Gemeentelijke regelgeving

Nota Grondbeleid 2023 - 2026

Gemeente Heemskerk · geldt sinds 6 juni 2023

Aanhef

De raad van de gemeente Heemskerk;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 21 maart 2023;

gehoord de commissie RWK;

b e s l u i t :

1de Nota Grondbeleid 2023-2026 (D/2023/529878) vast te stellen per 1-5-2023;

2de Nota Grondprijsbeleid 2023-2026 (D/2023/529882) vast te stellen per 1-5-2023;

3de Nota Grondbeleid 2019-2022 (OD/2019/265744) in te trekken per 1-5-2023;

4de Nota Grondprijsbeleid 2019-2022 (OD/2019/265599) in te trekken per 1-5-2023.

Bijlage 1. De Omgevingswet (Ow) en de Aanvullingswet grondeigendom

De Omgevingswet worden talloze wetten en regels die op dit moment geldig zijn gebundeld in één wet. Het gaat om 26 wetten (zoals bijvoorbeeld de Monumentenwet, Wet Ruimtelijke Ordening, Wet Algemene Bepalingen, Wet Voorkeursrecht Gemeenten, Wet inrichting landelijk gebied en vele anderen) gebundeld in één Omgevingswet. 60 Algemene Maatregelen van Bestuur worden teruggebracht naar vier Algemene Maatregelen van Bestuur. Dit zijn het Besluit Activiteit Leefomgeving (BAL), Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL), Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) en het Omgevingsbesluit. Ten slotte worden van 75 ministeriële regelingen teruggebracht naar één Omgevingsregeling. Niet alle op dit moment geldende wet- en regelgeving komen in de Omgevingswet, de vier AMVB’s en de regeling terecht, sommige bepalingen blijven op hun huidige vindplaats staan, worden overgeheveld of komen te vervallen. De invoering van de Omgevingswet kent echter een lange historie. Zo is de Omgevingswet aangenomen op 22 maart 2016 door de Eerste Kamer.

Het onderwerp grondeigendom en grondbeleid is opgenomen in de toekomstige Ow. Met de Aanvullingswet grondeigendom zijn regels toegevoegd aan de Ow voor instrumenten die ingrijpen op het eigendom van de grond. De Aanvullingswet grondeigendom is noodzakelijk om de belangrijke complexe maatschappelijke opgaven de komende tijd goed te kunnen aanpakken. Denk daarbij aan vraagstukken zoals de energietransitie, de aanleg van aardgasloze of energieneutrale wijken, de opvang van de verhevigde neerslag als gevolg van klimaatveranderingen (klimaatadaptatie), de zorg voor een goed bereikbare en gezonde stedelijke omgeving, stedelijke herstructureringen en circulair bouwen.

In de Aanvullingswet is een deel van de bestaande instrumenten voor grondbeleid samengebracht, vereenvoudigd, toegankelijk gemaakt en geharmoniseerd. Het gaat om de instrumenten die ingrijpen op het eigendom van de grond en dit eigendom reguleren: voorkeursrecht, onteigening, herverkaveling en kavelruil in landelijk gebied. Aan deze instrumenten wordt stedelijke kavelruil als nieuw instrument toegevoegd. Deze instrumenten worden op termijn toegevoegd aan de Ow. Tot aan de daadwerkelijke inwerkingtreding van de Ow worden steeds zogenoemde geconsolideerde versies van de Ow gepubliceerd. Verder is via de Aanvullingswet een aantal wijzigingen aangebracht in de bestaande regeling voor het kostenverhaal. Het doel van de wijzigingen is om het kostenverhaal te vereenvoudigen, te verbeteren en flexibeler te maken.

Volgens de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) dient de Aanvullingswet te regelen, dat er met het oog op de maatschappelijke uitdagingen doelgericht gedetailleerdere planuitwerkingen komen, moet de gemeente de vrijheid krijgen grondbeleidsinstrumenten in te zetten voor private uitvoerende partijen en kunnen voor het kostenverhaal ook regionale afspraken worden gemaakt.

