Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Heemskerk 2026

Gemeente Heemskerk · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

Inleiding

De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) geeft de gemeente de taak om ondersteuning voor inwoners te regelen met het doel dat inwoners zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen blijven wonen en kunnen deelnemen aan het dagelijks leven. Bij de uitvoering van de Wmo staat de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner voorop. Hierbij wordt gekeken naar wat iemand zelf (nog) kan doen of regelen. Voor welke zaken kan hij ondersteuning krijgen van iemand uit de eigen omgeving? Pas als iemand zelf geen hulp kan regelen, kan hij volgens de Wmo een beroep doen op ondersteuning vanuit de gemeente.

Deze beleidsregels zijn een uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heemskerk (hierna verder: Verordening). In de Wmo staat een zorgvuldige toegangsprocedure (Hoofdstuk 2) centraal. Tijdens deze procedure is het van belang dat de ondersteuningsvraag van de inwoner, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder worden. Hierbij is het belangrijk om te achterhalen wat iemand op eigen kracht, met mantelzorg of informele hulp, dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of te verbeteren. In aanvulling hierop wordt gekeken of een algemene voorziening, zoals de ondersteuning in het buurthuis, passend is of dat (ook) een maatwerkvoorziening nodig is. Het wettelijke kader, de verordening en deze beleidsregels leggen de toegangsprocedure vast.

Het beoordelingskader wordt gevormd door de wet, verordening en nadere regels (als algemeen verbindende voorschriften). De beleidsregels zijn bedoeld voor de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften. De beleidsregels geven een afwegingskader voor de beoordeling van ondersteuningsvragen. In de beschikking die op een aanvraag volgt kan worden verwezen naar de beleidsregels om daarmee een motivering te geven waarom al dan niet een recht wordt toegekend.

In de beleidsregels worden de uitgangspunten (Hoofdstuk 1) en de toegangsprocedure (Hoofdstuk 2) van een voorziening beschreven. Daarna wordt uitleg gegeven over de mogelijke vormen van verstrekking van een voorziening (Hoofdstuk 3). Vervolgens worden verschillende voorzieningen een voor een uitgewerkt (Hoofdstuk 4-10)

1 Uitgangspunten

1.1 Situatie cliënt

1.1.1 Beperking

De beperking van de inwoner dient objectiveerbaar te zijn. Dit betekent dat het mogelijk moet zijn om objectief vast te stellen dat iemand beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en/of participatie. Het is hiervoor niet altijd nodig om een medische diagnose te hebben; het gaat om de beperkingen, niet om de oorzaak ervan. Bijvoorbeeld het gegeven dat men oud is, is op zichzelf geen indicatie voor voorzieningen in het kader van de Wmo. Wel kunnen belemmeringen, die het gevolg zijn van slijtageprocessen, die onlosmakelijk verbonden zijn met het ouder worden, aanleiding zijn een maatwerkvoorziening te bieden.

1.1.2 Eigen kracht

De eigen kracht van de cliënt heeft betrekking op de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie. De Wmo is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem op te lossen. Deze eigen verantwoordelijkheid komt tijdens het gesprek aan de orde.

Voorbeeld

Uit het gesprek kan naar voren komen dat cliënt niet meer in staat is om zware taken in het huishouden te verrichten, maar dat de lichte taken nog wel zelfstandig uitgevoerd kunnen worden. Het zelfstandig kunnen uitvoeren van de lichte taken valt dan onder de eigen kracht en hiermee dient rekening gehouden te worden in de besluitvorming omtrent het eventueel verstrekken van een Wmo-voorziening.

1.1.3 Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp valt onder de eigen kracht en is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van een huisgenoot, zoals de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (personen die deel uitmaken van de leefeenheid van cliënt). In alle gevallen geldt dat de personen in staat moeten zijn om ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie te bieden.

Gebruikelijke hulp wordt dus alleen verwacht als een persoon inwoont bij de cliënt. Of sprake is van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur en dergelijke door elkaar lopen.

We spreken van gebruikelijke hulp bij begeleiding door een volwassen huisgenoot:

•In kortdurende situaties (maximaal 3 maanden): als uitzicht op herstel (van de zelfredzaamheid) dusdanig is dat begeleiding daarna niet meer nodig zal zijn.

•In langdurige situaties;

-Bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort.

-Het geven van begeleiding op het terrein van de maatschappelijke participatie.

-Hulp bij overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden behoren zoals de administratie.

We spreken van gebruikelijke hulp bij huishoudelijke ondersteuning:

Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar de leeftijd van de huisgenoot en de gezondheidssituatie. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij op huishoudelijk gebied hun bijdragen leveren. Bijvoorbeeld door het schoonhouden van de eigen kamer en/of door het verrichten van hand- en spandiensten als het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enzovoort. Er dient altijd onderzocht te worden wat, gezien alle omstandigheden, redelijkerwijs verwacht kan worden van iemand van 18 jaar en ouder. Uit onderzoek kan blijken dat er voor bepaalde taken inzet van huishoudelijke ondersteuning nodig is.

Alleen bij structurele daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten per week zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden.

Gebruikelijke hulp is uitgewerkt in bijlage 3 van de Verordening.

1.1.4 Sociaal netwerk

Indien de cliënt niet in staat is op eigen kracht een oplossing te realiseren wordt gekeken naar de mogelijkheden van zijn sociaal netwerk om te ondersteunen.

