conform de richtlijn dient van deze gehalten te worden bepaald of ze:
1deel uitmaken van de achtergrondgehalten
2afkomstig zijn van een lokalepuntbron
3het gevolg zijn van een fout in het onderzoek of een fout bij de invoer van gegevens.
Alleen wanneer kan worden aangetoond dat het extreme gehalte wordt veroorzaakt door een geval van lokale bodemverontreiniging of het gevolg is van een invoer- of meetfout, mag het betreffende gehalte buiten beschouwing worden gelaten bij het bepalen van de diffuse bodemkwaliteit. In andere gevallen moet worden geconcludeerd dat er geen directe oorzaak is aan te wijzen voor de extreme gehalten en moeten de gehalten worden meegenomen in de berekening van de diffuse bodemkwaliteit.
In totaal zijn 2377 individuele stoffen als extreem uit de database verwijderd. In totaal bevatte de geselecteerde data 22.230 individuele stoffen (records). Gezien het grote aantal extremen is ervoor gekozen om deze in een Excel-sheet digitaal aan de gemeente te leveren en niet op te nemen in de rapportage.
De locaties waar de verwijderde onderzoeksgegevens betrekking op hebben, worden (gedeeltelijk) niet representatief geacht voor het vaststellen van de diffuse bodemkwaliteit. Op deze (delen van) locaties is de bodemkwaliteitskaart dan ook niet van toepassing.
8Totalen
In de onderstaande staat zijn de totalen aantallen gebruikte monsters opgenomen. Ca. 16% van het totaal in het bodeminformatiesysteem aanwezige monsters zijn gebruikt voor het opstellen en actualiseren van de bodemkwaliteitskaart. Het grootste gedeelte van de selectie die buiten beschouwing is gelaten heeft betrekking op de periode (ouder dan 10 jaar).
NAAM
WAARDE
1
Aantal monsters (totaal)
13243
2
Aantal monsters (geselecteerd)
2123
3
Percentage geselecteerde monsters (Alias 'X')
16
4
X indien "GIS" buitenbeschouwing
16
5
X indien "BODEMLAAG" buitenbeschouwing
16
6
X indien "PERIODE" buiten beschouwing
52
7
X indien "OND_TYPE" buitenbeschouwing
18
8
X indien "AANLEIDING" buitenbeschouwing
18
Bijlage XII Brief GGD met risicobeoordeling
Gemeente Heerenveen
Dienst publieke zaken en Veiligheid - Vergunningen De heer R. Lok
Postbus 15000
8440 GA HEERENVEEN
Datum
22juli 2015
Uwkenmerk
Uw brief van
Ons kenmerk
UIT/15004692/G/ZA/A/MM
Bijlagen
0
Behandeld door
J.M.T. Janssen
Doorkiesnummer
08822 99 246
Onderwerp
nieuwe nota bodembeheer Heerenveen
j.janssen@ggdfryslan.nl
Geachte heer Lok,
In uw email van 14 juli jl. met bijlagen verzoekt u GGD Fryslän een oordeel te geven over de volksgezondheidsaspecten van het door de gemeente Heerenveen voorgestelde voortzetting van het beleid met betrekking tot hergebruik van licht verontreinigde grond binnen uw gemeente.
Aanleiding voor het opstellen van nieuw beleid is o.a. de uitbreiding van het grondgebied van uw gemeente. Dit nieuw beleid is vastgelegd in het rapport Actualisatie bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer van de gemeente Heerenveen.
Voor de GGD is het van belang te beoordelen in hoeverre het door u gekozen beleid voor de verschillende bodemfuncties onoverkomelijke gezondheidsrisico's met zich meebrengt voor de gebruikers van de bodem.
Na bestudering van de nieuwe nota Bodembeheer is de conclusie van GGD Fryslän dat de nota voldoende garanties biedt voor het voorkomen van gezondheidsrisico's bij de gebruikers van de bodem i.c. de bewoners van de gemeente Heerenveen.
Over de inhoud van de nota heb ik nog de opmerking dat in paragraaf 2.7 GGD Fryslan gemist wordt in de opsomming van betrokken instanties.
