Gemeentelijke regelgeving

Nota Bodembeheer regio Noord-Veluwe 25 november 2021

Gemeente Harderwijk · geldt sinds 1 juni 2022

Aanhef

De raad van de gemeente Harderwijk;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 maart 2022,

nummer;

besluit:

-de bodemkwaliteitskaart en de nota bodembeheer vast te stellen;

-het erkennen van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten, aanpassen van het beleid als gevolg van aanwijzingen in wet- en regelgeving en beleidsafwijkingen vaststellen op locatieniveau te delegeren aan het college.

Bijlage 1 Wettelijk kader 2020-2022 (voor inwerkingtreding Omgevingswet)

Bijlage 2 Bodemfunctiekaart

Bijlage 3 Ontgravingskaarten

Bijlage 4 Toepassingskaarten

Bijlage 5 Grondverzet onder de Omgevingswet

Bijlage 6 Uitgesloten locaties PFAS

Bijlage 7 Memo aanpassing nota bodembeheer voor arseen

Bijlage 8 RTB-berekening arseen (Nota 2014)

2 Bodemfunctie en bodemkwaliteit

2.3 Bodemkwaliteitskaart

2.3.1 PFAS

Voor PFAS is reeds een bodemkwaliteitskaart en bijbehorende beleidsregels opgesteld

3Noord Veluwe bodemkwaliteitskaart PFAS. TAUW, kenmerk R001-1273092EVF-V01-mwl-NL, d.d. 30 oktober 2020

voor de regio Noord-Veluwe, met uitzondering van de gemeente Heerde en Hattem. Uit de resultaten blijkt dat PFAS geen belemmering is bij het grondverzet. Voor verdere details wordt verwezen naar de rapportage. Het beleid ten aanzien van het toepassen van PFAS-houdende grond is in deze Nota geïntegreerd. De ontgravingskaarten ten aanzien van PFAS zijn opgenomen in bijlage 3.

2.3.2 Ontgravingskaarten

In afwijking op de Richtlijn zijn de zones geclassificeerd op basis van de 80-percentielwaarde (P80: waarde waar 80 % van de waarnemingen onder ligt) in plaats van het rekenkundig gemiddelde. Deze keuze is in paragraaf 3.2 nader toegelicht. De ontgravingskaarten zijn te vinden in bijlage 3. In tabel 2.1 is de ontgravingsklasse per zone weergegeven. Hieruit blijkt dat de kwaliteit van de bovengrond van de zone ‘Bedrijven- en industrieterreinen’ beter is dan de bovengrond in de zone ‘Wonen’. Dat is niet uitzonderlijk als het gebied met de functie wonen al veel langer beïnvloed wordt door haar gebruik. Ter controle zijn de hoogste waarnemingen van de zone Wonen in beeld gevraagd en deze liggen verspreid over de regio in diverse gemeenten. Er kan dus geen deelgebied worden aangemerkt met een afwijkende kwaliteit die de gemiddelde classificering beïnvloedt.

Het gebied Drielanden is verdacht op het voorkomen van arseen. De bodemkwaliteitskaart is niet opgesteld voor deze parameter (zie ook paragraf 3.8).

2.3.3 Toepassingskaarten

De toepassingskaart is de combinatie van de functie en de kwaliteit van de bodem. In tabel 2.1 staan de toepassingseisen. De kaarten zijn opgenomen in bijlage 4. Hierbij gelden de volgende opmerkingen:

•De toepassingseis van de gemeentelijke hoofdwegen en de provinciale wegen is bepaald aan de hand van de functie. De functie is Industrie. De dubbele toets is niet uitgevoerd, daar de kwaliteit van de bermen niet bepaald is. Dit is gebiedspecifiek beleid (zie ook paragraaf 3.6)

•De gemeentelijke bermen zijn begrensd op 0,5 m -mv. In de ondergrond wordt geen verdere beïnvloeding verwacht van de berm en deze is opgenomen in de aangrenzende zone. Eenzelfde redenatie is van toepassing voor provinciale wegbermen, maar aangezien deze in beheer zijn van de provincie zijn deze wel apart gezoneerd voor de ondergrond (zie ook paragraaf 3.6). Opgemerkt wordt dat de bermen óók verdacht zijn ten aanzien van asbest en dat asbest wel dieper dan 0,5 m -mv aangetroffen kan worden. Asbest is echter geen onderdeel van deze bodemkwaliteitskaart. Bermen ter plekke van verdachte deellocaties (toegangsdammen, lokale ophogingen, etc.) zijn uitgesloten van deze kaart

•Voor de arseengebieden geldt gebiedspecifiek beleid (zie paragraaf 3.5). Vrij grondverzet tussen de arseengebieden is op basis van de kaart mogelijk. Voor overige toepassingen in het gebied geldt de generieke toepassingseis Landbouw/Natuur. Grond uit de arseenzones mag niet zonder keuring op arseen, buiten de arseengebieden toegepast worden

•Harderwijk centrum (<1900) is uitgesloten van de kaart voor de stoffen van het standaardpakket. Van deze zone zijn te weinig waarnemingen beschikbaar. Verder wordt vanwege de ontstaansgeschiedenis een heterogene verontreiniging verwacht, waardoor de classificering ook bij voldoende waarnemingen onbetrouwbaar zal zijn. De toepassingseis is bepaald aan de hand van de functie Wonen. Dit is gebiedspecifiek beleid

•Voor het gebied Harderwijk Waterfront geldt gebiedspecifiek beleid (paragraaf 3.7) De toepassingseis is afhankelijk van de situatie. In onderstaande tabel is de strengste toepassingseis weergeven

•De toepassingseis voor PFAS is bepaald aan de hand van het generieke kader (zie bijlage 1 voor uitleg) voor de wegbermen van de gemeentelijke hoofdstructuur en de provinciale wegen. Zo wordt toepassingsruimte gecreëerd voor toepasbare, licht PFAS-houdende grond. Voor de overige zones is de toepassingseis bepaald aan de hand van de ontgravingskwaliteit. Zo vindt er geen verslechtering van de bodemkwaliteit ten aanzien van PFAS plaats. Dit is gebiedspecifiek beleid

•Binnen de grondwaterbeschermingsgebieden gelden afwijkende toepassingseisen voor zowel standaardpakket als PFAS. De regels zijn opgenomen in het provinciale beleid

Tabel 2.1a Kwaliteitsklassen bovengrond per zone

Zone

Ontgravingsklasse Bovengrond

Toepassingseis Bovengrond

1Buitengebied

STP: AW

PFAS: AW

STP: AW

PFAS: AW

2Wonen

STP: Wonen***

PFAS: AW

STP: Wonen

PFAS: AW

3Bedrijven- en industrieterreinen

STP: AW

PFAS: AW

STP: AW

PFAS: AW

4Arseengebieden

STP: AW met verhoogd arseen

PFAS: AW

STP: AW*

PFAS: AW

5Gemeentelijke bermen

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: Industrie

PFAS: Wonen/Industrie

6Provinciale bermen

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: Industrie

PFAS: Wonen/Industrie

7Harderwijk: Centrum <1900

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: Wonen

PFAS: AW

8Harderwijk: Waterfront

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: AW**

PFAS: AW

Uitgesloten gebieden, zoals (voormalige) defensieterreinen

Uitgesloten

STP: AW

PFAS: AW

STP = standaardpakket

* Vrij grondverzet tussen arseengebieden mogelijk, toepassingseis geldt voor grond van buiten de arseengebieden

** Toepassingseis geldt voor grond van buiten Waterfront. Voor grond uit Waterfront zelf geldt de toepassingseis van Wonen of Industrie (zie paragraaf 3.7)

*** Het gebied Drielanden is onderdeel van deze zone en is verdacht op voorkomen van arseen. De bodemkwaliteitskaart is niet opgesteld voor arseen (zie paragraaf 3.8)

Tabel 2.1b Kwaliteitsklassen ondergrond per zone

Zone

Ontgravingsklasse Ondergrond

Toepassingseis Ondergrond

1Buitengebied

STP: AW

PFAS: AW

STP: AW

PFAS: AW

2Wonen

STP: AW***

PFAS: AW

STP: AW

PFAS: AW

3Bedrijven- en industrieterreinen

STP: AW

PFAS: AW

STP: AW

PFAS: AW

4Arseengebieden

STP: AW met verhoogd arseen

PFAS: AW

STP: AW

PFAS: AW

6Provinciale bermen

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: Industrie

PFAS: AW

7Harderwijk: Centrum <1900

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

8Harderwijk: Waterfront

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: AW**

PFAS: AW

Uitgesloten gebieden, zoals (voormalige) defensieterreinen

Uitgesloten

STP: AW

PFAS: AW

STP = standaardpakket

* Vrij grondverzet tussen arseengebieden mogelijk, toepassingseis geldt voor grond van buiten de arseengebieden

** Toepassingseis geldt voor grond van buiten Waterfront. Voor grond uit Waterfront zelf geldt de toepassingseis van Wonen of Industrie (zie paragraaf 3.7)

*** Het gebied Drielanden is onderdeel van deze zone en is verdacht op voorkomen van arseen. De bodemkwaliteitskaart is niet opgesteld voor arseen (zie paragraaf 3.8)

4 Voorschriften grondverzet

4.2 Basisregels

4.2.1 Vooronderzoek

De bodemkwaliteitskaart geeft de diffuse achtergrondkwaliteit van de bodem weer (zie hoofdstuk 2). Locaties waarvan bekend dat er bodemverontreiniging aanwezig is, zijn uitgesloten van de kaart. Logischerwijs kan de kaart dan niet gebruikt worden voor grondverzet of voor het bepalen van de veiligheidsklasse.

Om te bepalen of de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden voor een locatie dient de initiatiefnemer een vooronderzoek te laten uitvoeren conform de norm NEN 5725. In deze norm zijn sinds 2018 specifieke onderzoeksaanleidingen (met bijbehorende onderzoeksvragen) beschreven om de kaart te kunnen gebruiken als bewijsmiddel. Te weten:

•Voor grondverzet: aanleiding F: Toetsing gebruik bodemkwaliteitskaart bij te ontgraven grond en het toepassen van grond

•Voor bepaling van veiligheidsklasse: aanleiding G: Opstellen hypothese over bodemkwaliteit bij tijdelijke uitplaatsing en bij overig projectmatig grondverzet ten behoeve van het inschatten van arbeidshygiënische risico’s (zie hoofdstuk 5)

Het vooronderzoek voor het gebruik van de bodemkwaliteitskaart in het kader van grondverzet (aanleiding F) dient op onderstaande vragen een antwoord te geven:

•Vallen de werkzaamheden (graven/opslaan/toepassen) volledig binnen de afbakening van de bodemkwaliteitskaart (horizontaal en verticaal)?

•Welke bodemkwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart(en) en welke lagen zijn daarbij onderscheiden?

•Is de bodem asbestverdacht?

•Is het op basis van de activiteiten, ontgraving of ongewoon voorval aannemelijk dat de bodemkwaliteit ter plaatse is veranderd sinds het vaststellen of actualiseren van de bodemkwaliteitskaart?

•Zijn er puntbronnen aanwezig of is ernstige bodemverontreiniging te verwachten binnen het ontgravingsprofiel? (locaties die op voorhand zijn uitgesloten, zijn opgenomen in paragraaf 2.3). Aandachtspunt hierbij is ook de bodemlaag rond de grondwaterstand die verdacht kan zijn op PFAS

Het kan voorkomen dat uit het vooronderzoek volgt dat de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden, maar dat er tijdens de werkzaamheden afwijkingen worden aangetroffen van hetgeen dat het vooronderzoek heeft uitgewezen (bijvoorbeeld vanwege het waarnemen van oliegeur of aantreffen van bijmenging zoals puin en/of asbestplaatjes). In die gevallen vervalt de geldigheid van de bodemkwaliteitskaart en dient alsnog aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd.