Het sociaal netwerk van een cliënt bestaat uit ‘de personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie een cliënt een sociale relatie onderhoudt’ (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Familieleden, huisgenoten, (voormalig) echtgenoot zijn voorbeelden van personen uit de huiselijke kring. Voorbeelden van andere personen waar de cliënt regelmatig contact kan hebben zijn buren, vrienden en medeleden van een vereniging.

1.1.4.1 Mantelzorgers en vrijwilligers

Mantelzorgers en vrijwilligers kunnen mogelijk ondersteunen bij de hulpvraag van de cliënt. Deze hulp is echter niet afdwingbaar. Een mantelzorger biedt ondersteuning aan een cliënt vanwege een bestaande sociale relatie tussen de twee. Het verschil met gebruikelijke hulp is dat een mantelzorger niet met de cliënt in een huis hoeft te wonen. Een vrijwilliger biedt ook ondersteuning, maar niet per se op basis van een bestaande sociale relatie. Het is belangrijk om rekening te houden met de belangen van de mantelzorger en diens dreigende overbelasting. In paragraaf 2.5 wordt aandacht besteed aan de wijze waarop de gemeente tijdens het onderzoek aandacht heeft voor de mantelzorger.

1.1.5 Algemene voorzieningen

Als een cliënt via zijn sociaal netwerk geen uitkomst kan vinden, wordt er gekeken naar algemene voorzieningen. Algemene voorzieningen zijn diensten of activiteiten die toegankelijk zijn voor alle inwoners.

Indien iemand gebruik kan maken van een algemene voorziening om deels, of volledig te voorzien in zijn ondersteuningsbehoeften wordt dit van de cliënt verlangd en gaat dit voor op een maatwerkvoorziening. Indien noodzakelijk kan aanvullend een maatwerkvoorziening worden verstrekt.

1.2. Uitgangspunten bij het toekennen van een voorziening

1.2.1 Goedkoopst adequaat

In beginsel betekent goedkoopst adequaat dat de voorziening passend moet zijn. Uit de alternatieven die als adequaat worden bestempeld, kan de gemeente de goedkoopste oplossing kiezen. Het begrip goedkoopst adequaat laat ruimte voor een afweging van de specifieke omstandigheden van de aanvrager. Uiteindelijk bepaalt immers de situatie van de aanvrager, zoals beoordeeld door de gemeente, wat in zijn omstandigheden passend is. Uitgangspunt is, dat van de mogelijke adequaatste oplossingen, de goedkoopste oplossing wordt gekozen.

Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten wordt bepaald. Zo kan mogelijk een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaan en dus uiteindelijk goedkoper zijn. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, mag het duidelijk zijn dat bij een verantwoord niveau dient te worden aangesloten. Het is in theorie mogelijk een ondersteunende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen.

1.2.2 Langdurig noodzakelijk

Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat in beginsel wordt uitgegaan van een periode langer dan zes maanden dat de beperking aanhoudt. De staat van de medische toestand is op het moment van aanvraag onomkeerbaar en de cliënt is daardoor voor langere tijd aangewezen op de betreffende maatwerkvoorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkt is, dus korter dan zes maanden, niet voor een voorziening in aanmerking komt. De cliënt kan in dit geval een beroep doen op de thuiszorgwinkel voor maximaal zes maanden.

Soms komt het voor dat een cliënt als gevolg van een ernstig ongeval een lange revalidatie doormaakt maar uiteindelijk toch weer (nagenoeg) geheel zal herstellen. Als de herstelperiode bijvoorbeeld twee jaar zou zijn, dan moet het college toch een voorziening treffen.

In afwijking op het gestelde kunnen huishoudelijke ondersteuning, ambulante begeleiding en dagbesteding wel voor een korte duur worden geïndiceerd. De minimale indicatietermijn is zes weken.

Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Bij een wisselend beeld, waarbij verbeteringen en situaties van terugval elkaar opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is.

1.2.3 Algemeen gebruikelijk

Het college dient voor iedere specifieke aanvrager te beoordelen of een voorziening algemeen gebruikelijk is. Uit de jurisprudentie volgt dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze:

-niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

-daadwerkelijk beschikbaar is;

-een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; en

-financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

Toelichting op het laatste criterium: Het college moet toetsen of de voorziening financieel gedragen kan worden door iemand met een minimuminkomen, ongeacht of de betreffende cliënt zelf een minimuminkomen heeft.

De vraag of een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau moet volgens de CRvB zo worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten. Ter concretisering van deze norm hanteert het college als uitgangspunt dat een voorziening niet als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd indien de kosten ervan hoger zijn dan € 1.000,-.

Het college mag ook rekening houden met beschikbare tweedehands voorzieningen.

Om te beoordelen of iets voor een cliënt algemeen gebruikelijk is dient een onderzoek uitgevoerd te worden. In de praktijk zijn een aantal voorbeelden te benoemen die in veel voorkomende gevallen als algemeen gebruikelijk kunnen worden gedefinieerd. Let op, per situatie moet gemotiveerd worden of iets algemeen gebruikelijk is.

De aanwezigheid van een centrale verwarming of een tweede trapleuning kan doorgaans als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Algemeen gebruikelijke voorzieningen worden niet vanuit de Wmo verstrekt. Indien er sprake is van het aanbrengen van een verwarming zien we dit in beginsel als het aanpassen van de woning aan de eisen van de tijd, hetgeen buiten de Wmo valt.

