Hoofdstuk 1: Begrippen, doel en reikwijdte
Artikel 1 Begripsbepalingen
1Begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026 en de Verordening jeugdhulp Hardenberg 2026.
2In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a.aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die ondersteuning of jeugdhulp verleent of doet verlenen waarop deze beleidsregels betrekking hebben;
b.gecontracteerde aanbieder: aanbieder waarmee door of namens de gemeente een overeenkomst is gesloten voor het leveren van een voorziening of jeugdhulp;
c.gesubsidieerde aanbieder: aanbieder die op grond van een subsidiebeschikking of subsidierelatie werkzaamheden verricht waarop deze beleidsregels betrekking hebben;
d.pgb-aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon waarmee door of namens de cliënt, de jeugdige of de ouder(s) een zorgovereenkomst is gesloten en aan wie betalingen worden gedaan uit een persoonsgebonden budget;
e.onderaannemer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die door een aanbieder of pgb aanbieder wordt ingeschakeld ten behoeve van de ondersteuning of jeugdhulp;
f.cliënt: inwoner met een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015, alsmede – voor zover de context dat vereist – de jeugdige of diens ouder(s) als bedoeld in de Jeugdwet;
g.toezichthouder Wmo: de door het college aangewezen toezichthouder die toezicht houdt op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015;
h.toezichthouder Jeugdwet: de door het college aangewezen toezichthouder die toezicht houdt op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 van de Jeugdwet en de daarop gebaseerde lokale regels;
i.toezichthouder: de toezichthouder Wmo of de toezichthouder Jeugdwet;
j.toetsingskader Wmo: het model toetsingskader kwaliteitstoezicht Wmo 2015 van de VNG, opgenomen als bijlage 1 bij deze beleidsregels;
k.vordering: een schriftelijk of mondeling verzoek van de toezichthouder tot medewerking bij de uitoefening van diens bevoegdheden;
l.medewerkingsplicht: de verplichting om de medewerking te verlenen die de toezichthouder redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van diens bevoegdheden;
m.constateringenrapport: een rapport van de toezichthouder waarin wordt vastgelegd dat niet, niet tijdig of niet volledig aan een vordering is voldaan.
Artikel 2 Doel, karakter en reikwijdte
1Deze beleidsregels bevatten:
a.het kader voor de uitoefening van het Wmo-toezicht;
b.het kader voor het gemeentelijk toezicht op grond van de Jeugdwet, voor zover dat toezicht bij of krachtens wet en verordening aan het college is opgedragen; en
c.regels voor de toepassing van bestuursrechtelijke handhaving van de medewerkingsplicht bij toezicht.
2Hoofdstuk 2 is van toepassing op het toezicht op gecontracteerde aanbieders, pgb aanbieders en, voor zover relevant, onderaannemers in het kader van de Wmo 2015.
3Hoofdstuk 3 is van toepassing op het gemeentelijk toezicht op gecontracteerde, gesubsidieerde en pgb-aanbieders in het kader van de Jeugdwet en, voor zover relevant, op onderaannemers, pgb-beheerders, jeugdigen en ouders.
4Hoofdstuk 4 is van toepassing op eenieder aan wie de toezichthouder een vordering richt.
5Deze beleidsregels hebben geen betrekking op de medewerking die van inwoners, jeugdigen of ouders mag worden verwacht in het kader van een melding, aanvraag of het onderzoek naar de ondersteunings- of hulpvraag. Daarvoor gelden de toepasselijke verordeningen, beschikkingen en reguliere beleidsregels.
6Deze beleidsregels hebben interne werking. Zij geven richting aan de wijze waarop het college en de toezichthouder hun bevoegdheden uitoefenen.
Hoofdstuk 2: Wmo 2015
Artikel 3 Toezichthouder
1Aanwijzing
Het college wijst toezichthouders aan als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 en artikel 9.1 van de Jeugdwet.
2Bevoegdheden
De toezichthouder is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 en de Jeugdwet en beschikt daarbij over de volgende bevoegdheden:
a.het inzien van dossiers;
b.het vorderen van inlichtingen;
c.het vorderen van (cliënten)administratie bij de (pgb-)aanbieder;
d.het vorderen van administratie van de cliënt of pgb-beheerder;
e.het vorderen van inzage in een identiteitsbewijs;
f.het inzien van documenten en gegevens;
g.het betreden van plaatsen, met uitzondering van woningen zonder toestemming;
h.het controleren van de naleving van verplichtingen uit beschikkingen en overeenkomsten;
i.het inhoudelijk controleren van overeenkomsten van pgb;
j.het controleren of ondersteuning veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd;
k.het screenen van (pgb-)aanbieders.