Vooralsnog houdt de gemeente Heemskerk de ontwikkelingen rond de Ow nauwgezet in de gaten. De ontwikkelingsrichting van de nieuwe wetgeving en de huidige maatschappelijke uitdagingen zijn bekend. Met het grondbeleid wordt zoveel als mogelijk ingespeeld op deze uitdagingen.

Bijlage 2. Nationaal en Provinciaal beleid

Nationaal beleid

De Rijksoverheid heeft voor de komende jaren een koerswijziging van ruimtelijk beleid ingezet om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken en te houden. Deze algemene doelen voor nationaal ruimtelijk beleid zijn beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) voor de periode tot 2040. Het beleid richt zich op heldere verantwoordelijkheden, vereenvoudiging van regelgeving en selectieve Rijksbetrokkenheid.

Onder het motto “decentraal tenzij …” wordt beoogd de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij de burgers en bedrijven te organiseren en diegenen erbij te betrekken die het aangaat.

De Rijksoverheid concentreert zich met name op het nationale niveau en heeft voor zichzelf dertien te realiseren nationale belangen aangewezen. Deze belangen zijn geregeld in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Geen van de aangewezen belangen hebben direct gevolgen voor het grondgebied van de gemeente Heemskerk. Het grondbeleid van de gemeente Heemskerk speelt wel in op de algemene kaders van de Rijksoverheid. De algemene kaders zijn onder meer verwoord in het Besluit ruimtelijke ordening en betreft thema’s als binnenstedelijk bouwen, ruimte voor water, kwaliteit van het leefmilieu en van de groene en stedelijke omgeving.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen is veelal bouwgrond nodig en grond om te bouwen is in Nederland schaars. Het grondbeleid staat bij alle lagen van de overheid al decennia lang in de belangstelling. De Rijksoverheid onderzoekt voortdurend hoe projecten makkelijker en sneller te realiseren zijn. Voorwaarde is dat de grondmarkt efficiënt en doelmatig functioneert en de kosten en baten van bouwgrond eerlijk worden verdeeld. Daarvoor dienen de grondbeleidsinstrumenten en werkt de Rijksoverheid aan verbetering van regelgeving met de introductie van onder meer de Ow en de Aanvullingswet grondeigendom.

In hoofdstuk 1 is reeds ingegaan op het Programma Woningbouw. Met de Nationale Woon- en Bouwagenda stelt de Rijksoverheid zich in staat om diverse bouw- en woonopgaven samen en in samenhang met andere belangen aan te pakken, te financieren en te monitoren. In de Nationale Woon- en Bouwagenda zijn drie hoofddoelen geformuleerd. Een eerste doel is beschikbaarheid van voldoende woningen voor iedereen. Het gaat om de bouw van 900.000 woningen tot en met 2030, waarvan tweedere van deze woningen betaalbaar zijn. Een tweede doel is betaalbaarheid van deze woningen, waarbij woonlasten aansluiten bij het inkomen. Een derde doel is kwaliteit van de te bouwen woningen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de Nationale Woon- en Bouwagenda

Woondeals

De problematiek op de woningmarkt vraagt om een fundamentele en brede aanpak van de opgaven door middel van nieuwbouw, in combinatie met maatregelen ten aanzien van betaalbaarheid, leefbaarheid, kwaliteitsverbetering en verduurzaming. In de Nationale Woon- en Bouwagenda (NWBA) zijn deze opgaven dan ook in samenhang gebracht. In deze Woondeal ligt het accent op afspraken over de bouwopgave, de betaalbaarheid en de randvoorwaarden die daaraan verbonden zijn.