Op vervoersgebied kan men als voorbeeld van algemeen gebruikelijke voorzieningen noemen: een fiets met lage instap. Op het gebied van de woningaanpassingen kan worden gedacht aan: thermostaatkranen, éénhendelmengkranen, verhoogd toilet en douche- en toiletbeugels.

1.2.4 Samenhang met andere wet- of regelgeving

Indien een inwoner aanspraak heeft op een voorziening op basis van andere wet- of regelgeving (bijv. de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw)), dan wordt van die inwoner verwacht dat hij daar gebruik van maakt. Door gebruik te maken van de aanspraak op de andere wet- of regelgeving, lost de inwoner op eigen kracht zijn probleem op. Wel moet worden onderzocht of die voorziening voldoende compenserend is. Als dat het geval is, dan is dat een afwijzingsgrond om niet vanuit de Wmo een voorziening te verstrekken. Mocht de voorziening uit andere wet- of regelgeving niet volledig compenseren, dan kan alsnog aanvullende ondersteuning vanuit de Wmo worden toegekend.

Voorbeelden van samenhang tussen Wmo en andere wetgeving zijn:

-Arbeidsvoorzieningen op grond van Ziektewet (ZW), WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen), Wajong, Wet Sociale Voorziening (Wsw) en Participatiewet (Pw): het uitgangspunt is dat als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet mogelijk is dat dan dagbesteding vanuit de Wmo kan worden overwogen.

-Wlz of Zvw voor behandeling: alvorens begeleiding te verstrekken is het van belang dat wordt onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Dit kan enkel worden bepaald door een medisch adviseur. Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/ stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek. Begeleiding en behandeling kunnen ook tegelijkertijd worden ingezet. Begeleiding kan dan worden ingezet om de tijdens de behandeling geleerde vaardigheden te oefenen. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden.

-Wlz: indien er permanent toezicht nodig is of 24-uurszorg in de nabijheid noodzakelijk wordt geacht, komt cliënt in aanmerking voor Wlz. Zodra de cliënt een Wlz-indicatie heeft is dit altijd voorliggend op de Zvw en Wmo. Er is dan geen indicatie huishoudelijke ondersteuning en begeleiding/dagbesteding uit de Wmo mogelijk. Let op: een eventuele tijdelijke overbrugging is wel mogelijk. Voor begeleiding en huishoudelijke ondersteuning kan ter overbrugging een indicatie voor zes maanden worden toegekend. Dit zodat de cliënt in de gelegenheid wordt gesteld de ondersteuning aan te vragen bij de Wlz.

-Passend onderwijs: op basis van de wet passend onderwijs zijn scholen er voor verantwoordelijk alle leerlingen (dus ook leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben op het gebied van leren, gedrag of fysieke mogelijkheden) een passende onderwijsplek en ondersteuning te bieden. Soms is het nodig om daarnaast begeleiding vanuit de Jeugdwet of Wmo te indiceren.

3 Verstrekkingsvormen

3.2. Persoonsgebonden budget

3.2.1 Beoordelingscriteria pgb

De beoordelingscriteria voor een pgb zijn:

•Is de cliënt zelf, of samen met zijn sociaal netwerk, in staat de eigen situatie te overzien en zelf de benodigde hulp te kiezen, te regelen en te sturen? Dit wordt vooraf beoordeeld door het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de handreiking 10 punten PGB vaardigheid opgesteld door het ministerie van WVS.

•Is de cliënt goed op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een pgb en kan hij hiermee omgaan? De besteding van het pgb dient verantwoord te worden. Is de cliënt in staat de opdrachtgeverstaak op zich te nemen, zoals een aanbieder uit te zoeken, sollicitatiegesprekken te voeren, contracten af te sluiten, facturen af te handelen, de kwaliteit te bewaken evenals de voortgang van de hulpverlening?

•Bij aanvragers met een zeer progressief ziektebeeld staat het vaak bij voorbaat al vast dat de voorziening binnen korte tijd vervangen of aangepast moet worden. Bij het verstrekken van voorzieningen in natura kan beter op de wisselende ondersteuningsbehoefte worden ingespeeld. Om deze reden heeft de gemeente de voorkeur voor verstrekking van de voorziening in natura.

•Bij kinderen is er bijna altijd sprake van voorzieningen die niet voor een langere periode kunnen worden ingezet. Het verstrekken van een persoonsgebonden budget zou de gemeente dan ook op onnodige kosten kunnen jagen.

3.2.2 Kwaliteit van de dienstverlening

In alle gevallen zijn de volgende kwaliteitseisen van toepassing:

•Het PGB-plan moet zijn afgestemd op het onderzoeksverslag en moet leiden tot de daarin afgesproken resultaten.

•Het college kan de voortgang en de mate waarin de resultaten worden bereikt periodiek toetsen.

•Professionele ondersteuners moeten op verzoek een VOG kunnen overleggen.

•Om te beoordelen of iemand de gewenste kwaliteit kan leveren kan informatie worden opgevraagd inzake opleiding/registratie.