Met vriendelijke groet,
J.T. Janssen, arts
Adviseur Gezondheid en milieu
Bijlage XIII Brief Wetterskip Besluit bodemkwaliteit
Gemeente Heerenveen
T.a.v. de heer R. Lok
Postbus 15000
8440 GA HEERENVEEN
Leeuwarden, 4 april 2013
Ons kenmerk: WFN1304632
Cluster: Vergunningverlening
Bijlage(n): memo
Tel: (058) 292 2708/J.G. de Boer-Brouwer/cm
Uw kenmerk: •
Onderwerp:
Werkafspraken meldingen Besluit bodemkwaliteit voor oever- en kadeprojecten.
Geachte heer Lok,
De gemeente en Wetterskip Fryslän zijn beiden bevoegd gezag voor de uitvoering van het Besluit Bodemkwaliteit (BBK). De gemeenten voor de "droge" toepassingen van grond/bagger en het Wetterskip bij toepassingen van grond/bagger in het oppervlaktewater. Daarover het volgende.
Sinds de inwerkingtreding van het BBK worden meldingen voor oever-en kadewerkprojecten gedaan bij zowel de gemeente als Wetterskip Fryslän. Dit omdat de toegepaste grond/bagger bij een oever en kadewerk aan de waterkant in bepaalde gevallen in contact komt, of kan komen, met het oppervlaktewater. Eén en dezelfde activiteit wordt dus aan de hand van twee meldingen beoordeeld door twee verschillende bevoegde gezagen. Dit betekent niet alleen dubbel werk maar ook dat er verschiliend op de melding kan worden gereageerd. Het waterschap toetst namelijk aan generiek beleid terwijl sommige gemeenten specifiek beleid hebben ontwikkeld.
Het is evenwel een feit dat de toepassingen van grond/bagger in een oever- of kadewerk over het algemeen geheel of voor het overgrote deel worden aangemerkt als droge toepassingen. Daarom hebben de gemeenten Tytsjerksteradiel en Heerenveen contact met ons opgenomen om deze problematiek in beschouwing te nemen. Na consultatie van Bodem+ is vervolgens in gezamenlijkheid geconstateerd dat de ontstane praktijk van dubbele meldingen niet aansluit bij de uitgangspunten en de doelstellingen van het BBK.
Conform het advies van Bodem+ hebben de genoemde gemeenten en het waterschap daarom een werkafspraak uitgewerkt. Daarmee wordt voldaan aan het BBK-uitgangspunt van één bevoegd gezag zodat dubbele meldingen worden voorkomen én is gewaarborgd dat de handhavers van Wetterskip Fryslän op de hoogte blijven van de meldingen bij oever- en kadeprojecten. De betreffende werkafspraak is onderdeel van bijgevoegd memo. Wij vragen u om hierbij aan te sluiten en deze werkwijze zo mogelijk met ingang van 1 mei 2013 in te voeren.
Mocht u zich onverhoopt niet kunnen vinden in het voorstel voor de werkafspraak of vragen of opmerkingen over deze brief hebben, dan verzoeken wij u om contact op te nemen met mevrouw J.G. de Boer-Brouwer van de cluster Vergunningverlening, telefoonnummer 058 - 292 2708.
Hoogachtend,
het dagelijkse bestuur van Wetterskip Fryslän,
namens deze,
mevrouw mr. G. de Jong
Clustermanager Vergunningverlening
MEMO
Aan
:
zie maillijst
Van
:
Jettie de Boer
Datum
:
31januari 2013
Onderwerp
:
nieuwe werkwijze bij meldingen Besluit bodemkwaliteit (BBK) in oever- en kadeprojecten
Aanleiding
Gemeente Tytsjerksteradiel en gemeente Heerenveen hebben contact opgenomen met Wetterskip Fryslän over dubbele meldingen die in het kader van het BBK bij oever-en kadeprojecten worden gedaan.Cluster projecten Wetterskip Fryslän en/of aannemer meldt een toepassing van grond/baggerspecie namelijk bij zowel de gemeente als bij Wetterskip Fryslän (als droge toepassing). Hiervoor doen zij 2 aparte meldingen bij het meldpunt bodemkwaliteit. Zowel gemeente als Wetterskip reageert op deze meldingen.