•Het door een (Pgb-)aanbieder laten overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij/zij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder Verklaring omtrent Gedrag (VOG), diploma’s en kwaliteitscertificaten;
•Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen;
•Het uitvoeren van integriteitsbeoordeling op grond van de Wet Bibob.
3Medewerkingsplicht
Eenieder is verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek van de toezichthouder.
Artikel 4 Juridisch kader en uitgangspunten Wmo-toezicht
1De toezichthouder Wmo toetst de kwaliteit, veiligheid, rechtmatigheid en doelmatigheid van de ondersteuning aan hoofdstuk 3 en hoofdstuk 6 van de Wmo 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026, de toepasselijke beleidsregels, deze beleidsregels en, voor zover van toepassing, contractuele kwaliteitseisen en beschikkingsvoorwaarden.
2Het Wmo-toezicht is transparant, proportioneel, risicogericht en waar mogelijk herstelgericht.
3De toezichthouder Wmo kan voor het onderzoek gebruikmaken van onder meer documentenonderzoek, observaties, interviews, locatiebezoeken en inzage in personeels- en cliëntdossiers voor zover dat rechtens is toegestaan en redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van zijn taak.
4De toezichthouder Wmo legt bevindingen en conclusies vast in een rapportage.
5Waar nodig werkt de toezichthouder Wmo samen met andere toezichthouders, gemeenten, regio’s of inspecties.
Artikel 5 Vaststelling en gebruik van het toetsingskader Wmo
1Het college stelt het in bijlage 1 opgenomen toetsingskader Wmo vast als uitgangspunt voor het kwaliteitstoezicht op Wmo-voorzieningen binnen de gemeente Hardenberg.
2Bijlage 1 maakt integraal onderdeel uit van deze beleidsregels en bevat een inhoudelijk getrouwe opname van het model toetsingskader. De gemeente wijzigt de bestaande normen niet; alleen de redactionele opmaak is aangepast voor opname in deze beleidsregels.
3Afhankelijk van het type onderzoek, de aard van de voorziening en de doelgroep kan de toezichthouder Wmo binnen het toetsingskader accenten leggen.
4Het college of de toezichthouder Wmo kan in een individueel geval gemotiveerd afwijken van het toetsingskader, voor zover strikte toepassing onevenredige gevolgen zou hebben of de aanbieder op andere wijze aantoonbaar voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen.
Artikel 6 Aanvullende gemeentelijke criteria en rapportage Wmo
1Naast het toetsingskader Wmo kan de toezichthouder Wmo aanvullende toetsingscriteria betrekken, voor zover deze rechtstreeks zijn te herleiden tot:
a.de Wmo 2015;
b.de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026, waaronder artikel 28 en bijlage 1 bij die verordening;
c.de toepasselijke beleidsregels van de gemeente Hardenberg, waaronder de pgb- en kwaliteitseisen; of
d.de overeenkomst met een gecontracteerde aanbieder.
2Aanvullende gemeentelijke criteria worden niet verwerkt in de tekst van bijlage 1, maar worden in onderzoeksbrieven en rapportages afzonderlijk benoemd.
3Het toetsingskader Wmo kan ook worden gebruikt bij het toezicht op pgb-aanbieders waarmee de gemeente geen overeenkomst heeft gesloten.
4In de rapportage vermeldt de toezichthouder Wmo op welke normen uit het toetsingskader Wmo en welke eventuele aanvullende gemeentelijke criteria is getoetst.
5De rapportage kan aanleiding geven tot een verbeterafspraak, een hersteltermijn, contractuele maatregelen, een besluit over het pgb of andere passende vervolgacties.
Hoofdstuk 3: Jeugdwet
Artikel 7 Juridisch kader en reikwijdte gemeentelijk toezicht Jeugdwet
1De toezichthouder Jeugdwet oefent toezicht uit voor zover dat op grond van de Jeugdwet, de Verordening jeugdhulp Hardenberg 2026 en daarop gebaseerde lokale regels aan het college is opgedragen.
