Aanhef
Inzet vergunningverlening, toezicht en handhaving onder de Omgevingswet
Samenvatting
Achtergrond
Met het VTH-beleidsplan legt de gemeente Harderwijk de koers vast voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) onder de Omgevingswet. Deze wet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden, vraagt om een andere manier van werken. In dit beleidsplan beschrijft de gemeente hoe zij invulling geeft aan deze veranderende rol: dienstverlenend, risicogestuurd en in nauwe samenhang met gemeentelijke opgaven op het gebied van wonen, veiligheid, erfgoed, economie en leefbaarheid.
Het plan markeert daarmee een nieuwe fase: de afgelopen jaren ontbrak een actueel VTH-beleidskader, aangezien het vorige beleid uit de periode 2014-2018 stamde. Met dit beleidsplan wordt opnieuw richting gegeven aan de uitvoering van VTH-taken binnen het kader van de Omgevingswet.
De inzet van VTH is niet alleen een wettelijke taak, maar ook een strategisch instrument om maatschappelijke doelen te realiseren. Het plan is opgesteld in overeenstemming met de verplichtingen uit het Omgevingsbesluit en vormt de basis voor een jaarlijkse uitvoerings- en evaluatiecyclus. Daarmee borgt de gemeente niet alleen kwaliteit, maar ook transparantie en bestuurlijke verantwoording.
Bestuurlijke uitgangspunten
Centraal in dit beleidsplan staan vijf bestuurlijke uitgangspunten. Allereerst kiest de gemeente voor een risicogestuurde benadering: capaciteit wordt ingezet waar de risico’s het grootst zijn, bijvoorbeeld bij strijdig gebruik, onveilige bouwwerken of brandgevaarlijke situaties. Daarnaast wordt de inzet van VTH gekoppeld aan bredere opgaven van de gemeente, zoals de woningbouwopgave, het behoud van monumenten, de versterking van de lokale economie en de aanpak van ondermijning. Ook hecht de gemeente belang aan een consequente en transparante uitvoeringspraktijk, waarbij inwoners weten waar ze aan toe zijn en gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Om dit te realiseren is een goede verbinding tussen beleid en uitvoering noodzakelijk. Daarom wordt geïnvesteerd in een lerende cyclus, waarin uitvoeringspraktijk en beleid elkaar versterken. Tot slot is de borging van de uitvoeringskwaliteit een speerpunt, zowel in termen van deskundigheid, procesinrichting als financiële verankering.
Prioriteiten en doelstellingen
Op het gebied van beleidsprioriteiten kiest de gemeente Harderwijk voor een dubbele strategie: risicogestuurd én opgavegericht. Vanuit de risicoanalyse wordt prioriteit gegeven aan situaties met grote gevolgen voor de veiligheid of leefbaarheid. Het gaat hierbij om het terugdringen van ongewenst strijdig gebruik, zoals illegale bewoning van recreatieverblijven of bedrijfsmatig gebruik van woningen, maar ook om illegale (ver)bouw, brandveiligheid en constructieve veiligheid. Tegelijkertijd wordt VTH ingezet als instrument om gemeentelijke ambities te realiseren. Dat geldt bijvoorbeeld voor de woningbouwopgave, het beschermen van erfgoed, het verbeteren van de kwaliteit op bedrijventerreinen, het in goede banen leiden van recreatie en toerisme, en het tegengaan van ondermijning in kwetsbare sectoren.
Uitvoeringsstrategie: preventie, risicogestuurd en proportioneel optreden
De uitvoeringsstrategie bestaat uit vier onderdelen: preventie, vergunningverlening, toezicht en handhaving. Preventie is een belangrijk speerpunt. Door goede voorlichting, participatie en het vroegtijdig betrekken van initiatiefnemers probeert de gemeente overtredingen te voorkomen. Binnen het vergunningproces ligt de nadruk op duidelijke, handhaafbare vergunningen die juridisch houdbaar zijn en ruimte bieden voor initiatief. Het principe “ja, mits” uit de Omgevingswet is daarbij leidend. Vergunningverlening gebeurt steeds vaker via een voorafgaand principeverzoek, waarmee vroegtijdig duidelijkheid wordt geboden over de wenselijkheid van een initiatief.
Toezicht wordt risicogestuurd ingezet en waar mogelijk programmatisch of projectmatig georganiseerd, bijvoorbeeld op bedrijventerreinen, in de binnenstad en op voormalige vakantieparken. Daarbij wordt gebruikgemaakt van digitale middelen om het toezicht voor te bereiden en de resultaten te monitoren. De Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) en de Omgevingsdienst Veluwe zijn belangrijke partners bij het toezicht op respectievelijk brandveiligheid en milieubelastende activiteiten.
Bij handhaving sluit de gemeente aan bij de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). De bestuurlijke prioriteiten liggen bij constructieve veiligheid, brandveiligheid, strijdig gebruik en illegale (ver)bouw. Daarnaast draagt VTH bij aan de bestuurlijke opgaven: woningbouwopgave, behoud van erfgoed, versterking van de economie, ontwikkeling van recreatie en toerisme en de aanpak van ondermijning.
Bij ernstige en onomkeerbare overtredingen, zoals aantasting van monumenten, illegale bewoning of gevaarlijke bouwsituaties, krijgen deze overtredingen prioriteit. De gemeente hanteert een proportionele aanpak: eerst aanspreken en corrigeren, maar zo nodig streng handhaven en zo nodig bestuursrechtelijke of strafrechtelijke maatregelen treffen.
Organisatie, kwaliteitsborging en ontwikkeling
De uitvoering van het beleid ligt bij het team Ruimtelijke Dienstverlening. Dit team bestaat uit omgevingscoaches, toezichthouders, juristen en administratieve ondersteuning. Er is een duidelijke functiescheiding tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving. De kwaliteit wordt geborgd via jaarlijkse monitoring, prestatie-indicatoren en horizontale verantwoording aan de gemeenteraad. De samenwerking met externe partners, zoals de Veiligheidsregio, de Omgevingsdienst en het waterschap, is daarbij cruciaal.
Het beleidsplan heeft ook aandacht voor toekomstige ontwikkelingen. De komende jaren worden benut om de uitvoering van de Omgevingswet verder te verbeteren, de beleids- en uitvoeringscyclus te versterken en het omgevingsplan te actualiseren. Die actualisering is van groot belang, omdat dat plan bepalend is voor wat vergunningsvrij mag en wat niet. Tegelijkertijd betekent dit dat de rol van de gemeente in de komende jaren verder verschuift van toetsend naar toezichthoudend en handhavend.
Met het VTH-beleidsplan kiest de gemeente Harderwijk voor een proactieve, strategisch onderbouwde en professionele inzet van haar VTH-instrumentarium. Dat past bij de veranderende rol van de overheid onder de Omgevingswet: faciliterend waar mogelijk, handhavend waar nodig, en altijd gericht op het beschermen en versterken van de leefomgeving voor inwoners, ondernemers en bezoekers van de stad.
Bijlage 1: Uitvoeringskader preventie
Bij preventie gaat het om het van nature nakomen van regels over leefbaarheid, veiligheid en duurzaamheid. Door vooraf te investeren in inzicht en duidelijkheid van regels, kan een deel van de overtredingen door inwoners en ondernemers worden voorkomen. Het betreft vooral overtredingen die door goedwillende en onbewuste overtreders worden gemaakt. De gemeente zet op verschillende manieren in op preventie.
Zorgen voor voldoende zicht op zaken
Inzicht in wat er speelt in de gemeente is nodig om risico’s (tijdig) te signaleren en eventueel weg te nemen. Het inzicht kan ook duidelijk maken of er beleidskeuzes moeten worden gemaakt. Bijvoorbeeld waar het gaat om ontwikkelingen in de binnenstad, op (voormalige) vakantieparken of op bedrijventerreinen. Dit doet de gemeente door:
-Het goed organiseren van de ‘oor- en oogfunctie', ook van de VNOG en de OD Veluwe. Dat wil zeggen dat de verschillende toezichthouders niet alleen naar hun eigen taakgebied kijken maar ook alert zijn op signalen die voor een andere toezichthouder relevant kunnen zijn: strijdig gebruik, brandveiligheid, ondermijning etc. Of door periodiek een ‘schouw’ te houden op bedrijventerreinen of in het buitengebied (mogelijk onder regie van OOV); vroegsignalering is belangrijk om te voorkomen dat schade kan ontstaan of er handhavend moet worden opgetreden;
-Samenwerking zoeken, bijvoorbeeld op bedrijventerreinen waar het gaat om het terugdringen van overlast of strijdig gebruik (keurmerk veilig ondernemen, KVO).
Voorlichting
Goede voorlichting kan voorkomen dat overtredingen ontstaan uit een gebrek aan informatie en kennis. Inwoners en ondernemers worden daarom geïnformeerd over bijvoorbeeld (verandering in) landelijke en lokale wet- en regelgeving, indieningsvereisten en werkwijze van de gemeente. De gemeente onderscheidt verschillende vormen van voorlichting:
-Voorlichting gericht op bekendheid met de regels en mogelijkheden;
-Voorlichting gericht op informatie over steun die een initiatiefnemer kan krijgen, bijvoorbeeld over provinciale of landelijke subsidiemogelijkheden bij het renoveren van een monument;
-Voorlichting gericht op een vergroting van het bewustzijn van bijvoorbeeld brandveiligheidsrisico’s (inwoners) of ondermijningsrisico’s (ondernemers).