4.2.2 Zorgplicht

Onder alle omstandigheden moet bij het toepassen van grond en baggerspecie de wettelijke zorgplicht conform artikel 13 van de Wet bodembescherming (bodem) en artikel 7 van het Besluit bodemkwaliteit (toepassingen in oppervlaktewaterlichaam in beheer van gemeente) in acht worden genomen. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen een verplichting heeft om verontreiniging te voorkomen of wanneer voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken.

Deze zorgplicht geldt ook in de situaties dat er geen onderzoeksplicht en meldingsplicht is zoals bij tijdelijke uitname (paragraaf 5.2). Ondanks dat er geen onderzoeksgegevens zijn kan toch op basis van gebruik of zintuiglijke waarnemingen een vermoeden van bodemverontreiniging zijn.

4.6 Aandachtspunten

4.6.1 Invasieve exoten

In het beheergebied van de regio Noord-Veluwe komt, net als elders in Nederland, de Japanse Duizendknoop voor. Deze plant is een zogenaamde invasieve exoot. Dat wil zeggen dat de plant hier van nature niet voorkomt, maar door de mens is geïntroduceerd. De Japanse Duizendknoop verspreidt zich makkelijk en is moeilijk te bestrijden. De plant kan veel schade aanrichten aan bijvoorbeeld infrastructurele werken en is ook slecht voor de biodiversiteit. Het is dan ook onwenselijk dat de plant zich door grondverzet verspreidt.

Verder is er recent (14 juli 2021) een handelsverbod op Aziatische duizendknopen, waaronder de Japanse Duizendknoop. Dit verbod gaat in op 1 januari 2022 en is ook van toepassing op handel in grond en bagger met daarin plantenresten van deze duizendknopen. Bij grondverzet dient dan ook te worden geverifieerd of de Japanse Duizendknoop, Sachalinse Duizendknoop en de Bastaardduizenknoop voorkomt op locatie.

Aangezien de locaties van voorkomen van gedurende de tijd snel kan veranderen, is er geen kaart opgenomen in deze Nota. Via www.waarneming.nl kan het voorkomen van de Japanse Duizendknoop (en andere soorten) worden gecheckt. De kaart op deze site is niet volledig maar geeft een goede indicatie.

4.6.2 Overige aandachtspunten

Overige aandachtspunten, die buiten de scope van deze Nota vallen, maar waarover afstemming plaats moet vinden met de gemeenten in de regio Noord-Veluwe zijn:

•Niet-gesprongen explosieven (NGE)

•Archeologische waarden

•Ecologische waarden

5 Landelijke specifieke kaders

5.3 Grootschalige bodemtoepassing (GBT)

5.3.1 Beleidsverruiming GBT natuurlijk voorkomend arseen in Harderwijk

De gemeente Harderwijk heeft 20 december 2018 een aanpassing op Nota bodembeheer vastgesteld waarbij, onder de volgende voorwaarden, het toepassen van grond met verhoogde arseengehalten is toegestaan tot maximaal de helft van de humane risicowaarde:

•Wanneer het gemiddelde arseengehalte van de onderzochte partij de Sanscrit-waarde van 215 mg/kg.ds (standaardbodem) overtreft, is toepassing van de partij niet toegestaan en zal deze naar een erkend verwerker moeten worden afgevoerd

•Wanneer het gemiddelde arseengehalte onder de Sanscrit-waarde blijft (< 215 mg/kg.ds), dan mag de toepassing plaatsvinden, mits voldaan wordt aan de (humane) risicowaarde. Toepassing van deze grond mag alleen in een grootschalige bodemtoepassing. Hierbij gelden de voorschriften uit het besluit bodemkwaliteit met betrekking tot minimale partijgrootte, toepassingshoogte en het aanbrengen van een leeflaag

Voorgaande voorwaarden zijn niet van toepassing wanneer een partij grond verdacht is op het voorkomen van arseen als gevolg van antropogeen handelen. Een voorbeeld hiervan is opgebracht vormzand afkomstig van ijzergieterijen. Dit geldt alleen voor grond afkomstig uit de gemeente Harderwijk. In bijlage 7 is de memo met onderbouwing ten behoeve van dit besluit opgenomen (kenmerk Z-18-195204/2, 12 november 2018).

Bijlage 1 Wettelijk kader 2020-2022 (voor inwerkingtreding Omgevingswet)

B1.1 Algemeen

Het Besluit bodemkwaliteit heeft als doel om zoveel mogelijk grond en baggerspecie her te gebruiken, zodat er minder primaire grondstoffen nodig zijn. Hergebruik is verantwoord als er geen verontreinigingen ontstaan.

Het Besluit bodemkwaliteit kent een landelijk geldend generiek kader dat door de gemeenten kan worden toegepast. Als het generiek kader niet volstaat, dan kan een gemeente voor (een deel van) hun beheergebied binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit gebiedspecifiek beleid ontwikkelen. Hierdoor heeft de gemeente de mogelijkheid verantwoord hergebruik van grond en baggerspecie maximaal af te stemmen op de maatschappelijke ontwikkelingen. Hierbij spelen bodemgebruik, bodemambities en ruimtelijke ontwikkelingen een rol.

B1.2 Generiek beleid

Voor het vormgeven van het grondverzet, zijn een aantal aspecten van belang, namelijk de bodemfuncties, de bodemkwaliteitsklassen en de toepassingseisen. Middels gebiedspecifiek beleid is het mogelijk om de bodemkwaliteitsklassen en toepassingseisen aan te passen.

Bodemfuncties

Het beheergebied van de gemeente dient ingedeeld te worden in verschillende functieklassen, namelijk ‘Wonen’, ‘Industrie’ of geen functie (overig). De verdeling in functies dient op kaart weergegeven te worden in de bodemfunctiekaart. Uitgangspunt bij de indeling in bodemfunctieklassen is dat de klasse die wordt toegekend aan een gebied overeenkomt met de gevoeligste bodemfunctie binnen het betreffende gebied.

Bodemkwaliteitsklassen

De grond wordt ingedeeld in 1 van de 3 bodemkwaliteitsklassen ‘landbouw/natuur’, ‘wonen’ of ‘industrie’. Als de grond niet voldoet aan deze klassen, dan is de grond in principe niet toepasbaar. In de Regeling bodemkwaliteit staan de normen en toetsingsregels om te bepalen in welke klasse de landbodem of grond valt. De bodemkwaliteitsklassen worden gebruikt om de kwaliteit van de te ontgraven grond en de ontvangende bodem te bepalen.

Toepassingseisen

In het generieke kader wordt gebruik gemaakt van een dubbele toetsing voor het vaststellen van toepassingseisen voor het hergebruik van grond. Dit houdt in dat er zowel naar de functie als de kwaliteit van de ontvangende bodem gekeken wordt. De dubbele toets houdt in dat de toepassingseis wordt bepaald door de strengste van de twee. Dit principe is toegelicht in onderstaand figuur.

Figuur B1.1 Werking dubbele toets in het generieke kader. Bron: Handreiking besluit bodemkwaliteit viahttps://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/instrumenten/handreiking-bbk/

B1.3 Gebiedspecifiek beleid

Als het generieke kader te weinig mogelijkheden biedt voor het hergebruik van grond, dan kan de gemeente gebiedspecifiek beleid ontwikkelen. Uitgangspunt bij gebiedspecifiek beleid is dat er geen verslechtering van de bodemkwaliteit ontstaat binnen het beheergebied (‘stand-still’ principe).

Met gebiedspecifiek beleid kunnen de volgende zaken worden geregeld:

•Het vaststellen van lokale maximale waarden

•Het vaststellen van een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage dat in het besluit is opgenomen

Lokale maximale waarden

Gemeenten hebben de mogelijkheid om Lokale Maximale Waarden (LMW) voor stoffen op te stellen. Hierdoor wordt afgeweken van de geldende normen uit de Regeling bodemkwaliteit. De LMW bevinden zich tussen het niveau van de achtergrondwaarden en het saneringscriterium. Voor het opstellen van LMW dient middels een risicobeoordeling vastgesteld te worden dat er geen risico’s zijn voor mens, milieu en ecosysteem. Ter verduidelijking is in figuur B1.2 aangegeven wat de afwegingsruimte is voor de gemeente bij het opstellen van de LMW.

Figuur B1.2 Afwegingsruimte voor LMW

B1.4 Tijdelijk handelingskader PFAS

In het THK van 2 juli 2020 zijn achtergrondwaarden en voorlopige toepassingsnormen opgenomen voor PFAS die bij het bepalen van hergebruiksmogelijkheden binnen het generieke kader gehanteerd moeten worden. Voor de toepassingsnormen voor grond is onderscheid gemaakt in verschillende situaties, waar verschillende normen voor gelden (zie figuur B1.3).

Figuur B1.3 Tijdelijke toepassingsnormen voor PFAS op landbodem (bron: THK van 2 juli 2020)

Uit figuur B1.3 blijkt dus dat de toepassingseis voor PFAS bepaald wordt aan de hand van de toepassingseis voor de overige stoffen. De kwaliteit van de bodem ten aanzien van PFAS wordt hierin dus niet meegenomen. Het is mogelijk om hier met gebiedspecifiek beleid van af te wijken. Zo is het mogelijk om een lokale achtergrondwaarden op te stellen.

Bijlage 5 Grondverzet onder de Omgevingswet

B5.1 Inleiding

In de Omgevingswet, is de bodemkwaliteitszorg geïntegreerd in het omgevingsbeleid. De Omgevingswet zorgt voor een goede balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet staat een integrale afweging centraal. Bodemzorg zal dan meer gericht zijn op het duurzaam gebruik van de bodem.

In deze context verschuift ook het accent van de bodemkwaliteitszorg van chemische kwaliteit naar de kwaliteit van het bodemsysteem als geheel. Ondanks de accentverschuiving van chemisch bodemkwaliteit naar de kwaliteit van het volledige bodem- en watersysteem blijft die chemische kwaliteit een belangrijke factor.

In deze bijlage is een kort overzicht gegeven van welke mogelijkheden de gemeente heeft voor het grondverzetsbeleid. Dit is ingedeeld naar de verschillende instrumenten die daar mogelijk voor gebruikt kunnen worden: het Omgevingsplan en een vrijwillig programma. Verder is er nog een kort overzicht gegeven van de rijksregels.