2Het gemeentelijk toezicht op grond van de Jeugdwet richt zich in ieder geval op de naleving van:
a.het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 van de Jeugdwet en de daarop gebaseerde bepalingen in de Verordening jeugdhulp Hardenberg 2026;
b.voorwaarden die zijn verbonden aan een beschikking, een pgb, een pgb-budgetplan of pgb-beheer;
c.contractuele of subsidieverplichtingen voor zover deze zien op de rechtmatige, doelmatige en controleerbare uitvoering van jeugdhulp;
d.lokale verplichtingen over informatieverstrekking, administratie, inzet van onderaannemers en medewerking aan toezichtonderzoeken;
e.de lokale meldingsverplichtingen rond calamiteiten en geweld voor zover deze naast de landelijke meldplicht gelden.
3Deze beleidsregels laten het landelijke toezicht op de kwaliteit en veiligheid van jeugdhulp onverlet.
Artikel 8 Uitgangspunten en werkwijze gemeentelijk toezicht Jeugdwet
1Het gemeentelijk toezicht op grond van de Jeugdwet is transparant, proportioneel, risicogericht en zoveel mogelijk herstelgericht.
2De toezichthouder Jeugdwet kan voor het onderzoek gebruikmaken van onder meer documentenonderzoek, interviews, locatiebezoeken, inzage in administraties en dossiers, en controle van beschikkings-, contract- en pgb-voorwaarden, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van de toezichttaak.
3Bij toezicht op een pgb kan de toezichthouder Jeugdwet mede betrekken of de ingekochte hulp veilig, doeltreffend en cliëntgericht is, aansluit bij de hulpvraag en voldoet aan de lokaal gestelde kwaliteitseisen, zoals eisen over het pgb-budgetplan, de deskundigheid van de hulpverlener, de VOG en – waar relevant – BIG- of SKJ-registratie.
4De toezichthouder Jeugdwet legt bevindingen en conclusies vast in een rapportage.
Artikel 9 Afstemming, signalering en vervolgacties Jeugdwet
1Als tijdens gemeentelijk toezicht signalen ontstaan over de kwaliteit of veiligheid van jeugdhulp die raken aan het landelijke toezicht, stemt de gemeente zo nodig af met of meldt zij aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.
2Lokale verplichtingen voor aanbieders om calamiteiten of geweldsincidenten ook bij de gemeente Hardenberg te melden, blijven onverkort van toepassing.
3De rapportage van de toezichthouder Jeugdwet kan aanleiding geven tot herstelafspraken, contractuele of subsidiegerichte maatregelen, een besluit over een individuele voorziening of pgb, terugvordering, een melding aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd of andere passende vervolgacties.
Hoofdstuk 4: Bestuursrechtelijke handhaving medewerkingsverplichting
Artikel 10 Het doen van vorderingen
1De toezichthouder verzoekt de medewerking die voor de uitoefening van diens bevoegdheden redelijkerwijs nodig is door middel van een vordering.
2Een vordering bevat een redelijke termijn om daaraan te voldoen. Deze termijn bedraagt in beginsel veertien dagen, gerekend vanaf de datum van verzending van de vordering. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan een kortere of langere termijn worden gesteld.
3Bij het bepalen van de termijn houdt de toezichthouder in ieder geval rekening met de aard en omvang van de gevorderde gegevens, de beschikbaarheid daarvan en met het gewicht van de belangen die met het toezicht zijn gediend.
4Een kortere termijn kan in ieder geval worden gesteld indien het toezicht verband houdt met een calamiteit, een geweldsincident, signalen van onveiligheid, aanwijzingen voor fraude of een andere spoedeisende situatie. Een langere termijn kan worden gesteld indien de aard en omvang van de vordering daartoe aanleiding geven.
5De toezichthouder richt een vordering in beginsel aan degene tot wie de voorschriften of voorwaarden zijn gericht waarop het toezicht betrekking heeft. Indien dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor het toezicht kan een vordering ook of uitsluitend worden gericht aan een bestuurder, pgb-beheerder, cliënt, jeugdige, ouder, onderaannemer of derde.
6Indien een rechtspersoon in de twaalf voorafgaande maanden niet, niet tijdig of niet volledig heeft voldaan aan een vordering van een toezichthouder, kan de vordering tevens worden gericht aan de bestuurder of bestuurders van die rechtspersoon.