3.2.3 Aanvullende regels pgb voorzieningen (rolstoel, vervoermiddel, woonvoorziening of een andere type hulpmiddel)

Indien een pgb wordt aangewend voor het verwerven van een rolstoel, vervoermiddel en/of roerende woonvoorziening of een ander type hulpmiddel, gelden de volgende voorwaarden:

•de voorziening wordt verworven conform het functionele eisenpakket, opgesteld door de Wmo-consulent, eventueel na offerteaanvraag door de gemeente. De eisen waaraan de voorziening moet voldoen staan in de beschikking vermeld;

•de cliënt is binnen de economische levensduur verantwoordelijk voor onderhoud, reparatie en verzekering;

•na aanschaf van de voorziening dient de aanvrager een kopie van de factuur bij de gemeente in te leveren. Aan de hand van de factuur en eventueel een huisbezoek wordt gecontroleerd of de aangeschafte voorziening conform het eisenpakket is aangeschaft. Indien dit niet het geval is, zal de gemeente het pgb terugvorderen;

•indien de kosten van de voorziening het pgb overschrijden zijn deze voor rekening van de aanvrager. Indien de kosten lager zijn dan het pgb dient het verschil door de aanvrager aan de gemeente te worden terugbetaald;

•de cliënt sluit bij een pgb voor elektrische/motorische voorzieningen een WA-verzekering af voor de looptijd van het pgb.

•De cliënt kan het pgb ook besteden aan een andere voorziening dan de voorziening die het college heeft geïndiceerd. Mits met die voorziening hetzelfde doel en resultaat wordt bereikt en de voorziening van goede kwaliteit is. Cliënt dient vooraf dan wel aan te geven wat hij wil aanschaffen. Hierdoor kan getoetst worden of inderdaad voldaan wordt aan de functionele eisen en hetzelfde resultaat wordt bereikt. Eventuele meerkosten komen voor rekening van de cliënt.

Voor het bepalen van de hoogte van het pgb voor een voorziening die in ons kernassortiment zit, wordt uitgegaan van de kosten vergelijkbaar met een ZIN verstrekking. Voor overige voorzieningen kan een offerte aan één of meerdere leveranciers worden gevraagd. In de offerte dienen de volgende gegevens te worden opgenomen:

•de categorie-indeling (bijv. handbewogen rolstoel, elektrische rolstoel);

•een lijst met specificaties waaraan het hulpmiddel dient te voldoen, inclusief eventueel benodigde aanpassingen;

•de prijsklasse, waarbinnen het hulpmiddel te koop is;

•de te verwachten economische levensduur van het hulpmiddel;

•de gemiddelde kosten van onderhoud, reparatie en verzekering (instandhoudingskosten);

•een lijst met 3 – 5 mogelijke merken/typen, die voldoen aan de specificaties.

Uitbetaling van het pgb bij voorzieningen

Uitbetaling van het pgb voor de voorzieningen vindt als volgt plaats:

•aanschafkosten: in één keer, na inlevering van de offerte en na ondertekenen van het PGB-plan;

•onderhouds- en reparatiekosten: één keer per jaar, vooraf;

•WA-verzekering: één keer per jaar, vooraf.

Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren:

1de nota/factuur van de voorziening en;

2een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening of

3een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen.

3.2.4 Aanvullende regels pgb diensten (hulp bij huishoudelijke ondersteuning of begeleiding)

Indien een pgb wordt verstrekt voor het verwerven van huishoudelijke ondersteuning of begeleiding, dan dient aan de volgende aanvullende voorwaarden te worden voldaan:

•de hulp of begeleiding wordt ingezet ten behoeve van het hoofdverblijf van de aanvrager, in de gemeente Heemskerk;

•het budget wordt uitsluitend gebruikt voor betaling van de huishoudelijke hulp, begeleiding of dagbesteding (welke in Nederland geleverd wordt);

•de aanvrager sluit een schriftelijke overeenkomst, de zogenaamde zorgovereenkomst (deze wordt verstrekt via de SVB) met de hulpverlener of de hulpverlenende instantie;

•de SVB controleert de ontvangen zorgovereenkomst arbeidsrechtelijk en dient de zorgovereenkomst goed te keuren;

•de budgethouder kan met de zorgverlener afspreken dat de uitbetaling plaatsvindt op basis van een vast maandloon, declaratie of factuur;

•de aanvrager dient de declaraties van de hulpverlener minimaal 1 jaar na afloop van het kalenderjaar, waarin het pgb is verstrekt, te bewaren in verband met de steekproefsgewijze controle door de gemeente.

•het pgb hoeft niet besteed te worden conform het aantal geïndiceerde uren en het vastgestelde tarief. Het is toegestaan om minder uren tegen een hoger tarief in te kopen, mits de kwaliteit goed is en hetzelfde resultaat kan worden behaald.

Uitbetaling van het pgb bij diensten

In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat gemeenten pgb’s uitbetalen via tussenkomst van de SVB, het zogenaamde trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het pgb niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op rekening van het servicecentrum pgb van de SVB. De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. De niet bestede pgb bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente.

3.2.5 PGB sociaal netwerk en professioneel

Sociaal netwerk

Een pgb kan worden ingezet voor hulp uit het sociaal netwerk. Belangrijk bij de beoordeling van pgb uit het sociaal netwerk is of de hulp passend en toereikend is.

Een pgb voor de inzet van hulp door iemand uit het sociaal netwerk moet leiden tot minstens even goede en effectieve ondersteuning als de inzet van ondersteuning door een professional. Er mag geen belangenverstrengeling zijn.