Uitleg milieubelastende activiteiten in Rijksregels voor grondverzet

Voor de milieubelastende activiteiten (mba) waar de handelingen rond grondverzet onder vallen is de gemeente bevoegd gezag. Daarbij zijn de volgende mba’s te onderscheiden:

•Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde (paragraaf 3.2.21)

•Opslaan, zeven, ontwateren en samenvoegen van grond of baggerspecie (paragraaf 3.2.24)

•Toepassen van grond of baggerspecie (paragraaf 3.2.26)

Grondverzet gerelateerde mba’s die straks ook gelden onder de Omgevingswet zijn:

•Graven in bodem met een kwaliteit boven interventiewaarde (paragraaf 3.2.22)

•Saneren van de bodem (paragraaf 3.2.23)

•Toepassen van bouwstoffen (paragraaf 3.2.25)

Met de introductie van de milieubelastende activiteiten zijn er voor grondverzet geen grote beleidswijzigingen naast het veranderen in naamgeving. Er zijn wel een aantal wijzigingen, hieronder een aantal voorbeelden:

•Tijdelijke uitname en opslag valt straks onder de mba’s voor graven in plaats van onder opslaan. Voor graven > I en graven < I gelden wel verschillende voorschriften

•Het zeven van grond is straks onderdeel van de mba graven

•Er is niet langer een onderscheid tussen opslaan binnen en buiten inrichtingen. Onder de Omgevingswet geldt er één mba voor ‘Opslaan’

•De meldingsvereisten voor opslaan veranderen ten opzichte van het Bbk (oud). Er is geen melding per individuele partij meer benodigd

Aanwijzen beheergebied en opstellen bodemfunctiekaart

In het Bkl zijn zogenaamde instructieregels opgenomen. Dit zijn regels waarmee het Rijk aangeeft hoe in dit geval de gemeente een bepaalde taak of bevoegdheid moet uitoefenen. In het kader van grondverzet is de instructieregel uit paragraaf 5.1.4.5.3 van het Bkl. Hierin staat dat de gemeente haar beheergebied moet aanwijzen en de landbodem in bodemfunctieklassen moet indelen. Dit is vergelijkbaar met de huidige regelgeving. Deze onderwerpen moeten dus terugkomen in het Omgevingsplan. Overigens is het nu ook al verplicht om het beheergebied te definiëren en een bodemfunctiekaart op te stellen.

B5.2 Mogelijkheden gemeentelijk beleid grondverzet in het Omgevingsplan

In het Omgevingsplan komen de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving.

Een gemeente moet één Omgevingsplan opstellen. Hier komen dus veel verschillende onderwerpen aan bod, waar bodem er één van is. Het Omgevingsplan moet uiterlijk eind 2029 voldoen aan de eisen. De regels uit het Omgevingsplan moeten ook digitaal ontsloten worden via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Hiervoor moeten de juridische regels omgezet worden naar toepasbare regels. Tot en met eind 2029 is er een overgangsfase en geldt ook overgangsrecht voor verschillende onderdelen. Het grootste deel van de huidige Nota valt ook onder dit overgangsrecht (zie paragraaf ‘Overgangsrecht’).

In het Omgevingsplan kan of moet de gemeente omtrent grondverzet volgende zaken regelen:

•Maatwerkregels opnemen voor milieubelastende activiteiten (optioneel)

•Aanvullende regels opnemen voor activiteiten (optioneel)

•Aanwijzen beheergebied (verplicht, volgt uit instructieregel)

•Opstellen bodemfunctiekaart (verplicht, volgt uit instructieregel)

De onderwerpen zijn hieronder nader uitgewerkt.

Overgangsrecht

De bodemkwaliteitskaarten (ontgravingskaarten en bodemfunctiekaart) worden van rechtswege onderdeel van het Omgevingsplan. De geldigheidstermijn van de kaarten is 5 jaar. Onder overgangsrecht valt ook gebiedspecifiek beleid voor zover dat toeziet op Lokale Maximale Waarden en mate van bijmenging. Dit betekent dat deze onderdelen onderdeel worden van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. De gemeente moet de regels voor 2030 omgezet hebben naar het nieuwe Omgevingsplan dat voldoet aan de eisen van de Omgevingswet.

Alle overige zaken vallen niet onder het overgangsrecht. In deze Nota zijn geen zaken opgenomen die niet onder het overgangsrecht vallen.

Maatwerkregels

Door het Rijk zijn regels opgenomen over de milieubelastende activiteiten (mba). Dit is een nieuw begrip onder de Omgevingswet. Veel van het grondverzet komt terug in deze mba’s.

De rijksregels mba’s staan in het Besluit activiteiten leefomgeving. Nadere toelichting op de mba’s voor grondverzet is te vinden in de volgende paragraaf. De gemeente kan met een maatwerkregel afwijken van de algemene regels voor de mba’s. Een maatwerkregel is een algemeen geldende regel, vergelijkbaar met gebiedspecifiek beleid in de Nota.

Met maatwerkregels kan voor grondverzet gemotiveerd (deels) afgeweken worden van de kwaliteitseisen die bij verschillende kwaliteitsklassen behoren (landbouw/natuur, wonen, industrie, matig verontreinigd, sterk verontreinigd). Dit is vergelijkbaar met het opstellen van Lokale Maximale Waarden in de huidige wet- en regelgeving. Onder de Omgevingswet is er wel meer afwegingsruimte: het is ook mogelijk om een norm lager dan de kwaliteitseis landbouw/natuur (=Achtergrondwaarde) te stellen. Gemotiveerd afgeweken worden van het percentage bodemvreemd materiaal. Dit is nu ook al mogelijk.

Het is straks ook mogelijk om ook maatwerk toe te passen voor een grootschalige bodemtoepassing. Dit is nu niet mogelijk, omdat de grootschalige bodemtoepassing al een voorbeeld is van gebiedspecifiek beleid. Dit verandert straks.

Naast een maatwerkregel is het ook mogelijk om met een maatwerkvoorschrift te werken.

Dit voorschrift is niet algemeen geldend, maar kan gebruikt worden voor specifieke situaties. Dit kan bijvoorbeeld gebruikt worden om voor een specifieke toepassing wat soepelere kwaliteitseisen of nou juist strengere kwaliteitseisen te hanteren.

Voorwaarden maatwerk

Maatwerk moet wel voldoen aan een aantal voorwaarden. Voor het toepassen van grond geldt in ieder geval het volgende:

•Als een projectbesluit genomen is, dan kan een maatwerkvoorschrift dit projectbesluit niet belemmeren

•Er moet voldaan worden aan het ‘stand-still’ principe. Onderdeel daarvan is dat soepelere kwaliteitseisen alleen gelden binnen het eigen beheergebied. Dat is vergelijkbaar met de werking van gebiedspecifiek beleid.

•Er moet altijd rekening gehouden worden met het oogmerk van de regels. Voor toepassen is het ‘met het oog op het beschermen van het milieu’. Maatwerk mag niet strijdig zijn met dat principe. Om overheden hierbij te ondersteunen wordt door het RIVM een risicotoolbox ontwikkeld

Aanvullende regels opnemen voor activiteiten

De gemeente kan ook aanvullende regels opnemen in het omgevingsplan voor mba’s. Voor grondverzet levert dit naar verwachting weinig mogelijkheden op. Het meeste grondverzet valt al onder de mba’s. Hieronder zijn een aantal mogelijkheden genoemd:

Er kunnen aanvullende meldings- of vergunningsplichten opgenomen worden. In de mba’s zijn hier al voorschriften voor opgenomen, maar deze kunnen aangevuld worden. Dit betekent echter wel dat deze meldingen en vergunning beoordeeld moeten worden, dus hiervoor is capaciteit nodig. Voor vergunningsplichten is het ook nodig om beoordelingsregels op te stellen voor waar aan voldaan moet worden.

Het is mogelijk om voor kleinschalig graven (< 25 m3) regels op te nemen. Dit valt namelijk niet onder de mba’s voor graven. De rest van de keten (opslaan en toepassen) kent geen minimum omvang. Voor kleinschalig graven in grond met een kwaliteit boven de Interventiewaarde (sterk verontreinigde grond) komen er automatisch regels in het Omgevingsplan. Hiervoor is namelijk een bruidsschatregel opgesteld. De bruidsschat is te vinden in hoofdstuk 7 van het Invoeringsbesluit.

B5.3 Mogelijkheden gemeentelijk beleid grondverzet in het programma

De gemeente kan ook een programma opstellen. Een programma is alleen bindend voor de gemeente zelf en geeft daarmee invulling aan een ambitie van de gemeente om een gewenste kwaliteit te bereiken. Een programma kan verschillende onderdelen omvatten, waaronder de inzet van communicatiemiddelen, beleidsregels en financiële instrumenten (zoals subsidies).

Voor grondverzet zijn er naar verwachting geen directe thema’s die uitgewerkt kunnen worden in een programma. De meeste regels zullen in het Omgevingsplan staan of zullen onderdeel zijn van een maatwerkvoorschrift.

B5.4 Overzicht vindplaats Rijksregels grondverzet

De voorschriften voor grondverzet zijn straks ‘verdeeld’ over:

•Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

•Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

•Het Besluit bodemkwaliteit 2021 (Bbk 2021)

•De Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk 2022)

Aanvullende voorschriften die decentrale overheden opstellen. Zo kan de gemeente aanvullende regels opnemen in haar Omgevingsplan.

Onder de Omgevingswet is een ‘knip’ gemaakt waar regels voor het grondverzet staan. Regels die zich richten tot degene die grond ontgraaft, opslaat en/of toepast staan straks in het Bal. Dit zijn onder de Omgevingswet milieubelastende activiteiten (mba’s) die zijn opgenomen in het Bal. Deze worden besproken in de volgende paragraaf van deze bijlage. Overige regels, over bijvoorbeeld Kwalibo en de verschillende milieuhygiënische verklaringen zijn achtergebleven in het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit.

Het Besluit bodemkwaliteit bevat onder andere regels over de verschillende milieuhygiënische verklaringen en de bijbehorende kwaliteitsklassen. Eén van de milieuhygiënische verklaringen is en blijft de bodemkwaliteitskaart. De nieuwe Regeling bodemkwaliteit is nog niet definitief. Deze Regeling is op dit moment in consultatie geweest. Hierdoor is nog niet met zekerheid te zeggen wat de Regeling inhoudt.

Bijlage 9 Noord-Veluwe bodemkwaliteitskaart 2021

Bijlage 1 Waarnemingen

Bijlage 2 Bodemfunctiekaart

Bijlage 3 Ontgravingskaarten

Bijlage 4 Toepassingskaarten

Bijlage 5 Uitgesloten locaties

Bijlage 6 Percentielbladen

Bijlage 7 Achtergrondinformatie historie gebied

1Inleiding

Dit rapport bevat de technische onderbouwing van de actualisatie van de bodemkwaliteitskaart regio Noord-Veluwe voor de deelnemende gemeenten Ermelo, Putten, Harderwijk, Nunspeet, Elburg en Oldebroek. TAUW heeft in opdracht van deze gemeenten een bodemkwaliteitskaart opgesteld voor het standaard pakket. Eerder is ook door TAUW de bodemkwaliteitskaart opgesteld voor PFAS (poly- en perfluoralkylverbindingen)

7Bodemkwaliteitskaart PFAS. TAUW, kenmerk R001-1273092EVF-V01-mwl-NL, d.d. 30 oktober 2020

. Mogelijk zullen de gemeenten Heerde en Hattem in een later stadium worden toegevoegd aan deze regionale bodemkwaliteitskaart.

De bodemkwaliteitskaarten en Nota bodembeheer gelden dus (voorlopig) niet voor de gemeenten Heerde en Hattem.

Dit rapport richt zich op de technische uitwerking van de bodemkwaliteitskaart. De regels voor grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaarten voor het standaardpakket en PFAS zijn opgenomen in de Nota Bodembeheer (zie R002-1273092EVF-V04-baw-NL).

1.1 Aanleiding

Om het grondverzet binnen de gemeenten te faciliteren heeft de regio Noord-Veluwe in 2014 een gezamenlijke Nota Bodembeheer

8Nota Bodembeheer regio Noord-Veluwe. TAUW, kenmerk R002-1206995LNH-baw-V02-NL, d.d. 21 januari 2014

opgesteld met bijbehorende bodemkwaliteitskaarten van (een deel van) de regio en Harderwijk. Conform het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) dient een bodemkwaliteitskaart na 5 jaar verlengd of geactualiseerd te worden. Naar aanleiding hiervan heeft de regio Noord-Veluwe besloten de kaart te actualiseren.