Artikel 11 Handhaving door middel van een last onder dwangsom
1Indien niet, niet tijdig of niet volledig aan een vordering wordt voldaan binnen de daarin gestelde termijn, wordt daartegen in beginsel handhavend opgetreden, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
2Handhaving vindt in beginsel plaats door het opleggen van een last onder dwangsom.
3Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan het college in plaats daarvan een last onder bestuursdwang toepassen of, bij gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders, eerst of tevens gebruikmaken van contractuele of subsidiegerichte maatregelen.
4De keuze voor een ander instrument laat de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen onverlet.
Artikel 12 Werkwijze toezicht
1Het toezicht wordt uitgevoerd volgens een vaste, systematische en transparante werkwijze. Het onderzoek kan bestaan uit:
•voorbereiding en dossieronderzoek;
•het opvragen en analyseren van documenten;
•gesprekken met betrokkenen;
•een locatiebezoek;
•het toepassen van hoor en wederhoor.
2De bevindingen van het onderzoek worden vastgelegd in een rapport.
3De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op het concept-rapport.
4Het college beoordeelt op basis van het rapport of nadere maatregelen noodzakelijk zijn.
5De werkwijze van het toezicht sluit aan bij de werkwijze van de GGD IJsselland. Door deze werkwijze ook toe te passen bij rechtmatigheidstoezicht wordt uniformiteit en zorgvuldigheid in het toezicht gewaarborgd.
Artikel 13 Procedure voorafgaand aan een last onder dwangsom
1De toezichthouder legt het feit dat niet, niet tijdig of niet volledig aan de vordering is voldaan vast in een constateringenrapport.
2Het constateringenrapport wordt samen met een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan de overtreder gezonden.
3De overtreder krijgt een redelijke termijn om een zienswijze naar voren te brengen. Deze termijn bedraagt in beginsel zeven dagen, gerekend vanaf de datum van verzending van het voornemen. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan een kortere of langere termijn worden gesteld.
4Na ontvangst van de zienswijze of na het ongebruikt verstrijken van de zienswijzetermijn beoordeelt het college of nog sprake is van een overtreding en of handhaving passend en evenredig is.
5Indien nog sprake is van een overtreding, legt het college in beginsel een last onder dwangsom op. In het besluit worden in ieder geval de begunstigingstermijn, de wijze van verbeurte en de hoogte van de dwangsom vastgelegd, alsmede een reactie op de eventueel ingebrachte zienswijze.
Artikel 14 Begunstigingstermijn en wijze van verbeurte
1Aan de last onder dwangsom wordt een begunstigingstermijn verbonden die niet langer is dan noodzakelijk om alsnog aan de vordering te voldoen.
2De begunstigingstermijn bedraagt in beginsel niet meer dan de helft van de termijn die aan de vordering was verbonden.
3De begunstigingstermijn vangt aan op de dag na bekendmaking van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom.
4I n de last onder dwangsom wordt in beginsel bepaald dat de overtreder ineens een dwangsom verbeurt indien niet, niet tijdig of niet volledig aan de last is voldaan.
5In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat een dwangsom per tijdseenheid wordt verbeurd zolang niet aan de last is voldaan.
Artikel 15 Hoogte van de dwangsom
1De hoogte van de dwangsom wordt zodanig vastgesteld dat daarvan voor de overtreder een voldoende prikkel uitgaat om de last uit te voeren, zonder dat de dwangsom onevenredig is.
2Bij de bepaling van de hoogte van de dwangsom gelden in beginsel de volgende basisbedragen:
a.€ 10.000 voor overtreders die bedrijfsmatig ondersteuning of jeugdhulp verlenen of doen verlenen, alsmede voor hun bestuurders;
b.€ 5.000 voor overige rechtspersonen en natuurlijke personen die niet onder onderdeel a, c of d vallen;
c.€ 2.500 voor personen uit het sociale netwerk die ondersteuning of hulpverlenen aan de cliënt of jeugdige;
d.€ 2.500 voor pgb-beheerders.
3Het basisbedrag kan worden verhoogd indien sprake is van recidive.
4Van algemene recidive is sprake indien aan de overtreder binnen de terugkijkperiode eerder een last onder dwangsom is opgelegd wegens het niet voldoen aan een andere vordering van een toezichthouder op grond van deze beleidsregels. Van bijzondere recidive is sprake indien eerder een last onder dwangsom is opgelegd wegens het niet voldoen aan een vordering van gelijke aard.