Is de hulpverlener uit het sociaal netwerk tevens werkzaam als professionele hulpverlener dan is de sociale relatie hierin leidend en valt de hulpverlener onder het tarief voor pgb uit het sociaal netwerk. Zie hiervoor o.a. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 september 2021 ECLINL:CRVB:2021:2175.

Professioneel

Om te beoordelen of iemand (niet behorend tot het sociaal netwerk) als professionele hulpverlener aangemerkt kan worden, kan gekeken worden naar de volgende toetsingsgronden:

-staat de hulpverlener ingeschreven in de KvK (mogelijke indicatie);

-is de hulpverlener in het bezit van relevante diploma’s;

-heeft de hulpverlener werkervaring in de zorg;

-is uit de praktijk gebleken dat de hulpverlener de juiste zorg kan bieden.

Wanneer niet aangetoond kan worden dat er sprake is van een professionele hulpverlener valt de hulpverlener onder het tarief voor sociaal netwerk.

6 Mobiliteitshulpmiddelen

6.1. Rolstoelen (in en om de woning)

6.1.1 Afwegingskader rolstoelen

1Allereerst beoordeelt het college wat de mogelijkheden van de cliënt zijn ten aanzien van verplaatsingen in en om de woning en verplaatsingen om te voorzien in primaire levensbehoeften.

2Daarna beoordeelt het college alle algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen die beschikbaar zijn en of en in welke mate deze een oplossing bieden. Zo is een transportrolstoel ter beschikking via een algemene voorziening als de thuiszorgwinkel of rolstoelpoel.

3Het college beoordeelt dan of alle uitsluitingsgronden zijn meegenomen. Denk aan de Wajong, WIA, Zvw en Wlz etc.

4Als er een noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks gebruik, kan via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld.

5Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

6Aanpassingen en accessoires voor de rolstoel die niet noodzakelijk zijn worden in principe niet verstrekt.

7De kosten van onderhoud en verzekering vallen onder de verstrekking.

8Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die cliënt zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen.

9Er zal door het college rekening worden gehouden met de belangen van eventuele mantelzorgers. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verstrekt kan worden.

6.2. Lokaal vervoer (binnen 25 km rondom woning)

6.2.1 Afwegingskader lokaal vervoer

1Allereerst beoordeelt het college wat de mogelijkheden van de cliënt zijn ten aanzien van het lokaal vervoer en brengt de vervoersbehoefte in kaart.

2Vervolgens gaat het college na wat de eigen mogelijkheden en de mogelijkheden van het sociaal netwerk zijn.

3Het college gaat na of cliënt in staat is om door gebruik te maken van het openbaar vervoer om in zijn vervoersbehoefte te voorzien. Als de cliënt geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, kan afleggen wordt er verondersteld dat het openbaar vervoer niet bereikt kan worden.

4Het college beoordeelt alle algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen die beschikbaar zijn en of en in welke mate deze een oplossing bieden.

5Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college, afhankelijk van de vervoersbehoefte, een maatwerkvoorziening bieden.

6Aan de hand van de vervoersbehoefte zal het college beoordelen of het systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer voldoende compenserend is. Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de cliënt.

Op jaarbasis wordt voor collectief vervoer een omvang van maximaal 1500 kilometer in de directe woon- en leefomgeving gehanteerd.

Binnen het collectief vervoer zijn specifieke indicaties te onderscheiden waardoor vervoer op maat kan worden geboden. Dit betreffen onder andere:

-Solo-vervoer: wanneer iemand om medische redenen niet kan omrijden en snel op de plaats van bestemming moet zijn, of indien er sprake is van gedragsproblemen.

-Voorin: extra indicatie voor reizigers die alleen met een personenauto kunnen worden vervoerd en niet achterin kunnen zitten. Reden is vaak het niet kunnen buigen van de benen.

-Verplichte (medische) begeleiding: de reiziger mag niet zonder begeleiding mee op basis van medische of gedragsmatige noodzaak. In het geval dat er incidenteel een begeleider nodig is, is er geen verplichte indicatie. Voor mensen met een visuele beperking kan een uitzondering worden gemaakt.

Er kan altijd één persoon tegen betaling meereizen. De medereiziger betaalt hetzelfde reizigerstarief.

7Afhankelijk van de vervoersbehoefte zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de (zeer) korte afstand, bijvoorbeeld:

-Scootmobiel (open buitenwagen)

-Driewielfiets

8Een maatwerkvoorziening in de vorm van een vervoersvoorziening voor de (zeer) korte afstand kan door het college worden verstrekt in natura of in persoonsgeboden budget (pgb).

9Bij het bepalen van de hoogte van het pgb zijn de kosten van de voorziening die de cliënt in natura zou ontvangen het uitgangspunt.

10Het afwegingskader gericht op het verstrekken van voorzieningen met betrekking tot het gebruik van een auto worden in paragraaf 6.3 besproken.

6.2.2 Scootmobiel

Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer op de korte en middellange afstanden en kan worden gebruikt als aanvulling op het collectief vervoer. Een inwoner kan in aanmerking komen voor een scootmobiel als hij niet in staat is om 800 meter zelfstandig af te leggen, al dan niet met behulp van een loophulpmiddel. Een deel van de scootmobielgebruikers maakt niet dagelijks, soms zelfs minder dan wekelijks of alleen in de zomermaanden, gebruik van de scootmobiel. In verband met de kosten zal bij de beoordeling van het ondersteuningsplan de afweging gemaakt moeten worden of een toekenning noodzakelijk is.