1.2 Doelstelling en aanpak

De gemeenten willen een nieuwe bodemkwaliteitskaart opstellen om het grondverzet te faciliteren. De bodemkwaliteitskaart geeft de gemeten achtergrondwaarden weer en dient als wettig bewijsmiddel conform artikel 4.3.5 van de Regeling bodemkwaliteit. Zo wordt voorkomen dat er voor elke partij grond en ontvangende locatie een partijkeuring c.q. bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.

De aanpak op hoofdlijnen voor het opstellen van een bodemkwaliteitskaart is als volgt te omschrijven:

1Indeling van het beheersgebied in homogene deelgebieden, die met betrekking tot bodemgebruik, bodemopbouw en bodembelasting overeenkomstige kenmerken vertonen en waarin een vergelijkbare bodemkwaliteit verondersteld mag worden

2Het per deelgebied vaststellen van de kwaliteit door ten minste het gemiddelde en de 80- en 90-percentielwaarden vast te stellen en deze te toetsen aan de maximale waarden van de generieke kwaliteitsklassen Landbouw/Natuur (AW2000), Wonen en Industrie, zoals genoemd in het Besluit bodemkwaliteit

3Het vaststellen van de homogene bodemkwaliteitszones

4Het vaststellen van de milieutechnische uitgangspunten voor het grondverzet

5Het beschrijven van de gevolgde werkwijze en de gehanteerde uitgangspunten

2Werkwijze

2.1 Beleidskader

De bodemkwaliteitskaart is opgesteld conform de regels van het Bbk en de Regeling Bodemkwaliteit (Rbk). Voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten is een Richtlijn bodemkwaliteitskaarten

9Richtlijn voor het opstellen bodemkwaltietskaarten. VROM, d.d. 3 september 2007 met wijzigingsblad van 1 januari 2019

opgesteld. In de Richtlijn staan aanvullende regels en aanwijzingen voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart.

De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten is bedoeld voor het gebruik van bodemkwaliteitskaarten:

•Voor het toepassen van grond en bagger op bodem

•Als bewijsmiddel van kwaliteit van vrijkomende grond en bagger

In dit kader zal de bodemkwaliteitskaart alleen worden opgesteld voor vrijkomende grond, aangezien waterbodem geen onderdeel uitmaakt van deze kaart

Binnen het Besluit bodemkwaliteit wordt er onderscheid gemaakt in 2 toetsingskaders:

•Generiek beleid

Bij het generieke beleid gelden de algemene regels uit het Besluit bodemkwaliteit voor de toepassing van grond

•Gebiedspecifiek beleid

Door het opstellen van gebiedspecifiek beleid kan het bevoegd gezag afwijken van de algemene regels uit het Besluit bodemkwaliteit

Het beleidskader zal in de looptijd van deze kaart veranderen door de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierdoor zal bovenstaand beleidskader in de toekomst niet meer van toepassing zijn. Het beleidskader voor het gebruik van de bodemkwaliteitskaart zal dan worden gevormd door het Besluit Bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit. De regels over (onder andere) het toepassen van grond zullen te vinden zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Bij het opstellen van dit technisch document is rekening gehouden met zowel het huidige als het toekomstige beleidskader.

2.2 Aanpak opstellen bodemkwaliteitskaarten

De bodemkwaliteitskaart is opgesteld conform Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten en de eisen uit bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit. In deze richtlijn worden 8 stappen onderscheiden:

1Opstellen programma van eisen

2Vaststellen onderscheidende kenmerken

3Gegevensverzameling en gegevensbewerking

4Indelen beheergebied in deelgebieden

5Controle indeling van het beheergebied

6Verzamelen aanvullende informatie

7Vaststellen bodemkwaliteitszones

8Opstellen ontgravings- en toepassingskaart (generiek of gebiedspecifiek)

Onderdeel van het opstellen van een bodemkwaliteitskaart is het uitvoeren van een vooronderzoek conform NEN 5725 aanleiding E

10NEN 5725:2017 NL - Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek

. Dit vooronderzoek is gericht op het verzamelen van informatie ne beoordelen of deze informatie voldoende en actueel is. Het vooronderzoek is dan ook onderdeel van meerdere stappen uit de Richtlijn.

In stap 1 zijn de beleidsmatige en technisch inhoudelijke keuzes gemaakt. Deze vormen het kader waarbinnen de bodemkwaliteitskaart tot stand is gekomen. Zie paragraaf 2.3 en 2.4 voor de uitwerking.

In stap 2 is vastgesteld welke kenmerken binnen het beheergebied een belangrijke rol spelen bij het definiëren van deelgebieden. Zie voor de uitwerking hoofdstuk 3.

In stap 3 is de informatie die van het beheergebied beschikbaar was, verzameld en geschikt gemaakt voor de verwerking tot een bodemkwaliteitskaart. Hiertoe is bodeminformatie uit de bodeminformatiesystemen digitaal aangeleverd in XML-format. Zie hoofdstuk 3 voor de uitwerking.

In stap 4 is het beheergebied ingedeeld in deelgebieden. Op basis van de verlenging was geadviseerd te kijken naar mogelijke samenvoegingen van homogene deelgebieden. Zie hoofdstuk 3 voor de uitwerking.

In stap 5 is op basis van de informatie bepaalt of de indeling in deelgebieden van stap 4 juist is. Zie hoofdstuk 4 en 5 voor de uitwerking.

In stap 6 zijn geen aanvullende gegevens. Zie hoofdstuk 3.

In stap 7 zijn de bodemkwaliteitszones definitief vastgesteld. Zie hoofdstuk 5.

In stap 8 zijn de toepassingseisen geformuleerd en is bepaald in welk kader (generiek of gebiedspecifiek) de kaart functioneert. Deze stap is opgenomen in de Nota Bodembeheer

(zie R002-1273092EVF-V04-baw-NL).

2.3 Technisch-inhoudelijke onderbouwing

De technisch-inhoudelijke onderbouwing gaat in op de eisen waaraan een bodemkwaliteitskaart moet voldoen. In de Richtlijn zijn de onderwerpen benoemd die essentieel worden geacht om de kwaliteit van het grondverzet te kunnen waarborgen. Deze onderwerpen moeten dan ook minimaal in de onderbouwing worden meegenomen en zijn in hoofdstuk 3 toegelicht.

Dit zijn:

•Het (deel van het) beheergebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld (paragraaf 3.1)

•De diepte en het aantal te onderscheiden dieptetrajecten waarover de bodemkwaliteitskaart een uitspraak doet (paragraaf 3.4)

•De stoffen die in de bodemkwaliteitskaart worden opgenomen (paragraaf 3.2)

•De onderscheidende kenmerken op basis waarvan de bodemkwaliteitszones worden gedefinieerd (paragraaf 3.2)

•Het deel van het beheergebied (onder andere de verdachte locaties) waarvoor de bodemkwaliteitskaart niet geldig is (paragraaf 3.3)

•De lintvormig diffuus belaste deelgebieden die worden onderscheiden (paragraaf 3.2)

•De kwaliteitseisen waaraan een bodemkwaliteitszone moet voldoen om te kunnen worden vastgesteld (hoofdstuk 4)

•De statistische kentallen op basis waarvan de bodemkwaliteitszones worden gekarakteriseerd (zie hoofdstuk 5 en bijlage 4)

•In welk kader de kaart functioneert: generiek of gebiedspecifiek (zie Nota Bodembeheer)

3Uitvoering

3.1 Beheergebied en dieptetraject

De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de regio Noord-Veluwe, zoals aangegeven in figuur 3.1.

Figuur 3.1 Beheergebied gemeenten Putten, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Oldebroek en Elburg

In de regio Noord-Veluwe zijn 4 grondwaterbeschermingsgebieden en bijbehorende drinkwaterwinning aangewezen. Voor de grondwaterbeschermingsgebieden gelden afwijkende toepassingsnormen. Hiervoor gelden de regels uit de provinciale verordening.

Rijkswegen en overige gebieden in het beheer van Rijk of waterschap zijn geen onderdeel van het beheergebied van gemeenten.

Ten opzichte van de vorige kaart zijn er 2 wijzigingen in het beheergebied:

•De gemeentelijke grenzen zijn aangepast, dit leidt vooral tot wijzigingen bij de gemeente Putten

•In de vorige kaart was het gebied ten westen van de A28 in de gemeenten Harderwijk, Ermelo en Putten aangemerkt als beheergebied van Rijkswaterstaat. Dit is echter gedeeltelijk onderdeel van het beheergebied van de betreffende gemeente

11Bron beheergrenzen Rijkswaterstaat: Beheergrenzen (rijkswaterstaat.nl)

en is daarom opgenomen in de kaart

De bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld voor de boven- en ondergrond waarbij de volgende dieptetrajecten aangehouden worden:

•Bovengrond: 0-0,5 m -mv

•Ondergrond: 0,5-2,0 m -mv

De verwachting is dat vooral de kwaliteit van de bovengrond beïnvloed is door menselijke activiteiten en dat de kwaliteit van de ondergrond gelijk of beter zal zijn.

3.2 Bodemkwaliteitszones en opgenomen stoffen

3.2.1 Opgenomen stoffen

De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor zowel de stoffen uit het standaardpakket conform NEN 5740:

1Parameters standaardpakket: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, PAK (10), PCB (som 7) en minerale olie

De bodemkwaliteitskaart is niet opgesteld voor de stof arseen, met uitzondering van de zone ‘Arseengebieden’. Arseen is voor de overige gebieden wel meegenomen, daar een deel van het gebied verdacht is op arseen (zie paragraaf 3.2.2). Zo kan de (mogelijke) aanwezigheid daarvan vastgesteld worden.

3.2.2 Onderbouwing bodemkwaliteitszones

Voor het standaardpakket is er gekeken of er deelgebieden aan te wijzen zijn op basis van:

•Onderscheidende kenmerken in bodemopbouw en geomorfologie

•Ontwikkeling van het beheergebied

•Functies in het gebied

•Bekende diffuse verontreinigingen

•Lintvormig diffuus belaste deelgebieden

Deze factoren kunnen namelijk invloed hebben op de (verwachte) verontreinigingen in het gebied en daarmee de indeling in zones.

Functies

In de regio zijn er een aantal functiewijzigingen. De wijzigingen ten opzichte van de vorige kaart zijn:

•De bermen van gemeentelijke hoofdwegstructuur hebben allen de functie Industrie gekregen ten behoeve van uniformiteit

•In het noorden en westen van het bebouwde gebied van Nunspeet is een nieuwbouwwijk in aanleg. Dit gedeelte heeft nu de functie Wonen

•Het gebied ten westen van de A28 in de gemeenten Ermelo en Putten is toegevoegd aan de bodemfunctiekaart en heeft de functie Landbouw/Natuur en plaatselijk de functie Wonen gekregen

•In Elburg zijn 2 gemeentelijke hoofdwegen toegevoegd, namelijk de Gerichtenweg en de Oude Harderwijkerweg

•De Rijkswegen, provinciale wegen en de militaire terreinen zijn uitgesloten van de functiekaart

•Er zijn kleine aanpassingen aan de beheergrenzen. Ter plaatse van de gemeente Putten is de gemeentegrens gedeeltelijk aangepast. In de wijk Waterfront in de gemeente Harderwijk zijn de grenzen licht gewijzigd daar gebieden gewijzigd zijn van oppervlaktewater naar landbodem en andersom

Bekende diffuse verontreinigingen

Arseen

In de regio Noord-Veluwe kunnen plaatselijk sterk verhoogde arseengehalten voorkomen. In het verleden ontstane arseenhoudend kwelwater is neergeslagen bij het in contact komen met zuurstofrijker water. Arseen komt van nature voor in gebieden waar veel ijzeroer in de grond aanwezig is, aangezien het hier goed aan bindt. De locaties waar arseen van nature voorkomt zijn opgenomen als apart homogeen deelgebied. In de gemeente Oldebroek worden wel verhoogde arseengehalten verwacht, maar uit informatie van de gemeente blijkt dat deze gehalten niet aangetroffen worden bij onderzoeken. In Drielanden (Harderwijk) was ook sprake van nature verhoogde arseengehalten. Dit gebied is echter de laatste jaren op grote schaal gesaneerd.

