1. Inleiding
1.1 Achtergrond, aanleiding en leeswijzer
1.1.1 Achtergrond en aanleiding
Voor u ligt het VTH-beleid van de gemeente Halderberge. Met dit beleid wordt aangesloten op huidige wet- en regelgeving en de praktijk op het gebied van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH). Dit beleid is tot stand gekomen in nauwe afstemming met de buurgemeenten Etten-Leur, Moerdijk, Roosendaal, Rucphen en Zundert, hierna te noemden De6. Via die samenwerking is er een gezamenlijk beleidskader tot stand gekomen, waarbinnen elke gemeente de gelegenheid heeft om naar eigen behoefte de juiste accenten voor de gemeente te leggen (couleur locale).
Onderdeel van dit beleid betreft de integrale handhaving. Daarmee volgt dit beleid het Integraal Handhavingsbeleid Leefomgeving Gemeente Halderberge 2012-2015 op en beschrijft het verder ook de gemeentelijke prioriteiten, doelen en instrumenten op het gebied van vergunningverlening en toezicht. Het document bevat het beleidskader voor alle VTH-taken die vallen onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en onder de Algemene plaatselijke verordening (Apv) en Bijzondere Wetten (BW).
In het omgevingsrecht zijn vergunningverlening, toezicht en handhaving voor gemeenten de belangrijkste instrumenten om de gezondheid, veiligheid en leefbaarheid in de samenleving te borgen. Bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, sloopactiviteiten waar asbest vrijkomt, geluid- of geurhinder in de woonwijken, grote milieurisico’s op bedrijfsterreinen of brandveiligheid.
Omdat de overheid niet alles kan toetsen en controleren, is het noodzakelijk om keuzes te maken: waar moeten de prioriteiten liggen? Hoe strikt worden zaken geregeld en gecontroleerd? En welke inspanning wordt daarvoor geleverd? Om die vragen te kunnen beantwoorden is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de omvang van de risico’s die samenhangen met activiteiten. Zijn die groot, dan krijgen ze meer prioriteit. In de tweede plaats is er een meer principiële afweging: waar ligt de grens tussen de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven en die van de gemeentelijke overheid? In de derde plaats is er een praktische reden: de capaciteit en middelen van de gemeente voor vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn beperkt en bij de inzet daarvan moeten keuzes gemaakt worden. Tussen deze drie zaken moet voldoende balans zijn.
In voorliggende beleidsnota wordt beschreven hoe de gemeente Halderberge met deze balans omgaat. De prioriteiten en doelen worden aangegeven evenals de instrumenten die worden ingezet om deze te realiseren. De nota vormt de basis voor het jaarlijks op te stellen VTH uitvoeringsprogramma waarin wordt vastgelegd welke activiteiten dat jaar worden uitgevoerd en met welke middelen. De verantwoording vindt plaats via het VTH jaarverslag.
1.1.2 Leeswijzer
Na een inleiding waarin de achtergrond en aanleiding tot het opstellen van het VTH-beleid wordt toegelicht, wordt in hoofdstuk 2 het wettelijk kader beschreven waarbinnen dit beleid tot stand is gekomen. In hoofdstuk 3 worden relevante landelijke en lokale ontwikkelingen beschreven waarna in hoofdstuk 4 de gemeentelijke visie op de taakuitvoering binnen het VTH-domein wordt weergeven. Hoofdstuk 5 bevat de resultaten van de probleemanalyse die in hoofdstuk 6 vertaald worden naar prioriteiten en doelen.
Hoofdstuk 7 gaat in op de strategieën en instrumenten die de gemeente ter beschikking heeft en hoe deze worden ingezet om de doelen te realiseren. Ook de wijze waarop met andere partijen wordt samengewerkt en de manier waarop monitoring en rapportage plaatsvindt wordt in dit hoofdstuk beschreven.
Op basis van het VTH-beleid wordt jaarlijks een uitvoeringsprogramma opgesteld. Het uitvoeringsprogramma bevat alle binnen één kalenderjaar uit te voeren werkzaamheden die betrekking hebben op het VTH-beleid. Daarin wordt tevens aangegeven met welke capaciteit en met welke planning de activiteiten worden uitgevoerd. Jaarlijks vindt monitoring plaats van de mate waarin de doelen gerealiseerd worden. Hierover wordt gerapporteerd aan het college. Het jaarverslag wordt ter kennisname gezonden aan de gemeenteraad, de provincie in het kader van het interbestuurlijk toezicht en de overige handhavingspartners. Daarnaast wordt het op de gemeentelijke website geplaatst.
Met het oog op de leesbaarheid is er voor gekozen om de omvang van dit VTH-beleid beperkt te houden. Daar waar nodig zal in de tekst worden verwezen naar bijlagen of naar andere informatiebronnen zoals gemeentelijke (beleids)documenten. Deze werkwijze betekent ook dat gerelateerd beleid, strategieën, protocollen of procedures tussentijds gewijzigd kunnen worden zonder dat het volledige VTH-beleid herzien hoeft te worden.
2. Wettelijk kader
2.1 Wettelijk kader
2.1.1 Algemeen
De samenleving verwacht dat de overheid op een professionele wijze aansturing geeft aan de fysieke leefbaarheid van de samenleving. Daartoe heeft de overheid een instrumentatrium van wet- en regelgeving ver beschikking.
2.1.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Voor de aansturing van de fysieke leefbaarheid van de samenleving heeft de overheid sinds 2010 onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ter beschikking en het daaruit voortvloeiende Besluit omgevingsrecht (Bor). Via de Wabo beschikt de overheid over een stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving, dat verder is uitgewerkt in het Bor. In het verlengde daarvan verplicht hoofdstuk 7 van het Bor het bevoegde gezag over een handhavingsbeleid te beschikken, op basis waarvan jaarlijks een programma dient te worden gemaakt en jaarlijks verslag over dient te worden gedaan.
Het terrein waar de Wabo en Bor betrekking op hebben, betreft onder meer bouw en sloop, milieu, ruimtelijke ordening en brandveiligheid.
2.1.3 Wet VTH
Om de uitvoering van de VTH-taken in het Wabo-domein eenduidiger en qua kwaliteit beter te maken is er de afgelopen jaren een landelijk proces op gang gekomen, waarbij er Omgevingsdiensten zijn ontstaan en waarbij een set landelijke kwaliteitscriteria is opgesteld die zowel betrekking heeft op de kwaliteit van de VTH-organisatie als de kwaliteit van de VTH-medewerkers.
In verband hiermee is op 14 april 2016 de Wet Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (Wet VTH) in werking getreden. Het doel van deze wet is een veilige en gezonde leefomgeving, door het bevorderen van de kwaliteit en samenwerking bij de uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht.
De wet is een invulling van de Wabo, formaliseert de Omgevingsdiensten en regelt de randvoorwaarden voor gemeenten en provincies om tot een hogere kwaliteit te komen. Zo wordt het basistakenpakket van de omgevingsdiensten wettelijk vastgelegd en worden gemeenten verplicht een verordening kwaliteit VTH te hebben. In deze verordening dient de gemeenteraad de kaders vast te leggen waaraan de uitvoering van minimaal de basistaken dient te voldoen. Dit kunnen bijvoorbeeld kaders zijn ten aanzien van continuïteit, deskundigheid en klantgerichtheid. Doordat de basistaken door iedere gemeente en provincie zijn belegd bij de omgevingsdiensten en deze diensten zoveel mogelijk uniform dienen te werken, dienen de verordeningen op het niveau van de Omgevingsdienst op elkaar afgestemd te zijn. Een werkgroep van De6 gemeenten heeft een conceptverordening voorbereid. Dit leidt in 2017 tot een voorstel aan de raad. Bij vaststelling door de raad zal de verordening inwerkingtreden op 1 januari 2018.
De verplichte verordening en verplichte uitvoering van de basistaken door een omgevingsdienst is niet de enige consequentie van de wijziging van de Wabo. Overige consequenties zijn onder meer dat:
–de gemeente en provincie een zorgplicht hebben voor de kwaliteit van de niet-basistaken,
–samenwerking bij en informatie-uitwisseling over basistaken niet meer vrijblijvend is,
–niet alleen meer voor de handhaving, maar ook voor de vergunningverlening beleid, programmering, strategieën, verslaglegging en evaluatie verplicht wordt en
–omgevingsdiensten / regionale uitvoeringsdiensten verplicht als openbaar lichaam ingesteld dienden te worden.
Een ander onderdeel van de stelselherziening is de verbetering van de afstemming en informatie-uitwisseling tussen provincies, gemeenten, waterschappen, het openbaar ministerie (OM), politie en de rijkstoezichthouders. Zij worden verplicht wederzijds informatie uit te wisselen (waaronder toezichtsinformatie) en periodiek regionaal af te stemmen over handhavingsprioriteiten en programma’s.–
2.1.4 AMvB VTH / Aanpassing Bor
Naast de wet VTH is er ook de zogenaamde AMvB VTH (Besluit tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving)), welke op 1 juli 2017 in werking is getreden. In de deze AMvB wordt een vertaalslag gemaakt van de Package Deal (basistakenpakket) naar het Bor. Ook zijn procescriteria opgenomen voor vergunningverlening en wordt de basis gelegd voor een gemeenschappelijk inspectiesysteem (Inspectieview Milieu).
Deze AMvB wordt in een later stadium verwerkt in de AMvB's die onder de Omgevingswet komen te vallen, maar is nu apart vormgegeven vanwege de eerdere inwerkingtreding van de Wet VTH.