De afspraken in de Woondeal MRA 2023 sluiten aan op de ambities uit de Woonvisie Beverwijk Heemskerk 2025, het regionaal Woonakkoord Zuid-Kennemerland/ IJmond 2021-2025 en de plancapaciteit zoals opgenomen in de Planmonitor. De meerwaarde van het tekenen van de Woondeal MRA (door het college van burgemeester en wethouders op 15 maart 2023) is dat we in aanmerking komen voor financiële ondersteuning van het Rijk en daarnaast dat we als regio rechtstreeks aan tafel zitten met het Rijk, in gesprek blijven over de voortgang en benodigde randvoorwaarden en een agenderende rol kunnen vervullen

De gezamenlijke afspraken zijn intentioneel van aard maar niet vrijblijvend. Met de ondertekening van de Woondeal beloven partijen zich in te spannen om de ambities te realiseren. De marktpartijen hebben aangegeven een steunverklaring af te geven voor de Woondeal en de corporaties in de MRA een aanmoedigingsverklaring.

Motivering bij ondertekening Woondeal:

1Het besluit past in het ingezet beleid en draagt bij om het beoogd resultaat te bereiken

2De Woondeal MRA zet in op versnelling en verhoging van de woningbouwproductie.

3De ambities en verwachte woningbouwproductie in Heemskerk passen in de Woondeal-afspraken.

4Elke gemeente draagt zorg voor het behouden en realiseren van voldoende betaalbare woningen.

5De Woondeal draagt bij aan de verbetering van huisvesting van aandachtsgroepen

6De Woondeal zet in op duurzame en toekomstbestendige woningbouw.

7Er heeft afstemming en overleg plaatsgevonden met gemeenten, corporaties en marktpartijen.

8Financiële ondersteuning voor de woningbouwopgave wordt gekoppeld aan de Woondeal MRA.

Kanttekeningen bij het realiseren van de opgave:

1Aanpak randvoorwaarden voor woningbouw is onmisbaar voor uitvoering Woondeal.

2De woningproductie cijfers in de Woondeal zijn mede afhankelijk van economische ontwikkelingen

3De woonopgave is omvangrijker dan alleen woningproductie.

Een nadere detaillering en verdieping van de bovengenoemde motiveringen en kanttekeningen treft u aan in de volgende documenten:

➢ Woondeal MRA 2023 (C/2023/2486)

➢ Brief: Samenwerking in de woondeals, Minister VRO, 26 januari 2023 (D/2023/522863) ¬ Aanmoedigingsbrief MRA-Woondeal 2023 van het Platform MRA-corporaties (D/2023/522875

➢ Raadsmemo Woondeal MRA 2023 (D/2023/521893)

Provinciaal beleid

De provincie Noord-Holland heeft twee Omgevingsverordeningen vastgesteld de NH2020 en de NH2022. De Omgevingsverordening NH2020 geldt sinds 17 november 2021. De Omgevingsverordening NH2022 is vastgesteld en treedt in werking op het moment dat de Ow in werking treedt (artikel 13.6 Omgevingsverordening NH2022). Op het moment dat Ow en daarmee ook de Omgevingsverordening NH2022 in werking treedt, vervalt dan als het ware automatisch de Omgevingsverordening NH2020 (artikel 13.5 Omgevingsverordening NH2022). Met de Omgevingsverordening NH2022 loopt de provincie Noord-Holland alvast vooruit op de komst van de Ow. Omdat de Ow is uitgesteld houdt de provincie de Omgevingsverordening NH2020 actueel tot het moment dat de Ow wel in werking treedt. Ook werkt de provincie Noord-Holland aan de borging van de Omgevingsvisie in programma’s voor de kortere termijn.

De provincie wil balans tussen economische groei, woningbouw en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuur inclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond.

In de Omgevingsvisie NH2050 zijn vijf bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving.

1Dynamisch schiereiland. Hierin is het benutten van de unieke ligging van Noord-Holland, te midden van water, leidend.

2Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert.

3Sterke kernen, sterke regio’s, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen, vitaal houden.

4Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie.

5Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, staat het ontwikkelen van natuurwaarden ene een economische duurzame agrarisch sector centraal.