Figuur 1. Weergave toepassing grond
Beide gemeenten zijn van mening dat de gemeente bevoegd gezag is bij oever- en kadeprojecten omdat de toegepaste grond voornamelijk op de droge zijde wordt toegepast (zie figuur 1).
Overleg 22 november2012
Op 22 november hebben Sjoukje Minnema (gemeente Tytsjerksteradiel), Ronald Lok (gemeente Heerenveen) en Jettie de Boer (Wetterskip Fryslän) een overleg gehad over de huidige gang van zaken en de voor- en nadelen hiervan. Daarnaast is besproken wie het bevoegd gezag in oever-en kadeprojecten is.
Met betrekking tot het bevoegd gezag is informatie ingewonnen bij de helpdesk van bodem+. Hun antwoord op deze zaak:
"In het Besluit bodemkwaliteit wordt voor de bevoegdheidsverdeling volledig aangesloten bij de begrenzing van de Waterwet (zie art. 3 Bbk en art. 6.2 Waterwet).
Dat houdt in dat de vraag tot waar het waterschap bevoegd is te oordelen over de meldingen de vraag is of er nog gesproken kan worden van een oppervlaktewaterlichaam. Dit is bij oevers een enigszins diffuus en niet altijd voor de buitenstaander nauwkeurig te herleiden criterium. Ergens op die oever of kade gaat het bevoegd gezag over.Ik kan mij dus voorstellen dat meldingen soms naar beiden gestuurd worden.
Misschien een idee om hierover samen met de gemeenten een werkgrens vast te stellen en die te communiceren?"
In navolging op het antwoord van de helpdesk bodem+ heeft er overleg plaatsgevonden met de volgende constateringen:
Momenteel wordt de toepassing bij zowel de gemeente als bij Wetterskip Fryslan gemeld, hetgeen niet past binnen de doelstellingen van het Besluit bodemkwaliteit (één werk, één bevoegd gezag). Nadelen van de dubbele melding:
•Toepasser moet dubbel melden, extra werk (daarbij is het doel van het BBK dat er maar één bevoegd gezag per toepassing is);
•Wetterskip Fryslan toetst aan generiek beleid (schoon moet op schoon) en op toepassingen in oppervlaktewater, terwijl sommige gemeenten gebiedspecifiek beleid hebben ontwikkeld, waardoor er mogelijk 2 verschillende reacties gegeven worden m.b.t. accepteren/afwijzen.
Voordelen van de dubbele melding:
•Beide bevoegde gezagen beoordelen de melding.Oneffenheden worden hierdoor eerder gesignaleerd.
•Ook handhavers van Wetterskip Fryslan zijn op de hoogte van de meldingen en de reacties hierop.
Wetterskip Fryslan onderschrijft het feit dat toepassingen in oever- en kadeprojecten over het algemeen als droge toepassing moeten worden gezien.Toepassingen hoeven daarbij maar één keer gemeld te worden en wel bij de gemeente. Om elkaar goed te informeren, is het raadzaam dat Wetterskip Fryslan en de gemeenten elkaar machtigen voor het meldpunt bodemkwaliteit. Daarnaast vraagt Wetterskip Fryslan de gemeenten om afschriften van meldingen en eventuele reactiebrieven door te sturen naar de cluster Handhaving van Wetterskip Fryslan.
Om een eenduidige werkwijze aan aannemers voor te leggen is het noodzakelijk dat we provincie breed dezelfde werkwijze hanteren. Deze werkwijze willen we laten ingaan vanaf 1 mei a.s.
Nieuwe werkwijze
•Gemeente is en blijft bevoegd gezag voor het droge deel van oevers en kaden. Wetterskip is en blijft bevoegd gezag voor het natte deel van oevers en kaden. Toepassingen (droge toepassingen) worden gemeld bij de gemeenten.
•Over en weer inzagerechten geven voor het meldpunt bodemkwaliteit, zodat Wetterskip Fryslan te allen tijde kan bekijken of en welke partijen zijn gemeld;
•Gemeenten sturen afschrift van melding(+ een eventuele reactie) naar de cluster Handhaving, via handhaving@wetterskipfryslan.nl.
