Aanhef
Geregistreerd onder nummer D/2025/717054
Wettelijke grondslag:
1Gemeentewet, art. 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b.
2Wet milieubeheer, art. 15.33
Verordening op de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing 2026
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Artikel 1 Inleidende bepaling
Krachtens deze verordening wordt geheven:
-een afvalstoffenheffing.
Artikel 2 Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
1een perceel:
a.hetgeen in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken als één onroerende zaak wordt aangemerkt;
b.een roerende zaak;
c.een gedeelte van een roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.een samenstel van twee of meer roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en, naar omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen;
e.het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel;
2gebruik maken en grof bedrijfsafval:
f.‘gebruik maken’: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer;
g.grof bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en instellingen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet periodiek worden ingezameld.
Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing
Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit
1Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
3Voorwerp van de belasting is een perceel.
Artikel 4 Belastingplicht
De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.
Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief
De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 6 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 7 Wijze van heffing
1De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag.
2De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van gedagtekende kennisgeving waarop de verschuldigde belasting is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekend gemaakt.
Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat voor de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt.
5De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.
6De bedragen genoemd in de tarieventabel zijn inclusief omzetbelasting indien deze verschuldigd is.
Artikel 9 Termijnen van betaling
1De op grond van artikel 7, eerste lid verschuldigde belasting moet zijn betaald:
a.uiterlijk twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet;
b.wanneer de verschuldigde bedragen door middel van een automatische incasso van de rekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, geldt in afwijking van het onder a bepaalde dat de aanslagen worden betaald in tien gelijke termijnen.
De eerste termijn vervalt dan een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elke volgende termijn telkens een maand later.
Betaling in tien termijnen is echter niet mogelijk als het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen meer is dan € 10.000,00.
2In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet de op grond van artikel 7, tweede lid verschuldigde belasting worden betaald:
a.in geval van uitreiking van de kennisgeving: op het tijdstip van uitreiking;
b.in geval van toezending van de kennisgeving binnen 14 dagen na dagtekening van de kennisgeving.
3De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 9a Kwijtschelding
1Voor de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel kan kwijtschelding worden verleend.
2Voor de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel wordt geen kwijtschelding verleend.
Hoofdstuk III Aanvullende bepalingen
Artikel 10 Intrekking, inwerkingtreding en citeertitel
1De “Verordening afvalstoffenheffing 2025”, vastgesteld op 12 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.
3De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
4Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening afvalstoffenheffing 2026”.
Tarieventabel behorende bij de Verordening afvalstoffenheffing 2026
Hoofdstuk 1.1 Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing
1.1
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar:
a
indien gebruikt door één persoon
€ 378,53
b
indien gebruikt door meer dan één persoon
€ 475,18
Hoofdstuk 1.2 Overige bepalingen afvalstoffenheffing
1.2 Glas, oud papier en karton, textiel en klein chemisch afval kunnen kosteloos worden aangeboden.
Grofvuil kan kosteloos worden aangeboden tot 5 m³ per jaar, waarbij per keer niet meer dan 1 m³ door de inzamelaar wordt opgehaald en maximaal 2 m³ per keer naar het afvalbrengstation kan worden gebracht.