Bijlage 3. Het Didam-arrest

In het Didam-arrest is bepaald dat wanneer er redelijkerwijs vanuit kan worden gegaan dat bij de aanbieding van de onroerende zaak meerdere gegadigden tot koop zullen zijn, moet de gemeente met in achtneming van de haar toekomende beleidsruimte criteria opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd (selectiecriteria). De gemeente moet voor deze selectie objectief, toetsbare en redelijke criteria opstellen. Zodat het voor de potentiële gegadigden duidelijk is waaraan moet worden voldaan om aanspraak te kunnen maken om de onroerende zaak of op basis waarvan de koper wordt geselecteerd. Daarom is in de uitspraak bepaald dat de gemeente vooraf en op tijd voor de selectieprocedure, duidelijkheid moet geven over deze informatie op een dergelijke wijze dat (potentiële) gegadigden hiervan kennis kunnen nemen. Het moet een passende mate van openbaarheid zijn, met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak (de aanbieding), de selectieprocedure, het tijdsschema en de toe te passen selectiecriteria aan de hand waarvan de gemeente een koper selecteert. Hierdoor wordt mededingingsruimte geboden door de gemeente bij verkoop van die onroerende zaken.

In de uitspraak is bepaald dat deze mededingingsruimte door de gemeente niet geboden hoeft worden, wanneer vaststaat dat er maar één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de koop van de onroerende zaak. Dat er maar één serieuze gegadigde is, moet dan vooraf vaststaan of mag redelijkerwijs worden aangenomen op grond van redelijke, objectieve en toetsbare criteria. Om uit te sluiten dat er maar één serieuze gegadigde in aanmerking komt, moet de gemeente haar voornemen tot verkoop op tijd (tijdig) voorafgaand aan de verkoop wel op een zodanige wijze bekend maken dat een ieder hiervan kennis kan nemen. Het is dus niet zo dat de gemeente vooraf zelf kan bepalen dat slechts één partij in aanmerking komt voor de onroerende zaak. De gemeente moet in deze bekendmaking gemotiveerd weergeven waarom zij heeft geoordeeld dat op grond van die redelijke, objectieve en toetsbare criteria vooraf vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één gegadigde voor de onroerende zaak is.

Binnen de gemeente Heemskerk is een beleidsnota inkoop- en aanbesteding november 2020 van kracht. In deze beleidsnota is het algemeen juridisch kader (hoofdstuk 3.1) voor haar inkoop- en aanbesteding weergegeven. Eén van de kaders voor dit beleid is het Burgerlijk Wetboek. De grondslag van de uitspraak Didam en de daaruit voortspruitende rechtsregels is het Burgerlijk Wetboek. In het Burgerlijk Wetboek is namelijk bepaald dat wanneer een gemeente een privaatrechtelijke bevoegdheid uitoefent (zoals verkoop en de aanbieding van een onroerende zaak), deze bevoegdheid niet in strijd mag zijn met de geschreven of ongeschreven regels van het publiekrecht (artikel 3:14 Burgerlijk Wetboek). In het Didam-arrest is bepaald dat de gemeente bij het aangaan en het uitvoeren van een privaatrechtelijke overeenkomst niet in strijd mag zijn met de geschreven of ongeschreven regels van het publiekrecht. Al ging het om de verkoop van een onroerende zaak, de gemeente Heemskerk kan ook bij het sluiten van andere overeenkomsten op grond van het privaatrecht aan deze geschreven en ongeschreven regels gebonden zijn.

Voorafgaand aan een voorgenomen verkoop van een onroerende zaak, zal de gemeente daarom per situatie beoordelen of hierbij de mededingingsruimte wordt doorkruist en of het gebruik van haar privaatrechtelijke bevoegdheid in strijd is met de geschreven of ongeschreven rechtsregels van het publiekrecht. Het Didam-arrest is een kortgeding procedure waarvan de uitkomsten nog niet geheel zijn uitgekristalliseerd, waardoor de gemeente Heemskerk er voor kiest om de toekomstige rechtspraak en eventuele wijzigingen hierin – bijvoorbeeld door de bodemprocedure Didam - op de voet te volgen en dit na te leven. Onderhavig beleidsstuk is op 23 november 2022 geschreven, met toekomstige ontwikkelingen houdt het beleid derhalve geen rekening. Deze toekomstige ontwikkelingen worden door de gemeente Heemskerk wel toegepast en uitgevoerd.