6.2.3 Afwegingskader voor het stallen van scootmobielen en elektrisch aangedreven vervoersmiddelen

1Juridisch kader

Het stallen van scootmobielen en elektrisch aangedreven vervoersmiddelen in wooncomplexen en openbare ruimte is onderhevig aan de volgende regelgeving:

● Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL), artikel 6.4 en 6.15a:

○ Scootmobielen mogen niet worden gestald in vluchtroutes of gemeenschappelijke ruimten die onderdeel zijn van de vluchtroute.

○ Gemeenten hebben een zorgplicht om brandveilig gebruik van bouwwerken te waarborgen.

● Wmo-verordening, artikel 16, lid 6:

○ Bij toekenning van een scootmobiel als maatwerkvoorziening moet ook worden beoordeeld of een veilige stallingsmogelijkheid aanwezig of realiseerbaar is.

● Omgevingswet, artikel 5.8:

○ Voor stallingen in de buitenruimte kan een omgevingsvergunning vereist zijn.

2Stappenplan voor stallingsmogelijkheden

Bij het beoordelen van een aanvraag of verzoek tot stalling van een scootmobiel hanteert de gemeente de volgende volgorde van voorkeur:

Stap 1: Stalling achter de voordeur

● De gemeente beoordeelt of de scootmobiel inpandig geplaatst kan worden, bijvoorbeeld in de hal, bijkeuken of logeerkamer.

● Dit is de meest veilige optie en voorkomt gebruik van gemeenschappelijke ruimten.

Stap 2: Stalling in schuur of garage

● Indien inpandige stalling niet mogelijk is, wordt gekeken naar de beschikbaarheid van een privéberging, schuur of garage.

● De ruimte moet voldoen aan de eisen voor brandveiligheid en toegankelijkheid.

Stap 3: Stalling in de buitenruimte (Scootsafe)

● Als ook een privéberging, schuur of garage geen optie is, onderzoekt de gemeente de mogelijkheid tot plaatsing van een scootsafe in de buitenruimte.

● Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

○ Ruimtelijke inpassing: de scootsafe mag geen obstakel vormen voor voetgangers of hulpdiensten.

○ Brandveiligheid: de scootsafe moet voldoen aan de eisen van het BBL, zoals brandwerendheid en veilige laadvoorzieningen.

○ Vergunningplicht: plaatsing in de openbare ruimte vereist een omgevingsvergunning.

○ Locatiehiërarchie:

▪ Eerst op eigen terrein van de aanvrager

▪ Dan verharde openbare ruimte of op parkeerplaatsen

▪ Als laatste optie: openbaar groen, mits landschappelijk ingepast.

3Afweging en maatwerk

● De gemeente maakt per situatie een belangenafweging tussen veiligheid, toegankelijkheid en redelijkheid.

● Indien geen stallingsmogelijkheid kan worden gerealiseerd, kan dit gevolgen hebben voor de verstrekking van de scootmobiel.

● Maatwerkoplossingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld via een aangepaste voorziening of alternatieve vervoersoplossing.

6.3. Bovenregionaal vervoer (buiten 25 km rondom woning) en autoaanpassingen

6.3.1 Autoaanpassingen

Autoaanpassingen zijn aanpassingen die het algemeen gebruikelijk karakter van de auto te boven gaan. Het betreft autoaanpassingen die functioneel noodzakelijk zijn voor mensen met een beperking.

Faciliteiten die veelal standaard in auto’s zijn ingebouwd kunnen ook door valide personen worden gebruikt. Deze faciliteiten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een uitneembare hoedenplank, derde of vijfde deur, elektrisch bedienbare portierruiten, verstelbare lendesteunen van de bestuurdersstoel, neerklapbare achterbank, rembekrachtiging, een schakelautomaat, airconditioning, stuurbekrachtiging, cruise control, inparkeerfunctie, achteruitrij-camera, et cetera.

6.3.2 Afwegingskader autoaanpassingen

1Cliënt heeft aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of beperking die het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken hiervan onevenredig moeilijk maken; en

2Cliënt kan geen gebruik maken van het collectief vervoerssysteem, taxi of rolstoeltaxi, waardoor cliënt is aangewezen op het gebruik van de eigen auto; en

3De aanpassing is medisch noodzakelijk en niet algemeen gebruikelijk; en

4De auto wordt merendeel gebruikt voor het participeren. Wordt de auto voornamelijk gebruik voor vervoer van en naar werk dan kan er een aanpassing vanuit het UWV worden verstrekt.

Voor het vaststellen van de hoogte van het pgb wordt uitgegaan van de werkelijke kosten van de autoaanpassing.

Nadere voorwaarden aan het verlenen van aanpassing aan een eigen auto:

1De auto moet in goede staat verkeren en mag maximaal vijf jaar oud zijn; en

2Er moet een redelijke verhouding zijn tussen de kosten van de aanpassing en de redelijkerwijs te verwachten resterende levensduur van de auto. Indien de aanpassing tegen geringe kosten is te herplaatsen in een andere auto (bijvoorbeeld bij een aangepaste autostoel) kan deze voorwaarde vervallen. In die gevallen komt men de eerstvolgende zeven jaar na deze autoaanpassing alleen voor de kosten van herplaatsing van die voorziening in aanmerking.