Jettie de Boer.
Bijlage XIV Formulier Toets Herkomst
GEGEVENS HERKOMSTLOCATIE
Adres
Postcode en plaats
Kadastrale gegevens
gemeente:
nummer:
sectie:
Naam eigenaar
Adres eigenaar
Postcode en plaats
Telefoonnummer
Zone bodemkwaliteitskaart
gemeente:
zonenummer:
Diepte ontgraving
☐ 0,0-0,5 m -mv.
☐ 0,5-3,0 m -mv.
☐ anders, namelijk m -mv.
Kwaliteitsklasse volgens bodemkwaliteitskaart
(ontgravingskaart)
☐ AW2000
☐ wonen
☐ industrie
Type vrijkomende grond
☐ zand
☐ klei
☐ anders, namelijk
Bijmengingen aanwezig?
☐ nee
☐ ja, namelijk
☐ puin
☐ slakken
☐ sintels
☐ anders, namelijk
Visueel asbest waargenomen?
☐ nee
☐ ja
Heeft de grond een afwijkende kleur, geur of samenstelling?
☐ nee
☐ ja, namelijk
Is de grond afkomstig uit een wegberm/wegcunet?
☐ nee
☐ ja
zo ja, neem contact op met het bevoegd gezag. Aan hergebruik van bermengrond worden namelijk specifieke voorwaarden gesteld.
HISTORISCH ONDERZOEK HERKOMSTLOCATIE
Wat is het huidig gebruik van de locatie?
Wat is het voormalig gebruik van de locatie?
Is op de locatie sprake van een geval van bodemverontreiniging waarvoor de provincie c.q. een aangewezen gemeente het bevoegd gezag is?
☐ geen Wbb locatie (of niet-ernstig)
☐ Wbb locatie (ernstig), Wbb-code:
Is het bodeminformatiesysteem (BIS)van de gemeente geraadpleegd?
☐ nee
☐ ja
zo ja, evt.bijzonderheden:
Is het historisch bodembestand (HBB) vande gemeente geraadpleegd?
☐ nee
☐ ja
zo ja, evt.bijzonderheden:
Is er op de locatie een bedrijf gevestigd (geweest)?
☐ nee
☐ ja, namelijk
HISTORISCH ONDERZOEK HERKOMSTLOCATIE (vervolg)
Is/zijn er op de locatie gedempte sloten aanwezig?
☐ nee
☐ ja
zo ja, dan locatie aangeven op tekening
Zijn er op de locatie opslagtanks en/of leidingen voor vloeibare brandstof aanwezig (geweest)?
☐ nee
☐ ja
zo ja, dan locatie aangeven op tekening
Hebben er calamiteiten, morsingen of lekkages van vloeistoffen plaatsgehad?
☐ nee
☐ ja
zo ja, dan locatie aangeven op tekening
Is de locatie in het verleden opgehoogd?
☐ nee
☐ ja, met
zo ja, dan locatie aangeven op tekening
Zijn er opstallen met asbesthoudend materiaal aanwezig of gesloopt of is er in het verleden asbesthoudend materiaal aanwezig geweest?
☐ nee
☐ ja
zo ja, dan locatie aangeven op tekening
Is op de locatie bodemonderzoek verricht?
☐ nee
☐ ja
zo ja, dan bodemonderzoek bijvoegen
Is op de locatie een verharding aanwezig?
☐ nee
☐ ja, namelijk
☐ tegels/klinkers
☐ beton
☐ asfalt
☐ puin/slakken
☐ anders, namelijk
Vinden er op naastgelegen percelen activiteiten plaats (of hebben plaatsgevonden) die tot bodemverontreiniging op de herkomstlocatie kunnen leiden?
☐ nee
☐ ja, namelijk
Is er andere informatie beschikbaar met betrekking tot mogelijke bodemverontreiniging?
☐ nee
☐ ja, namelijk
Eventuele opmerking(en)
………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Ondertekening milieutechnisch medewerker gemeente van herkomst
Naam: ………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Datum: ………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Handtekening: ………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………