In navolging op de uitspraak in het Didam-arrest, kan de gemeente Heemskerk op grond van artikel 3:14 Burgerlijk Wetboek ook gebonden zijn aan het bieden van mededingingsruimte bij het uitgeven van een zakelijk recht of dan wel een beperkt recht op of bijvoorbeeld verhuur van een aan haar toebehorend onroerend goed aan een andere partij. Ook hiervoor geldt dat de gemeente Heemskerk, wanneer zij hieraan gebonden is, het artikel volgt en de rechtspraak volgt.

Voor overeenkomsten die nog niet zijn gesloten voordat het Didam-arrest is gewezen maar waarbij de gemeente Heemskerk al wel met één gegadigde in onderhandeling is, geldt dat de vraag naar het bieden van mededingingsruimte wordt beantwoord aan de hand van artikel 3:14 Burgerlijk Wetboek in combinatie met de geschreven en ongeschreven regels vanuit het privaatrecht. Hierbij spelen naast de ongeschreven en geschreven regels van het bestuursrecht dan ook de vraagstukken ten aanzien van het sluiten van overeenkomsten en dan met name de pré-contractuele fase én het vraagstuk naar afgebroken onderhandelingen een rol. Voor het overige geldt dat de gemeente Heemskerk gebonden is aan de procedures met betrekking tot aanbesteding, mededinging en het verbod op staatsteun op het moment dat dit hierop van toepassing is. Door de gemeente Heemkerk kan in het kader van analogie hierbij indien nodig, aansluiting worden gezocht.

Bijlage 4. Vennootschapsbelasting

Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen

Met de wet modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen wordt beoogt een gelijk speelveld te bevorderen tussen ondernemingen in de markt en eventueel daarmee concurrerende overheidsondernemingen. De wet wil voorkomen dat marktpartijen oneerlijke concurrentie ondervinden van de overheid of ondernemingen waarin de overheid deelneemt. Met de invoering van de wet vallen ook overheidsondernemingen onder de vennootschapsbelastingplicht.

Als publiekrechtelijk rechtspersoon kan de gemeente Heemskerk volgens de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 voor een deel van haar activiteiten, als onderneming worden aangemerkt. Er is sprake van een onderneming als voldaan wordt aan een drietal criteria. Er moet sprake zijn van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, er moet sprake zijn van deelname aan het economische verkeer en er moet sprake zijn van een winstoogmerk. Bij de gemeente zal vrijwel altijd sprake zijn van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid en deelname aan het economische verkeer. Het criterium winstoogmerk is niet altijd het geval en is daarmee doorslaggevend. Wanneer bij een clustering van activiteiten structureel sprake is van vermogensoverschotten, wordt een winstoogmerk aangenomen en moet vennootschapsbelasting over de winst worden betaald.

Bij actief grondbeleid is regelmatig sprake van vermogensoverschotten op de exploitatie. Voor het cluster aan activiteiten met betrekking tot grondexploitatie wordt de gemeente daarom als ondernemer aangemerkt. Over de winst op grondexploitatie wordt dus vennootschapsbelasting betaald. Bij deelname in een rechtspersoon die de grondexploitatie voor eigen rekening en risico uitvoert is de gemeente niet vennootschapsbelastingplichtig. De belastingplicht ligt dan bij de rechtspersoon die de grond exploiteert.

Bij faciliterend grondbeleid is de gemeente doorgaans geen vennootschapsbelasting verschuldigd. Voor de Vennootschapsbelasting (Vpb) is namelijk het belastbare bedrag van de onderneming waarover de belasting wordt geheven, de in een jaar genoten winst minus de voor de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 te verrekenen verliezen (art. 2 lid 1 onder g Wet VPB en art. 7 lid 1 en 2 Wet VPB). Bij faciliterend grondbeleid is geen sprake van vermogensoverschotten, omdat slechts de kosten worden verhaald en geen winst wordt beoogd.