7 Sportvoorzieningen

7.3. Hoogte pgb sportvoorzieningen

7.3.1 Hoogte pgb sportrolstoel

Voor de sportrolstoel geldt een bedrag in pgb zoals opgenomen in artikel 12 van de nadere regels. Dit is voor aanschaf en onderhoud. De minimale levensduur is drie jaar. Bij aantoonbaar noodzakelijke meerkosten kan een hoger budget toegekend worden.

8 Begeleiding

8.1. Dagbesteding

8.1.1 Intensiteitstreden

Er zijn drie intensiteiten van dagbesteding: licht, middelzwaar en zwaar.

Dagbesteding licht

Dagbesteding licht is het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, het uitvoeren van regie en/of het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen dan wel arbeidsmatige werkzaamheden. Eventueel worden (tijdelijk) taken overgenomen die de cliënten zelf niet meer kan. Cliënten die in aanmerking komen voor deze dagbesteding hebben lichte beperkingen die geen intensief toezicht vereisen op het functioneren. Wanneer mogelijk richt de begeleiding zich op door- en uitstroom naar reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie.

Dagbesteding middelzwaar

Dagbesteding middelzwaar richt zich op behoud of versterking van de zelfredzaamheid. Er wordt geoefend met het aanbrengen van structuur en/of uitvoeren van handelingen/vaardigheden. Wanneer mogelijk richt de begeleiding zich op door- en uitstroom naar reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie.

Cliënten die in aanmerking komen voor deze dagbesteding zijn vanwege beperkingen (fysiek en/of mentaal) (nog) niet in staat om deel te nemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag of aan de lichte vorm van dagbesteding. Het gedrag van de cliënten is voorspelbaar en de risico’s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten. Er is in beperkte mate toezicht nodig op het functioneren van de cliënten.

Deze middelzware vorm van dagbesteding kan voor een deel van de cliënten een tussenfase zijn naar de zwaardere trede, terwijl voor andere cliënten deze middelzware vorm een tussenfase in afbouw naar de lichtste vorm van dagbesteding.

Dagbesteding zwaar

Dagbesteding zwaar is bedoeld voor de meest complexe situaties waarin sprake is van complexe problematiek/ziektebeelden. Te denken valt hierbij aan ernstige gedragsstoornissen, instabiele ziektebeelden en multiprobleemsituaties. De ondersteuningsvraag op basis van ziektebeeld en/of beperkingen is leidend voor de begeleiding. Doel is het voorkomen of vertragen van verergering van problematiek. Deze vorm van dagbesteding biedt voornamelijk dagopvang met dagprogramma voor dagstructurering en (intensieve) begeleiding en toezicht. Doel van de dagbesteding is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie en handhaving.

8.1.2 Dagbesteding jongvolwassenen

Voor jongvolwassenen van 18 tot en met 23 jaar, die niet vallen onder de reikwijdte van de (verlengde) Jeugdwet, is het mogelijk om dagbesteding van een jeugdhulpaanbieder in te zetten via de Wmo. Hierdoor kunnen jongvolwassenen die niet of niet langer onder de Jeugdwet vallen toch passende ondersteuning ontvangen.

Bij dagbesteding voor jongvolwassenen wordt de ontwikkeling van de jongvolwassene zodanig gestimuleerd dat hij zo zelfstandig mogelijk kan functioneren. De jongvolwassene wordt ondersteund door het aanbieden van een zinvolle dagbesteding. Deze bestaat uit een gestructureerd en gevarieerd dagprogramma waarbij de jongvolwassene gestimuleerd en begeleid wordt in zijn ontwikkeling.

Het vraagt actieve betrokkenheid van de cliënt. Het gaat dus om structurele activiteiten onder professionele begeleiding en is nadrukkelijk iets anders dan algemene welzijnsactiviteiten.

We onderscheiden twee intensiteiten voor dagbesteding jongvolwassenen: A en B.

Dagbesteding A

Jongvolwassenen die in aanmerking komen voor deze dagbesteding zijn in enige mate beperkt in hun ontwikkeling en de mate van zelfredzaamheid. Het gedrag van deze jongvolwassenen is voorspelbaar en risico`s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten. De jongvolwassenen groeien op in een veilige omgeving.

Dagbesteding B

De jongvolwassene wordt begeleid bij het omgaan met zijn gedragsproblemen. Jongvolwassenen die in aanmerking komen voor deze dagbesteding zijn in hoge mate beperkt in hun ontwikkeling en mate van zelfredzaamheid. De jongvolwassenen hebben te maken met complexe (gedrags)problematiek waarvan de achterliggende oorzaak veelal onbekend is. De jongvolwassenen groeien op in een onveilige omgeving, of er is sprake van een (dreigende)crisis.

8.1.3 Omvang dagbesteding

Dagbesteding wordt geïndiceerd in dagdelen. Een dagdeel staat gelijk aan maximaal 4 aaneengesloten uren. Het maximum is 9 dagdelen, dit staat gelijk aan een in Nederland gebruikelijke 36-urige werkweek.

Het aantal dagdelen dagbesteding dat wordt geïndiceerd is afhankelijk van:

-De noodzaak (hoeveel structuur, activering, toezicht etc. is nodig? Wat biedt het eigen netwerk of de voorliggende voorzieningen, hoe belast is de mantelzorg etc.);

-De ondersteuningsbehoeften en mogelijkheden van de cliënt (hoeveel kan de cliënt fysiek en mentaal aan?);

-Het doel dat dagbesteding voor deze specifieke cliënt heeft (als het doel is: een zinvolle dagbesteding, ter vervanging van arbeid, dan worden bijvoorbeeld 8 of 9 dagdelen geïndiceerd).