5De terugkijkperiode bedraagt vierentwintig maanden voor overtreders als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en twaalf maanden voor overige overtreders.
6Bij algemene recidive wordt het basisbedrag in beginsel met factor 1 verhoogd. Bij bijzondere recidive wordt het basisbedrag in beginsel met factor 2 verhoogd.
7Een andere dwangsomverhogende omstandigheid is dat het toezicht betrekking heeft op een zwaarwegend belang.
8Als zwaarwegend belang worden in ieder geval aangemerkt:
a.bij Wmo-toezicht: onderzoek naar de naleving van artikel 3.1, eerste en tweede lid, artikel 3.3, artikel 3.4 en artikel 3.4a van de Wmo 2015;
b.bij toezicht op grond van de Jeugdwet: onderzoek naar calamiteiten of geweld, acute signalen van onveiligheid, ernstige schending van beschikkings- of pgb-voorwaarden, of aanwijzingen van misbruik of fraude.
9Indien sprake is van een zwaarwegend belang, wordt het basisbedrag in beginsel met factor 1 verhoogd.
10Stapelen van verhogende omstandigheden is mogelijk.
11Het aldus verkregen bedrag kan gemotiveerd worden verhoogd of verlaagd voor zover dat nodig is om de last voldoende effectief en evenredig te laten zijn.
Hoofdstuk 5: Hardheidsclausule en inwerkingtreding
Artikel 16 Overgangsrecht
1Op handhavingszaken waarin vóór de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels door of namens de toezichthouder een vordering tot medewerking is gedaan, een onderzoek is aangevangen, een voornemen tot handhaving is uitgebracht of een handhavingsbesluit is genomen, blijven de vóór dat tijdstip geldende beleidsregels van toepassing.
2Deze beleidsregels zijn van toepassing op handhavingszaken die aanvangen op of na de datum van inwerkingtreding.
3Indien toepassing van het eerste lid voor een belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met dat lid te dienen doelen, kan het college bepalen dat deze beleidsregels geheel of gedeeltelijk van toepassing zijn.
Artikel 17 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van deze beleidsregels, voor zover toepassing daarvan gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen.
Artikel 18 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel
1Deze beleidsregels treden in werking met terugwerkende kracht op 1 januari 2026.
2Op vóór de inwerkingtreding opgelegde lasten onder dwangsom blijft het ten tijde van de oplegging geldende beleid van toepassing, tenzij toepassing van deze beleidsregels gunstiger is voor de betrokkene.
3Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels toezicht en handhaving Wmo en Jeugdwet Gemeente Hardenberg 2026.
Toelichting
Deze beleidsregels brengen drie onderwerpen bij elkaar:
•Het Wmo-toezicht;
•Het gemeentelijk toezicht op grond van de Jeugdwet;
•Bestuursrechtelijke handhaving van de medewerkingsverplichting bij toezicht.
Dat kan in één document, mits de verschillende wettelijke grondslagen en verantwoordelijkheden duidelijk uit elkaar worden gehouden. Daarom is gekozen voor aparte hoofdstukken
Voor de Wmo 2015 sluit dit document aan bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026. Die verordening bevat kwaliteitseisen, een meldingsregeling voor calamiteiten en geweld, en een bepaling over toezichthouders. Ook biedt zij het college uitdrukkelijk de mogelijkheid om beleidsregels vast te stellen. Daarnaast verwijzen de huidige Wmo-beleidsregels van Hardenberg voor toezicht, kwaliteit en handhaving al naar een afzonderlijk document. Deze beleidsregels vullen dat nu concreet in.
Voor het inhoudelijke Wmo-toezicht is aangesloten bij het model toetsingskader kwaliteitstoezicht Wmo 2015 van de VNG. De VNG adviseert om dit model niet als nadere regels met externe werking vast te stellen, maar als intern werkende beleidsregels. De reden daarvoor is dat het toetsingskader niet alleen op wet en verordening is gebaseerd, maar ook op kwaliteitskaders en professionele richtlijnen. Bovendien laten de open normen van hoofdstuk 3 Wmo 2015 ruimte voor verschillende manieren waarop aanbieders aan de wettelijke kwaliteitseisen kunnen voldoen.