De wijze waarop de gemeente het handhavingsbeleid moet vormgeven is vastgelegd in artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Op grond van dat artikel moet het door de gemeente periodiek op te stellen VTH-beleid inzicht geven in:
–een analyse van problemen die zich voor kunnen doen;
–de prioriteiten met betrekking tot de voorgenomen activiteiten;
–de methodiek die wordt gehanteerd om de gestelde doelen te bereiken;
–de wijze waarop toezicht en rapportage wordt uitgevoerd;
–de sanctiestrategie inclusief strafrechtelijke afstemming;
–de wijze waarop het bestuursorgaan omgaat met overtredingen die zijn begaan door of in naam van het bestuursorgaan of van de andere organen van de overheid;
–de samenwerking en afstemming met andere betrokken bestuursorganen.
Met de komst van de AMvB VTH gaan de procescriteria ook gelden voor vergunningverlening en Toezicht.
In artikel 7.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vastgelegd dat het handhavingsbeleid jaarlijks moet worden uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma waarin wordt opgenomen welke activiteiten in het komende jaar worden uitgevoerd. Ook het uitvoeringsprogramma moet met de overige betrokken bestuursorganen worden afgestemd. In artikel 7.7 is geregeld dat gerapporteerd moet worden over mate waarin doelen zijn gerealiseerd en afspraken zijn nagekomen.
2.1.5 Algemene plaatselijke verordening en bijzondere wetten
Onder de fysieke leefomgeving worden ook openbare orde en veiligheid (Algemene plaatselijke verordening), kleine verkeersovertredingen en Bijzondere Wetten, zoals de Drank- en Horecawet en de Wet op de kansspelen geschaard. Voorliggend VTH-beleid heeft ook betrekking op de gemeentelijke taken die vallen onder deze wetten en een relatie hebben met de fysieke leefomgeving.
2.2 Beleidscyclus
2.2.1 Systematiek
In het Bor en in de (voor de basistaken verplichte) kwaliteitscriteria zijn minimumeisen opgenomen waaraan elke professionele handhavings- en vergunningenorganisatie moet voldoen. Deze eisen leiden tot een strategische, programmatische en onderling afgestemde uitoefening van de VTH-taken. Hierdoor wordt een transparante en systematische manier van werken bereikt, waarmee gestuurd kan worden op prioriteiten en de in te zetten capaciteit en waarover achteraf via het evaluatieverslag verantwoording kan worden afgelegd. De beleidscyclus kan als volgt worden weergegeven:
Big 8 cyclus
Het systematisch doorlopen van deze cyclus zorgt ervoor dat de handhaving en vergunningverlening steeds doelmatiger kan worden uitgevoerd.
2.1.2 De beleidscyclus in de praktijk
In deze paragraaf wordt kort toegelicht hoe wij de beleidscyclus vormgeven en wat de positie van dit VTH-beleid daarin is.
Prioriteiten en doelen
In dit VTH-beleid worden de doelen en prioriteiten beschreven. Deze zijn tot stand gekomen op basis van een visie op vergunningverlening, toezicht en handhaving (hoofdstuk 4) en een probleemanalyse (hoofdstuk 5 en 6). Deze probleemanalyse bestaat uit:
–Een beschouwing van interne vakspecialisten van het taakveld waarop zij werkzaam zijn. Ook bestuurders zijn hierbij betrokken. Onder meer wordt ingegaan op ontwikkelingen binnen het vakgebied, specifieke aandachtspunten en knelpunten (op basis van ervaring) met betrekking tot risico’s, methodieken en procedures, organisatie en middelen en de doelstellingen die hieruit voortvloeien.
–Een risicoanalyse van de fysieke leefomgeving. Dit is een inschatting van de kans dat in de gemeente Halderberge wetten en regels worden overtreden en wat de impact daarvan is. Voor deze risicoanalyse is gebruik gemaakt van een afwegingsmodel. Het is van belang dat het VTH-beleid wordt opgesteld met een zo breed mogelijk draagvlak onder burgers, bestuurders en vakspecialisten.
Strategie en uitvoering
Vervolgens wordt beschreven hoe de doelen uit het strategisch beleid worden gerealiseerd. Aangegeven is welke strategieën worden gehanteerd, zoals de handhavingsstrategie en sanctiestrategie, welke instrumenten ingezet worden en hoe met andere partijen wordt samengewerkt.
Planning en control: Het borgen van de middelen
De doorwerking van de prioriteiten en doelen op de personele en financiële capaciteit vindt plaats in de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s en wordt geborgd in de begroting.
Rapportage en evaluatie: Bijstellen beleid
De probleemanalyse, die onderdeel uitmaakt van dit beleidsplan, wordt periodiek opgesteld en bestuurlijk vastgesteld.
Het uitvoeringsprogramma wordt jaarlijks geëvalueerd. Het beleidsplan, de evaluatie en de actualisatie van de probleemanalyse vormen de basis voor het uitvoeringsprogramma. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt vastgelegd welke activiteiten dat jaar worden uitgevoerd, welke prioriteiten daarbij gesteld worden en met welke capaciteit de werkzaamheden worden uitgevoerd. Tot slot staat beschreven hoe de resultaten worden gemonitord en hoe hierover verantwoording wordt afgelegd.
3. Ontwikkelingen en bestaand beleid
3.2 Landelijke ontwikkelingen en beleid
3.2.1 Omgevingswet
Het omgevingsrecht is nu versnipperd in tientallen wetten, circa 120 AMvB’s en een vergelijkbaar aantal ministeriële regelingen. Deze historisch gegroeide hoeveelheid aan wetten, regels en afspraken voor de fysieke leefomgeving wordt geïntegreerd in één nieuw stelsel. De Omgevingswet zet de gebruiker centraal én beoogt meer flexibiliteit te bieden. Het wetsvoorstel gaat over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving en bevat regels over milieu, natuur, bouwen, infrastructuur, monumenten en ruimte.
Naar verwachting treedt de wet in 2020/2021 in werking. De Omgevingswet is ingrijpend en vergt de nodige voorbereiding. De wet kent vier verbeterdoelen:
1Vergroten van inzichtelijkheid;
2Integrale gebiedsbenadering;
3Verbeteren en versnellen van de besluitvorming;
4Vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte.
Op onderdelen is de Omgevingswet nog volop in de maak. Met de voorbereiding wordt echter niet gewacht. De wet richt zich, in lijn met de bovenstaande verbeterdoelen, voor 80% op cultuur, houding en werkwijze en voor 20% op de invoering van juridisch-planologische instrumenten. Daarmee sluit de Omgevingswet aan bij de veranderprocessen die veel gemeenten al hebben ingezet (bijvoorbeeld het resultaat- en klantgericht werken) als gevolg van een veranderende samenleving. De wet kent 6 kerninstrumenten. Op gemeentelijk niveau zijn dit de Omgevingsvisie, het Omgevingsplan, Programma’s en de Omgevingsvergunning.
Een belangrijke stap in de andere manier van werken is de samenwerking binnen de De6 (gemeenten Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Roosendaal, Rucphen en Zundert). De gemeenten bouwen samen aan een netwerk en benutten samenwerkingskansen zo veel als mogelijk. Binnen dit netwerk is er ook een werkgroep die zich bezig houdt met de implementatie van de Omgevingswet en is een gezamenlijk Plan van Aanpak opgesteld. Daarbij kan de dynamiek, het tempo en de inhoud misschien verschillen, maar de hoofdprocesstappen zijn voor elke gemeente hetzelfde. Het Plan van Aanpak biedt een goede houvast en geeft richting aan de koers die is ingezet om de Omgevingswet op een goede en overwogen manier te implementeren.
Wijziging Wabo : Wet Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
Zoals beschreven in paragraaf 2.1 is de Wabo, vooruitlopend op de komst van de Omgevingswet, in 2016 gewijzigd. De Wabo wordt onder meer verder ingevuld met de wet Vergunningverlening, toezicht en handhaving (wet VTH). Met de wettelijke verankering van de zogenaamde kwaliteitscriteria voor de basistaken en de zorgplicht voor de niet-basistaken beoogt de wetgever de uitvoering van de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken) te verbeteren.
Met deze wet worden ook de Regionale Uitvoeringsdiensten wettelijk verankerd en daarmee verplicht. Onze gemeente neemt deel aan de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB).
3.2.2 Vergunningsvrij bouwen
Een ander voorbeeld is vergunningsvrij bouwen. Onder de Wabo wordt voor de activiteit bouwen onderscheid gemaakt in vergunningsplichtig en vergunningsvrij bouwen. Met de inwerkingtreding van het gewijzigde Bor (Bijlage II) per 1 november 2014 heeft een aanzienlijke verruiming en aanpassing van het vergunningsvrije bouwen plaatsgevonden. De verwachting is dat er hierdoor minder vergunningsaanvragen voor de activiteit bouwen zullen worden gedaan bij de gemeente. Echter zal er meer tijd besteed worden aan informatieverstrekking en het bevestigen of een project inderdaad vergunningsvrij is.
3.2.3 Wet kwaliteitsborging voor het bouwen
Ook de bouwplantoetsing en het bouwtoezicht is in ontwikkeling. Het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen is 21 februari 2017 aangenomen door de Tweede Kamer. Het wetvoorstel ligt nu bij de Eerste Kamer. De plenaire behandeling vond plaats op 4 juli 2017. De stemming over het voorstel is op 11 juli 2017 op verzoek van de minister van BZK aangehouden. De VNG is vooralsnog kritisch en vindt het onuitvoerbaar voor gemeenten. Kern van het wetsvoorstel:
•Kleine bouwwerken en verbouwingen vrij van toets Bouwbesluit 2012.
•De gemeente controleert of een aannemer werkt met een goedgekeurde methode voor kwaliteitsbewaking.
•De toetsing aan het Bouwbesluit 2012 van nieuwbouw en verbouw bij de vergunningverlening door de gemeente vervalt.