Binnen de gemeente kan onderscheid gemaakt worden tussen gronden die worden aangewend voor grondexploitaties en gronden die niet in exploitatie zijn. De grond die niet in exploitatie is genomen behoort tot de materiële vaste activa van de gemeente. Als bij de niet in exploitatie genomen gronden sprake is van normaal vermogensbeheer, vallen die gronden buiten het ondernemingsvermogen van de gemeente. In dat geval worden vermogensoverschotten niet belast met vennootschapsbelastingen.

Bijlage 5. Overige wetgeving

Voor nadere toelichting en wetteksten wordt verwezen naar de betreffende wet- en regelgeving.

Hierna wordt hierop kort ingegaan.

Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

De ruimtelijke plannen die bepalen hoe Nederland in de toekomst er uit zal zien, vinden hun procedurele basis in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De belangrijkste huidige planningsinstrumenten voor de gemeente zijn de Omgevingsvisie en het bestemmingsplan. Grondexploitatie is geregeld in afdeling 6.4. Grondexploitatie van de de Wro en nadere uitwerking in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in afdeling Afdeling 6.2. Grondexploitatie.

Het Bro geeft regels over de vormgeving, inrichting, beschikbaarstelling, bekendmaking en terinzagelegging van ruimtelijke besluiten. Tevens is aangegeven op welke wijze verantwoording moet worden afgelegd over de gevolgde procedures, de haalbaarheid en de inhoud van de plannen. Meer in het bijzonder is in het besluit gespecificeerd wat tot de kosten van een grondexploitatie kan worden gerekend.

De Wro en Bro geeft de gemeente de bevoegdheid de gemeentelijke kosten te verhalen, bijdragen te vragen voor bovenplanse voorzieningen en locatie-eisen te stellen op het gebied van de inrichting van de openbare ruimte en de volkshuisvesting (regels omtrent de vier eerder genoemde woningbouw categorieën) .

Wet voorkeursrecht de gemeenten (Wvg)

De gemeente kan door het vestigen van een voorkeursrecht voor grond en gebouwen een eerste recht van koop afdwingen. Dit betekent dat als een derde zijn onroerende zaken wil verkopen, hij deze eerst aan de gemeente te koop aanbiedt. Het voorkeursrecht kan voor woningen, bedrijven, infrastructuur en natuur gevestigd worden. Voor het vestigen van het voorkeursrecht gelden strikte voorwaarden.

Onteigeningswet (OW)

De Onteigeningswet maakt het mogelijk dat de gemeente vanwege algemeen belang grond en/of opstallen van een derde kan en mag onteigenen als minnelijke verwerving niet mogelijk blijkt te zijn. Onteigening geldt als uiterste middel en er gelden zeer strikte voorwaarden.

Milieuwetgeving

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging een belangrijk punt van aandacht. Het aspect bodemkwaliteit speelt in diverse wetten en regelgeving. Binnen het omgevingsrecht zijn de belangrijkste de Wet milieubeheer (algemene zorgplicht), de Wet bodembescherming (met bijvoorbeeld de specifieke zorgplicht bodemkwaliteit), het Besluit bodemkwaliteit, de Regeling bodemkwaliteit, de Woningwet en de Bouwverordening. De milieuwetgeving is in het kader van grondbeleid relevant in het kader van de uitgifte van functiegeschikte grond en het doorberekenen van kosten van eventueel noodzakelijke bodemsaneringen.

Wet Dualisering gemeenten

In het jaar 2002 is de Wet dualisering gemeentebestuur inwerking getreden. De wet heeft de inrichting van de gemeente (organen) gewijzigd en het takenpakket van de Raad en het college van burgermeesters en wethouders verduidelijkt. Dualisering (dualisme) ziet – kortheidshalve – op de splitsing van de ambtelijke bestuursorganen (de burgemeester, de gemeenteraad en het college van burgermeester en wethouders) binnen de gemeente.

