Aanhef
De raad van de gemeente Hardenberg;
Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 18 november 2025, nummer 1103210;
gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;
Besluit:
vast te stellen de:
Verordening op de heffing en invordering van de afvalstoffenheffing 2026
Artikel 1 Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1'Gebruik maken': gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer;
2G.F.T.-afval: groente-, fruit- en tuinafval;
3P.M.D.-afval: plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankenkartons;
4Restafval: huishoudelijk afval niet zijnde G.F.T.-afval en P.M.D.-afval;
5Minicontainer: de vanwege de gemeente uitgezette ophaalbakken, waaronder city-bins, onderverdeeld in verschillende volumes;
6Verzamelcontainer: de vanwege de gemeente geplaatste verzamelcontainers, die kunnen worden ontsloten door middel van chipkaarten;
7Grof huishoudelijk afval: huishoudelijke afvalstoffenstoffen die met enige regelmaat in een huishouden vrij komen, doch die te groot en/of te zwaar zijn om op dezelfde wijze als andere huishoudelijke afvalstoffen aan de verzameldienst te worden aangeboden;
8Grof tuinafval: tuinafval dat met enige regelmaat in een huishouden vrij komt, doch te groot en/of te zwaar is om op dezelfde wijze als G.F.T.-afval aan de verzameldienst te worden aangeboden.
Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit
1Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en in de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 3 Voorwerp van de belasting
1Voorwerp van de belasting is een perceel.
2Als perceel wordt aangemerkt:
a.de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;
b.een gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens inrichting bestemd is tot het voeren van een particulier huishouden;
c.de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
d.een gedeelte van een in onderdeel c bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
e.een samenstel van twee of meer in onderdeel c bedoelde roerende zaken of in onderdeel d bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
f.het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel c bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel d bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel e bedoeld samenstel.
Artikel 4 Belastingplicht
De belasting wordt geheven van degene, die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 5 Maatstaf van heffing en tarief
De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 6 Belastingjaar
Met betrekking tot de belasting die per jaar geheven wordt, is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 7 Wijze van heffen
1De belasting als bedoeld in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag waarop de verschuldigde belasting is vermeld.
2De gevorderde bedragen als bedoeld in hoofdstuk 3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel worden geheven middels een gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het verschuldigd bedrag is vermeld.
3Per belastbaar feit kan afzonderlijk worden geheven.
Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1De belasting, als bedoeld in onderdeel 2.1 van de tarieventabel, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2De belasting, als bedoeld in onderdeel 2.2 en 2.3 van de tarieventabel, is verschuldigd na afloop van het belastingjaar of, zo dit eerder is, na beëindiging van de belastingplicht.
3Het gevorderde bedrag, als bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel, is verschuldigd bij aanvang van de dienstverlening.
4Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting als bedoeld in onderdeel 2.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
5Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als bedoeld in onderdeel 2.1 van de tarieventabel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
6Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt.
Artikel 9 Termijnen van betaling
1In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, voor een aanslag die wordt opgelegd in het belastingjaar waarop zij betrekking heeft, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen , of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 100,-- doch minder dan € 2.000,-- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslag moet worden betaald in tien gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elke van de volgende termijnen telkens een maand later, met dien verstande dat, indien na de kalendermaand, waarin de aanslagen worden opgelegd, minder dan tien kalendermaanden in het belastingjaar overblijven, de aanslag moet worden betaald in zoveel bedoelde termijnen al er nog kalendermaanden in het jaar overblijven, met een minimum van vier.
3In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, voor een aanslag die wordt opgelegd na afloop van het belastingjaar waarop zij betrekking heeft, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 100,-- doch minder dan € 2.000,-- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslag moet worden betaald in vier gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elke van de volgende termijnen telkens een maand later.
4In afwijking van het voorgaande moet het gevorderde bedrag, als bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel behorende bij deze verordening, tegen contante betaling worden voldaan op het moment van de uitreiking van de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 6 van deze verordening.
5De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde termijnen.
Artikel 10 Kwijtschelding
1Voor de belasting als bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel kan kwijtschelding worden verleend.