Voor de Jeugdwet is bewust een andere opzet gekozen. De gemeente Hardenberg heeft in de Verordening jeugdhulp Hardenberg 2026 zelf een basis opgenomen voor gemeentelijk toezicht. Daarin is bepaald dat het college toezichthoudende ambtenaren aanwijst voor toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 van de Jeugdwet, dat die toezichthouder bevoegdheden heeft om informatie en administraties te vorderen en dat eenieder verplicht is mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. Ook bevat de verordening bepalingen over wijziging, intrekking, terugvordering, calamiteiten en geweld.
Daarnaast bevatten de Beleidsregels Jeugdhulp Gemeente Hardenberg 2026 al regels over medewerking tijdens de aanvraag en het onderzoek naar de hulpvraag, over de kwaliteit van met een pgb ingekochte hulp en over de gevolgen van onvoldoende medewerking. Deze beleidsregels zien daar niet op. Zij gaan over de medewerking aan toezichtonderzoeken van de aangewezen toezichthouder. Dat onderscheid is van belang, omdat het aanvraagonderzoek en het toezichtonderzoek een andere rechtsbasis en een ander doel hebben.
Deze beleidsregels vervangen ook niet het landelijke kwaliteitstoezicht op de Jeugdwet. Waar signalen over kwaliteit of veiligheid van jeugdhulp binnen het bereik van het landelijke toezicht vallen, ligt afstemming met of melding aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in de rede. Het gemeentelijke toezicht in deze beleidsregels richt zich daarom primair op de naleving van lokale regels en voorwaarden, op rechtmatigheid en doelmatigheid, op pgb-gerelateerde verplichtingen en op medewerking aan toezicht.
De regeling over de last onder dwangsom bouwt voort op het bestaande Hardenbergse concept voor de bestuursrechtelijke handhaving van de medewerkingsplicht bij Wmo-toezicht. De kern daarvan is behouden: in beginsel wordt handhavend opgetreden als niet aan een vordering wordt voldaan, de last onder dwangsom is het voorkeursinstrument en de hoogte van de dwangsom wordt bepaald aan de hand van basisbedragen, recidive en het gewicht van de belangen die met het toezicht zijn gemoeid.
Bij gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders kan het college, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, ook gebruikmaken van contractuele of subsidiegerichte maatregelen. Deze beleidsregels sluiten dat niet uit. Zij maken vooral inzichtelijk wanneer en hoe het college daarnaast of in plaats daarvan gebruikmaakt van zijn publiekrechtelijke handhavingsbevoegdheden.
Hierna volgt een korte artikelsgewijze toelichting.
Artikel 1 en 2
De begripsbepalingen sluiten aan bij de Wmo 2015, de Jeugdwet, de Awb en de lokale Hardenbergse verordeningen. In artikel 2 is nadrukkelijk verduidelijkt dat deze beleidsregels niet zien op de medewerking tijdens het aanvraagproces, maar op medewerking aan toezichtonderzoeken.
Artikel 3 tot en met 6
Deze artikelen regelen het Wmo-toezicht. Artikel 4 maakt duidelijk dat bijlage 1 niet slechts informatief is, maar integraal onderdeel uitmaakt van deze beleidsregels en het vaste uitgangspunt vormt voor het kwaliteitstoezicht. Tegelijk blijft ruimte bestaan om in een individueel geval gemotiveerd af te wijken, conform de lijn van de VNG.
Artikel 7 tot en met 9
Deze artikelen regelen het gemeentelijke toezicht op grond van de Jeugdwet. Daarbij is bewust gekozen voor een afgebakend gemeentelijk toezichtdomein. De artikelen laten ruimte om lokaal toezicht uit te oefenen op rechtmatigheid, doelmatigheid, pgb-besteding, contractnaleving en lokale meld- en informatieplichten, zonder het landelijke kwaliteitstoezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te doorkruisen.
Artikel 10 tot en met 15
Deze artikelen actualiseren het bestaande beleid over vorderingen en de last onder dwangsom. De standaardtermijnen en basisbedragen zijn ontleend aan het bestaande Hardenbergse concept en bruikbaar gemaakt voor zowel Wmo- als Jeugdtoezicht. Bij gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders blijft maatwerk mogelijk in de keuze van het handhavingsinstrument.
Artikel 16
Het overgangsrecht voorkomt onduidelijkheid bij reeds lopende handhavingstrajecten.