•Private partijen ontwikkelen methodes voor kwaliteitsbewaking om te zorgen dat aannemers zich houden aan de bouwtechnische eisen uit het Bouwbesluit 2012.
•Een onafhankelijke publieke toelatingsorganisatie oordeelt of een voorgestelde methode voor kwaliteitsbewaking voldoet aan de eisen.
Naar verwachting treedt deze wet op 1 juli 2019 in werking. Het doel van deze wet is het verbeteren van de kwaliteitsborging voor het bouwen en het versterken van de positie van de bouwconsument. Invoering van private kwaliteitsborging in de bouw betekent samengevat dat de technische bouwbesluittoets en het toezicht tijdens de bouw in de toekomst door private partijen wordt uitgevoerd. De gemeentelijke werkzaamheden voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen beperken zich tot een toets aan het bestemmingsplan, welstand en omgevingsveiligheid.
Zowel de ontwikkelingen rond het vergunningsvrij bouwen als deze wet zullen derhalve leiden tot verschuivingen bij de gemeentelijke inzet op vergunningverlening en toezicht en handhaving bij de bouw.
3.2.4 Activiteitenbesluit milieubeheer en activiteitenregeling milieubeheer
In januari 2016 is de vierde tranche van het Activiteitenbesluit in werking getreden. Dit is de laatste grote wijziging van het Activiteitenbesluit voordat dit besluit in de Omgevingswet opgaat. Onder meer betekent dit dat verschillende vergunningsplichtige groepen bedrijven, zoals ziekenhuizen, gieterijen en asbestverwijderingsbedrijven, onder het Activiteitenbesluit komen te vallen (van type C naar type B, deels met en deels zonder nieuwe voorschriften). Dit heeft invloed op het aantal te verwachten vergunningsaanvragen en het aantal te verwachten meldingen. Ook gaat een aantal Besluiten en regelingen op in het Activiteitenbesluit. Per bedrijf zal bij aanvang van het toezicht bekeken moeten worden welke artikelen voor hen van toepassing zijn. Dit zal bij de eerste controles de nodige tijd vergen.
3.2.5 Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij
Begin 2014 heeft de provincie Noord-Brabant de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) vastgesteld. De BZV is een uitwerking van de regels van de Verordening ruimte 2014 en is een instrument dat stuurt en stimuleert dat een veehouderij zorgvuldig is en daarmee goed past in haar omgeving. Een veehouder moet een voldoende BZV-score hebben op het moment dat hij zijn bedrijf wil uitbreiden. De BZV raakt de bouwactiviteit, maar de daadwerkelijke toetsing gaat met name over milieuaspecten. Afstemmen tussen de gemeente (bouw) en de OMWB (milieu) is hierbij belangrijk.
3.2.6 Landelijke Handhavingsstrategie
De Landelijke Handhavingstrategie (LHS) biedt een breed toepasbaar kader voor handhaving, waaronder specifieke handhavingstrategieën (zoals de Brzo-strategie) kunnen worden uitgewerkt en vastgesteld. De LHS is ontwikkeld vanuit de wens om te komen tot een verbeterde organisatie en uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dit omwille van een ‘gelijk speelveld' voor natuurlijke of rechtspersonen voor wie een bepaalde norm of voorschrift geldt. En ook omwille van een maatschappij die ervan uit mag gaan dat handhavers zodanig optreden dat haar rechtsgevoel wordt gerespecteerd en de leefomgeving veilig, schoon en gezond blijft. Uitgangspunt is het centraal stellen van sterke, slagkrachtige en onafhankelijke handhavinginstanties met een beginselplicht tot handhaven. Die passend interveniëren bij iedere bevinding, dat wil zeggen afhankelijk van de situatie weloverwogen kiezen voor alleen bestuursrechtelijk, bestuurs- èn strafrechtelijk of alleen strafrechtelijk optreden. En die in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes maken en interventies op vergelijkbare wijze kiezen en toepassen.
In 2014 hebben alle handhavende instanties zich uitgesproken voor implementatie van de LHS. Implementatie van de LHS betekent in de eerste plaats dat de bevoegde overheden de LHS vaststellen als eigen strategie of hun eigen strategie compleet in lijn brengen met de LHS. Implementatie van de LHS betekent in de tweede plaats dat de bevoegde overheden en hun handhavinginstanties, waaronder de omgevingsdiensten, de LHS concreet gaan toepassen en leerervaringen gaan uitwisselen.
Uitgangspunt is dat de 67 Brabantse gemeenten, de 3 Brabantse waterschappen en de provincie Noord- Brabant de Landelijke Handhavingstrategie (LHS) vaststellen. Met dit VTH-beleid wordt ook de LHS vastgesteld. Nadere informatie over de LHS is opgenomen in hoofdstuk 7 van dit VTH-beleid.
3.2.7 Wet BAG
Als gemeente zijn we bronhouder van twee basisregistraties:
•de BGT (Basisregistratie Grootschalige Topografie) en
•de BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen)
Beide registraties hebben wettelijke verplichtingen met wettelijke termijnen voor het opnemen van de feitelijke situatie (legaal of illegaal) in de registraties.
In de BGT wordt als kaart de feitelijke situatie (zoals die buiten zichtbaar is) opgenomen; de BAG volgt daarin als het gebouwen betreft.
De overheid maakt het voor de burger steeds makkelijker door steeds meer vergunningsvrij te maken voor wat betreft het bouwen van uitbouwen, dakkapellen of bijgebouwen. Van de andere kant wil de overheid dat de BAG / BGT wijzigingen (legaal of illegaal) in panden vastlegt binnen wettelijke termijnen.
Doordat er voor wijzigingen in panden niet altijd vergunningen (vergunningvrij) nodig zijn moet de gemeente als beheerder slimme en efficiënte manieren bedenken om de feitelijke situatie vast te leggen. Mutaties in BGT en BAG moeten worden opgespoord en doorgevoerd in beide registraties.
3.2.8 Openbare ruimte
Vanuit de overheid worden steeds meer toezichtstaken die nu bij de politie horen (impliciet) overgedragen naar de gemeenten. Tevens heeft de VNG in haar toekomstvisie een voorstel gedaan bepaalde politietaken over te gaan dragen naar de gemeenten, bijvoorbeeld op het gebied van verkeer (fietsen zonder licht, door rood licht rijden e.d.). Deze taken moeten door de gemeentelijke BOA’s worden uitgevoerd.
3.2.9 Brandveilig gebruik overige plaatsen
De Wet veiligheidsregio’s bepaalt dat er nadere regels moeten komen voor het brandveilig gebruik van voor personen toegankelijke ruimten waarvoor niet reeds op basis van bouwregelgeving voorschriften bestaan. Te denken valt aan partytenten en festivalterreinen. Het “Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen”, dat naar alle waarschijnlijkheid op 1 januari 2018 in werking treedt, komt in de plaats van de afzonderlijke gemeentelijke brandbeveiligingsverordening en uniformeert daarmee de toepasselijke regels.
3.2.10 Wet aanpak woonoverlast
Per 1 juli 2017 is de Wet aanpak woonoverlast in werking getreden. Woonoverlast is een hardnekkige problematiek in Nederland. In de praktijk bleek landelijk behoefte te zijn aan een juridisch instrument om woonoverlast tegen te gaan. Het nieuwe instrumentarium betreft het toevoegen van een nieuw artikel, te weten 151d, aan de Gemeentewet. De gemeenteraad kan hiermee de burgemeester de bevoegdheid geven een gedragsaanwijzing op te leggen waarbij de overlastgever iets moet doen of nalaten. Als ultimum remedium kan de burgemeester de woning voor korte termijn sluiten. Voor het toepassen van dit instrument zal de burgemeester beleid moeten vaststellen.
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Bestuurlijke visie
De provincie Noord- Brabant is een traject gestart waarin de bestuurskracht wordt gemeten van alle Brabantse gemeenten. Dit project heet Veerkrachtig Bestuur. Aan alle gemeenten werd gevraagd hun visie te geven op de toekomst en hun bestuurskracht. Ook de gemeente Halderberge is daarmee aan de slag gegaan, hetgeen er toe heeft geleid dat de gemeenteraad in oktober 2016 een bestuurlijke visie voor de komende 10 tot 15 jaren heeft vastgesteld.
Hierin staan respectievelijk de volgende visie en missie beschreven:
Visie
Voor burgers, bedrijven en bezoekers is het in de groene woongemeente Halderberge prettig en veilig wonen, werken en aangenaam verblijven of recreëren. De gemeentelijke overheid is er om hen hierin te stimuleren en faciliteren en de omstandigheden te optimaliseren.
Missie
Halderberge wordt gezien als een volwaardige partner in de gemeente, regio en provincie. Zij voert regie op de complexe externe uitdagingen en haar interne opgaven en doet dit in samenwerking en netwerkverband met anderen. Keuzes hierin worden bepaald vanuit de gedachte dat de democratische legitimiteit en eigen identiteit van onze gemeente en kernen behouden of versterkt kan worden. De missie wordt nader uitgewerkt in zes pijlers.
De pijlers betreffen: dienstverlening, bestuurskracht, schakelkracht, financiële draagkracht, recht doen aan de identiteit van de kernen en regionale verbondenheid van burgers.
3.3.2 Structuurvisie Halderberge 2025
In de structuurvisie zijn afwegingen gemaakt voor het toekomstig ruimtelijk beleid binnen de gemeente. Daarbij zijn de ambities van Halderberge met betrekking tot de ruimtelijke structuur voor de functies wonen, economie, mobiliteit, welzijn, groen, water, milieu, duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit in deze visie samengebracht. In de structuurvisie wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling voor het gehele gemeentelijk grondgebied voor de periode tot 2025 verwoord en verbeeld.