Asbest

In de regio komt asbest op meerdere locaties voor. Dit is grotendeels te relateren aan het gebruik van asbest in gebouwen. De verdenking op asbest is over het algemeen locatie gebonden en is daarmee geen diffuus probleem. Er zijn 2 uitzonderingen: (1) voormalige eendenhouderijen en (2) wegen

In zowel Ermelo als Harderwijk zijn er grote gebieden waar in het verleden eendenhouderijen hebben gestaan. Deze zijn op historische kaarten te herkennen aan de repeterende eenheden (zie onderstaande figuren). Uit informatie van de gemeenten blijkt dat de bodem ter plekke van deze voormalige eendenhouderijen verontreinigd is geraakt met asbest. Ondertussen is een deel van deze gebieden reeds gesaneerd. Het is niet inzichtelijk welk gebied gesaneerd is.

Figuur 3.2 Voormalige eendenhouderijen in de gemeente Ermelo, te herkennen aan de repeterende zwarte lijnen

Figuur 3.3 Voormalige eendenhouderijen in de gemeente Harderwijk, te herkennen aan de repeterende zwarte lijnen

Verder is bekend dat er in de regio asbest aanwezig is in de wegen en bermen. Uit de informatie van de gemeenten is niet met zekerheid te zeggen welke wegen wel of niet verdacht zijn op het voorkomen van asbest.

PFAS

Voor de regio Noord-Veluwe is een aparte bodemkwaliteitskaart opgesteld voor PFAS. In de betreffende gemeenten komen locaties voor die verdacht worden op PFAS, zoals stortlocaties en industriële locaties. Deze locaties bevinden zich vooral in de dorps- en -stadskernen van de gemeenten. Op deze locaties heeft vaal bedrijvigheid en nijverheid plaatsgevonden, waardoor ze ook verdacht kunnen zijn op verontreinigingen met andere stoffen.

Lintvormig diffuus belaste gebieden

In de regio Noord-Veluwe zijn meerdere lintvormige diffuus belaste gebieden aanwezig, namelijk de Rijkswegen, de provinciale wegen, de gemeentelijke wegen en de spoorwegen.

Alle gebieden zijn verdacht op meerdere parameters en voornamelijk de zware metalen en PAK.

De Rijkswegen, de provinciale wegen en spoorwegen zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Vanwege verschil in verkeersintensiteit wordt een kwaliteitsverschil verwacht bij de gemeentelijke wegen ten opzichte van de provinciale wegen en de gemeentelijke hoofdwegen. De gemeentelijke hoofdwegen zijn als bodemkwaliteitszone opgenomen (zie volgende paragraaf).

Bodemopbouw en geomorfologie

Informatie over de bodemopbouw van de betreffende gemeenten is te vinden op de BRO bodemkaart van Nederland

12De BRO Bodemkaart is te bekijken op: https://www.pdok.nl/viewer/

. Hieruit blijkt dat de bodemopbouw in de verschillende gemeenten afwisselend is. Er zijn zowel zand, klei als veengronden aanwezig. De veengronden zijn wel voornamelijk in het oosten aanwezig. De bodemopbouw ter plekke van bebouwd gebied is niet bekend en is vanwege de bebouwing waarschijnlijk ook beïnvloed.

De regio ligt aan de rand van de hoger gelegen Veluwegronden. Dit zijn voornamelijk zandgronden. Dit betekent naast een variatie in bodemopbouw dat er ook variatie aanwezig is in hoogteprofiel (zie figuur 3.2

13Bron: https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/

). De verwachting is dat dit geen invloed heeft op de bodemkwaliteit. Het is mogelijk wel van invloed op de grondwaterkwaliteit in verband met stromingsrichting en mogelijke aanvoer van (natuurlijk) voorkomende verontreinigingen.

Figuur 3.4 Hoogteprofiel in de regio. Hoe blauwer, hoe dieper gelegen en hoe roder, hoe hoger gelegen

Aangezien de bodemopbouw binnen de gemeenten sterke variatie vertoont en er weinig bekend is over de bodemopbouw van de stads- en dorpskernen, is er geen aanleiding om op basis van de bodemopbouw verschillende deelgebieden aan te wijzen.

Ontwikkeling van het beheergebied

In bijlage 7 is per gemeente kort toegelicht hoe de steden, dorpen en buurtschappen zich door de tijd hebben ontwikkeld. Hier is een beknopte samenvatting gegeven. De ontwikkeling van het beheergebied is van belang, omdat het een indicatie kan geven van de verwachte bodemkwaliteit. Hierbij speelt bijvoorbeeld de ouderdom van de bebouwing mee. Oudere kernen hebben vaak een slechtere kwaliteit. De kustregio was vroeger gelegen aan de Zuiderzee. Dit is vooral van belang voor Harderwijk en Elburg als havensteden. Sinds 1932 is de Zuiderzee afgesloten.

Alle kernen van voornamelijk de grotere steden zijn in loop van de tijd gegroeid. De grootste groei is te zien sinds de jaren ’60.

Resultaat bodemkwaliteitszones

Op basis van de bevindingen in het vooronderzoek en de resultaten van de vorige bodemkwaliteitskaart is er besloten een aantal zones samen te voegen. Hierbij wordt opgemerkt dat in de vorige bodemkwaliteitskaart de zones geclassificeerd werden op basis van het gemiddelde, terwijl voor deze kaart gebruikt gemaakt wordt van de P80 (voor onderbouwing, zie Nota Bodembeheer, R002-1273092EVF-V04-baw-NL).

Tabel 3.1 Aanpassingen homogene deelgebieden regio Noord-Veluwe

WAS

WORDT

Agrarisch buitengebied

Natuur, bos en heidegebied

Buitengebied

Wonen centrum

Wonen overig

Wonen

Gemeentelijke wegen

Gemeentelijke hoofdwegen

Provinciale wegen

Provinciale wegen

Arseengebieden

Arseengebieden

Rijkswegen

Spoorwegen

Witte vlek

Overig (uitgesloten)

In de vorige kaart had Harderwijk afwijkende deelgebieden. Voor deze actualisatie is hiervoor aangesloten bij de rest van de regio. De 2 uitzonderingen zijn Waterfront en Centrum voor 1900. Waterfront is apart gehouden vanwege gebiedspecifiek beleid. Centrum voor 1900 heeft een afwijkende kwaliteit van de overige zones met functie Wonen en is daarom apart gehouden. De indeling in homogene deelgebieden is getoond in bijlage 1.

Opstellen zone wegbermen

Ten opzichte van de vorige kaart zijn er 2 nieuwe zones gedefinieerd, te weten gemeentelijke wegbermen en provinciale wegbermen. De gemeentelijke en provinciale wegbermen zijn als aparte zones opgesteld, vanwege een verschil in beheerder en verwachte kwaliteit. Verder zijn alleen de hoofdwegen van de gemeente gezoneerd. De bodem raakt verontreinigd door het verkeer. Vanwege een verschil in verkeersintensiteit is er mogelijk een verschil in kwaliteit.

Verder is het onderhoud van de bermen van belang. Bermen worden soms opgehoogd of juist geschraapt. Hierdoor kan de verontreinigde toplaag verwijderd worden of lager gelegen raken.

Voor de definitie van de berm wordt gebruik gemaakt van de definitie gegeven in het Besluit Bodemkwaliteit (artikel 63, lid 3). Hierin staat dat een berm maximaal 10 meter uit de weg ligt, tenzij de berm eerder wordt begrensd door een fysieke afscheiding. Deze definitie is ook te zien in onderstaand figuur

14Bron: Factsheet omgaan met bermgrond bij (auto)snelwegen, via https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/publicaties/factsheet-omgaan/

.

Figuur 3.5 Definitie van de bermen

Deze definitie is gebruikt om de bermenzone te construeren. Aanvullend zijn de volgende keuzes gemaakt:

•Trottoirs en fietspaden worden gezien als fysieke afscheiding

•Inritten zijn opgenomen als onderdeel van de berm

•Zowel de verharde berm als de onverharde berm is meegenomen

Opgemerkt wordt wel dat wegen over tijd kunnen veranderen. Hierdoor kan de opgestelde zone niet meer actueel zijn in de looptijd van deze kaart. De definitie zoals hier gegeven is leidend om te bepalen wat tot de wegberm behoort.

3.3 Uitgesloten locaties van de bodemkwaliteitskaart

Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 aanleiding E. Onderdeel van het vooronderzoek is om te bepalen:

•Welke puntbronnen aanwezig zijn

•Welke (vermoedelijk) sterk verontreinigde locaties aanwezig zijn

De bodemkwaliteitskaart toont de algemene achtergrondconcentratie van een gebied. Er zijn locaties waarvan verwacht wordt of bekend is dat de kwaliteit afwijkt. Locaties met een (naar verwachting) slechtere kwaliteit zijn uitgesloten. Dit zijn locaties waar verdachte activiteiten hebben plaatsgevonden, een slechtere kwaliteit is vastgesteld óf die (gedeeltelijk) gesaneerd zijn.

Defensieterreinen

Binnen de gemeentegrenzen van de betreffende gemeenten bevinden zich enkele (voormalige) militaire oefenterreinen waar diverse verontreinigingen kunnen voorkomen van onder andere PFAS, PAK en zware metalen. Alle (voormalige) kazerneterreinen zijn uitgesloten. Deze bevinden zich in de gemeenten Ermelo, Nunspeet, Harderwijk, Oldebroek en Elburg.

Er is onderscheid gemaakt tussen militaire oefenterreinen en militair schietterrein. De oefenterreinen gelegen in Harderwijk en Ermelo zijn niet uitgesloten. Het gebruik hiervan is minder intensief en er wordt geen afwijkende bodemkwaliteit verwacht, met uitzondering van mogelijke puntbronnen. Het militair schietterrein in het zuiden van de gemeenten Elburg en Oldebroek is wel uitgesloten. Hier is het gebruik namelijk intensiever. Verder wordt de bodemkwaliteitskaart daar van oudsher niet gebruikt.

Boerenerven

In de regio komen veel agrarische gebieden voor. Deze gebieden zijn in principe opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. De boerenerven zijn echter uitgesloten.

Stortplaatsen

Stortplaatsen zijn verdacht op het voorkomen van diverse diffuse verontreinigingen. Vooral oudere stortplaatsen beschikken soms niet over adequate bodembeschermende maatregelen, waardoor de onderliggende bodem verontreinigd kan zijn. Informatie over de aanwezige stortlocaties in de regio is aangeleverd door de Omgevingsdienst en door de gemeenten. Hieruit blijkt dat er meerdere stortlocaties aanwezig zijn in de regio. De stortplaatsen zijn te zien op de kaart met uitgesloten locaties. Deze kaart is geactualiseerd ten opzichte van eerdere rapportage in de PFAS bodemkwaliteitskaart (zie bijlage 6).

