Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2026

Gemeente Hattem · geldt sinds 12 mei 2026

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem;

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2024;

overwegende, dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen over de wijze waarop het college van burgemeester en wethouders omgaat met diens bevoegdheden in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

besluit de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2026 vast te stellen.

Hoofdstuk 3 Afwegingskader

3.5 Gebruikelijke hulp

3.5.1 Gebruikelijke hulp bij huishoudelijke taken

1Van partners, ouders en huisgenoten (18+) mag in principe worden verwacht dat zij gebruikelijke hulp kunnen bieden. Ook naast een fulltime baan of fulltime studie. Het kan hierbij gaan om huishoudelijke taken, maar ook om het begeleiden van kinderen binnen het normale patroon van dagelijkse begeleiding van ouders aan kinderen.

2Wanneer een huisgenoot structureel enkele dagen of nachten afwezig is en daardoor de gebruikelijke hulp niet kan leveren, beoordeelt het college of ondersteuning noodzakelijk is. In dat geval kan ondersteuning worden ingezet voor taken die niet kunnen blijven liggen tot de huisgenoot weer aanwezig is.

3Van kinderen wordt in beperkte mate gebruikelijke hulp verwacht. Bij het beoordelen van hun bijdrage wordt zorgvuldig gekeken naar wat redelijk is op basis van hun leeftijd, ontwikkelingsfase en feitelijke mogelijkheden. Deze bijdragen worden gezien als onderdeel van de normale opvoeding en ontwikkeling, en vallen daarmee onder gebruikelijke hulp.

a.Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden.

b.Kinderen van 5 tot 12 jaar kunnen binnen hun eigen mogelijkheden betrokken worden bij lichte huishoudelijke taken, zoals opruimen, tafeldekken en -afruimen, afwassen of afdrogen, en het doen van een kleine boodschap.

c.Kinderen vanaf 13 jaar kunnen daarnaast verantwoordelijk worden gehouden voor het op orde houden van hun eigen kamer, zoals opruimen, bed verschonen en stofzuigen.

4Vanaf 18 jaar wordt iemand geacht zelfstandig te kunnen wonen, bijvoorbeeld in het kader van een studie, en een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Vanaf 23 jaar wordt verondersteld dat men in staat is een volledig huishouden te voeren.

5Wanneer jongeren tot 23 jaar nog thuis wonen, bijvoorbeeld bij een ouder die ondersteuning nodig heeft, wordt de inzet van gebruikelijke hulp afgestemd op wat redelijkerwijs van hen verwacht mag worden. Hierbij wordt gekeken naar hun leeftijd, ontwikkelingsfase en feitelijke mogelijkheden.

3.5.2 Gebruikelijke hulp bij het bieden van begeleiding en het voeren van regie

1Bij begeleiding is het noodzakelijk onderscheid te maken tussen kortdurende en langdurige situaties. Hoofdregel:

a.Als er sprake is van een kortdurende situatie, wordt van de partner, ouder of inwonende huisgenoot verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent voor die periode. Het gaat hierbij om een periode van maximaal 3 maanden;

b.Als er sprake is van een chronische situatie, wordt van de partner, ouder of inwonende huisgenoot verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent binnen algemeen aanvaarde maatstaven.

2Binnen algemeen aanvaardbare maatstaven is in ieder geval:

a.het bieden van begeleiding op het gebied van maatschappelijke participatie;

b.het begeleiden bij het normaal maatschappelijke verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts enzovoort;

c.het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie;

d.het leren omgaan door derden, zoals familie en vrienden, met de persoon met beperkingen (waaronder kinderen).

3.5.3 Grenzen aan gebruikelijke hulp

In de volgende situaties zal gebruikelijke hulp in de regel niet of niet volledig aan de orde zijn:

a.Een werkende partner/huisgenoot is beroepshalve minimaal 7 etmalen aaneengesloten van huis. Bijvoorbeeld in het geval van een internationale vrachtwagenchauffeur of bij offshore werkzaamheden;

b.Er is sprake van een dreigende (medische) overbelasting van de gebruikelijke zorgverlener. Bijvoorbeeld als gevolg van een combinatie van gebruikelijke zorg met grote psychische belasting;

c.In crisissituaties bij bijvoorbeeld het plotselinge overlijden van de (verzorgende) partner/ouder met jonge kinderen of bij een korte levensverwachting van de zorgvrager;

d.Bij personen waar in redelijkheid niet meer verwacht kan worden dat de gebruikelijke hulp aangeleerd kan worden;

e.Kinderen bieden in de regel geen gebruikelijke hulp als het gaat om het begeleiden van hun ouders of broertjes en zusjes. Ook hier geldt net als bij huishoudelijke taken dat naarmate het kind ouder wordt er meer ondersteuning verwacht kan worden.