3.3.3 Woonvisie 2016-2020: Halderberge, hét groene hart van de regio West-Brabant
De woonvisie omvat het woonbeleid van de gemeente Halderberge. Halderberge is een woongemeenten met ene unieke diversiteit aan kernen, bijzonder cultuurhistorisch erfgoed en een recreatieve en toeristische trekpleister. Op het gebied van wonen zijn er vier Halderbergse woonwaarden die als een rode draad door de woonvisie lopen:
1Goed wonen voor iedereen in een groen, veelzijdig en landelijk woonmilieu
2De vijf dorpen met unieke kernkwaliteiten
3Duurzame ontwikkeling in bouwen en wonen
4Ruimte voor initiatief en samenwerking
In de woonvisie worden doelen en ambities voor de komende 5 jaar geschetst. Deze zijn gekoppeld aan de woonagenda voor 4 thema’s, te weten; goed wonen voor iedereen, toekomstbestendig wonen, sociaal wonen en wonen en zorg.
Halderberge is het “groene hart” van West-Brabant en daar zijn we trots op! Gezamenlijk
met partners op het gebied van wonen realiseren we de doelen en ambities van deze
woonvisie. De ambitie is om de bevolkingsprognose waarin een afname van het aantal inwoners verwacht wordt te gaan beïnvloeden. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan een evenwichtige bevolkingsopbouw en een vitale en draagkrachtige samenleving door het bieden van gevarieerde woonmilieus en brede keuzemogelijkheden aan woningzoekenden en. aan de verschillende doelgroepen in deze woonvisie.
3.3.4. Economische visienota
De gemeente Halderberge heeft in 2016 een economische visienota vastgesteld. In 2020 staat de toeristisch recreatieve sector (boven regionaal) op de kaart, door een toename en groei van Nederlandse en internationale dagrecreanten tot 200.000 in 2020 (bron: economische visie Halderberge 2020: uitvoeringsprogramma 2016-2019).De groei van het toeristisch-recreatief product steunt op de professionalisering en verbinding van
drie primaire toeristisch-recreatieve trekkers:
•Religieus-historisch erfgoed
•Air sports cluster – avontuur- en belevingscentrum
•Waterrecreatie (waterspeelpark Splesj en de waterlopen)
Dit betekent dat het economisch klimaat in Halderberge en met name het kernwinkelgebied van Oudenbosch een boost gaat krijgen. De ontwikkelingen in het compacte winkelgebied van Oudenbosch vragen hierbij om extra aandacht, met name als het gaat om parkeren. Het is zeer wenselijk dat er voldoende wordt gefaciliteerd als het gaat om parkeren, om het een aantrekkelijk gebied te laten zijn.
3.3.5 Damoclesbeleid
Op 31 maart 2014 heeft de burgemeester van Halderberge de beleidsregel bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid) vastgesteld. De gemeente Halderberge maakt zich samen met haar veiligheidspartners sterk tegen elke vorm van (georganiseerde) criminaliteit, waarbij de veiligheid en het veiligheidsgevoel van haar inwoners worden aangetast. In de beleidsregel is vastgelegd hoe de burgemeester gebruik maakt van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestuurlijk op te treden bij handel in drugs. Dit beleid heeft onder meer gevolgen voor de ureninzet van de BOA’s en juridisch medewerkers bij het daadwerkelijk sluiten van woningen en lokalen waar drugshandel plaatsvindt.
3.3.6. Beleidsregels artikel 4 bijlage II Besluit ruimtelijke ordening (Bor)
Op 1 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders beleidsregels vastgesteld in welke gevallen en onder welke omstandigheden er gebruik gemaakt zal worden van de bevoegdheid om, ingevolge artikel 4 van bijlage II van het Bor, af te wijken van het bestemmingsplan.
3.3.7 Welstandsbeleid
Op 24 mei 2017 heeft de gemeenteraad de “Welstandsnota 2017 van de gemeente Halderberge” vastgesteld.
De welstandsbeoordeling maakt altijd deel uit van de omgevingsvergunning. De welstandstoets voor een aantal kleinschalige bouwkundige wijzigingen kan worden verricht door een (speciaal daarvoor aangewezen) ambtenaar. Voor de overige wijzigingen wordt advies ingewonnen worden bij de welstandscommissie.
In dit beleid heeft de gemeente aangegeven welke criteria zij hanteert bij beoordeling van de aanvragen omgevingsvergunning, wanneer er sprake is of kan zijn van excessen waartegen handhavend kan worden opgetreden en welke situaties niet aan het oordeel van welstand onderhevig zijn.
3.4 Gemeentelijke ontwikkelingen
3.4.1 De6 samenwerking
De zes gemeenten Zundert, Halderberge, Etten-Leur, Roosendaal, Rucphen en Moerdijk hebben de intentie om op een aantal gebieden samen te werken. Er hebben zes verkenningen plaatsgevonden op de thema’s Financiën, P&O, Juridische zaken, Ruimtelijke ontwikkeling, VTH-taken en Openbare Ruimte. Ook is er gekeken naar de regionale sturing op het sociaal domein en de verbonden partijen. Uit alle verkenningen bleek dat er veel kansen liggen om dingen samen te doen. Omdat de gemeenten samenwerken als een netwerk wordt er niet gedacht aan juridische constructies of convenanten, maar gaan de gemeenten samen aan de slag en trekken ze samen op waar dat zinvol, effectief en efficiënt is. Ook bij het opstellen van voorliggend VTH-beleid is samengewerkt binnen het De6-verband. Dit heeft onder meer geresulteerd in een gezamenlijke prioriteringsmethodiek en een modeltekst voor het beleid.
3.4.2 Visie bewoning recreatieve verblijflocaties
Op 11 juli 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Halderberge de visie bewoning recreatieve verblijfslocaties vastgesteld.
Met regelmaat wordt geconstateerd dat recreatiegebieden niet toeristisch worden gebruikt. Dit is met name te zien in de bewoning van vakantiehuizen voor langere perioden. De doelgroepen die hier gebruik van maken zijn erg divers waaronder arbeidsmigranten, mensen die snel een woning zoeken, bijvoorbeeld door scheiding of door huisuitzettingen of mensen die de vakantiewoning als tweede woning gebruiken. Ook is er in de media recent veel aandacht geweest voor recreatiegebieden waar langdurig gewoond wordt en waarbij problemen speelden op het gebied van veiligheid en beheersbaarheid. Dit zorgt er voor dat een visie is opgesteld op bewoning van de recreatiegebieden.
3.4.3 Toezicht op huisvesting arbeidsmigranten
Op 4 februari 2016 is de beleidsnotitie Huisvesting arbeidsmigranten vastgesteld.
Hierin is de volgende doelstelling opgenomen: Het op een gedegen en verantwoorde wijze reguleren van de huisvesting van arbeidsmigranten in de gemeente Halderberge, opdat de leefomstandigheden van de te huisvesten arbeidsmigranten van een deugdelijk niveau zijn, de veiligheid voldoende is gewaarborgd en de huisvesting niet ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid van de omgeving. De gemeente biedt hiertoe enerzijds de ruimtelijke en juridische kaders, waarin huisvesting van arbeidsmigranten als legaal en passend kan worden aangemerkt. Anderzijds stelt het de gemeente in staat te handhaven bij huisvesting, die niet correspondeert met de voorgestelde beleidsrichting.
In dit beleidskader worden vijf beleidsdoelen geformuleerd met daarbij de beleidskaders, te weten;
1Voldoende huisvesting op de juiste locaties
2Beheersbare en veilige huisvesting
3Veilige woon- en leefomgeving
4Juiste registratie van arbeidsmigranten
5Heldere toegang naar het sociaal domein
7. Strategie en uitvoering
7.1 Inleiding
7.1.1 Achtergrond
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de doelen en prioriteiten uit hoofdstuk 6 worden gerealiseerd. Hiertoe wordt een aantal strategieën ingezet. De uitvoeringsstrategieën zijn gebaseerd op landelijke strategieën en zijn aangevuld met regionale afspraken en gemeentelijke werkwijzen. De gemeente hanteert de volgende uitvoeringsstrategieën.
–Vergunningenstrategie (Paragraaf 7.2) Hierin wordt de aanpak beschreven om voorwaarden op te leggen aan activiteiten.
–Toezichtstrategie (Paragraaf 7.3). Deze bevat de verschillende toezichtinstrumenten met een beschrijving van de wijze waarop deze worden ingezet. Ook de wijze waarop preventie wordt ingezet om naleefgedrag te bevorderen en overtredingen te voorkomen, de preventiestrategie, is als onderdeel van de toezichtstrategie beschreven in paragraaf 7.3.
–Handhavingsstrategie (Paragraaf 7.4). Voor de aanpak bij constatering van overtredingen wordt de Landelijke Handhavingsstrategie gevolgd (LHS). Ook de wijze waarop de gemeente omgaat met gedogen, de gedoogstrategie, wordt in dit hoofdstuk beschreven.
De samenhang tussen de strategieën is schematisch weergegeven in onderstaande figuur.
7.1.2 Het afwegingsmodel en de uitvoeringsstrategieën
Het afwegingsmodel is bedoeld om VTH-taken te prioriteren. Daarbij is dan nog niet aangegeven hoe met de verschillende prioriteiten wordt omgegaan. Aan de hand van de prioriteiten en de in te zetten strategie kan de benodigde capaciteit worden berekend. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de prioritering volgens het afwegingsmodel bedoeld is om de programmatische taken te prioriteren, dat betreft 80% van de beschikbare capaciteit. De overige 20% wordt vrijgehouden voor klachten/calamiteiten (10%) en afhandelen verzoeken om handhaving (10%).