De voorlichting vindt plaats via de website en de Harderwijker Courant en wordt in gedoseerd vormgegeven bij het bespreken van een principeverzoek, bij het vooroverleg of tijdens het toezicht. Bij behoefte aan meer inhoudelijk (of juridisch) advies wordt de initiatiefnemer erop gewezen daarvoor contact op te nemen met marktpartijen.
Beoordeling van principeverzoeken
De gemeente stimuleert initiatiefnemers om eerst een principeverzoek in te dienen, voordat zij een formele aanvraag om omgevingsvergunning indienen. Daarbij wordt de wenselijkheid van een initiatief beoordeeld aan de hand van het omgevingsplan en welstand. Bij een positief oordeel wordt de initiatiefnemer gevraagd een formele aanvraag in te dienen. Dan vindt de technische beoordeling plaats (Bbl, Bkl, Vflo e.a.). Op deze wijze weet een initiatiefnemer snel of het initiatief in principe mogelijk is, zonder dat deze al kosten heeft moeten maken voor tekeningen en berekeningen. Het scheelt ook de gemeente veel tijd. Een positief besluit over een principeverzoek is echter nog geen garantie dat de vergunning uiteindelijk ook verleend kan worden.
Bemiddeling
Bemiddeling kan op verschillende manieren een rol spelen bij de bevordering van het naleefgedrag en het voorkomen van handhavingssituaties. Bij de vergunningprocedure gaat het om de participatieplicht voor de initiatiefnemer. Die moet de omgeving informeren over/betrekken bij het initiatief. De gemeente kan daarbij eventueel een bemiddelende rol spelen. Bemiddeling kan ook worden ingezet bij zienswijzen en bezwaar tegen besluiten. De initiatiefnemer kan met participatie zorgdragen voor voldoende draagvlak voor zijn initiatief. Of bemiddeling wordt aangeboden daar waar klachten of conflicten zijn of dreigen rond een initiatief of activiteit.
Als er maatschappelijke weerstand tegen activiteiten bestaat of veel overlast is, maar geen wettelijke grondslag is om te sanctioneren (dan wel er formeel geen overtreding is) of een vergunning te weigeren, kan de gemeente bemiddeling inzetten om toekomstige klachten en handhavingsverzoeken te voorkomen, bijvoorbeeld in de vorm van buurtbemiddeling.
Bemiddeling levert vooral een bijdrage aan de verbetering van een initiatief in samenspraak met de omgeving en van de context waarbinnen het naleefgedrag tot stand moet komen. De gemeente neemt in beginsel een neutrale positie in het ‘conflict’ door te proberen de partijen bij elkaar te brengen. Afhankelijk van de situatie bepaalt de gemeente wie het meest aangewezen is om als bemiddelaar op te treden; dit kan ook een medewerker uit een ander team dan Ruimtelijke Dienstverlening zijn
Bijlage 2: Uitvoeringskader vergunningverlening
Uitgangspunten
Vergunningverlening levert een bijdrage aan het verbeteren en handhaven van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Voor het bepalen van de acceptabele kwaliteit worden de verschillende belangen tussen de voorgenomen activiteiten en de gevolgen voor de fysieke leefomgeving zorgvuldig afgewogen. Uitgangspunten daarbij zijn:
-Inwoners en ondernemers zijn verantwoordelijk voor het indienen van goede en volledige (conform indieningsvereisten) aanvragen/meldingen. De gemeente houdt zich bij de taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel;
-Vergunningen zijn afgestemd op de geldende wet- en regelgeving (landelijk, provinciaal en lokaal) alsmede op lokaal en provinciaal beleid;
-Vergunningen zijn goed te begrijpen (‘duidelijke taal’), uitvoerbaar, naleefbaar en handhaafbaar;
-Besluiten op vergunningaanvragen worden tijdig genomen, conform de wettelijke termijnen of eigen streeftermijnen;
-Het uitvoeringsproces is voorspelbaar, transparant, juridisch juist en achteraf verifieerbaar;
-In de gevallen dat vergunningen of besluiten integraal zijn worden de verschillende aspecten en wetten op samenhangende wijze behandeld;
-Er vindt afstemming, coördinatie of contact plaats met andere bestuurs- of adviesorganen of belanghebbende derden.
De gemeente heeft de taak om de verschillende aspecten van een aanvraag integraal te beoordelen. De omgevingscoach moet ervoor waken dat dat ook gebeurt. De omgevingscoach is ook het directe aanspreekpunt voor de aanvrager.
Behandeling principeverzoek
Het beleid van de gemeente is erop gericht dat een initiatiefnemer eerst een principeverzoek indient alvorens een (concept)aanvraag in te dienen. Bij een principeverzoek gaat het alleen om de vraag of de beoogde (bouw)activiteit wenselijk is. Dit afgemeten aan het omgevingsplan, welstand en het gemeentelijke beleid (dat mogelijk vooruitloopt op het omgevingsplan). Dit gebeurt aan de zogenaamde beleidstafel. Bij een positief besluit (wat ook kan inhouden dat er een BOPA-procedure moet worden gevolgd) wordt de initiatiefnemer uitgenodigd om een (concept)aanvraag in te dienen. Bij de behandeling van de (concept)aanvraag wordt ook de haalbaarheid (afgemeten aan onder andere het Bbl) beoordeeld.
Door eerst een principebesluit te nemen, voorkomt de initiatiefnemer dat hij direct kosten maakt voor bijvoorbeeld tekeningen en constructieberekeningen. Dergelijke investeringen zijn pas nodig na een positief besluit op het principeverzoek. Deze werkwijze draagt bovendien bij aan een efficiënter gebruik van gemeentelijke capaciteit.
Hoofdproces aanvraag
Het hoofdproces voor het beslissen op een vergunningaanvraag en het beoordelen van een melding volgt op hoofdlijnen onderstaande stappen. Daarbij wordt de wettelijke procedure zoals vastgelegd in de Awb en de Omgevingswet gevolgd:
1Inboeken, registreren en eventueel digitaliseren van de aanvraag;
2Registreren aanvraag in (behandelstappen en documenten);
3Sturen ontvangstbevestiging;
4Behandelend omgevingscoach beoordeelt:
-Bevoegd gezag;
-Uitgebreide of reguliere procedure;
-Meervoudige of enkelvoudige aanvraag;
5Publiceren aanvragen en (concept)beschikkingen;
6Overzicht bewaken over lopende procedures en de voortgang;
7De omgevingscoach is verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvraag:
-Een ontvankelijkheidstoets op basis van indieningsvereisten en samenloop met meldingen;
-Een (vak)inhoudelijke toets aan alle relevante beoordelingskaders;
-Uitzetten bij interne- en externe adviseurs;
-Bewaken van de termijn;
-Aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren aanvrager;
8Opstellen (concept)beschikking;
9Registratie (behandelstappen en documenten);
10Archiveren beschikkingen (analoog en/of digitaal). Een afschrift van de beschikking en/of melding wordt verstuurd aan alle adviserende externe adviseurs in verband met toezicht en handhaving op die beschikking;
11Mogelijk zienswijze, bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige voorziening.
De omgevingscoach beoordeelt of collegiaal overleg nodig is en of onder andere disciplines betrokken moeten worden bij de beoordeling. In het gedigitaliseerde werkproces zijn de contactmomenten met externe en interne adviseurs vastgelegd. Afhankelijk van de aangevraagde activiteit vindt samenwerking plaats met diverse interne en externe adviseurs. Bij aanvragen voor wijzigingen aan monumenten wordt, naast de beoordeling voor slopen/bouwen volgens de toetsmatrix, de commissie Omgevingskwaliteit en (bij Rijksmonumenten) de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) om advies gevraagd.
Bibob-toets
In sommige gevallen wordt een Bibob-toets uitgevoerd: een onderzoek naar de integriteit van de aanvrager. Dit gebeurt als er in het voortraject of na ontvangst van de aanvraag signalen zijn (vanuit de gemeente zelf, de politie, het OM, de OD Veluwe etc.) dat het risico bestaat dat de gemeente onbedoeld criminele activiteiten faciliteert. Op basis waarvan de gemeente besluit een Bibob-toets uit te voeren is vastgelegd in de ‘Beleidsregel voor de toepassing van de Wet Bibob gemeente Harderwijk 2024’. Een positieve uitkomst van een Bibob-toets is een grondslag om een vergunning te weigeren. Een Bibob-toets wordt uitgevoerd bij een bouwactiviteit met een (door de gemeente berekende) bouwsom van meer dan €750.000 en bij bouwactiviteiten met een lagere bouwsom waarbij het gebouw een gebruiksfunctie heeft die valt onder de categorie ‘voor ondermijning gevoelige branches’. Het uitvoeren van Bibob-toetsen maakt deel uit van het integraal veiligheidsbeleid van de gemeente.
Vergunningaanvragen worden digitaal verwerkt. Ze komen digitaal binnen of worden – bij indiening op papier – gedigitaliseerd. Op basis van een wijkindeling wordt een behandelaar aangewezen. De processtappen en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd in het zaaksysteem (CLO). De meest voorkomende correspondentie, beschikkingen, adviezen en vergunningvoorschriften zijn gestandaardiseerd.
Beoordelen ontvankelijkheid
De afhandelingstermijn voor de aanvragen maakt het noodzakelijk om de nodige aandacht te geven aan de toets op ontvankelijkheid. Een goede en inhoudelijk juiste beoordeling van aanvragen is alleen dan mogelijk, wanneer de vereiste stukken aanwezig zijn.
Bij alle aanvragen voor een omgevingsvergunning vindt een volledige ontvankelijkheidstoets plaats. De richtlijn is dat binnen tweemaal vier weken na ontvangst van de aanvraag schriftelijk aanvullende gegevens worden gevraagd. Als de gevraagde stukken ontbreken, niet op tijd of onvolledig zijn, blijft de aanvraag buiten behandeling. De aanvrager kan daartegen bezwaar aantekenen.