Hoofdstuk 8 Woonvoorzieningen

8.3 Het primaat van verhuizen

8.3.1 Afwegingskader bij primaat van verhuizen

1Bij het toepassen van het verhuisprimaat moet rekening worden gehouden met de individuele omstandigheden van een inwoner. Bij elke melding wegen we de belangen af en onderzoeken of het verhuisprimaat toegepast kan worden. Bij deze belangenafweging tussen het aanpassen van de woning of verhuizen naar een andere woning spelen verschillende onderdelen een rol. Het gaat om de volgende onderdelen:

a.De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen

b.Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen

c.Volkshuisvestelijke factor

d.Woning moet binnen medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn

e.Sociale omstandigheden

f.Afstemming met andere voorzieningen

g.Werksituatie

h.Verandering in woonlasten

i.Wooncomfort

j.Is de cliënt huurder of eigenaar van de woning?

k.De wil van de cliënt om te verhuizen

8.3.2 Tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten

1Een inwoner kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten wanneer verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is én het verhuisprimaat is opgelegd.

2Een verhuiskostenvergoeding kan ook verstrekt worden aan een inwoner die op verzoek van het college een aangepaste woning vrijgemaakt voor bewoning door iemand met een beperking.

3De te verlaten woning moet in de gemeente Hattem staan.

4Een inwoner komt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten wanneer de inwoner:

a.voor het eerst zelfstandig gaat wonen. Hierbij wordt het voor studie of opleiding ‘op kamers wonen’ niet als zelfstandig wonen beschouwd;

b.verhuist vanuit of naar een woning die niet bedoeld is om het hele jaar bewoond te worden, zoals een vakantiewoning;

c.verhuist naar een instelling of een verzorgingshuis;

d.verhuist op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie de verhuizing gebruikelijk is;

e.verhuist vanuit een adequate woning op eigen verzoek.

5De hoogte van deze tegemoetkoming is vastgelegd in de geldende Wmo-verordening en het financieel besluit.

8.3.3 Woning aanpassen

Als het verhuisprimaat niet toepasbaar is, dan wordt de huidige woning aangepast. Hierbij wordt gekozen voor de goedkoopst compenserende voorziening(en). Dit houdt o.a. in dat er bij een kostencalculatie rekening gehouden wordt met aanpassing en kosten op het niveau van sociale woningbouw.

8.3.4 Niet willen verhuizen

Het kan voorkomen dat het verhuisprimaat van toepassing is, maar dat de inwoner niet wil verhuizen. In dat geval kan de gemeente een bedrag toekennen ter hoogte van de verhuiskostenvergoeding. De inwoner kan dit bedrag gebruiken om de huidige woning aan te passen. Meerkosten zijn in dit geval voor rekening van de inwoner.

8.4 Woningaanpassingen

8.4.1 Bereikbaarheid en toegankelijkheid van de woning

1Het uitgangspunt is dat een woning in ieder geval via één ingang bereikbaar is. Een tweede ingang kan noodzakelijk zijn om de berging, de tuin of het terras te bereiken. Het is niet noodzakelijk om de auto in de garage te kunnen stallen. Auto’s in de buitenlucht parkeren is gebruikelijk.

2Veel oplossingen zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): de ondergrond van het toegangspad, de bestrating van het toegangspad, de aanleg van het benodigde (brede) toegangspad, drempelhulpen bij de toegangsdeuren, het aanbrengen van een steunpunt bij/op de deurpost.

8.4.2 Doorgankelijkheid van de woning

Met de doorgankelijkheid van de woning wordt bedoeld het kunnen bereiken van de ruimten in het huis. Veel oplossingen om de doorgankelijkheid te verbeteren zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): het aanbrengen van steunpunten, het plaatsen van een drempelhulp, het verwijderen van drempels, een tweede trapleuning, aanpassen van hang- en sluitwerk.

Trap

Als traplopen lastig of niet meer mogelijk is door een lichamelijke beperking, kan een traplift een passende oplossing zijn. Het doel van een traplift is om iemand te helpen zelfstandig gebruik te blijven maken van de woning, bijvoorbeeld om te kunnen slapen of douchen op een andere verdieping.