8.1.4 Vervoer naar de dagbesteding

Uitgangspunt is dat mensen zelf of met hulp van hun netwerk dan wel andere informele oplossingen naar de betreffende zorglocatie komen. Wanneer eigen oplossingen niet mogelijk zijn en er sprake is van een door de toegang vastgestelde (medische) noodzaak, dient in vervoer voorzien te worden (maximaal 1 retourrit per dag).

8.2. Ambulante begeleiding

8.2.1 Intensiteitstreden

Er zijn drie intensiteiten van ambulante begeleiding: licht, middelzwaar en zwaar.

Lichte ondersteuning

Lichte ambulante begeleiding is gericht op het stimuleren en behouden van de huidige situatie van zelfredzaamheid en participatie en het voorkomen van achteruitgang.

Met de inzet van deze begeleiding wordt:

-Het uitvoeren van praktische vaardigheden en handelingen gestimuleerd, geoefend, ondersteund en/of overgenomen;

-Het aanbrengen van (dag)structuur en het voeren van regie gestimuleerd, geoefend, ondersteund en/of overgenomen.

Cliënten die in aanmerking komen voor deze vorm van begeleiding hebben beperkingen die geen intensief toezicht vereisen op het functioneren.

Middelzware ondersteuning

Middelzware ondersteuning kan worden ingezet wanneer er sprake is van:

-Complexe ziektebeelden: er zijn zodanige stoornissen en beperkingen dat kennis van het ziektebeeld en deskundigheid in de omgang hiermee noodzakelijk is;

-Complexe activiteiten: er is bijvoorbeeld toezicht en sturing nodig op het psychisch of lichamelijk functioneren van de cliënt. Of de cliënt is leerbaar en er kan geoefend worden met het aanbrengen van structuur en/of uitvoeren van handeling/vaardigheden;

-Ontwikkelmogelijkheden richting door- en uitstroom naar reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie en zelfstandigheid met minder of zonder ondersteuning.

Bij middelzware ondersteuning is er meer focus op trainen en coachen, waardoor gericht aan uitstroom kan worden gewerkt. Het te behalen resultaat kan zijn (gedeeltelijk) herstel, behoud of vertraging in mogelijke achteruitgang van de zelfredzaamheid.

Zware ondersteuning

Net als bij lichte en middelzware ondersteuning wordt geoefend, ondersteund en overgenomen. Het is verschil is dat zware ondersteuning wordt ingezet in de meest complexe situaties. Hierbij valt te denken aan ernstige gedragsstoornissen, risicovolle instabiele ziektebeelden en multi-probleemsituaties. Er is veelal sprake van langdurig tekortschietende zelfregie over het dagelijks leven. Doel is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie en handhaving.

Ambulante begeleiding in groepsverband

Ambulante begeleiding kan op onderdelen ook in groepsverband plaatsvinden. Bijvoorbeeld samen boodschappen doen, koken en samen eten. Bij een gezamenlijk (ontmoetings)moment kunnen ook vragen worden gesteld en kan ondersteuning worden geboden die anders in individueel verband aan de orde is (bijvoorbeeld over post die iemand heeft ontvangen).

8.2.2 Ambulante begeleiding jongvolwassenen

Voor jongvolwassenen (leeftijd van 18 tot en met 23 jaar) is het mogelijk om ambulante begeleiding van een jeugdhulpaanbieder in te zetten via de Wmo. Hierdoor kunnen jongvolwassenen die niet of niet langer onder (verlengde) Jeugdwet vallen toch passende ondersteuning ontvangen. Hierbij onderscheiden we drie soorten ambulante begeleiding: A, B en C. Deze drie soorten komen overeen met de intensiteitstreden van ambulante begeleiding: licht, middel en zwaar.

Variant A

Begeleiding ambulant A is bestemd voor jongvolwassenen die beperkingen in de zelfredzaamheid ondervinden, waarbij het gedrag en de risico’s als gevolg van de problematiek goed zijn in te schatten en de jongvolwassenen groeien op in een veilige omgeving.

Variant B

Begeleiding ambulant B is bestemd voor jongvolwassenen voor wie de begeleiding variant A niet toereikend is. Er is onder meer sprake van complexe problematiek waarvan de achterliggende oorzaak veelal bekend is. Zonder begeleiding kan het gezin niet zelfstandig blijven functioneren.

Variant C

Begeleiding ambulant C is bestemd voor jongvolwassenen voor wie de begeleiding variant A en B niet toereikend is. Er is onder meer sprake is van complexe (multi)problematiek waarvan de achterliggende oorzaak veelal onbekend is. Ook is er sprake van een onveilige omgeving, (ernstige) opvoedproblemen en/of een (dreigende) crisis. Zonder begeleiding kan het gezin niet zelfstandig blijven functioneren. Er kan sprake zijn van zorgmijding.

8.2.3 Omvang ambulante begeleiding

Ambulante begeleiding wordt vastgesteld in uren/minuten, dit betreft maatwerk. De omvang van de indicatie is gebaseerd op de te behalen resultaten en de daarbij horende doelen.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.