Het ontvangen van een vergunning omgevingsplanactiviteit-bouwen betekent niet automatisch dat ook begonnen mag worden met bouwen. Mogelijk heeft de aanvrager ook een andere activiteit nodig, zoals bijvoorbeeld een natuurvergunning of een technische vergunning. Waar mogelijk wordt de aanvrager bij het verlenen van een vergunning voor een bepaalde activiteit gewezen op het nodig hebben van andere toestemmingen of vergunningen voordat van deze vergunning gebruik gemaakt mag worden.
Beoordelen van meldingen
Bij ontvangst van meldingen, zoals voor brandveilig gebruik wordt beoordeeld of de melding compleet is en ontvangt de indiener een bevestiging. Soms is een aanvulling of concretisering op de algemeen geldende voorschriften (wetten, besluiten) nodig. Onder andere met het oog op het goed kunnen handhaven. Er worden dan maatwerkvoorschriften opgelegd of er wordt een gelijkwaardigheidsbesluit genomen. Deze besluiten staan open voor bezwaar en beroep).
Inwerkingtreden vergunning
In artikel 16.79 van de Omgevingswet is de hoofdregel opgenomen over de inwerkingtreding van een omgevingsvergunning. Dat is namelijk in de reguliere procedure de dag na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt. In enkele gevallen kan sprake zijn van uitgestelde inwerkingtreding. Uitgestelde inwerkingtreding is mogelijk bij activiteiten die kunnen leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld (onomkeerbaarheid). Het betreft onder meer de activiteiten:
-Slopen in beschermd stadsgezicht en op grond van ruimtelijke regels;
-Wijzigingen aan (Rijks)monumenten;
-Kappen;
-Aanleggen.
Het gaat er bij bovenstaande activiteiten om de onomkeerbare gevolgen te voorkomen en de betrokken (o.a. monumentale) waarden te beschermen. Als er in een specifiek geval, buiten bovenstaande, sprake is van een activiteit die kan leiden tot een wijziging van de bestaande toestand die niet kan worden hersteld, wordt dit in de vergunning opgenomen en gemotiveerd.
Intrekken van vergunningen
Het college van B&W heeft de bevoegdheid om verleende vergunningen weer in te trekken. Dit geldt bijvoorbeeld voor verleende vergunningen waarbij de bouw- en/of sloopactiviteiten niet worden aangevangen of lange tijd stilliggen. Daarmee wordt voorkomen dat activiteiten gerealiseerd worden volgens verouderde normen in wetgeving of alternatieve ontwikkelingen worden geblokkeerd. De termijn waarbinnen de initiatiefnemer een voornemen tot intrekking ontvangt, is vastgelegd in de Omgevingswet. In de volgende gevallen wordt de vergunninghouder een nadere termijn gegund waarbinnen alsnog met de werkzaamheden moet zijn begonnen:
-De vergunninghouder kan gedocumenteerd (bijvoorbeeld geaccepteerde offerte van een bouwondernemer, facturen van bestelde bouwmaterialen en/of hiermee gelijk te stellen documenten) zijn intentie tot bouwen aantonen;
-De vergunninghouder voert persoonlijke omstandigheden, zoals een sterfgeval in de familie, ziekte of onverwachte financiële omstandigheden aan, die tot uitstel van de bouwwerkzaamheden leiden.
Legaliseringsonderzoek
In voorkomende gevallen wordt onderzocht of bij een (deels) illegale situatie legalisatie mogelijk is. Voor een legaliseringsonderzoek is de volgende procedure afgesproken:
-De toezichthouder heeft een overtreding geconstateerd;
-De toezichthouder houdt contact met de overtreder. Die geeft aan dat een onderzoek tot legalisatie van de overtreding wordt gedaan en wordt getoetst aan het omgevingsplan en het Bbl;
-Toezichthouder stelt een rapportage op en draagt die over aan de jurist handhaving;
-Als het niet passend is binnen het omgevingsplan wordt het verzoek voorgelegd aan het wekelijkse omgevingscoachoverleg om te bepalen of medewerking gewenst is. Indien de uitkomst positief is kan vervolgens aan de overtreder doorgegeven worden of het vergund kan worden;
-De uitkomst daarvan neemt de jurist handhaving mee in de handhavingsprocedure en wordt de overtreder in de gelegenheid gesteld een vergunning aan te vragen;
-Als die daaraan gehoor geeft, kan worden afgezien van handhavend optreden.
Zie verder ook bijlage 4, uitvoeringskader handhaving.
Beoordelingskader bouwen
Een vergunning voor de activiteit bouwen wordt alleen verleend als voldoende aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de technische voorschriften. Hiermee stelt de wetgever duidelijk dat de gemeente bij het toetsen van de bouwaanvraag niet de verantwoordelijkheid overneemt van de vergunninghouder of de bouwende partij.
In het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) zijn voorschriften gegeven voor het bouwen van woningen en woongebouwen, woonwagens en standplaatsen, niet tot bewoning bestemde gebouwen en voor bouwwerken geen gebouwen zijnde. Het Bbl onderscheidt twaalf verschillende gebruiksfuncties. De voorschriften voor de verschillende bouwwerken zijn verdeeld in vier thema’s, te weten: veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid. Bij verandering van zowel het gebruik als de technische staat van een bouwwerk zijn de voorschriften voor nieuwbouw uitgangspunt. Als sprake is van een ondergeschikte verbouwing kan hiervan bij bestaande bouw binnen kaders worden afgeweken.
Aanvragen worden allereerst getoetst aan de regels voor vergunningsvrij bouwen. Aanvragen voor vergunningsplichtige bouwwerken toetsen we, afhankelijk van de strekking van de aanvraag, na uitvoering van de ontvankelijkheidstoets achtereenvolgens aan de volgende onderdelen:
-Het omgevingsplan;
-Welstand;
-De Verordening Fysieke leefomgeving (Vflo);
-Het Bbl;
-Het Bgbop;
-Eventueel aanvullende beleidsregels (zoals aan huisgebonden beroepen, B&B’s en gastenverblijven, woningsplitsing, etc.);
-Provinciale omgevingsverordening;
-Waterschapsverordening.
Als signalen daar aanleiding voor geven wordt ook een Bibob-onderzoek uitgevoerd.
Waaraan toetst de gemeente?
De gemeente toetst op de volgende aspecten:
1Fysieke leefomgeving (Evenwichtige functietoedeling aan locaties, EFTAL);
2Welstand;
3Veiligheid: voorschriften die uit het oogpunt van veiligheid zijn gesteld hebben betrekking op:
-Constructieve veiligheid;
-Gebruiksveiligheid;
-Brandveiligheid;
-Sociale veiligheid;
4Gezondheid: voorschriften op het gebied van gezondheid richten zich op bescherming tegen:
-Geluid/vocht;
-Waterafvoer;
-Ventilatie;
-Beperking invloed schadelijke stoffen/ dieren;
-Watervoorziening;
-Daglicht;
5Bruikbaarheid: voorschriften die vanwege bruikbaarheid worden gesteld houden verband met:
-Toegankelijkheid openbare gebouwen;
-Ruimten;
-Opstelplaatsen;
6Energiezuinigheid: het terugdringen van het gebruik van fossiele energie en houden, in zijn algemeenheid, verband met energiezuinigheid (beoordelen EPC-berekeningen).
Toetsniveaus
Deze intensiteit of zwaarte van de toets wordt weergegeven in zogenaamde toetsniveaus. Bij de bouwtechnische toetsing worden verschillende toetsniveaus gehanteerd, afhankelijk van de risicoklasse waarin een aanvraag wordt ingeschaald.
Toetsniveau
Omschrijving
4Integraal toetsen
Alles controleren. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten gecontroleerd/nagerekend.
3Representatief toetsen
Controle van de belangrijkste onderdelen. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. De na te rekenen aspecten worden bepaald op basis van de resultaten van de visuele toets.
2Visueel toetsen
Kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk? Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn.
1Uitgangspunten toetsen
Bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de globale uitgangspunten op de stukken, die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergeven. Als gegevens niet aanwezig zijn, de ontvankelijkheidtermijn is verstreken zonder dat de gemeente hiervan melding heeft gegeven, dan kan de vergunning hier niet meer op worden aangehouden/geweigerd.
S = Steekproef
Toetsing op basis van risicoafweging. Bijvoorbeeld of woning is gelegen in een buurt met hoge inbraakcijfers of er een verhoogde kans is op de aanwezigheid van ongedierte
0Geen toets
Er vindt geen controle op het onderdeel plaats
De bouwtechnische toetsing geldt in ieder geval voor bouwwerken die (nog) niet onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen vallen. Bouwwerken die wel onder de Wkb vallen, worden niet meer bouwtechnisch getoetst; wel blijft bij deze bouwwerken de toetsing aan het omgevingsplan. Bij bouwwerken die wel onder de Wkb vallen gebeurt de bouwtechnische toetsing, in opdracht van de initiatiefnemer, door een kwaliteitsborger. Deze stelt een borgingsplan op dat voorafgaand aan de start van de bouw ter beoordeling naar de gemeente wordt verzonden. Dit geldt ook voor een verklaring van de kwaliteitsborger na oplevering van de bouw.