Een traplift kan worden toegekend als:

•Er sprake is van een medische noodzaak;

•De inwoner niet zelfstandig de trap kan gebruiken;

•Er geen geschikt alternatief is, zoals verhuizen naar een gelijkvloerse woning;

•De inwoner de traplift veilig kan gebruiken.

Bij een tijdelijke situatie, waarin iemand tijdelijk niet in staat is om de trap te gebruiken, wordt geen traplift verstrekt. In dat geval wordt uitgegaan van eigen kracht, bijvoorbeeld door tijdelijk een bed in de woonkamer te plaatsen.

Deuren

Deuren zijn met name een belemmering bij gebruik van een rolstoel. Noodzakelijke oplossingen kunnen zijn: verbreden van een deur, elektrische deuropener, schuifdeur.

8.4.3 Bruikbaarheid van de woning

Keuken

Een keuken kan worden aangepast als dit noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren van een inwoner met een beperking. De aanpassing is bedoeld om de zelfredzaamheid te bevorderen, zodat de inwoner zelfstandig gebruik kan maken van de keuken.

Een keukenaanpassing komt in aanmerking als:

•De inwoner zelf in belangrijke mate de keukenactiviteiten uitvoert;

•Er geen huisgenoot is die deze taken als gebruikelijke hulp kan overnemen;

•De aanpassing noodzakelijk is om essentiële kook- en eetactiviteiten mogelijk te maken.

De aanpassing wordt uitgevoerd tot het niveau van voorzieningen zoals gebruikelijk in de sociale woningbouw. Dit betekent dat luxe of bovenmatige voorzieningen niet worden vergoed.

Veel oplossingen om het gebruik van de keuken te verbeteren zijn algemeen verkrijgbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Denk hierbij aan: hendelkranen, keramische of inductiekookplaat, korfladen of andere praktische indelingen. Deze opsomming is niet limitatief; andere algemeen verkrijgbare hulpmiddelen kunnen ook onder eigen verantwoordelijkheid vallen.

Natte cel, toilet

Veel oplossingen om het gebruik van de natte cel of toilet te verbeteren zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst):

Steunpunten, drempelhulpen, bad vervangen door een douche, douchebak vervangen door een inloopdouche, antisliptegels, thermostaatkranen, een eenvoudig douchezitje, verhoogde toiletpot, toilet met spoel- en föhninstallatie.

Slechts in uitzonderlijke situaties zal het nodig zijn om een voorziening te treffen om het bad te kunnen gebruiken. Een tweede toilet op de verdieping is gebruikelijk en wordt in de regel niet verstrekt.

Niet elementaire gebruiksruimten

Een hobby-, werk- of speel-/recreatieruimte wordt niet gerekend tot de elementaire woonfuncties en wordt dan ook niet aangepast in het kader van de Wmo. Dit geldt ook voor het treffen van een voorziening uit oppas- of verzorgingsoogpunt.

Gemeenschappelijke ruimten

In principe worden geen woningaanpassingen uitgevoerd aan gemeenschappelijke ruimten. Een uitzondering betreft het toegankelijk maken van de gemeenschappelijke ruimte. Dit laatste geldt niet voor woongebouwen die specifiek gericht zijn op ouderen en mensen met beperkingen en wanneer het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie meegenomen kunnen worden.

Hoofdstuk 11 Vervoersvoorzieningen

11.3 Vervoermiddelen voor lokale verplaatsingen

11.3.1 Stallingsruimte

Bij vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel of driewielfiets moet rekening worden gehouden met de stalling. Door gewijzigde regelgeving in het Bouwbesluit is het stallen van scootmobielen op galerijen of in gangen niet meer toegestaan. Omdat het gebruik van scootmobielen toeneemt door de vergrijzing, wordt het vinden van een geschikte stallingsplek steeds uitdagender. Bij een aanvraag onderzoekt de Wmo-consulent daarom zorgvuldig de stalmogelijkheden. Is er geen adequate stalling, dan kan de voorziening worden geweigerd. Bij weigering blijft de gemeente echter betrokken bij het zoeken naar een alternatieve oplossing voor het vervoersprobleem van de inwoner.

11.3.2 Accessoires

1Accessoires aan vervoersvoorzieningen worden alleen verstrekt wanneer deze medisch noodzakelijk zijn en niet als gebruikelijk worden beschouwd.