2Voor het gevorderde bedrag als bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 11 Tegemoetkoming
1Indien de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden, extra afvalstoffen moeten aanbieden als gevolg van medische omstandigheden (incontinentiemateriaal en stomamateriaal) kan hiervoor per huishouden één verzoek tot tegemoetkoming in de kosten van de afvalstoffenheffing worden aangevraagd. Het verzoek moet samen met een bewijsdocument worden ingediend bij de heffingsambtenaar van de gemeente. Uit het bewijsdocument moet blijken dat er als gevolg van medische omstandigheden substantieel meer afvalstoffen ontstaan door de medische hulpmiddelen.
2Indien wordt voldaan aan de criteria genoemd in het eerste lid van dit artikel, wordt de grondslag van de afvalstoffenheffing bedoeld in artikel 2.2 en 2.3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel verminderd met:
a.indien er belasting verschuldigd is op grond van artikel 2.2.1 van de bij de verordening behorende tarieventabel: de helft van het aantal aanbiedingen met een maximum van 6 aanbiedingen per belastingjaar; of
b.indien er belasting verschuldigd is op grond van artikel 2.2.2 van de bij de verordening behorende tarieventabel: de helft van het aantal aanbiedingen met een maximum van 10 aanbiedingen per belastingjaar; of
c.indien er belasting verschuldigd is op grond van artikel 2.3.1 van de bij de verordening behorende tarieventabel: de helft van het aantal aanbiedingen met een maximum van 36 ledigingen per belastingjaar; of
d.indien er belasting verschuldigd is op grond van artikel 2.3.2 van de bij de verordening behorende tarieventabel: de helft van het aantal aanbiedingen met een maximum van 72 ledigingen per belastingjaar.
3Het aantal aanbiedingen, genoemd in het tweede lid van dit artikel, waarmee de grondslag van de afvalstoffenheffing wordt verminderd, wordt in voorkomende gevallen naar boven afgerond op een heel getal.
Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel
1De 'Verordening afvalstoffenheffing 2025' van 3 december 2024, met zaaknummer 769006, en de ‘1e wijziging Verordening afvalstoffenheffing 2025’ van 8 april 2025, met zaaknummer 916665, wordt ingetrokken met ingang van in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande, dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
3De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
4Deze verordening kan worden aangehaald als de "Verordening afvalstoffenheffing 2026".
Bijlage
TARIEVENTABEL
Tarieventabel behorende bij de verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2026.
Zaaknummer: 1103210
Hoofdstuk 1: Algemeen
De bedragen genoemd in deze tabel zijn inclusief omzetbelasting indien deze verschuldigd zijn:
Hoofdstuk 2: Maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing
2.1
De belasting bedraagt per perceel per jaar
€ 181,81
2.2
Onverminderd het bepaalde in 2.1 bedraagt de belasting per aanbieding van een mini-container of een city-bin grijs (t.b.v. rest-afval) bij een containervolume van:
2.2.1
240liter
€ 12,33
2.2.2
140liter
€ 7,56
2.3
Onverminderd het bepaalde in 2.1 bedraagt de belasting voor het aanbieden van afval bij een verzamelcontainer tot:
2.3.1
Maximaal 40 liter rest-afval
€ 2,10
2.3.2
Maximaal 20 liter rest-afval
€ 1,05
2.4
Onverminderd het bepaalde in 2.1, 2.2 en 2.3 wordt er geen belasting per aanbieding geheven voor het aanbieden van de mini-container die bestemd is voor G.F.T.-afval en het aanbieden van P.M.D.-afval
Hoofdstuk 3: Grof huishoudelijk afval
3.1
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2 bedraagt het gevorderde bedrag voor het op aanvraag inzamelen van grof huishoudelijk afval:
3.1.1
tot 1 m³
€ 25,00
3.1.2
voor elke m³ boven de 1 m³
€ 40,00
3.2
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2 bedraagt het gevorderde bedrag voor het op aanvraag inzamelen van grof tuinafval:
3.2.1
tot 1 m³
€ 15,00
3.2.2
voor elke m³ boven de 1 m³
€ 10,00
Gewaarmerkt door de griffier van de gemeente Hardenberg,
als behorend bij het raadsbesluit van 16 december 2025
De griffier van de gemeente Hardenberg,
F.G.S. Droste