Toetsprotocol
De Vereniging Bouw en woningtoezicht (VBwt) heeft een toetsprotocol opgesteld voor de beoordeling van vergunningaanvragen aan de hand van het Bbl (toetsprotocol LTB 2024). Hierin staat horizontaal de thema’s/aspecten uit het Bbl en verticaal de bouwtypen. Alhoewel bepaalde processen met dit toetsingsniveau worden geüniformeerd, kunnen specifieke (doorgaans risicovolle) bouwwerken om intensievere toetsing en toezicht vragen. Het toetsprotocol is apart uitgewerkt voor bestaande bouw (hoofdstuk 3 Bbl) en nieuwbouw (hoofdstuk 4 Bbl). Samengevat ziet het protocol er als volgt uit.
De volledige en meest actuele versie van het protocol is te vinden op de website van de VBwt (zie link). In de uitvoering vertalen de omgevingscoaches en toezichthouders – die met een vergelijkbare matrix werken – het protocol naar praktische checklisten, bijvoorbeeld ook toegespitst op bepaalde categorieën van bouwactiviteiten of facetten (zoals monumentwaarde, brandveiligheid).
Als bij een aanvraag op basis van de risicomatrix een bouw- of sloopveiligheidsplan is vereist en deze ontbreekt (of als de risicomatrix zelf ontbreekt), dan wordt een verzoek om aanvulling gedaan. Als het om een melding gaat, dan wordt die afgewezen op onvolledigheid.
Werkwijze bij bouwwerken onder de Wkb
Bij de beoordeling van het borgingsplan toetst de gemeente uitsluitend of alle wettelijke en lokale eisen waaraan getoetst moet worden, zijn opgenomen. Dit betreft een volledigheidstoets. De gereedmelding van een bouw onder de Wkb gebeurt op basis van het dossier dat de kwaliteitsborger aanreikt en de daarbij gevoegde verklaring. Dit moet twee weken voor ingebruikname plaatsvinden. Bij gebleken strijdigheid wordt gelegenheid geboden tot herstel of vindt afweging plaats of gebruik toch kan worden toegestaan. Het laatste gebeurt alleen als er een akkoord is op de veiligheidsrisico’s.
De gemeente houdt in eerste aanleg een vinger aan de pols door steekproefgewijs controles uit te voeren bij projecten die onder de Wkb vallen.
Beoordelingskader sloopwerkzaamheden
Sloopactiviteiten vinden plaats bij verbouwing, uitbreiding of volledig sloop van objecten. Voor slopen geldt bij karakteristieke objecten (bij monumenten, in beschermde stads- en dorpsgezichten en volgens het omgevingsplan) een vergunningplicht. Voor overige objecten geldt een meldingsplicht. De sloopmelding wordt beoordeeld en gecontroleerd door de OD Veluwe. Als er een sloopvergunning nodig is, worden de toetsresultaten vertaald naar nadere voorwaarden in de vergunning. Bij sloop aan een monumentaal pand is (in de regel) ook een omgevingsvergunning nodig. Dat deel van het toezicht op de sloop ligt bij de gemeente.
Beoordelingskader brandveilig gebruik
Belangrijke beleids- en uitvoeringskaders voor de brandveiligheid is het BBL, de handreiking Bluswater en Bereikbaarheid, het Besluit Brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (Bgop) en het format veiligheidsplan evenementen van de VNOG.
Het toetsen van meldingen voor alle typen gebouwen in relatie tot brandveiligheid gebeurt op basis van een 100% toets aan wettelijke regelgeving.
Voor niet-bouwwerken (‘bouwsels’), zoals tenten, podia, kermissen en overige plaatsen wordt getoetst aan het omgevingsplan (geen strijdigheid), het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (Bgbop) en de Vflo.
Toetsing aan welstandseisen
Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan het omgevingsplan voldoet, of duidelijk is dat de omgevingsvergunning voor het planologisch strijdig gebruik kan worden verleend, wordt het plan getoetst aan redelijke eisen van welstand. De toetsing vindt plaats aan de beleidstafel.
In de nota ruimtelijke kwaliteit is in paragraaf 2.5 aangegeven welke plannen welstandsvrij zijn. Daarnaast zijn er in hoofdstuk 3 van de welstandsnota sneltoetscriteria opgenomen voor veelvoorkomende bouwwerken zoals dakkapellen, aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen etc. De overige plannen worden voorgelegd aan de commissie ruimtelijke kwaliteit (het Gelders Genootschap). Concreet houdt dit in dat het bouwplan moet voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in de welstandsnota Harderwijk 2017.
Beoordelingskader monumenten en archeologie
De omgevingsvergunning voor monumenten vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk en rijkscultuurhistorisch erfgoed. Dat wil zeggen monumenten en archeologische vindplaatsen. Bij een principeverzoek of (concept)aanvraag wordt getoetst aan de impact op de historische waarde (monumentwaarde), de architectonische waarde, de omgevingswaarde (impact op de omgeving) en het passen binnen het omgevingsplan. De commissie Omgevingskwaliteit heeft een belangrijke adviesstem. Bij veranderingen in of bij rijksmonumenten wordt ook de RCE om advies gevraagd. Het beoordelingskader is vastgelegd in hoofdstuk 6 van de Vflo.
Beoordelingskader milieu
De behandeling van vergunningaanvragen voor milieubelastende activiteiten (MBA’s) en het toezicht daarop is belegd bij de OD Veluwe. Om de samenwerking te stroomlijnen zijn samenwerkingsafspraken tussen de gemeente Harderwijk en de OD Veluwe en een mandaatregeling vastgelegd. Voor de diepgang van toetsing van meldingen en aanvragen voor milieuactiviteiten wordt verwezen naar de vergunningen(melding)strategie van de OD Veluwe die in 2025 wordt opgesteld.
Beoordelingskader aanleg weg, kap, reclame en inritten
Voor het realiseren van activiteiten die als wettelijke basis in de Vflo zijn geregeld, vindt toetsing primair plaats op basis van de bepalingen daarin. Naast deze publiekrechtelijke toetsing, worden vaak ook privaatrechtelijke afspraken gemaakt als de activiteiten plaatsvinden op publieke gronden (bijvoorbeeld bij de aanleg van inritten).
Bij aanvragen voor de aanleg van een weg of inritten (art. 2.2 en 2.3 Vflo) vindt afstemming plaats met de wegbeheerders, het Waterschap Vallei en Veluwe of de provincie en het team Ruimtelijk beleid (adviseur verkeer) van de gemeente.
Van kappen kan sprake zijn als een boom of een houtopstand geveld wordt of als er zeer drastisch wordt gesnoeid, bijvoorbeeld het verwijderen van de kroon uit een boom. Bij aanvragen voor het kappen van bomen (art. 4.2 Vflo) vindt afstemming plaats met team Stadsbedrijf (beheerder bos- en buitengebied) en/of team Ruimtelijk Beleid (adviseur Groen) van de gemeente.
Beoordelingskader evenementen
Aanvragen voor markten en evenementen worden getoetst aan het omgevingsplan, constructieve veiligheid en de Vflo (hoofdstuk 11, art. 14.15). Als evenementen plaatsvinden in of met bouwsels, vindt de toetsing plaats van brandveiligheid en constructieve veiligheid zoals beschreven in het Bbl.
De eventuele samenloop van evenementen (meerdere aanvragen voor eenzelfde moment) is een specifiek aandachtspunt. Dit ook met het oog op de eventuele inzet van hulpdiensten. De gemeentelijke evenementenkalender biedt daar inzicht in.
Beoordelingskader bodem, bouwstoffen en grondstromen
Milieubelastende activiteiten in relatie tot bodem worden getoetst aan de bodemkwaliteitskaart. Het kan hierbij onder andere gaan om het ontgraven (met mogelijke verontreiniging), graven in een waterbodem, graven binnen beschermde zones (zoals archeologische vindplaatsen), grondverzet en soms het aanleggen van leidingen of kabels. De aandacht hiervoor is onder andere relevant bij het realiseren van de woningbouwopgave. Bouwstoffen die aan de bepalingen (generieke kwaliteitseisen) uit het Besluit activiteiten leefomgeving voldoen. De belangrijkste regels zijn:
-Een algemene zorgplicht
-Voldoen aan kwaliteitseisen (Regeling bodemkwaliteit 2022);
-In voorkomende gevallen moet er een milieu-hygiënische verklaring zijn (certificaat);
-Meldingsplicht bij grote grotere hoeveelheden, toepassing in oppervlaktewater of beschermde zone;
-Specifieke locatie-eisen (zoals grondwaterbeschermingsgebied of specifieke regels in het omgevingsplan).
Bewijsmiddelen voor de kwaliteit van een partij grond zijn bodemonderzoeken (partijkeuringen) en de Bodemkwaliteitskaart Noord-Veluwe
10De gemeente heeft ook een eigen bodemkwaliteitskaart uit 2011. Gangbaar grondverzet is op de meeste plaatsen in de gemeente toegestaan. Voor de uitgezonderde gebieden (centrum, van verontreiniging verdachte gebieden en gebieden waar van nature een hoog arseengehalte in de bodem voorkomt) is bij grondverzet aanvullend onderzoek nodig.
. De omgevingsdienst doet de afhandeling van milieubelastende activiteiten met betrekking tot bodem, bouwstoffen en grondstromen Voor de verdere uitwerking zie de U&H-strategie en het uitvoeringsprogramma van de OD Veluwe die in 2025 worden opgesteld.
Beoordelingskader natuurbescherming en flora en fauna
Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning de activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de aanwezige flora en fauna, dan wordt advies gevraagd bij Gedeputeerde Staten. Als deze toetsing plaatsvindt in het kader van een aanvraag, wordt het advies overgenomen in de beschikking.