In dit vooronderzoek ten behoeve van het opstellen van de bodemkwaliteitskaart is geen volledige lijst opgenomen van verdachte locaties. Dit is in afwijking op bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit. Hiervan is echter afgezien omdat het een dynamisch overzicht is. Een dergelijke kaart zou snel verouderen. Door middel van het uitvoeren van een vooronderzoek volgens de NEN 5725, aanleiding F kan bepaald worden of een locatie verdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging als gevolg van puntbronnen of eerder aangetoonde verontreinigingen. In deze gevallen geldt de bodemkwaliteitskaart niet.

3.4 Dataverzameling en uitgevoerde werkzaamheden

3.4.1 Aangeleverde XML-gegevens

Door de Omgevingsdienst zijn XML-gegevens aangeleverd. De waarnemingen zijn weergeven in bijlage 1. Voor de bewerking van de gegevens gelden de volgende zaken:

•De gegevens van de afgelopen 5 jaar zijn geselecteerd (vanaf 1 januari 2016). Voor de zone arseengebieden waren onvoldoende waarnemingen beschikbaar. Na een vergelijk te hebben gemaakt zijn de gegevens tot 10 jaar terug gebruikt (vanaf 1 januari 2011)

•Data zonder XY-coördinaten op boring- of projectniveau zijn niet meegenomen, omdat deze niet aan een zone gekoppeld kunnen worden

•Grondwatermonsters en waterbodemmonsters zijn uit de dataset verwijderd

•De volgende typen onderzoek zijn meegenomen in de selectie:

-Indicatief onderzoek

-Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 (mogelijk in combinatie met asbestonderzoek conform NEN 5707)

-Oriënterend onderzoek

-Briefrapport

-Aanvullend rapport

-Eind- of nulsituatie onderzoek

•Van een aantal waarnemingen was het humus/lutum gehalte niet bekend voor standaardpakket. Deze waarnemingen zijn aangevuld door uit te gaan van een ‘worst case’ scenario van een humus- en lutumgehalte van 2 %

•Mengmonsters komen meerdere malen in de dataset terug, omdat de bodeminformatie op boringniveau opgeslagen wordt. Voor de bodemkwaliteitskaart gaat het om het aantal waarnemingen, oftewel het aantal analyses. De resultaten van de mengmonsters zijn dan ook eenmalig meegenomen in de dataset

•In mengmonsters zijn soms deelmonsters aanwezig met verschillende dieptetrajecten. Voor de bepaling van het dieptetraject van het mengmonster is gebruik gemaakt van het maximale dieptetraject van de verschillende deelmonsters

•Voor het berekenen van de statistische kentallen in percentielbladen zijn de rekenregels volgens BoToVa toegepast. Op basis van de (gewijzigde) bijlage G

15Deze gewijzigde bijlage van de Regeling bodemkwaliteit is voor het eerst gepubliceerd in Staatscourant 22335, d.d. 2 november 2012

onderdeel III van de Regeling bodemkwaliteit wordt vanaf 1 november 2013 bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem het analyseresultaat omgerekend naar het gehalte voor standaardbodem en vervolgens getoetst aan de toetsingswaarde voor standaardbodem. Voor de omrekening naar standaardbodem wordt gebruik gemaakt van locatiespecifieke waarden voor organische stof en lutum

4Betrouwbaarheid bodemkwaliteitskaart

De dataset vormt input voor de statistische analyse. De resultaten van de statistische analyse vormen de basis voor de bodemkwaliteitskaarten. De resultaten zijn weergeven in zogenaamde percentielbladen. Dit zijn tabellen met de statistische weergave van de analysegegevens.

Opgenomen hierin zijn onder andere:

•De aantallen analyse per parameter

•De percentielwaarden: dit zijn de waarden waar een bepaald percentage van de waarnemingen onder ligt. Zo is de P80 de waarde waar 80 % van de waarnemingen onder ligt

•Het gemiddelde en de maximale waarde die aangetroffen is

•De heterogeniteitsindex die aangeeft hoe heterogeen de zone is

In dit rapport zijn alleen de percentielbladen van de definitieve gebiedsindeling opgenomen. De eerste resultaten zijn hieronder wel besproken. Voordat deze resultaten namelijk definitief gebruikt kunnen worden, moet eerst worden vastgesteld of de gekozen uitgangspunten volstaan. De volgende uitgangspunten worden geëvalueerd:

•De indeling in bodemkwaliteitszones

•Aanwezigheid uitbijters

•Aangetroffen heterogeniteit

4.1 Eisen evaluatie

4.1.1 Gebiedsindeling

In de Richtlijn worden de volgende minimale eisen gesteld voor het beoordelen van de gebiedsindeling:

•Per deelgebied dienen ten minste 20 waarnemingen beschikbaar te zijn. Per niet-aaneengesloten delen dienen er ten minste 3 waarnemingen beschikbaar te zijn

•De waarnemingen dienen ruimtelijk voldoende verspreid over het deelgebied te liggen

•Voor elk deelgebied waarvoor voldoende informatie beschikbaar is, wordt vastgesteld of de indeling in deelgebieden optimaal is, waarmee bedoeld wordt dat er geen ruimtelijke structuur aanwezig is in de gehalten of de variabiliteit

4.1.2 Uitbijters

Om een betrouwbaar beeld te krijgen van de kwaliteit is gekeken naar de gemeten concentraties. Wanneer een extreme waarde aanwezig is, dient conform de Richtlijn bepaald te worden:

•Of deze extreme waarde deel uitmaakt van de achtergrondgehalten

•Of deze extreme waarde afkomstig is van een lokale puntbron

•Of deze extreme waarde een uitbijter betreft die het gevolg is van een fout in het onderzoek of een fout bij de invoer van de gegevens

4.1.3 Heterogeniteit

Heterogeniteit is de mate van spreiding in de gemeten gehalten ten opzichte van de normwaarden. Als er binnen de zone sprake is van sterke heterogeniteit dan kan de algemene kwaliteit (in dit geval de P80) een vertekend beeld geven van de bodemkwaliteit en de kwaliteit van de vrijkomende partijen grond. In dat geval kan de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel dienen. Hierbij wordt de heterogeniteit bepaald door het berekenen van de heterogeniteitsindex (HI) met de volgende formule:

H= P95-P5

Industrie - AW2000

Om te beoordelen welke mate van heterogeniteit aanwezig is, wordt gekeken naar de waarde van de HI:

•< 0,2 Weinig heterogeniteit

•0,2-0,5 Beperkte heterogeniteit

•0,5-0,7 Heterogeniteit

•> 0,7 Sterke heterogeniteit

4.2 Standaardpakket

4.2.1 Evaluatie gebiedsindeling

In de tabellen 4.1 en 4.2 is weergeven hoeveel waarnemingen er per kwaliteitszone aanwezig en wat de classificering is voor de bovengrond en voor de ondergrond.

Tabel 4.1 Concept resultaten van de bovengrond van de bodemkwaliteitszones voor het standaardpakket

Zone

Aantal waarnemingen

Classificering (P80)

Buitengebied

227-312

AW

Wonen

222-260

Wonen

Bedrijven- en industrieterreinen

58-61

AW

Arseengebieden

33-41

AW*

* Verhoogde waarde voor arseen, hiervoor geldt specifiek beleid. Kaart is opgesteld voor standaardpakket

Tabel 4.2 Concept resultaten van de ondergrond van de bodemkwaliteitszones voor het standaardpakket

Zone

Aantal waarnemingen

Classificering (P80)

Buitengebied

133-151

AW

Wonen

138-186

AW

Bedrijven- en industrieterreinen

21-24

AW

Arseengebieden

29-31

AW

Er zijn voor alle zones voldoende waarnemingen beschikbaar die ook ruimtelijk voldoende verspreid liggen (zie bijlage 1).

4.2.2 Heterogeniteit

In de zones Buitengebied en Wonen komt minerale olie sterk heterogeen voor in de bovengrond. In de zone Bedrijven- en industrieterreinen komt minerale olie sterk heterogeen voor in boven- en ondergrond. Dit wordt veroorzaakt doordat het verschil in norm tussen de achtergrondwaarde en de maximale waarde Industrie relatief klein is. Deze aangetroffen heterogeniteit vormt dan ook geen belemmering voor de betrouwbaarheid van de classificering.

Arseen komt in de arseengebieden (sterk) heterogeen voor. Dit is gezien de ontstaansgeschiedenis ook te verwachten. Hiervoor is gebiedspecifiek beleid opgesteld en wordt verder geen belemmering voor grondverzet verwacht.

4.2.3 Conclusie

Er is geen aanleiding om een wijziging aan te brengen in de zonering. De homogene deelgebieden kunnen betrouwbaar geclassificeerd worden.

5Bodemkwaliteitskaarten regio Noord-Veluwe

5.1 Ontgravingskaarten

In bijlage 2 zijn de homogene deelgebiedenkaarten te vinden. De percentielbladen zijn te vinden in bijlage 6. De ontgravingskaarten zijn te vinden in bijlage 3. In onderstaande tabellen zijn de zones, het aantal waarnemingen, de classificatie en de heterogeniteit weergegeven. Opgemerkt wordt dat Drielanden Harderwijk geen onderdeel is van de arseenzone, maar wel verdacht is op het voorkomen van arseen (zie ook paragraaf 3.8 van de Nota bodembeheer).

5.3 Bodemfunctiekaart

De bodemfunctiekaart is te vinden in bijlage 2. De bodemfunctiekaart is grotendeels gelijk gebleven ten opzichte van de bodemfunctiekaart uit 2014

16Nota bodembeheer regio Noord Veluwe. TAUW, kenmerk R002-1206995LNH-baw-V02-NL, d.d. 21 januari 2014

. Er zijn de volgende wijzigingen:

•De bermen van gemeentelijke hoofdwegstructuur hebben allen de functie Industrie gekregen ten behoeve van uniformiteit

•In het noorden en westen van het bebouwde gebied van Nunspeet is een nieuwbouwwijk in aanleg. Dit gedeelte heeft nu de functie Wonen

•Het gebied ten westen van de A28 in de gemeenten Ermelo en Putten is toegevoegd aan de bodemfunctiekaart en heeft de functie Landbouw/Natuur en plaatselijk de functie Wonen gekregen

•In Elburg zijn 2 gemeentelijke hoofdwegen toegevoegd, namelijk de Gerichtenweg en de Oude Harderwijkerweg

•De Rijkswegen, provinciale wegen en de militaire terreinen zijn uitgesloten van de functiekaart

•Er zijn kleine aanpassingen aan de beheergrenzen. Ter plaatse van de gemeente Putten is de gemeentegrens gedeeltelijk aangepast. In de wijk Waterfront in de gemeente Harderwijk zijn de grenzen licht gewijzigd daar gebieden gewijzigd zijn van oppervlaktewater naar landbodem en andersom

5.3 Toepassingskaart

In de tabellen 5.1 en 5.2 staan de toepassingseisen. De kaarten zijn opgenomen in bijlage 4. Hierbij gelden de volgende opmerkingen:

•De toepassingseis van de gemeentelijke hoofdwegen en de provinciale wegen is bepaald aan de hand van de functie. De functie is Industrie. De dubbele toets is niet uitgevoerd, daar de kwaliteit van de bermen niet bepaald is. Dit is gebiedspecifiek beleid (zie ook paragraaf 3.6 van de Nota bodembeheer)