Om de benodigde capaciteit te berekenen wordt gebruik gemaakt van kengetallen. Bij het vaststellen van het kengetal is rekening gehouden met de toezichtstrategie en het aantal en soort stappen volgens het handhavingstappenplan. Voor het opstellen van kengetallen is gebruik gemaakt van de beschikbare gegevens binnen de eigen organisatie, OMWB Midden- en West-Brabant en van landelijke gegevens (bijvoorbeeld het toezichtsprotocol bouw).
7.2 Vergunningenstrategie
7.2.1 Algemeen
Uitgangpunt bij vergunningverlening is dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen. De aanvraag vormt immers de basis voor de te verlenen vergunning en na vergunningverlening voor adequaat toezicht en eventueel handhaving. De gemeente houdt zich bij de taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De gemeente heeft de taak om de verschillende belangen vanuit de verschillende disciplines te coördineren. De gemeente Halderberge hanteert hierbij het principe “Ja, tenzij…”. De komst van de Wabo heeft er toe geleid dat bij het aanvragen van een Wabo-vergunning wordt gewerkt met casemanagement. Bij elke aanvraag wordt een casemanager toegewezen. De klant beschikt hierdoor over één vast aanspreekpunt na indiening. Het ‘van het kastje naar de muur sturen’ wordt hierdoor sterk verminderd, evenals het risico dat bij vergunningverlening tegenstrijdige voorschriften worden gesteld. De casemanager krijgt vanuit de betrokken disciplines adviezen aangereikt en ziet toe op het integrale karakter van de omgevingsvergunning.
De verschillende vormen van vergunningen met de bijbehorende procedures zijn wettelijk vastgelegd en worden hier verder niet behandeld. Er wordt gewerkt met verschillende toetsingskaders voor de diverse vergunningen. Nog niet voor alle type vergunningen zijn uitgebreide toetsingskaders beschreven. Wanneer dit wel het geval is, zoals bij toetsing bouwactiviteiten, dan is het toetsingskader hiervoor in bijlage 6 verder uitgewerkt.
Prioriteit
Toetsingsniveau
Extra Hoog
Niveau 4
Hoog
Niveau 3 of 4
Middel
Niveau 2 of 3
Laag
Niveau 1 of 2
Extra laag
Niveau 0 of 1
7.2.2 Toetsingsniveaus
Niveau 0
Het niet beoordelen of aan een voorschrift wordt voldaan.
Niveau 1
Uitgangspuntentoets: bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de globale uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergegeven.
Niveau 2
Visueel toetsen: kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk? Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn, waarbij van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten aannemelijk.
Niveau 3
Representatief toetsen: controle van de maatgevende onderdelen. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de aangeleverde stukken om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten aannemelijk zijn. De maatgevende berekeningen worden gecontroleerd dan wel nagerekend.
Niveau 4
Volledig toetsen: alles in samenhang controleren. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken, aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen, in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten gecontroleerd/nagerekend.
7.2.3 Samenwerking bij de vergunningverlening
Vergunningaanvragen worden beoordeeld vanuit de benodigde disciplines en afhankelijk van de aangevraagde activiteit vindt samenwerking plaats met diverse interne en externe adviseurs.
Het overhevelen van het basistakenpakket naar de OMWB betekent voor de gemeente dat een deel van de VTH (milieu)taken extern wordt uitgevoerd. Voor de kwaliteit van de specialistische bouwplantoetsing (bouwfysica, bouwakoestiek, constructieve veiligheid) werken we samen met de gemeenten in de regio. Toetsing van de brandveiligheidsaspecten vindt plaats door de VRMWB. Bouwplannen worden voorgelegd aan de welstandscommissie. Aanvragen voor monumenten worden getoetst door de monumentencommissie.
7.3 Toezichtstrategie
7.3.1 Toezichtstrategie
Een toezichtstrategie geeft aan welke activiteiten worden ondernomen om vast te stellen of wet- en regelgeving worden nageleefd en hoe deze worden georganiseerd. Om na te gaan of voorschriften ook gedurende langere tijd en in alle situaties worden nageleefd, is het noodzakelijk om programmatisch of operationeel toezicht te blijven uitvoeren. Daarnaast is het nodig om capaciteit te reserveren voor onaangekondigde en steekproefsgewijze controles en surveillance. Op welke wijze en met welke frequentie uiteindelijk toezicht wordt gehouden, is het resultaat van de uitkomsten uit het afwegingsmodel en de doelstellingen per taakveld. Volledigheidshalve moet worden aangegeven dat alle toezicht- en controlebezoeken momentopnames zijn en dat dit bedrijven en/of burgers niet vrijwaart van een eigen verantwoordelijkheid voor een goede naleving van de gestelde voorschriften van alle van toepassing zijnde wet- en regelgeving.
Bij het opstellen van het toezichtprogramma wordt de volgende systematiek toegepast. Er zijn drie fasen te onderscheiden, te weten de bouw-, gebruik- en buitengebruikstellingsfase. Eerst wordt per fase en doelgroep het aantal locaties bepaald. Om het jaarlijkse aantal te controleren locaties te bepalen wordt per doelgroep de percentages gebruikt die zijn vastgesteld volgens het afwegingsmodel.
Prioriteit
Toezichtspercentage
Prioriteit extra hoog
100% toezicht
Prioriteit hoog
75% toezicht
Prioriteit middel
50% toezicht
Prioriteit laag
25% toezicht
Prioriteit extra laag
10% toezicht
Nadat door middel van het bovenstaande percentage het totaal aantal te controleren locaties per doelgroep is bepaald, wordt binnen een doelgroep een verdeling gemaakt op basis van milieurisico’s en/of brandveiligheidsrisico’s.
De volgorde wordt als volgt bepaald.
•Prioriteit doelgroep en categorie 4.
•Prioriteit doelgroep en categorie 3.
•Prioriteit doelgroep en categorie 2.
•Prioriteit doelgroep en categorie 1.
Bij de verdeling wordt verder de volgende uitgangspunten gehanteerd voor de onderverdeling. Het definitieve aantal toezichtsbezoeken per doelgroep wordt bepaald door het toezichtspercentage en de frequentie van het risico gestuurd toezicht. Gestart wordt met de hoogste prioriteit en categorie 4: locaties worden in de planning opgenomen volgens de frequenties van het RGT. Dit kan zijn met integraal toezicht of een aspectcontrole. Binnen de prioriteit wordt de planning op dezelfde wijze aangevuld met cat. 3, 2 en 1 tot dat alle bedrijven binnen deze prioriteit zijn gepland met de toezichtsfrequentie van het RGT. Zo wordt in aflopende volgorde van prioriteit de planning gevuld met toezichtstaken. Niet meldings- of vergunningsplichtige locaties, zgn. A-inrichtingen, worden niet programmatisch ingepland. Zij worden alleen bezocht naar aanleiding van klachten/meldingen.
Als vooraf het aantal te controleren locaties niet is te bepalen, wordt op basis van ervaringscijfers een aantal uren/controles per jaar opgenomen. Dit betreft voornamelijk toezichtstaken op illegale zaken, zoals illegale bouwactiviteiten, illegale milieuactiviteiten etc.
7.3.2 Risico gestuurd toezicht
Risico gestuurd toezicht (RGT) wordt ingezet vanuit de visie “meer toezicht waar nodig, minder waar mogelijk”. Het doel is de aandacht van toezicht vooral te leggen op die locaties waar een verhoogd risico aanwezig is, zowel op aspecten als veiligheid als op niet-naleving van de wet- en regelgeving. De doelstelling is ook dat het RGT geen verzwaring van de toezichtslast in zijn totaliteit tot gevolg heeft. Op bedrijfsniveau kan RGT wel een vermindering of verzwaring van de toezichtslast geven, afhankelijk van het risicoprofiel van het betrokken bedrijf. Het risicoprofiel geeft geen oordeel over de kwaliteit van het toezicht, het zegt slechts iets over de risico’s, omdat de locatie wel of niet voldoet aan wet- en regelgeving. Een steeds belangrijker aspect in het RGT wordt ook het beoordelen van de veiligheidscultuur binnen het bedrijf.
7.3.3 Planning toezicht
De planning vindt plaats op doelgroepen, projectbasis of thema. Een doelgroep kan bestaan uit verschillende typen bedrijven/instellingen/taken. Per doelgroep is de prioriteit en de samenstelling bepaald. Een doelgroep is onderverdeeld in een milieu- en gebruikscategorieën. Deze twee categorieën zijn deels bepalend voor het plannen van de programmatische controles. Een andere bepalende factor voor de planning van programmatisch toezicht is de bezoekfrequentie van het RGT. Planning op projectbasis houdt bijvoorbeeld in dat vooraf bepaald wordt welke handhavingspartners deelnemen, welk deelgebied wordt gecontroleerd etc. Planning op thema houdt in dat er alleen gecontroleerd wordt op een bepaald onderdeel van de activiteit, zoals bodem, illegale bouw, certificaten etc.
In de planning wordt ook rekening gehouden met het uitvoeren van opleveringscontroles. Na ontvangst van een melding vindt een opleveringscontrole plaats. Bij omgevingsvergunningen wordt een opleveringscontrole uitgevoerd na het onherroepelijk worden van de vergunning. Na de opleveringscontrole worden omgevingsvergunningen met de activiteit milieu en/of gebruik en milieu- en gebruiksmeldingen opgenomen in het programmatische controleprogramma onder vermelding van doelgroep en categorie. Omgevingsvergunningen voor alleen de activiteit bouw en een aantal APV-vergunningen zijn eenmalige vergunningen. Deze worden gecontroleerd aan de hand van de prioriteit volgens het afwegingsmodel. Na uitvoeren van het toezicht worden zij niet in het programmatische toezichtsprogramma opgenomen.