Beoordelingskader fysieke leefomgeving
Uitgangspunt is dat alle aanvragen integraal worden getoetst aan het omgevingsplan. Er moet sprake zijn van een ‘evenrwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Dat betekent dat er een balans moet zijn tussen verschillende gebruiksfuncties in een gebied.
Elk bouwplan wordt getoetst aan het omgevingsplan om te bekijken of er sprake is van strijdigheden met de planvoorschriften. Dit gebeurt op een grondige manier, waarbij specifieke kenmerken nauwkeurig worden gemeten. Per ruimte wordt benoemd en gecontroleerd wat er op grond van de regels wel of niet mag. Als blijkt dat een aanvraag niet voldoet aan het geldende ruimtelijke plan, wordt beoordeeld of een afwijking of wijziging van het ruimtelijk plan mogelijk is.
Beleid voor afwijking van omgevingsplannen
Per 1-1-2024 zijn de bestemmingsplannen van rechtswege omgezet naar één omgevingsplan. Als een aangevraagde activiteit in strijd is met het omgevingsplan, spreken we van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Ingeval een activiteit in strijd is met het tijdelijk deel omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan) wordt beoordeeld of alsnog een omgevingsvergunning kan worden afgegeven. De procedure voor een binnenplanse omgevingsactiviteit (OPA) of buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) heeft een standaard beslistermijn van 8 weken (die eenmalig met 6 weken kan worden verlengd).
Bijlage 3: Uitvoeringskader toezicht
De toezichtstrategie is gericht op het op eenzelfde wijze uitvoeren van toezicht in overeenkomstige gevallen. Het doel hiervan is tweeledig. Enerzijds het bereiken van transparantie, professionaliteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor diegenen waarop het toezicht zich richt. Anderzijds is het voorzien in een hoge mate van effectiviteit en efficiency, zodat zo hoog mogelijke maatschappelijke effecten tegen zo laag mogelijke inspanningen en kosten worden bereikt. Zodra een overtreding is geconstateerd, wordt overgegaan op een andere strategie: eventueel legaliseren, waarschuwen, sanctioneren of in uitzonderlijke gevallen gedogen.
Het toezicht in het kader van de Omgevingswet wordt uitgevoerd door het team Ruimtelijke Dienstverlening en de OD Veluwe voor wat betreft milieu en sloop.
Aanleidingen voor het uitvoeren van controles
Toezicht in de gemeente vindt plaats in het kader of naar aanleiding van:
-Het VTH-beleidsplan en -uitvoeringsprogramma, waarin bestuurlijke prioriteiten en door de provincie gestelde aandachtsgebieden voor het interbestuurlijk toezicht zijn verwerkt;
-Naar aanleiding van een verleende vergunning of ontvangen melding over de start van een activiteit;
-Specifieke thema’s of projecten;
-Klachten, handhavingsverzoeken en ongewone voorvallen;
-Waarnemingen in het vrije veld (“oog en oor-functie”).
De prioriteiten in het toezicht zijn opgenomen in dit VTH-beleidsplan. Deze worden jaarlijks in het uitvoeringsprogramma nader gespecificeerd of bijgesteld. Bijvoorbeeld op basis van nieuwe inzichten, ontwikkelingen (beleid, wetgeving, samenleving) of ervaringen uit het toezicht in het jaar ervoor.
Vormen van toezicht
Met het in werking treden van de Wet kwaliteitsborging (Wkb) verschuift de verantwoordelijkheid van het bouwtoezicht deels naar de initiatiefnemer. Dat wil zeggen dat gefaseerd de gemeente als toezichthouder op de constructieve veiligheid van bouwwerken terugtreedt en de initiatiefnemer een (gecertificeerde) ‘kwaliteitsborger’ moet aanstellen die rapporteert aan de gemeente. Dit geldt (uiteindelijk) niet voor complexe bouwwerken, voor het toezicht op bouwactiviteiten bij monumenten en voor het toezicht op het gebruik (conform omgevingsplan). De gemeente blijft qua toezicht op de brandveiligheid en milieu eindverantwoordelijk evenals voor de handhaving van de Wkb
11Waarbij het toezicht op de brandveiligheid en milieu in de praktijk wordt uitgevoerd door respectievelijk de VNOG en de OD Veluwe.
.
Het toezicht door de gemeente Harderwijk vindt op verschillende manieren plaats:
-Structurele (routinematige) controles: periodiek toezicht op vergunningen en meldingen, zoals bij milieubelastende activiteiten (door de OD Veluwe) of de brandveiligheid van bouwwerken met bewoners of gebruikers met een beperkte zelfredzaamheid;
-Toezicht tijdens en na afronding van (ver)bouw- of sloopactiviteiten, inclusief grotere evenementen met tijdelijke bouwwerken;
-Hercontroles, gericht op één of enkele aandachtspunten. Deze vinden plaats aan de hand van de brief die is verzonden naar aanleiding van een eerdere controle of handhavingsbesluit.
-Thematische, projectmatige of gebiedsgerichte controles zoals preventief toezicht op ondermijningsrisico’s op bedrijventerreinen;
-Incidentele controles (‘piep-systeem’), bijvoorbeeld naar aanleiding van meldingen, klachten of handhavingsverzoeken.
-Administratief toezicht, bijvoorbeeld op basis van de rapportage van een kwaliteitsborger;
-Controle kwaliteitsborging: toezicht op de gecertificeerde partij die het primaire toezicht op locaties verzorgt. Het betreft onder meer controle van afgegeven certificaten.
Voor ieder van deze vormen is in het zaaksysteem (CLO) een hoofdproces ingericht waarin de stappen worden doorlopen. Controle op locatie vindt plaats op basis van een (digitale) checklist. Van de controle wordt een constateringsrapport opgemaakt waarin de feitelijke bevindingen en administratieve gegevens zijn opgenomen.
De wijze en intensiteit van het toezicht hangt ook af van de verwachting over het naleefgedrag. De ervaring is dat dit groter is naarmate regels voor initiatiefnemers duidelijker zijn (zie ook de eisen die aan vergunningen worden gesteld), bekend is dat er gecontroleerd wordt, de pakkans groot is en een overtreding ook gevolg heeft. Overigens is het controlemoment ook een goede gelegenheid om de kennis van een initiatiefnemer te toetsen en waar nodig advies te geven over het vergroten van de kennis (als onderdeel van de preventiestrategie). Controles zijn altijd onaangekondigd bij:
-Een hercontrole na het stilleggen van bouw- of sloopwerkzaamheden met een last onder dwangsom of bestuursdwang;
-Strijdig gebruik met het omgevingsplan;
-Een vermoeden van ondermijnende criminele activiteiten (drugspand, illegale huisvesting etc.)
12In zo’n geval wordt een controle in de regel samen met de politie uitgevoerd.
;
-Overige situaties waarbij een onaangekondigde controle passend is.
Bij het toezicht wordt zorgvuldig omgegaan met de belangen van de rechthebbende(n). In beginsel wordt het toezicht uitgevoerd met instemming van de initiatiefnemer (burger, bedrijf). Als toestemming toch wordt geweigerd wordt gebruikgemaakt van de bevoegdheden van toezichthouders volgens de Awb en/of Awbi als dit redelijkerwijs voor de invulling van de taak nodig is. Op basis van een analyse van de situatie vooraf, wordt bepaald of de controle aangekondigd of onaangekondigd plaatsvindt. Als de omstandigheden dit niet toelaten (bijvoorbeeld als een illegale activiteit wordt geconstateerd en deze plaats direct dient te worden betreden) neemt de toezichthouder zo spoedig mogelijk (al dan niet achteraf) contact op met de rechthebbende op het gebruik van de plaats. De toezichthouder meldt zich in ieder geval altijd bij de op het erf/terrein aanwezige uitvoerder/personen.
Toezicht bouwen
Het toezicht op bouwen is veranderd met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de daarmee samenhangende Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen.
Bouwwerken onder Gevolgklasse 1
Op de realisatie van bouwwerken die vallen onder Gevolgklasse 1 (GK1) van de Wkb houdt de gemeente geen bouwtechnisch toezicht meer. Het gaat om gebouwen waarbij de persoonlijke risico’s beperkt zijn als er niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan. Daarbij kan worden gedacht aan (vakantie)woningen, kleinere bedrijfsgebouwen, kleinere windmolens of fietsbruggen. Wel blijft bij de GK1 bouwwerken het toezicht op basis van het omgevingsplan. In elk geval in 2025 worden ook nog steekproefsgewijs controles uitgevoerd op de kwaliteit van het werk van de kwaliteitsborgers. Als er bij GK1 bouwwerken sprake is van werkzaamheden met een onomkeerbaarheid of wanneer door de werkzaamheden verder onderzoek onmogelijk wordt, wordt een onderzoek aangezegd. Dat onderzoek mag niet belemmerd worden. Er mogen er dus ook geen werkzaamheden meer plaatsvinden die het onderzoek kunnen belemmeren. Concreet betekent dat een (tijdelijke) bouwstop.
Bouwwerken waar de gemeente zelf toezicht houdt
Bij bouwwerken die (nog) niet onder de Wet Kwaliteitsborging vallen, moeten tijdens de bouw- of realisatiefase keuzes gemaakt worden over wat en hoe deze wordt gecontroleerd. Hiervoor wordt op basis van het landelijke toezichtprotocol© van de Vereniging BWT Nederland een eigen protocol uitgewerkt (zie site Bwt -info).
Net als bij de toetsniveaus die worden gehanteerd bij een vergunningaanvraag, zijn er ook verschillende toetsniveaus voor het toezichtprotocol. Het toezichtprotocol wordt weergegeven met een matrix (zie onderstaand).