•De gemeentelijke bermen zijn begrensd op 0,5 m -mv. In de ondergrond wordt geen verdere beïnvloeding verwacht van de berm en deze is opgenomen in de aangrenzende zone. Eenzelfde redenatie is van toepassing voor provinciale wegbermen, maar aangezien deze in beheer zijn van de provincie zijn deze wel apart gezoneerd voor de ondergrond (zie ook paragraaf 3.6). Opgemerkt wordt dat de bermen óók verdacht zijn ten aanzien van asbest en dat asbest wel dieper dan 0,5 m -mv aangetroffen kan worden. Asbest is echter geen onderdeel van deze bodemkwaliteitskaart. Bermen ter plekke van verdachte deellocaties (toegangsdammen, lokale ophogingen, et cetera) zijn uitgesloten van deze kaart

•Voor de arseengebieden geldt gebiedspecifiek beleid (zie paragraaf 3.5 van de Nota Bodembeheer). Vrij grondverzet tussen de arseengebieden is op basis van de kaart mogelijk. Voor overige toepassingen in het gebied geldt de generieke toepassingseis Landbouw/Natuur. Grond uit de arseenzones mag niet zonder keuring op arseen, buiten de arseengebieden toegepast worden

•Harderwijk centrum (< 1900) is uitgesloten van de kaart voor de stoffen van het standaardpakket. Van deze zone zijn te weinig waarnemingen beschikbaar. Verder wordt vanwege de ontstaansgeschiedenis een heterogene verontreiniging verwacht, waardoor de classificering ook bij voldoende waarnemingen onbetrouwbaar zal zijn. De toepassingseis is bepaald aan de hand van de functie Wonen. Dit is gebiedspecifiek beleid

•Voor het gebied Harderwijk Waterfront geldt gebiedspecifiek beleid (paragraaf 3.7 van de Nota Bodembeheer) De toepassingseis is afhankelijk van de situatie. In onderstaande tabel is de strengste toepassingseis weergeven

•De toepassingseis voor PFAS is bepaald aan de hand van het generieke kader (zie bijlage 1 voor uitleg) voor de wegbermen van de gemeentelijke hoofdstructuur en de provinciale wegen. Zo wordt toepassingsruimte gecreëerd voor toepasbare, licht PFAS-houdende grond. Voor de overige zones is de toepassingseis bepaald aan de hand van de ontgravingskwaliteit. Zo vindt er geen verslechtering van de bodemkwaliteit ten aanzien van PFAS plaats. Dit is gebiedspecifiek beleid

•Binnen de grondwaterbeschermingsgebieden gelden afwijkende toepassingseisen voor zowel standaardpakket als PFAS. De regels zijn opgenomen in het provinciale beleid

Tabel 5.1 Kwaliteitsklassen bovengrond per zone

Zone

Ontgravingsklasse Bovengrond

Toepassingseis Bovengrond

1Buitengebied

STP: AW

PFAS: AW

STP: AW

PFAS: AW

2Wonen

STP: Wonen***

PFAS: AW

STP: Wonen

PFAS: AW

3Bedrijven- en industrieterreinen

STP: AW

PFAS: AW

STP: AW

PFAS: AW

4Arseengebieden

STP: AW met verhoogd arseen

PFAS: AW

STP: AW*

PFAS: AW

5Gemeentelijke bermen

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: Industrie

PFAS: Wonen/Industrie

6Provinciale bermen

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: Industrie

PFAS: Wonen/Industrie

7Harderwijk: Centrum <1900

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: Wonen

PFAS: AW

8Harderwijk: Waterfront

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: AW**

PFAS: AW

Uitgesloten gebieden, zoals (voormalige) defensieterreinen

Uitgesloten

STP: AW

PFAS: AW

STP = standaardpakket

* Vrij grondverzet tussen arseengebieden mogelijk, toepassingseis geldt voor grond van buiten de arseengebieden

** Toepassingseis geldt voor grond van buiten Waterfront. Voor grond uit Waterfront zelf geldt de toepassingseis van Wonen of Industrie (zie paragraaf 3.7 Nota Bodembeheer)

*** Het gebied Drielanden is onderdeel van deze zone en is verdacht op voorkomen van arseen. De bodemkwaliteitskaart is niet opgesteld voor arseen (zie paragraaf 3.8 Nota Bodembeheer)

Tabel 5.2 Kwaliteitsklassen ondergrond per zone

Zone

Ontgravingsklasse Ondergrond

Toepassingseis Ondergrond

1Buitengebied

STP: AW

PFAS: AW

STP: AW

PFAS: AW

2Wonen

STP: AW***

PFAS: AW

STP: AW

PFAS: AW

3Bedrijven- en industrieterreinen

STP: AW

PFAS: AW

STP: AW

PFAS: AW

4Arseengebieden

STP: AW met verhoogd arseen

PFAS: AW

STP: AW

PFAS: AW

6Provinciale bermen

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: Industrie

PFAS: AW

7Harderwijk: Centrum <1900

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

8Harderwijk: Waterfront

STP: Uitgesloten

PFAS: AW

STP: AW**

PFAS: AW

Uitgesloten gebieden, zoals (voormalige) defensieterreinen

Uitgesloten

STP: AW

PFAS: AW

STP = standaardpakket

* Vrij grondverzet tussen arseengebieden mogelijk, toepassingseis geldt voor grond van buiten de arseengebieden

** Toepassingseis geldt voor grond van buiten Waterfront. Voor grond uit Waterfront zelf geldt de toepassingseis van Wonen of Industrie (zie paragraaf 3.7 Nota Bodembeheer)

*** Het gebied Drielanden is onderdeel van deze zone en is verdacht op voorkomen van arseen. De bodemkwaliteitskaart is niet opgesteld voor arseen (zie paragraaf 3.8 Nota Bodembeheer)

5.4 Veiligheidsklasse

Conform de CROW 400 is het toegestaan om een veiligheidsklasse af te leiden op basis van de P80 van een vastgestelde bodemkwaliteitskaart. Het toetsingskader hiervoor is gegeven in tabel 5.3 voor de stoffen uit het standaardpakket en voor PFOS en PFOA

17https://www.crow.nl/thema-s/arbo-en-veiligheid/grondwerk-en-ondergrond/werken-in-en-met-verontreinigde-bodem

. Voor PFAS wordt geen bodemtypecorrectie toegepast.

Tabel 5.3 Toetsing P80 SRCarbo-normen (mg/kg)

Stof

75% SRCarbo (mg/kg)

SRCarbo (mg/kg)

Overschrijding norm?

Barium

3.037,5

4.050

Nee, voor geen van de zones

Cadmium

75,75

101

Nee, voor geen van de zones

Kobalt

213,75

285

Nee, voor geen van de zones

Koper

21.375

28.500

Nee, voor geen van de zones

Kwik

15,23

20,3

Nee, voor geen van de zones

Nikkel

7.575

10.100

Nee, voor geen van de zones

Lood

551,25

735

Nee, voor geen van de zones

Molybdeen

1.522,5

2.030

Nee, voor geen van de zones

Zink

76.123,5

101.498

Nee, voor geen van de zones

PAK

75a)

100a)

Nee, voor geen van de zones

PCB

1,725

2,3

Nee, voor geen van de zones

Minerale olie

N.v.t.b)

5.000b)

Nee, voor geen van de zones

PFOS

0,89

1,19

Nee, voor geen van de zones

PFOA

1,79

2,38

Nee, voor geen van de zones

a) Betreft SRC-waarde voor meest kritische PAK-parameter, namelijk benzo (a)pyreen

b) Minerale olie heeft geen SRC-norm en wordt aan de interventiewaarde getoetst

Voor de overige PFAS zijn geen SRC-waarden bekend. Wel is er een mogelijkheid om de relatieve humane toxiciteit van diverse PFAS-stoffen ten opzichte van PFOA te bepalen.

Zo kan alsnog bepaald worden of er een veiligheidsklasse van toepassing is

18https://www.crow.nl/downloads/pdf/infrastructuur/p400/achtergrondnotitie-nieuwe-src-waarden,-190619.aspx

. De aangetroffen PFAS-waarden zijn echter zo laag (< 0,001 mg/kg) dat de SRC-waarden niet benaderd worden. Deze zijn namelijk een factor 1.000 hoger.

Bijlage 1 Waarnemingen

Bijlage 2 Bodemfunctiekaart

Bijlage 3 Ontgravingskaarten

Bijlage 4 Toepassingskaarten

Bijlage 5Uitgesloten locaties

Rapport titel

Rapport auteur

Rapport datum

Type onderzoek

AA code

Locatie adres

Deelgebied

Reden

IO Horloseweg 36 te Harderwijk

Ingenieurs-bureau Land

18-11-2011

Indicatief onderzoek

AA024300161

Horloseweg 36, 3845LA, Harderwijk

Arseen

Waarschijnlijke invoerfout PCB gegevens; niet met zekerheid te stellen dus locatie uitgesloten

VO Industrieweg 15 te Harderwijk

kwa bedrijfsadviseurs

20-12-2018

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA024302771

Industrieweg 15 te Harderwijk

Bedrijven- en industrieterreinen

Afwijkende waarden voor minerale olie, koper, nikkel en zink

Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Plesmanlaan 12 te Nunspeet

Grondslag b.v.

03-06-2018

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA030202123

Plesmanlaan, Nunspeet

Buitengebied

Afwijkende waarde voor lood

VO stationsgebied in Nunspeet D5

Royal Haskoning

15-05-2020

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA030202201

Elspeet

Buitengebied

Afwijkende waarde nikkel

Zeeweg 66

P&J Milieuservices B.V.

08-01-2017

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA023301711

Zeeweg 66, 3853LM, Ermelo

Buitengebied

Afwijkende waarde minerale olie

Eekterweg 49 Oosterwolde

Rouwmaat

12-09-2016

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA026902015

Eekterweg 49, 8097PC, Oosterwolde Gld

Buitengebied

Waarschijnlijke invoerfout PCB gegevens; niet met zekerheid te stellen dus locatie uitgesloten

Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Plesmanlaan 12 te Nunspeet

Grondslag b.v.

03-06-2018

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA030202123

Plesmanlaan, Nunspeet

Buitengebied

Afwijkende waarde zink

Broekermolenweg 10 te Putten

Grontmij Nederland B.V.