Voor de wijze van toepassen van prioriteiten voor het opstellen van een uitvoeringsprogramma verwijzen we naar de bijlage 12.
7.3.4 Toezicht op algemene regels
Door deregulering en lastenverlichting is een aantal vergunningen en meldingen vervangen door algemene regels. Voor een aantal type inrichtingen in het kader van de Wet milieubeheer is de vergunnings-/meldingsplicht vervallen met het in werking treden van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (BARIM). Een zelfde effect is opgetreden in het kader van het Bouwbesluit. Deze inrichtingen of bouwactiviteiten moeten blijven voldoen aan de algemene regels zoals opgenomen in besluiten. Het vergt van de overheid extra inspanning om de locaties die niet (meer) vergunnings-/meldingsplichtig zijn en wel aan algemene regels moeten voldoen in beeld te brengen en te houden om de toezichtstaak naar behoren uit te kunnen voeren. De in het bedrijvenbestand opgenomen bekende locaties vallen onder het programmatisch toezicht zoals hiervoor beschreven. Om de niet bekende locaties op te sporen en te controleren op de algemene regels moet hiermee in de capaciteitsplanning rekening worden gehouden.
7.3.5 Controle op illegale activiteiten en leegstaande panden
Naast het toezicht houden op de vergunningen/meldingen en de algemene regels is er capaciteit nodig voor het opsporen van illegale activiteiten. In de jaarplanning wordt capaciteit opgenomen voor vrije surveillance om illegale activiteiten op te sporen. Dit kan zijn het illegaal bouwen, illegaal storten van afval, strijdig gebruik van percelen en/of gebouwen, etc. Het is mogelijk om op projectmatige wijze te controleren en hieraan bepaalde prioriteiten te verbinden. Dit kan van toepassing zijn bij bijvoorbeeld een handhavingsactie buitengebied etc. De projecten worden in het uitvoeringsprogramma opgenomen. Een belangrijk aspect is het toezicht houden op leegstaande panden. Dit om te voorkomen dat verpaupering optreedt of dat er illegale activiteiten plaatsvinden (bijv. hennepkwekerijen). Leegstaande gebouwen komen steeds vaker voor in het buitengebied (voormalige agrarische gebouwen) en op oudere industrieterreinen. Een extra aandachtspunt bij voormalige agrarische bebouwing is de aanwezigheid van asbestdaken. Dit is eerder al als knelpunt benoemd. Het verwijderen van dit soort daken moet door gespecialiseerde bedrijven gebeuren en is een kostbare zaak. Inmiddels zijn in het Subsidiebesluit van 25 november 2015 (aangevuld 6 juli 2017) de voorwaarden opgenomen waaronder hiervoor subsidie kan worden verkregen.
7.3.6 Aanpak ondermijning
Een van de primaire taken van een gemeente is het scheppen en borgen van een veilige leefomgeving voor de burgers. Hierin speelt het onderwerp ondermijnende criminaliteit een belangrijke rol. Een samenleving waar criminele groepen hun activiteiten zonder al te veel problemen kunnen uitvoeren en hierin misschien onbewust worden gefaciliteerd door de overheid, mondt uit in een vrijstaat en is onacceptabel. Onderzoeken laten zien dat de ondermijnende criminaliteit een florerende industrietak is. Exacte cijfers ontbreken – uiteraard; het fluïde karakter van de criminele samenwerkingsverbanden maakt dat deze regelmatig van samenstelling en zakenpartners veranderen en weer verdwijnen. De aanpak van georganiseerde criminaliteit vraagt om een stevige aanpak van zowel de gemeente als het OM, de belastingdienst en de politie. Het effectief bestrijden vraagt veel meer dan alleen een strafrechtelijke invalshoek. Een integrale aanpak dus, vanuit strafrecht, fiscaalrecht en bestuursrecht met als doel het verstoren van een criminele business, vitale elementen, logistieke processen en gelegenheidsstructuren. De focus bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit ligt op hennepteelt, synthetische drugs, mensenhandel en outlaw motorgangs (OMG). In Halderberge worden als onderdeel van deze aanpak integrale multidisciplinaire controles gepland en uitgevoerd. Doelstelling van het toezicht is om inzicht te krijgen in en een overzicht te krijgen van mogelijke illegale bewoning, illegale bebouwing, brandveiligheid, milieuactiviteiten, strijdig gebruik etc. Deze toezichtstaken worden in nauwe samenwerking uitgevoerd met andere handhavingspartners zoals politie, belastingdienst, UWV, Douane, OMWB, brandweer e.d.
7.3.7 Klachten en meldingen
Klachten en meldingen zijn niet apart geprioriteerd. Vanuit de dienstverleningsvisie hebben alle klachten – in beginsel – een hoge prioriteit. Alle klachten worden daarom zo spoedig mogelijk in behandeling genomen volgens de vastgestelde procedure. In totaal wordt 20% van de beschikbare handhavingscapaciteit ingezet voor klachten, meldingen calamiteiten (acute zaken). Voor het afhandelen van milieuklachten wordt gebruikgemaakt van de 24-uurs klachtendienst van de OMWB.
7.3.8 Communicatie en voorlichting
Communicatie wordt zo georganiseerd, dat het vergunningverlening, toezicht en handhaving versterkt en effect heeft op het naleefgedrag. De communicatie speelt ook in op de waarneming van de burger en bestendigt het vertrouwen van de burger in de aanpak van de overheid. De nieuwe vormen van communicatie vragen een goed samenspel tussen de informatievoorziening, het bestuurlijk optreden en de aanpak van communicatie.
Communicatie heeft een preventieve werking. Het bevordert het naleven van wetten en regels. Dit gebeurt door mensen te confronteren met en beter te laten nadenken over hun (ongewenste) gedrag. Voor toezicht en handhaving is kennis hebben van de regels, de risico’s en de sancties van groot belang. Communicatie speelt daarin een directe rol. Iemand die weet wat hij zelf kan doen aan de leefbaarheid/veiligheid in zijn omgeving, beleeft minder overlast/onveiligheid.
Er moet een balans zijn tussen de berichtgeving over en de interventie zelf. Daadkrachtig reageren in de communicatie heeft geen zin, als het probleem te complex is om direct op te treden. De mensen moeten zien dat de boodschap overeenkomt met het daadwerkelijk optreden. Dat wekt vertrouwen. Boodschap, actie en verwacht effect moeten in balans zijn.
7.3.9 Verzoek om handhaving
Burgers en bedrijven kunnen een verzoek tot handhaving aan de gemeente richten. De gemeente moet, binnen de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn, op een dergelijk verzoek reageren. Dit impliceert niet dat dan ook altijd tot handhaving moet worden overgegaan. Tegen de beslissing van de gemeente op een handhavingsverzoek staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open.
7.3.10 Samenwerking toezicht
Structureel vindt overleg plaats met de OMWB (voor de milieu- en bodemtaken) en de VRMWB (voor de brandveiligheidstaken). Toezichtprogramma’s worden zoveel mogelijk afgestemd. Op basis van het integrale handhavingsbeleid kiezen we ervoor de periodieke controles tijdens de gebruiksfase zo veel mogelijk integraal uit te voeren. De bevindingen worden, afhankelijk van het dossier, afgestemd met OMWB, Politie, Vreemdelingenpolitie, Belastingdienst, Brandweer, Waterschap, de douane, Koninklijke marechaussee, Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit of Algemene Inspectiedienst (extern).
7.3.11 Samen sterk in het buitengebied
Het buitengebied is uniek, waardevol en kwetsbaar. Daarom is het belangrijk om het in de huidige staat te behouden. Om het buitengebied goed te kunnen beschermen is een goede samenwerking tussen de verschillende handhavingsdiensten van essentieel belang. Hiervoor is het project “Samen Sterk in het Buitengebied” (SSiB) gestart. SSiB is een samenwerking van de provincie Noord-Brabant, alle Brabantse gemeenten, de 3 Brabantse waterschappen, de 3 Brabantse omgevingsdiensten, het OM, de politie, Brabant Water, Evides en terreinbeheerders (Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en Brabants Landschap). De focus ligt op de aanpak van stroperij, wild crossen en (drugs)afvaldumpingen. Maar overtredingen als het verwaarlozen van dieren en illegale hennepteelt worden ook opgespoord. Hiertoe is een handhavingsteam 24 uur per dag en zeven dagen per week op pad in het buitengebied.
7.3.12 Mediation en buurtbemiddeling
Mediation is een proces waarin twee of meer partijen die met elkaar een conflict hebben, onder leiding van een externe, onafhankelijke derde, zelf door onderhandelen zoeken naar een oplossing in het wederzijds belang. Hierbij wordt een onafhankelijke mediator ingeschakeld, een mediationovereenkomst en achteraf een vaststellingsoverkomst opgesteld. Mediation wordt veelal toegepast bij geëscaleerde conflicten, bij complexe en/of politiek-bestuurlijk gevoelige zaken, wanneer het om meerdere partijen gaat en wanneer de vertrouwelijkheid van het proces belangrijk is.
Buurtbemiddeling helpt mensen om burenruzies op te lossen. Het doel van buurtbemiddeling is om de communicatie tussen medebuurtbewoners op gang te brengen en hen te ondersteunen in het maken van afspraken om overlast in de toekomst te voorkomen. De bemiddelaars hebben een onpartijdige houding, ze respecteren mensen en hun verschillende leefwijzen/culturen en houden informatie geheim. Betrokkenen moeten wel bereid zijn om samen tot een oplossing te komen. Bij de aanpak van buurtbemiddeling blijven politie en justitie buiten beeld.