In de matrix zijn per bouwfase en categorie van bouwwerken de voorschriften aangegeven waarop wordt gecontroleerd. Bij het vaststellen van het minimumniveau is per controlepunt vastgesteld of dit relevant is voor wat betreft brandveiligheid, constructieve veiligheid en/of volksgezondheid omdat hierbij de ingeschatte risico’s het grootst zijn. Is dit niet het geval dan is een controle hierop niet 'verplicht'. Voor die controlepunten die wel relevant zijn, is een inschatting gemaakt van het risico. Afhankelijk van deze risico-inschatting is per controlepunt een minimum-toezichtniveau vastgesteld. De diepgang van de controles ligt daarbij in lijn met de diepgang van de toetsing van het bouwplan.
Het toezichtprotocol wordt voor de uitvoering door de toezichthouders vertaald in praktische checklists. Dit in samenspraak met de omgevingscoaches zodat de toetsing van vergunningaanvragen en het toezicht op de naleving, in lijn zijn met elkaar.
Toezicht sloopwerkzaamheden
Van sloop aan alle bouwwerken vóór 1994 van meer dan 10 m3 sloopafval wordt een asbestinventarisatierapport en een sloopmelding of -vergunning verlangd.
Bij sloopwerkzaamheden door bedrijven vindt het toezicht gemandateerd plaats door de OD Veluwe en wordt de toezichtstrategie van de OD Veluwe gevolgd. Dit met uitzondering van het toezicht op de sloop bij een monumentaal pand. De daarvoor benodigde omgevingsvergunning wordt door de gemeente zelf gecontroleerd.
Bij sloopwerkzaamheden door particulieren vindt een administratieve toets plaats en wordt gereed gemeld op basis van een controle. Bij sloopwerkzaamheden in risicovolle gebieden (dichte bewoning) vindt een controle op de veiligheid van het sloopterrein en de directe omgeving plaats.
Toezicht brandveiligheid
Het toezicht op de brandveiligheid gebeurt door de gemeente aan de hand van het Bbl en in het geval van bouwsels bij evenementen het Bgbop. Bij grotere brandveiligheidsrisico’s kan de VNOG incidenteel deelnemen aan het toezicht. Dat geldt in geval voor gebouwen met een bijeenkomstfunctie (zoals musea, theaters, horeca, kinderopvang), celfuncties (zoals het politiebureau) en gezondheidsfuncties (zoals het ziekenhuis, verzorgingshuizen). Het toezicht op de brandveiligheid vindt plaats in het kader van de (ver)bouw van een pand, of na de gebruiksmelding en voor de meest risicovolle gebouwen periodiek in de gebruiksfase
13Hiervoor moet nog een (nieuwe) risicomatrix worden opgesteld, afhankelijk van de vraag of taken teruggelegd worden bij de gemeente. Deze zal volgen zodra de nieuwe DVO is vastgesteld.
. Het laatste gebeurt projectmatig.
Toezicht monumenten en archeologie
Nadat een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw en monumenten is afgegeven of een aanpassing aan een monument vergunningsvrij plaatsvindt, zullen de monument specifieke aspecten worden meegenomen in de reguliere bouwinspecties, tenzij in een specifieke zaak extra toezicht nodig is. Het toezicht in de gebruiksfase van monumenten, gericht op de instandhoudingsplicht gebeurt projectmatig en is afhankelijk van het nieuwe erfgoedbeleid.
Door het specifieke karakter van de monumenten is de uitvoering van het toezicht maatwerk. Tijdens reguliere controles monitoren de toezichthouders de staat van de monumentale panden op instandhoudingsplicht (alleen buitenkant van het pand). Bij misstanden wordt de eigenaar/gebruiker van het pand direct aangesproken.
Bij grote bouwwerken in archeologisch waardevol gebied wordt in samenwerking met de regioarcheoloog
14Gezamenlijk voor de gemeenten Elburg, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Oldebroek en Putten
toezicht gehouden op bodemmonumenten. Aannemers wordt gewezen op de voorwaarden voor archeologisch onderzoek.
Toezicht milieu, bodem, bouwstoffen en grondstromen en bescherming flora en fauna
Het toezicht milieu bij bedrijven vindt vrijwel volledig plaats door OD Veluwe. De toezichtstrategie van de OD Veluwe is vastgelegd in de U&H-strategie 2024-2027. Behalve het milieutoezicht bij bedrijven voert de OD Veluwe ook het toezicht uit in het kader van de bodembescherming, bouwstoffen, grondstromen en de bescherming van flora en fauna (Groene BOA’s). Voor de uitvoering van het toezicht in de gemeente stelt de OD Veluwe jaarlijks een uitvoeringsprogramma op.
Toezicht aanleg weg, kap, reclame en inritten
Voor de activiteiten die in de Vflo zijn benoemd, vindt over het algemeen enkel toezicht plaats op basis van klachten, meldingen en handhavingsverzoeken (zie hieronder). De eigen verantwoordelijkheid van de uitvoerder van de werkzaamheden is daarbij leidend. De wegen en inritvergunningen worden gecontroleerd door de opzichter civiel en cultuurtechnische onderhoudswerken.
Sinds juli 2023 wordt als voorwaarde aan elke kapvergunning een 1-op-1 herplantplicht opgelegd bij een particuliere aanvraag en een 1 op 1,5 herplantplicht bij een gemeentelijke aanvraag. De controle op alle particuliere vergunningen vindt plaats door team Stadstoezicht.
Toezicht evenementen
De omvang en het risico van het evenement bepaalt welke vorm en intensiteit van toezicht op de constructieve veiligheid van tijdelijke bouwwerken (zoals tribunes, tenten, podia) en de brandveiligheid wordt ingezet. Bij de kleinschalige en reguliere evenementen vindt toezicht over het algemeen plaats op basis van klachten, meldingen en handhavingsverzoeken. Bij evenementen vindt, afhankelijk van aard en omvang, een voorschouw, controle tijdens het evenement en nacontrole plaats. De nacontrole geldt niet voor kleinschalige evenementen.
Bij vergunningplichtige evenementen (meer dan 100 bezoekers) vinden afhankelijk van de risico’s en duur van het evenement een of meer fysieke controlemomenten (ook vóór het evenement) plaats. Eventuele geluidscontroles gebeuren door de OD Veluwe, afhankelijk van de omvang van het evenement en de hinder van het evenement in het verleden. De intensiteit en diepgang van de integrale controles bij deze evenementen wordt voorafgaand aan het evenement bepaald in het integrale overleg evenementen, evenals de interne en externe taakverdeling.
Toezicht fysieke leefomgeving
Het toezicht op de fysieke leefomgeving (met een accent op strijdig of illegale bewoning) vindt plaats in de vorm van gebiedscontroles, naar aanleiding van klachten, meldingen en handhavingsverzoeken of in de vorm van specifieke projecten, bijvoorbeeld gericht op illegale B&B’s of illegale huisvesting arbeidsmigranten. Daarnaast wordt tijdens het reguliere bouwtoezicht mede beoordeeld of het voorgenomen gebruik in overeenstemming is met het omgevingsplan. In geval van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit wordt volstaan met maximaal één toezichtmoment tijdens een gebiedscontrole. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt opgenomen hoe en met welk doel het toezicht op de fysieke leefomgeving plaatsvindt.
Bij het toezicht op strijdig gebruik gaat de gemeente uit van een projectmatige aanpak.
Toezicht op basis van klachten, meldingen en handhavingsverzoeken
Klachten en meldingen kunnen per telefoon, schriftelijk, per e-mail of via de website van de gemeente binnenkomen. Voor milieuklachten is er in Gelderland voor de gezamenlijke omgevingsdiensten een meldpunt dat 24-uur per dag bereikbaar is. Klachten/meldingen over dezelfde veroorzaker worden waar mogelijk gebundeld en collectief (projectmatig) aangepakt. Bij een melding of klacht wordt contact opgenomen om te bespreken wat het belang en doel van het verzoek is en wat verwacht mag worden van de gemeente. Het streven is om de klager binnen twee werkdagen op de hoogte te stellen dat de klacht is ontvangen en te informeren over het vervolg. In goed onderling overleg wordt gezocht naar een snelle en informele oplossing van het probleem. Als dit niet mogelijk blijkt, dan wordt bij een herhaalde constatering een definitieve afweging gemaakt.
Bij anonieme verzoeken wordt de impact ingeschat. Bij een beperkte impact wordt het verzoek niet in behandeling genomen; bij grotere impact ondernemen we verder actie.
Bij handhavingsverzoeken wordt de wettelijke procedure gevolgd (verzoek moet expliciet en schriftelijk zijn, onderzoek uitvoeren, afweging maken en besluiten, communiceren van het besluit en eventueel behandeling van bezwaar en beroep).
Voor ongewone voorvallen (bijvoorbeeld een brand waarbij asbest vrijkomt) is de OD Veluwe voor alle milieuactiviteiten oproepbaar; voor calamiteiten is er een piketdienst. De ondersteuning vindt plaats door middel van het verlenen van kennis, toezicht (monsteropnames, meedenken bij oplossingen) en materiaal (zoals meetapparatuur).
Gebiedscontroles
Gebiedsgericht toezicht wordt zowel sectoraal (gericht op specifieke aandachtspunten) als integraal ingezet. Dat wil zeggen vanuit de fysieke leefomgeving, bouwen, (brand)veiligheid, milieu, Vlfo, APV en/of bijzondere wetten. Afhankelijk van het type gebied en/of bestuurlijke prioriteit kan de nadruk meer of juist minder op een of meer van deze aandachtspunten liggen.