20-01-2016

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA027302301

Broekermolenweg 10, 3882MG, Putten

Buitengebied

Waarschijnlijke invoerfout PCB gegevens; niet met zekerheid te stellen dus locatie uitgesloten

VO Groot Emaus Groene Allee (ten noorden van nr. 10), Ermelo

PJ Milieu BV

16-02-2017

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA023302343

Groene Allee, Ermelo

Buitengebied

Afwijkende waarde arseen

VO Garderenseweg Putten

Sweco

13-03-2017

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA027302379

Garderenseweg, Putten

Wonen

Afwijkend waarde cadmium en PCB

Wijkcentrum De Roef Zuiderzeepad 1

PJ Milieu BV

22-04-2020

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA024303104

Zuiderzeepad 1, 3844JV, Harderwijk

Wonen

Waarschijnlijke invoerfout kwik en cadmium gegevens; niet met zekerheid te stellen dus locatie uitgesloten. Afwijkende waarde PCB

Kelnarijstraat 16-18a

PJ Milieu

22-07-2019

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA027300342

Kelnarijstraat 18, 3881CB, Putten

Wonen

Afwijkende waarde lood

Baanweg 18

Antea Group

19-10-2016

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA024302563

Baanweg 18, 3844KS, Harderwijk

Wonen

Afwijkende waarde zink

Bedrijventerrein Tonsel te Harderwijk

Mateboer Milieutechniek BV

19-05-2020

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA024303079

Harderwijk

Wonen

Afwijkende waarde minerale olie

VO + NO Kerkstraat te Oldebroek

Matebroek

29-05-2020

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA026900155

Kerkstraat 9, 8096BS, Oldebroek

Wonen

Afwijkende waarde PAK en lood

Kerkweg 29 Wezep

Rouwmaat

02-01-2017

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA026902011

Kerkweg 29, 8091ET, Wezep

Wonen

Waarschijnlijke invoerfout PCB gegevens; niet met zekerheid te stellen dus locatie uitgesloten

Verlengde Meidoornweg 11 Wezep

Envita

25-11-2016

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA026902018

Verlengde Meidoornstraat 11, 8091DG, Wezep

Wonen

Waarschijnlijke invoerfout PCB gegevens; niet met zekerheid te stellen dus locatie uitgesloten

VO Garderenseweg Putten

Sweco

13-03-2017

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA027302379

Garderenseweg, Putten

Wonen

Waarschijnlijke invoerfout kwik en cadmium gegevens; niet met zekerheid te stellen dus locatie uitgesloten. Afwijkende waarden PCB

De Wetstraat 8 te Ermelo

Mateboer

07-03-2017

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA23301014

De Wetstraat 8 te Ermelo

Wonen

(Sterk) verhoogde waarden voor PAK in meerdere deelmonsters en daarmee afwijkend tov gebiedskwaliteit

Verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN‑5740 Oogstweg 4 te Nunspeet

Sigma Bouw en Milieu

10-08-2018

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA030200226

Oogstweg 6, Elspeet

Wonen

Afwijkende waarde PAK

Verkennend bodemonderzoek Stationslaan 24-26 Nunspeet

ROUWMAAT GROEP

03-01-2019

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA030202087

Stationslaan 24, 8071CM, Nunspeet

Wonen

Afwijkende waarde PAK

VO stationsgebied in Nunspeet D1

Royal Haskoning

15-05-2020

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA030202201

Stationsgebied in Nunspeet

Wonen

Afwijkende waarde PAK

Broekermolenweg 10 te Putten

Grontmij Nederland B.V.

20-01-2016

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA027302301

Broekermolenweg 10, 3882MG, Putten

Buitengebied

Waarschijnlijke invoerfout PCB gegevens; niet met zekerheid te stellen dus locatie uitgesloten

VO Groot Emaus Groene Allee (ten noorden van nr. 10), Ermelo

PJ Milieu BV

16-02-2017

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA023302343

Groene Allee, Ermelo

Buitengebied

Afwijkende waarde arseen

VO Garderenseweg Putten

Sweco

13-03-2017

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA027302379

Garderenseweg, Putten

Wonen

Afwijkend waarde cadmium en PCB

Wijkcentrum De Roef Zuiderzeepad 1

PJ Milieu BV

22-04-2020

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA024303104

Zuiderzeepad 1, 3844JV, Harderwijk

Wonen

Waarschijnlijke invoerfout kwik en cadmium gegevens; niet met zekerheid te stellen dus locatie uitgesloten. Afwijkende waarde PCB

Kelnarijstraat 16-18a

PJ Milieu

22-07-2019

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA027300342

Kelnarijstraat 18, 3881CB, Putten

Wonen

Afwijkende waarde lood

Baanweg 18

Antea Group

19-10-2016

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA024302563

Baanweg 18, 3844KS, Harderwijk

Wonen

Afwijkende waarde zink

Bedrijventerrein Tonsel te Harderwijk

Mateboer Milieutechniek BV

19-05-2020

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA024303079

Harderwijk

Wonen

Afwijkende waarde minerale olie

VO + NO Kerkstraat te Oldebroek

Matebroek

29-05-2020

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA026900155

Kerkstraat 9, 8096BS, Oldebroek

Wonen

Afwijkende waarde PAK en lood

Kerkweg 29 Wezep

Rouwmaat

02-01-2017

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA026902011

Kerkweg 29, 8091ET, Wezep

Wonen

Waarschijnlijke invoerfout PCB gegevens; niet met zekerheid te stellen dus locatie uitgesloten

Verlengde Meidoornweg 11 Wezep

Envita

25-11-2016

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA026902018

Verlengde Meidoornstraat 11, 8091DG, Wezep

Wonen

Waarschijnlijke invoerfout PCB gegevens; niet met zekerheid te stellen dus locatie uitgesloten

VO Garderenseweg Putten

Sweco

13-03-2017

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA027302379

Garderenseweg, Putten

Wonen

Waarschijnlijke invoerfout kwik en cadmium gegevens; niet met zekerheid te stellen dus locatie uitgesloten. Afwijkende waarden PCB

De Wetstraat 8 te Ermelo

Mateboer

07-03-2017

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA23301014

De Wetstraat 8 te Ermelo

Wonen

(Sterk) verhoogde waarden voor PAK in meerdere deelmonsters en daarmee afwijkend tov gebiedskwaliteit

Verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN‑5740 Oogstweg 4 te Nunspeet

Sigma Bouw en Milieu

10-08-2018

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA030200226

Oogstweg 6, Elspeet

Wonen

Afwijkende waarde PAK

Verkennend bodemonderzoek Stationslaan 24-26 Nunspeet

ROUWMAAT GROEP

03-01-2019

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA030202087

Stationslaan 24, 8071CM, Nunspeet

Wonen

Afwijkende waarde PAK

VO stationsgebied in Nunspeet D1

Royal Haskoning

15-05-2020

Verkennend onderzoek NEN 5740

AA030202201

Stationsgebied in Nunspeet

Wonen

Afwijkende waarde PAK

Bijlage 6 Percentielbladen

Bijlage 7 Achtergrondinformatie historie gebied

Ontwikkeling beheergebied

Elburg

Binnen de gemeentegrenzen van Elburg liggen Elburg, de dorpen ’t Harde en Doornspijk en de buurtschappen Hoge Enk en voormalig buurtschap Oostendorp. In de jaren ’60 bestond de gemeente uit enkele lintdorpen en dorpskernen met lintbebouwing (figuur B7.1). Vanaf de jaren ’70 breidden de kernen zich uit. Voormalig buurtschap Oostendorp groeide op deze manier vast aan Elburg (figuur B7.2).

Figuur B7.1 Topografische kaart van de

gemeente Elburg in 1960 (bron: topotijdreis)

Figuur B7.2 Topografische kaart van de

gemeente Elburg in 2019 (bron: topotijdreis)

Ermelo

Binnen de gemeentegrenzen van Ermelo liggen Ermelo en een negental buurtschappen. De buurtschappen, bestaande uit losse bebouwing, zijn vanaf de jaren ’60 weinig veranderd. Ermelo is daarentegen onderhevig geweest aan stedelijke uitbreiding (figuur B7.3 en B7.4). In de gemeenten zijn vele eendenhouderijen geweest.

Figuur B7.3 Topografische kaart van de

gemeente Ermelo in 1960 (bron: topotijdreis)

Figuur B7.4 Topografische kaart van de

gemeente Ermelo in 2019 (bron: topotijdreis)

Harderwijk

Tot de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 speelde de haven in Harderwijk een belangrijke rol in de stad en vond hier veel bedrijvigheid plaats. In de jaren ’60 bestond de gemeente uit een enkele stadskern (figuur B1.5). In deze periode werd de A28 uitgebreid tot de huidige A28 (figuur B7.8). Vanaf de jaren ’60 is de stad onderhevig geweest aan stedelijke uitbreiding (figuur B7.6, B7.7 en B7.8). Onderdeel hiervan is ook dat een deel van het Veluwemeer ingepolderd is. De laatste jaren heeft veel grondverzet plaatsgevonden in de nieuwe wijk Waterfront

19Nota Bodembeheer regio Noord-Veluwe. TAUW, kenmerk R001-1206995LNH-baw-V02-NL, d.d. 21 januari 2014

. Bij het ontwikkelen van de wijk Drielanden in het zuidwesten van de gemeente werden hoge arseengehalten aangetroffen (zie diffuse verontreiniging)

20Onderzoek naar natuurlijk arseen en barium in Harderwijk. Technisch document 1: oorsprong en voorkomen. Witteveen+Bos, kenmerk HD126-2/posm/017, d.d. 28 april 2006

. In Harderwijk zijn meerdere eendenhouderijen aanwezig geweest (zie ‘diffuse verontreinigingen’).

Figuur B7.5 Topografische kaart van de

gemeente Harderwijk in 1960 (bron: topotijdreis)

Figuur B7.6 Topografische kaart van de

gemeente Harderwijk in 1975 (bron: topotijdreis)

Figuur B7.7 Topografische kaart van de

gemeente Harderwijk in 2005 (bron: topotijdreis)

Figuur B7.8 Topografische kaart van de

gemeente Harderwijk in 2019 (bron: topotijdreis)

Nunspeet

Binnen de gemeentegrenzen van Nunspeet liggen het dorp Nunspeet, de voormalige buurtschappen Oosteinde, Westeinde, Zwarte Goor en Zoom, de dorpen Elspeet, Vierhouten en Hulshorst en de buurtschappen Grote Kolonie en Kleine Kolonie. In de jaren ’60 bestond de gemeente uit enkele dorpskernen met wat lintbebouwing (Nunspeet en Elspeet), een aantal lintdorpen (Vierhouten en Hulshorst) en een aantal buurtschappen die enkel uit losse bebouwing bestonden (figuur B7.9). In de decennia hierop volgend ontstaan dorpskernen vanuit de lintdorpen en zijn de dorpen onderhevig aan stedelijke uitbreiding. Enkele buurtschappen groeiden hierdoor vast aan de dorpen (figuur B7.10).

Figuur B7.9 Topografische kaart van de

gemeente Nunspeet in 1960 (bron: topotijdreis)

Figuur B7.10 Topografische kaart van de

gemeente Nunspeet in 2020 (bron: topotijdreis)

Oldebroek

Binnen de gemeentegrenzen van Oldebroek liggen de dorpen Oldebroek, Wezep, Hattemerbroek, Kerkdorp, ’t Loo, Noordeinde en Oosterwolde en de buurtschappen Bovenveen, Eekt, Mullegen, Posthoorn, Lapstreek, Voskuil en Trutjeshoek. In de jaren ’60 bestond de gemeenten uit enkele lintdorpen en dorpskernen met lintbebouwing (figuur B7.11). De buurtschappen bestonden uit lintbebouwing en losse bebouwing. In de jaren die hierop volgen groeien de dorpen waardoor ook in de voormalige lintdorpen centrale kernen ontstaan. De buurtschappen veranderen weinig qua formaat (figuur B7.12).

Figuur B7.11 Topografische kaart van de

gemeente Oldebroek in 1960 (bron: topotijdreis)

Figuur B1.12 Topografische kaart van de

gemeente Oldebroek in 2020 (bron: topotijdreis)

Putten

Binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Putten ligt het dorp Putten en verscheidene buurtschappen. Putten bestond in de jaren ’60 uit een centrale dorpskern met wat lintbebouwing. De buurtschappen bestonden voornamelijk uit losse bebouwing of lintbebouwing (figuur B7.13). Putten is in de jaren die hierop volgde gegroeid, terwijl de buurtschappen weinig zijn veranderd (figuur B7.14).

Figuur B7.13 Topografische kaart van de gemeente Putten in 1960 (bron: topotijdreis)

Figuur B7.14 Topografische kaart van de gemeente Putten in 2020 (bron: topotijdreis)

Vanwege de (voormalige) aanwezigheid van bedrijvigheid en nijverheid in de dorps- en stadskernen wordt verwacht dat er diverse diffuse verontreinigingen voorkomen in de gemeenten.

Er kunnen afwisselend vaag-, podzol- en eerdgronden worden aangetroffen.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.