Ervaringen op het gebied van vergunningen, handhaving en toezicht leren dat het inzetten van mediation/buurtbemiddeling wel iets oplevert. Er worden minder juridische procedures gevolgd. Diverse zaken worden op minnelijke wijze opgelost. Goede communicatie met de klant is minstens zo belangrijk als de tijdigheid van een beslissing. Hiermee kunnen geschillen en conflicten juist worden voorkomen. Het bespaart tijd, kosten en administratieve lasten. Het leidt vaak tot een win-win situatie.
7.4 Handhavingsstrategie
7.4.1 Landelijke Handhavingsstrategie
Met de vaststelling van deze beleidsnota stelt het college van burgemeester en wethouders eveneens de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) vast.
Op 4 juni 2014 is de eindversie van de LHS (versie 1.7) door het IPO en het OM aangeboden aan de staatssecretaris van Milieu. Daarbij spraken alle betrokken partijen zich uit voor implementatie van de LHS. Handhavende instanties, zoals overheden, omgevingsdiensten, het OM en de politie treden dan op eenzelfde manier op bij geconstateerde overtredingen. Zo ontstaat een gelijk speelveld, wordt het rechtsgevoel gerespecteerd en blijft de leefomgeving veilig, schoon en gezond.
De LHS is een sanctiestrategie. Dit wil zeggen dat in die strategie is bepaald hoe en wanneer wordt opgetreden bij overtredingen van de wetgeving. De LHS wordt door gemeente Halderberge voor alle toezicht en handhavingstaken met betrekking tot de omgevingstaken vastgesteld.
Geconstateerd is dat de aangeboden eindversie van de LHS (versie 1.7) juridische onjuistheden bevat in wat ‘bestuursrecht bestraffend’ en ‘bestuursrecht herstellend’ is. Daardoor is de toepassing van strafrecht in sommige situaties (flankerend beleid) niet meer mogelijk en in strijd met landelijke wetgeving. Aangezien dit zo'n belangrijk onderdeel is, is in bijlage 4 een verbeterde versie opgenomen waarin deze onjuistheden zijn gecorrigeerd waarbij het effect van de beslismatrix hetzelfde is gebleven.
7.4.2 Richtlijn handhaving bij overtreding door de eigen organisatie.
Het kan voorkomen dat de eigen organisatie een handeling verricht die in strijd is met de wettelijke regelgeving. Indien dit geconstateerd wordt moet hiertegen opgetreden worden. Om te zorgen dat er in voorkomende gevallen gelijkluidend zal worden opgetreden is deze richtlijn opgesteld.
1Collegiaal overleg
In eerste aanleg zal er bij het constateren van een overtreding een collegiaal overleg plaats vinden. De toezichthouder die de overtreding heeft geconstateerd zal, nadat dit is afgestemd met de juridisch medewerker, mondeling contact opnemen met zijn collega die betrokken is bij de gemaakte overtreding. Hij zal trachten het probleem op te lossen. Van het contact zal een schriftelijke notitie gemaakt worden die in het handhavingsdossier gevoegd zal worden.
2Overleg teamleider
Indien het overleg niet leidt tot het opheffen van de overtreding na het collegiaal overleg zal de toezichthouder die de overtreding heeft geconstateerd de uitkomst van het gesprek terug koppelen met de juridisch medewerker. De juridisch medewerker zal de overtreding en het hieraan gekoppeld collegiaal overleg bespreken met de teamleider. De teamleider zal de overtreding bespreken in het Managementteam (MT). Hiervan wordt een schriftelijke notitie gemaakt, die aan het handhavingsdossier toegevoegd zal worden.
3Advies burgemeester en wethouders
Indien er via het MT geen overeenstemming bereikt wordt over de geconstateerde overtreding zal de juridisch medewerker een advies voorleggen aan het college van burgemeester en wethouders. De beslissing van het college is dan bindend. Het advies, inclusief het besluit van het college, zal in het handhavingsdossier gevoegd worden.
7.4.3 Richtlijn handhaving bij overtreding door andere overheden.
Het kan voorkomen dat andere overheden handelingen verrichten die in strijd zijn met de wettelijke regelgeving. Indien dit geconstateerd wordt moet hiertegen opgetreden worden zoals bij alle overige zaken volgens de handhavingsstrategie die is vastgelegd in de LHS. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de bestuurlijk portefeuillehouder handhaving zo spoedig mogelijk in kennis moet worden gesteld van handhavingszaak.
7.4.4 Gedoogstrategie
Wet- en regelgeving zijn bedoeld om chaos te voorkomen en (beleids)doelstellingen te bereiken. Het college van de gemeente Halderberge, en in voorkomende gevallen de burgemeester van Halderberge, hebben daarom een wettelijke plicht om handhavend op te treden tegen diverse soorten overtredingen van verschillende soorten wetgeving. Dit handhavend optreden is ook het uitgangspunt. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij handhaving tijdelijk niet wenselijk of zelfs onmogelijk is. Dit noemt men ook wel gedogen: “De bevoegdheid om op basis van een algemene belangenafweging tijdelijk en doelbewust op grond van een schriftelijk verzoek van de overtreder onder voorwaarden via een besluit geheel of gedeeltelijk af te zien van handhavend optreden tegen een overtreding”. Gedogen is geen vanzelfsprekendheid. Gedogen blijft namelijk altijd een uitzondering op de hoofdregel, te weten handhavend optreden. Om er voor te zorgen dat gedogen eenduidig wordt toegepast zal de gemeente de beleidsregels uit het “Integraal Handhavingsbeleid Leefomgeving Gemeente Halderberge 2012 -2015” actualiseren.
7.5 Toezicht en handhaving kinderopvang
7.5.1 Landelijk Register Kinderopvang
Er is een verplichte registratie in een landelijk register. Alle vormen van kinderopvang zijn verplicht zich voorafgaand aan de exploitatie te laten registreren. Een locatie kan pas in exploitatie worden genomen zodra een locatie in het register is opgenomen. De houder dient wijzigingen per direct door te melden en de wijzigingen dienen z.s.m. te worden verwerkt.
7.5.2 Start handhavingstraject
Een belangrijk verschil met betrekking tot overige handhavingstaken is dat in de Wet kinderopvang is vastgelegd dat er jaarlijks inspecties moeten worden uitgevoerd. Deze inspecties moeten worden uitgevoerd door toezichthouders van de GGD. Het college heeft het toezicht gemandateerd naar de directie van de GGD West-Brabant. Het gemeentelijke handhavingstraject begint direct na ontvangst van het inspectierapport van de GGD. De GGD geeft in het rapport een handhaving advies aan de gemeente.
7.5.3 Jaarverslag
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid houdt toezicht op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de wettelijke taken. Dit toezicht wordt namens de minister uitgevoerd door de inspectie van het Onderwijs. De minister kan in geval van ernstige tekortkoming een aanwijzing geven aan de gemeente. Het college stelt jaarlijks uiterlijk voor 1 juli een verslag op van de uitgevoerde taken inzake de Wet kinderopvang en zendt dit verslag naar de gemeenteraad en naar de minister.
7.7 Monitoring en verantwoording
7.7.1 Verantwoording en verslaglegging
Monitoring van bovenstaande indicatoren vindt jaarlijks plaats in het op te stellen jaarverslag dat aan het college wordt aangeboden. Het jaarverslag wordt door het college vastgesteld en ter kennisname aan de gemeenteraad voorgelegd.
Indien uit de monitoring van de indicatoren blijkt dat de doelstelling niet gerealiseerd wordt, wordt (afhankelijk van het moment van constateren) hiervoor een verklaring opgenomen in het jaarverslag. Indien nodig worden verbetermaatregelen voorgesteld die ertoe dienen te leiden dat in het vervolg de doelstelling wel gerealiseerd wordt.
8. Organisatie en middelen
8.4 Uitbesteden
8.4.1 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
Heel veel van de gemeentelijke taken op het gebied van milieu zijn uitbesteed aan de OMWB. Het gaat dan om advisering over en uitvoering van taken zoals vergunningverlening, toezicht en handhaving. De inzet van de OMWB is geregeld in een Dienstverleningsovereenkomst en een werkprogramma.
8.4.2 Brandweer Midden- en West-Brabant
Vele gemeentelijke taken op het gebied van brandveiligheid zijn uitbesteed aan de Brandweer. Het gaat dan om advisering bij vergunningverlening en handhaving en het uitvoeren controles. De inzet van de Brandweer is geregeld in het Basistakenpakket. Afspraken worden vastgelegd in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma.
Bijlagen
Bijlage 1:Afkortingen/begrippenlijst
Bijlage 2:Beleidsregels/verordeningen
Bijlage 3: Prioriteitenoverzicht
Bijlage 4: Matrix LHS
Bijlage 5: Basiswerkwijze
Bijlage 6: Beoordelingskader slopen, bouwen, brandveiligheid en monumenten
Bijlage 7: Beoordelingskader ruimtelijke ordening
Bijlage 8: Beoordelingskader milieu
Bijlage 9: Beoordelingskader Algemene Plaatselijke Verordening en Bijzondere Wetten
Bijlage 10: Vormen van toezicht
Bijlage 11: Risico gestuurd toezicht
Bijlage 12: Roulatie en functiescheiding
Bijlage 13: Afstemming en uitwisseling van handhavingsinformatie
Bijlage 1: Afkortingen/begrippenlijst
AMvB Algemene Maatregel van Bestuur
APV Algemene plaatselijke verordening
BARIM Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Bibob Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
BOA Buitengewoon Opsporingsambtenaar
Bor Besluit omgevingsrecht
BRZO Besluit Risico Zware Ongevallen
BRZO+ bedrijven Bedrijven die risicovolle activiteiten hebben maar net niet onder de criteria van het BRZO vallen
BW Bijzondere Wetten
BZV Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij
De6 Samenwerking tussen gemeente Moerdijk, Rucphen, Halderberge, Roosendaal, Etten-Leur en Zundert
EED Europese Energie-Efficiency Richtlijn
GGD Gewestelijke Gezondheidsdienst West-Brabant
IBT Interbestuurlijk toezicht
LHS Landelijke Handhavingsstrategie
OM Openbaar Ministerie
RGT Risico gestuurd toezicht
SSiB Samen Sterk In het Buitengebied
VRMWB Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant
VTH Vergunningen, toezicht en handhaving
Wabo Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Bijlage 2: Verordeningen, beleidsregels e.d.