In het algemeen vindt het toezicht vanaf de openbare weg of aan de hand van luchtfoto’s plaats. De aandacht gaat dan bijvoorbeeld uit naar het illegaal in gebruik nemen van gemeentegrond of de illegale vergroting van bouwwerken. Deze vorm van toezicht heeft een preventieve werking door aanwezig te zijn in het gebied.
In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt vastgelegd of en zo ja hoe en welke gebiedscontroles worden uitgevoerd.
Bijlage 4: Uitvoeringskader handhaving
Bij een overtreding, volgt de gemeente Harderwijk de lijn van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Het doel van de LHSO is uitvoering geven aan de beginselplicht tot handhaven, passend interveniëren bij iedere bevinding, in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes maken en interventies op vergelijkbare wijze kiezen en toepassen. Leidend voor de LHSO is de onderstaande interventiematrix.
In de interventiematrix is aangegeven hoe op te treden bij de constatering van een overtreding. De interventie wordt afgemeten aan de aard en omvang van de gevolgen van de overtreding en het gedrag van de overtreder
15De gemeente heeft een apart preventie en handhavingsplan met betrekking tot de Alcoholwet. De handhavingsstrategie daarin is vergelijkbaar met de LSHO. Horecagelegenheden waar alcohol wordt geschonken worden frequent (3 tot 6 maal per jaar) in burger gecontroleerd. Bij onvoldoende naleving volgt een waarschuwing en/of een boete (aan de verstrekker, de minderjarige of aan de volwassene die alcohol doorgeeft aan een minderjarige). Op een waarschuwing of boete volgt altijd een hercontrole. In voorkomende gevallen legt de gemeente een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang op aan de exploitant of wordt de vergunning ingetrokken. Zie verder ook onder ‘passende reactie’ in deze bijlage.
.
De interventiematrix geeft ook aan bij welk type overtreding afstemming plaatsvindt met partners (politie, OD Veluwe, inspectiediensten) die strafrechtelijke sancties kunnen opleggen. In situaties waarbij een andere overheid ná of vóór de colleges handhavingsbevoegd is, vindt afstemming plaats met de betreffende overheidsorganisatie.
De essentiële onderdelen van de LHSO zijn in onderstaande alinea’s uitgewerkt en aangevuld met eigen overwegingen.
Gelijkwaardige oplossing bij afwijken van voorschriften
Er kan sprake zijn van een afwijking van de voorschriften, maar dat er maatregelen zijn getroffen die tot hetzelfde beschermingsniveau leiden (gelijkwaardigheid). Indien op een andere wijze dezelfde veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu wordt gerealiseerd, kan het bevoegd gezag in een aantal gevallen een ‘besluit gelijkwaardige voorziening’ nemen.
Formele, legaliseerbare overtreding
Is wel sprake van een formele overtreding en is er geen sprake van een gelijkwaardige oplossing, is de eerste vraag of het in principe een vergunbare situatie is of maatwerkvoorschriften opgelegd kunnen worden (legalisatie onderzoek). Als de situatie vergunbaar is, wordt de overtreder uitgenodigd om een vergunningprocedure of procedure voor maatwerkvoorschriften op te starten.
In sommige situaties is het denkbaar dat ondersteuning wordt geboden om de situatie te verbeteren. Bijvoorbeeld door het geven van voorlichting als wordt vastgesteld dat een bepaalde (onnodige) overtreding systematisch voorkomt. Zie hiervoor de preventiestrategie.
Sanctie instrumenten
In deze paragraaf wordt stilgestaan bij de wijze waarop wordt opgetreden bij geconstateerde overtredingen. Hiervoor zijn bestuursrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten in te zetten. Bestuursrechtelijk zijn dat:
-Een bestuursrechtelijke sanctie:
•last onder dwangsom (LOD), preventief of bij illegale situaties;
•last onder bestuursdwang (LOB/BES);
•spoedeisende bestuursdwang;
•zeer spoedeisende bestuursdwang.
-Schorsen of intrekken van de vergunning, certificaat of erkenning;
-Bestuurlijke boete;
-Verscherpt toezicht.
Bestuurlijke boete
De bestuurlijke boete is een bestuursrechtelijk handhavingsbesluit met een bestraffend, punitief karakter. Het is geen herstelsanctie, zoals een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang. Dit betekent dat de overtreder de bestuurlijke boete altijd moet betalen, ook als hij of zij de overtreding heeft beëindigd. De bestuurlijke boete wordt meestal opgelegd als herstel niet meer mogelijk is. De bestuurlijke boete is dan ook geen strafrechtelijke boete die opgelegd wordt vanuit het OM.
Het gemeentebestuur is bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen, maar alleen als een bijzondere wet (dus niet de Algemene wet bestuursrecht) hier expliciet de mogelijkheid voor geeft. Denk bijvoorbeeld aan de Wet goed verhuurderschap, waarbij het college een bestuurlijke boete kan opleggen voor gedragingen van verhuurders die in strijd zijn met de Wet goed verhuurderschap. Of aan het toebrengen van onherstelbare schade aan een monument. Een bestuurlijke boete mag worden opgelegd naast een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn er ruimere mogelijkheden voor het opleggen van een bestuurlijke boete. Het instrument van de bestuurlijke boete kan dan veel vaker worden toegepast. Deze mogelijkheid wordt ingevoerd voor overtredingen op het gebied van bouwen, monumentenzorg, natuurbescherming en milieu.
Bestuursrechtelijke handhaving is gericht op het bereiken van de gewenste situatie. Bij een bestuursrechtelijke sanctie (last onder dwangsom of last onder bestuursdwang) krijgt de overtreder een hersteltermijn aangeboden waarbinnen de overtreding moet zijn beëindigd. Dit geldt niet voor besluiten die gericht zijn op het voorkomen van herhaling én in situaties waar het direct beëindigen van de activiteit noodzakelijk is (spoedeisende bestuursdwang). Als de overtreding na deze gestelde termijn niet is beëindigd, dan wordt de sanctie geëffectueerd.
Bij een dreigende overtreding of een dreigende illegale situatie kan de gemeente, in bepaalde situaties wanneer de overtreding met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook gaat plaatsvinden, ook een preventieve last onder dwangsom opleggen.
In samenhang met de bestuurlijke sanctie of los daarvan kan de strafrechtelijke sanctie worden toegepast. Strafrechtelijke instrumenten zijn:
-Een proces verbaal (PV);
-De bestuurlijke strafbeschikking (BSB).
Hiervoor heeft de omgevingsdienst Veluwe BOA’s aangewezen die strafrechtelijk kunnen optreden binnen het domein II. Bij strafrechtelijke handhaving is naast het bereiken van het gewenste gedrag ook het bestraffende element van belang.
Invulling passende reactie
Het overgaan tot dwangmaatregelen is een beslissing die goed overdacht dient plaats te vinden. De toe te passen sanctie moet proportioneel zijn en dient zoveel mogelijk transparantie te bieden.
Bij een last onder dwangsom geldt dit bijvoorbeeld voor de lengtes van begunstigingstermijnen en de hoogten van dwangsommen. De dwangsom dient voldoende prikkelend te werken, zodanig dat de overtreder de overtreding zal beëindigen. Bovendien mag de dwangsom niet zodanig hoog zijn dat deze als straf kan worden gezien:
-Voor besluiten die niet zijn gericht op het voorkomen van herhaling is de keuze qua begunstigingstermijn voor een voldoende hersteltijd voor de overtreder én het voorkomen van langdurende overtredingssituaties. De landelijke leidraad dient daarbij ter onderbouwing, waarbij het praktisch haalbaar moet zijn om aan de last te kunnen voldoen. Verder is de te stellen termijn afhankelijk van de aard van de overtreding (er kan in principe met geen of een korte termijn worden volstaan bij gedragsvoorschriften) en mag de termijn niet zodanig lang zijn, dat sprake is van (impliciet) gedogen van de overtreding;
Verlengen begunstigingstermijn
De gemeente ontvangt regelmatig verzoeken om de begunstigingstermijn te verlengen. Soms heeft de overtreder weinig tot geen moeite gedaan om de overtreding te beëindigen. In dat geval zal de begunstigingstermijn niet worden verlengd. Als een overtreder wel aantoonbaar veel moeite heeft gedaan de overtreding te beëindigen, maar daarvoor nog iets meer tijd nodig heeft, kunnen wij de begunstigingstermijn met een korte periode verlengen. Voorwaarde daarvoor is normaal gesproken dat de begunstigingstermijn nog niet is verstreken en het maximum aan dwangsommen nog niet is verbeurd. Dit zal altijd afhangen van de omstandigheden van het geval. Als een verlenging naar verwachting niet resulteert in het alsnog beëindigen van de overtreding, zal in principe geen verlenging van de begunstigingstermijn worden gegeven.
Verstrijken begunstigingstermijn
Na het verstrijken van de begunstigingstermijn vindt controle plaats. Als is voldaan aan de lastgeving wordt de handhavingsprocedure afgesloten en een slotbrief verzonden. Als niet is voldaan komt er afhankelijk van de status een vervolgactie:
-Verbeurdverklaring verzenden als niet is voldaan aan de lastgeving;
-Invorderingstraject starten als niet is betaald: verzenden voornemen, verzenden aanmaning of invordering via deurwaarder.