In dit verband gaat het met name om de controlerende functie van de Raad op het gevoerde gemeentelijk beleid en het bestuur van de gemeente. Bij de wet is daarnaast de (gemeentelijke) Rekenkamer ingevoerd. In de Gemeentewet is een artikel toegevoegd waarbij het College van Burgermeesters en Wethouders over elk begrotingsjaar verantwoording afgelegd aan de gemeenteraad (zie in dit kader van belang hoofdstuk 5 onder “Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV)”). Met de Wet dualisering gemeentebestuur is aan het college van burgermeesters en wethouders de bevoegdheid toegekend tot het sluiten van privaatrechtelijke overeenkomsten (art. 160 lid 1 onder d Gemeentewet). In artikel 169 Gemeentewet wordt aangegeven dat het college van burgemeester en wethouders hierover geen besluit neemt als het besluit tot het verrichten van die rechtshandeling tot ingrijpende gevolgen voor de gemeente kan leiden, dan nadat de gemeenteraad hierover in de gelegenheid is gesteld wensen en bedenkingen te geven. In dit bestek zijn de voornoemde anterieure en posterieure overeenkomsten (zie hiervoor paragraaf 3.1 van de Nota onder “Instrumenten voor actief grondbeleid”) van belang. In het kader van grondbeleid en de daaruit voortspruitende privaatrechtelijke handelingen wordt op deze plaats gewezen op de bepaling in het Burgerlijk Wetboek dat het de gemeente door gebruikmaking van het privaatrecht de geschreven en ongeschreven regels van het publiekrecht niet mag ontduiken (art. 3:14 BW). Zie verder bijlage 5 onder “Burgerlijk Wetboek (BW)”.

Burgerlijk Wetboek (BW)

Met betrekking tot de grondexploitatie door derden zijn in het Burgerlijk Wetboek regels opgenomen met betrekking tot privaatrechtelijke overeenkomsten, verbintenissen, en bijzondere overeenkomsten. Omdat de activiteiten van de gemeente op het gebied van grondexploitatie een privaatrechtelijk karakter kunnen hebben, zijn de regelingen in deze wet van belang.

Europese wetgeving: Staatssteun en aanbesteding

Europese regelgeving gaat steeds meer een stempel drukken op publiek- private samenwerkingsverbanden en opdrachtverstrekking. Met name het aanbestedingsrecht en regelgeving ten aanzien van staatssteun zijn voor het grondbeleid van belang.

Omgevingswet (Ow)

Naar verwachting treedt vooralsnog per 1 juli 2023 (de Ow in werking. Deze wet integreert meer dan 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving, waaronder de Wro. Ook de hiervoor genoemde Grondexploitatiewet wordt via een aanvullingswet geïntegreerd in deze Ow. Met de Ow wil de overheid het wettelijk systeem 'eenvoudig beter' maken.

Aanvullingswet grondeigendom

Met de toekomstige aanvullingswet worden zaken rond grondbeleid, grondbeleidsinstrumenten en grondeigendom in de Ow opgenomen.

Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV)

Het besluit geeft voorschriften voor de begrotings- en verantwoordingsdocumenten, uitvoeringsinformatie en informatie voor derden van provincies en gemeenten.

Aanbestedingswet 2012

Met de Aanbestedingswet is de Europese regelgeving voor het plaatsen van overheidsopdrachten, in de meest ruime zin van het woord, voor werken, leveringen en diensten in de nationale wetgeving opgenomen.

Wet Markt en overheid

De Wet markt en overheid is regelgeving dat in de Mededingingswet is opgenomen. Met de wet wordt beoogt te voorkomen dat overheidsorganen in een oneerlijke concurrentieverhouding met marktpartijen komen te staan.

Mededingingswet

Het doel van de Mededingingswet is het bevorderen van eerlijke en effectieve concurrentie, door het verbieden van gedragingen of posities die een eerlijke concurrentie in de weg staan.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.