2De volgende accessoires zijn gebruikelijk: (rolstoel)handschoenen, regenkleding, boodschappenmandje/tas, bandenpomp, spiegels, schootskleed/voetenzak, zonnekap/-scherm.

3In de regel medisch noodzakelijk zijn: orthesejas, zuurstoffleshouder, stokhouder en in sommige situaties spaakbeschermers.

11.4 Regionaal vervoer

11.4.1 Vraagafhankelijk vervoer door PlusOV

1Inwoners die door een beperking niet zelfstandig gebruik kunnen maken van regulier (openbaar) vervoer kunnen in aanmerking komen voor vraagafhankelijk vervoer via PlusOV. Dit vervoer is bedoeld om deelname aan het maatschappelijke verkeer mogelijk te maken binnen de directe leefomgeving (circa 15-20 km).

2Vraagafhankelijk vervoer kan worden toegekend als:

a.De inwoner door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking niet zelfstandig kan reizen;

b.Er geen gebruik gemaakt kan worden van eigen vervoer, openbaar vervoer of hulp vanuit het netwerk;

c.Het vervoer nodig is voor maatschappelijke participatie, zoals boodschappen doen, sociale contacten onderhouden of deelnemen aan activiteiten.

11.4.2 Kilometerbudget

1Inwoners die gebruik maken van het vraagafhankelijke vervoer kunnen jaarlijks maximaal 1.500 km reizen. In sommige gevallen is het standaardbudget van 1.500 km niet voldoende. Het is mogelijk om meer kilometers toe te voegen aan het budget. Deze individuele ophoging blijft mogelijk als de vervoersbehoefte van een inwoner dit rechtvaardigt.

2Deze ophoging is maatwerk en wordt alleen overwogen als:

a.De grens van 1.500 kilometer bijna bereikt is vóór het einde van het kalenderjaar; én

b.Er sprake is van een blijvende, aantoonbare vervoersbehoefte.

3Er worden niet op voorhand extra kilometers toegekend. De beoordeling vindt plaats op basis van het gebruik en de individuele omstandigheden van de inwoner.

11.4.3 Vorm van voorziening

De voorziening wordt geleverd in natura via PlusOV. De gemeente beoordeelt de aanvraag en draagt zorg voor de toewijzing. De inwoner ontvangt informatie over het gebruik, de voorwaarden en de planning van ritten via PlusOV.

11.4.4 Begeleiding in het vraagafhankelijke vervoer (PlusOV)

1In sommige situaties is het nodig dat een inwoner tijdens het vervoer via PlusOV wordt begeleid. Er zijn twee vormen van begeleiding mogelijk: medische begeleiding en sociale begeleiding.

2Eén medisch begeleider mag gratis meereizen, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a.De inwoner reist via PlusOV op basis van een Wmo-indicatie; én

b.De begeleiding door de chauffeur is onvoldoende om veilig te reizen.

3Medische begeleiding is noodzakelijk in situaties zoals:

a.Tijdens de rit is medische zorg nodig;

b.Er is sprake van gedragsproblematiek of angst, waarbij begeleiding rust en veiligheid biedt;

c.Tijdens de rit is ADL-hulp nodig.

4Inwoners met een Wmo-indicatie mogen één persoon extra meenemen tegen het Wmo-tarief. Dit noemen we sociale begeleiding. Deze begeleider ondersteunt bijvoorbeeld bij het uitstappen of bij het vinden van de juiste locatie.

11.4.5 Ritbijdrage en voorwaarden vervoer PlusOV

Voor het gebruik van het vraagafhankelijk vervoer wordt een ritbijdrage gevraagd welke bestaat uit een opstaptarief en een kilometertarief. De tarieven zijn opgenomen in de geldende Wmo-verordening en het financieel besluit.

11.4.6 Routegebonden vervoer door PlusOV

1Routegebonden vervoer via PlusOV is bedoeld voor inwoners die door een beperking niet zelfstandig kunnen reizen naar een vaste bestemming voor begeleiding groep.

2Routegebonden vervoer kan worden toegekend als:

a.De inwoner een Wmo-indicatie heeft voor begeleiding groep;

b.De locatie niet zelfstandig bereikbaar is door de inwoner, ook niet met hulp van het netwerk of via regulier openbaar vervoer.

3De voorziening wordt geleverd in natura via PlusOV. De gemeente draagt zorg voor de toewijzing en afstemming met de vervoerder. De inwoner ontvangt informatie over het gebruik en de planning van het vervoer.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.