-De hoogte van een dwangsom moet op grond van de Algemene wet bestuursrecht in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van het opleggen van de dwangsom. Bij het onderbouwen van het besluit voor de hoogte van de dwangsom wordt de landelijke leidraad gevolgd. De hoogte van de dwangsom wordt onder andere gerelateerd aan de aard en ernst van de overtreding, de potentiële schade en de kosten die moeten worden gemaakt om de overtreding ongedaan te maken. In ieder geval moet het bedrag belangrijk hoger zijn, dan het economisch voordeel dat met de overtreding wordt behaald. Het moet aantrekkelijker zijn de overtreding ongedaan te maken dan de dwangsom te betalen;
Modaliteit dwangsom
Bij het opleggen van de dwangsommen kan de gemeente kiezen voor de volgende modaliteiten:
-dwangsombedrag ineens, dat wil zeggen dat de overtreder in één keer één dwangsom verbeurt bij het niet of niet tijdig voldoen aan de last;
-dwangsombedrag per tijdseenheid; dat wil zeggen dat de overtreder per tijdseenheid een bedrag verbeurt. Een tijdseenheid is bijvoorbeeld een dag, week, maand;
-dwangsombedrag voor iedere overtreding van de last: dit wil zeggen dat een overtreder per afzonderlijke overtreding een bedrag verbeurt. Een bedrag per overtreding is geen mogelijkheid indien de overtreding constant voortduurt.
Bij een dwangsom per tijdseenheid of per overtreding van de last moeten wij een maximumbedrag vaststellen. Na het bereiken van dit maximumbedrag, verbeurt de overtreder geen dwangsommen meer. In de basis kiest de gemeente ervoor om een dwangsom per tijdseenheid te hanteren. Op die manier is een overtreder die de overtreding iets te laat beëindigt niet gelijk een groot bedrag verschuldigd. Bij een eenmalige dwangsom zou de overtreder dit bedrag al verschuldigd zijn als hij de overtreding één dag na het verstrijken van de begunstigingstermijn zou beëindigen.
-Het verbeuren van dwangsommen gebeurt van rechtswege;
-Bij het opleggen van een last onder dwangsom wordt de overtreding, als dit is toegestaan, ook opgenomen in de registratie van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (Wkpb);
-Het bevoegd gezag kan in sommige gevallen de vergunning ook geheel of gedeeltelijk intrekken als niet overeenkomstig de vergunning wordt gehandeld. Dit instrument wordt in onze gemeente in uitzonderlijke gevallen toegepast als andere maatregelen geen effect sorteren.
Bij het bepalen van de op te leggen sanctie wordt de methodiek met onder meer verzwarende en verzachtende omstandigheden en de interventiematrix uit de LHSO gebruikt.
Prioriteitstelling
De benodigde handhavingscapaciteit is afhankelijk van de mate waarin er in het toezicht overtredingen worden geconstateerd, er handhavingsverzoeken zijn, de aard en omvang van de overtredingen en de mate waarin een overtreder bereid is om mee te werken aan herstel. Dat kan in de praktijk betekenen dat prioriteiten moeten worden gesteld. Het uitgangspunt is dat bij ernstige overtredingen altijd handhavend wordt opgetreden. In voorkomende gevallen krijgt de handhaving van kleinere overtredingen (met beperkte risico’s of klachten) minder prioriteit. Bij de afweging is de onderstaande matrix leidend.
Aard overtreding
Hoge prioriteit
Gemiddelde prioriteit
Lage prioriteit
Bouwen zonder of in afwijking van de vergunning
Bouwwerken waarbij de brandveiligheid, constructieve veiligheid of welstand (monumentwaarde) ernstig in het geding zijn
Bijbehorende bouwwerken in voor- of zij-erf, tijdelijk bouwwerk waar termijn verstreken is
Bijbehorend bouwwerk recreatieverblijf, in achter-erfgebied, dakkapel, schutting
Bouw
Ernstige constructiefouten, instortingsgevaar etc.
Kleinere bouwfouten zonder direct gevaar
Esthetische of administratieve overtredingen
Brandveiligheid
Overtredingen die direct levensgevaar kunnen opleveren of een aanzienlijk risico opleveren
Overtredingen met een verhoogd risico op brand maar niet direct levensbedreigend
Kleine overtredingen met een beperkt risico voor de brandveiligheid
Monumenten en archeologisch erfgoed
Onherstelbare schade aan unieke historische of archeologische elementen
Schade aan belangrijke maar vervangbare elementen
Kleine beschadigingen zonder significante impact op de monumentale waarde
Strijdig gebruik
Recreatieverblijven
Woningsplitsing, overige bewoning, agrarische bebouwing, bedrijfspand, horeca, detailhandel, kamerverhuur
Zeer beperkte afwijking van het Omgevingsplan
Medebepalende factoren
Historie van overtredingen
Herhaalde (bewuste) overtredingen, opzettelijke misleiding
Eenmalige overtredingen zonder opzet
Geen eerdere overtredingen
Omgeving
Meerdere klachten
Enkele klachten van omwonenden
Geen of zeer weinig klachten
Bij overtredingen met een hoge prioriteit, een historie van herhaalde overtredingen en veel klachten wordt altijd direct handhavend opgetreden. Bij overtredingen met een gemiddelde prioriteit wordt in eerste instantie getracht om – in de toezichtfase -- in overleg met de overtreder tot herstel te komen. Bij overtredingen met een lage prioriteit wordt in beginsel niet gehandhaafd.
Klachten, meldingen en handhavingsverzoeken
Klachten en handhavingsverzoeken pakt de gemeente voortvarend op. Na ontvangst van een klacht of een handhavingsverzoek wordt contact opgenomen met belanghebbende partijen en een controle op locatie uitgevoerd om te zien of er sprake is van een overtreding. Anonieme klachten of meldingen worden in principe niet in behandeling genomen door de gemeente.
Als er geen overtreding is, wordt de klager, melder of indiener van het handhavingsverzoek hiervan op de hoogte gesteld. Bij een handhavingsverzoek is het afwijzen van het verzoek een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
Als er wel sprake is van een overtreding, treedt de gemeente afhankelijk van de ernst van de overtreding, handhavend op. Vaak ligt aan een melding of handhavingsverzoek echter ook een al langer bestaand burenconflict ten grondslag. In het geval van kleine overtredingen zal geprobeerd worden om via bemiddeling tot een oplossing te komen.
Overtredingen door de eigen organisatie of andere overheid
De handhaving op de eigen organisatie is voor de gemeente niet anders dan wanneer zij handhavend optreedt tegen inwoners of bedrijven. Belangrijk hierbij is de democratische controle en transparantie, ook indien er bestuurlijke en/of juridische complicaties ontstaan. Er wordt geen verschil gemaakt in prioriteitstelling en keuze in handhavingsinstrument. Wel brengt een dergelijke overtreding een tweetal extra procedurestappen met zich mee voordat een sanctie wordt opgelegd:
-Wordt een overtreding van de gemeentelijke organisatie geconstateerd dan wordt deze direct aan het management en/of het college van B&W voorgelegd;
-Het management en/of het college van B&W zorgen ervoor dat passende maatregelen worden genomen om de overtreding te beëindigen, deze in de toekomst te voorkomen en zo nodig de schade te herstellen.
Disclaimer
In de handhavingsstrategie wordt een aantal keren de term ‘in principe’ gehanteerd. In de handhaving gaat het soms om unieke situaties die om een andere aanpak vragen dan waar bij het opstellen van dit beleid is uitgegaan.
Artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een bestuursorgaan overeenkomstig het beleid moet handelen, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Dit wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid genoemd. Bij het opstellen van de handhavingsstrategie zijn niet alle toekomstige handhavingszaken te overzien. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen geven om af te wijken van de handhavingsstrategie. De gemeente heeft de inherente afwijkingsbevoegdheid om van de uitgangspunten in dit beleid af te wijken als een bepaalde situatie daar om vraagt. In voorkomende gevallen wordt altijd vermeld als van beleid wordt afgeweken en wat de motivering daarvoor is.
Afzien van handhaven
In zeer uitzonderlijke situaties kan een college verklaren dat wordt afgezien van handhaving. Dit is altijd aan een termijn gebonden en niet langer dan strikt genomen noodzakelijk. Daarbij onderschrijft de gemeente het algemene landelijke beleidskader op het gebied van het gedogen, in de vorm van de rijksnota ‘Grenzen aan gedogen’ uit 1996.
Afzien van het handhaven van een overtreding gebeurt alleen als wordt voldaan aan één of (bij voorkeur) meerdere van de volgende voorwaarden:
-Alleen in uitzonderingssituaties (overgangs- of overmachtsituatie, concreet zicht op legalisatie);
-Gedogen dient schriftelijk plaats te vinden, vooruitlopend op vergunningverlening en na het indienen van een ontvankelijke aanvraag;
-Beperkt in tijd/ernst;
-Expliciet en na zorgvuldig kenbare belangenafweging plaats te vinden evenals;
-Aan controle te zijn onderworpen.
In de volgende gevallen wordt niet afgezien van handhaven:
-Als aan de zijde van de overtreder sprake is van recidiverend dan wel calculerend gedrag;
-Als blijkt dat de te gedogen activiteit strijdig is met enige andere bij of krachtens wettelijk voorschrift gestelde regel en het voor de handhaving van die regel bevoegde gezag kenbaar heeft gemaakt dat het met bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten tegen deze overtreding optreedt dan wel zal optreden;
-Bij bouwen zonder of in afwijking van een vergunning, tenzij sprake kan zijn van een tijdelijk bouwwerk;
-Als belangen van derden zich daartegen verzetten.
Als wordt afgezien van handhaven gelden de volgende procesvoorschriften:
-Afzien van handhaving gebeurt schriftelijk en uitdrukkelijk;
-Afzien van handhaving wordt zoveel mogelijk beperkt in omvang en/of in tijd;
-Er moet sprake zijn van een zorgvuldige kenbare belangenafweging;
-Afzien van handhaving is aan controle onderworpen.