Onderstaand overzicht is opgesteld in september 2017, is niet uitputtend en kan tussentijds wijzigen. Dit overzicht is gebaseerd op de gemeentelijke regels zoals gepubliceerd op www.overheid.nl.
•Algemene plaatselijke verordening gemeente Halderberge 2016 (APV)
•Bomenverordening gemeente Halderberge 2011
•Bouwverordening gemeente Halderberge 2010
•Brandbeveiligingsverordening
•Erfgoedverordening gemeente Halderberge 2010
•Havenverordening gemeente Halderberge
•Kadernota Parkeren 2017-2021 Gemeente Halderberge
•Marktverordening gemeente Halderberge 2010
•Verordening afvalstoffenheffing gemeente Halderberge 2017
•Verordening naamgeving en nummering adressen gemeente Halderberge 2011
•Verordening op het binnentreden ter uitvoering van noodverordeningen
•Verordening Speelautomatenhallen gemeente Halderberge
•Verordening Winkeltijden Halderberge 2016
•Wegsleepverordening gemeente Halderberge
•Welstandsnota 2017 Gemeente Halderberge
Bijlage 3: Prioriteitenoverzicht
In de volgende overzichten wordt per fase de prioriteiten aangegeven.
In kolom prio nr. wordt de prioriteit aangeven van de totaallijst
In kolom prio nr. fase wordt de prioriteit aangegeven in de betreffende fase.
Prioriteitenlijst bouwen:
prionr
prionr bouwfase
Taak
prioriteit
score
1
1
Bedrijven cat. 4 extreem grote bouwwerken en zware milieubedrijven
extra hoog
146,88
10
2
Publiek cat. 3 grote bouwwerken
extra hoog
132,6
14
3
Wonen cat. 3 grote bouwwerken
hoog
125,46
16
4
Bedrijven cat. 3 grote bouwwerken
hoog
124,44
20
5
Overige zoals bruggen viaducten en tunnels
hoog
120,36
24
6
Monumenten
hoog
116,28
27
7
Publiek cat. 2 complexe verbouwingen en bouwwerken
hoog
113,22
51
8
Bedrijven cat. 2 complexe verbouwingen
middel
97,92
69
9
Wonen cat. 2 complexe verbouwingen en bouwwerken
laag
88,74
106
10
Publiek vergunningvrij
extra laag
65,25
108
11
Bedrijven vergunningvrij
extra laag
63,24
119
12
Publiek cat. 1 eenvoudige kleine verbouwingen en bouwwerken
extra laag
55,12
126
13
Bedrijven cat. 1 eenvoudige kleine verbouwingen en bouwwerken
extra laag
54,06
127
14
Wonen vergunningvrij
extra laag
54,06
129
15
Wonen cat. 1 eenvoudige kleine verbouwingen en bouwwerken
extra laag
53,04
Prioriteitenlijst bestemmingsplan:
prionr
prionr gebruiksfase
Taak
prioriteit
score
19
1
Huisvesting arbeidsmigranten
hoog
120,99
33
2
Afwijken bestemmingsplan
middel
108,78
34
3
Gebruik bouwwerken (buiten bebouwde kom)
middel
108,12
52
4
Gebruik bouwwerken (binnen bebouwde kom)
middel
97,52
57
5
Gebruik grond (buiten bebouwde kom)
middel
94,35
72
6
Gebruik grond (binnen bebouwde kom)
laag
86,92
80
7
Aanlegvergunning
laag
81,75
Prioriteitenlijst slopen:
prio nr
prio nr sloopfase
taak
prioriteit
score
21
1
Sloopmelding met asbest
hoog
119,34
40
2
Illegaal slopen
middel
105,06
49
3
Activiteit slopen (vergunning)
middel
98,94
117
4
Sloopmeldingen particulier kleiner dan 35m2
extra laag
57,12
118
5
Sloopmelding zonder asbest
extra laag
56,1
Prioriteitenlijst milieu:
prionr
prionr gebruiksfase
Taak
prioriteit
score
4
1
C2 (complex)
extra hoog
144,84
5
2
D1 (IPPC) industrieel
extra hoog
141,7
9
3
D1 (IPPC) agrarisch
extra hoog
135,2
15
4
Illegale activiteiten buiten een inrichting (lucht/lozen/afval/boedem/geluid)
hoog
128,08
30
5
C1 (vergunning)
hoog
110,16
35
6
C2 (niet complex)
middel
108,12
36
7
B2 (melding basistaken) vuurwerk
middel
107,1
41
8
Besluit bodemkwaliteit
middel
104
59
9
B2 (melding basistaken) industrieel (chemisch)
middel
93,84
64
10
B2 (melding basistaken) industrieel
middel
91,52
78
11
B2 (melding basistaken) afval
laag
83,64
79
12
B2 (melding basistaken) industrieel (metaal/elektro)
laag
82,16
88
13
B2 (melding basistaken) industrieel (voeding)
laag
74,46
91
14
B1 (melding niet-basistaken) agrarisch
laag
72,42
97
15
B2 (melding basistaken) nutsvoorzieningen
extra laag
71,4
100
16
B2 (melding basistaken) niet-industrieel
extra laag
68,34
103
17
B1 (melding niet-basistaken) horeca
extra laag
66,3
104
18
B2 (melding basistaken) agrarisch
extra laag
65,28
105
19
B2 (melding basistaken) industrieel (overig)
extra laag
65,28
107
20
Gesloten bodemenergiesystemen
extra laag
63,44
114
21
B2 (melding basistaken) recreatief
extra laag
59,16
121
22
B1 (melding niet-basistaken) industrieel
extra laag
55,08
122
23
B1 (melding niet-basistaken) overig
extra laag
55,08
125
24
A (niet meldingsplichtig) diversen
extra laag
54,08
Prioriteitenlijst brandveiliggebruik:
prionr
prionr brandveiligheid
taak
prioriteit
score
2
1
Ziekenhuis, verpleeghuizen, bejaardenoorden etc.
extra hoog
146
3
2
Opslag gevaarlijke stoffen
extra hoog
146
6
3
Kinderdagverblijf en peuterspeelzaal
extra hoog
139,74
7
4
Dagopvang voor verminderd zelfredzame personen
extra hoog
137
8
5
Gebouwen met gezondheidszorgfunctie met bedgebied > 10 personen
extra hoog
136
13
6
Zorgwoningen
extra hoog
130
17
7
Theater, schouwburg, bioscoop, museum, bibliotheek
hoog
124
18
8
Cafe’s, discotheek en restaurant > 50 pers.
hoog
124
23
9
Kamergewijze verhuur
hoog
118,32
25
10
Evenementen/tenten
hoog
116
28
11
Basisschool (leerlingen<12 jaar) > 10 pers.
hoog
113
29
12
Overdekt winkelcentrum (meerdere winkelgebouwen) > 50 pers.
hoog
112
32
13
Woonfunctie in woongebouw (flats, aanleunwoningen, portieken)
middel
109,18
37
14
Overige gebouwen bijeenkomst (gebedshuis, buurthuis etc.) > 50 pers
middel
106
38
15
Hotel/motel/pension > 10 pers
middel
106
43
16
Palletbedrijven
middel
103
44
17
School VO (leerlingen > 12 jaar) indien > 50 pers
middel
102
46
18
Asiel-/opvangcentrum voor tijdelijk verblijf van mensen > 10 pers
middel
101
48
19
Fabriek/opslag/magazijn/werkplaats > 150 pers
middel
99
50
20
Politiebureau met cellen
middel
98,94
53
21
Gebouwen met gezondheidsfunctie, geen bedgebied > 50 pers
middel
97
54
22
Woonfunctie gecombineerd gebruik (bijv. wonen boven winkel)
middel
96,9
55
23
Kantoren > 150 pers
middel
96
56
24
Gebouwen met gezondheidszorgfunctie met bedgebied < 10 pers
middel
95,68
58
25
Parkeergarage (besloten) > 2500 m2
middel
93,84
61
26
Fabriek/opslag/magazijn/werkplaats > 2500m2 en/of > 50 pers
middel
93
62
27
Winkelgebouw > 50 pers
middel
92,56
68
28
Cafe’s, discotheek en restaurant < 50 pers
laag
89
73
29
Politiebureau zonder cellen > 150 pers
laag
86
75
30
Gezondheidsdiensten > 50 pers (tandarts, huisarts, polikliniek)
laag
85
81
31
Transformatorhuis > 2500 m2
laag
80,58
83
32
Zwembad > 50 pers
laag
80,08
84
33
Overige gebouwen bijeenkomst (gebedshuis, buurthuis etc.) < 50 pers
laag
77
87
34
Sportruimte/sportzaal/sporthal/sportcentrum > 50 pers
laag
74,46
89
35
Gebouwen met gezondheidszorgfunctie, geen bedgebied < 50 pers
laag
74
90
36
Parkeergarage (besloten) < 2500 m2
laag
74
92
37
Fabriek/opslag/magazijn/werkplaats < 2500m2 en/of < 50 pers
laag
72
93
38
Kantoren < 150 pers
laag
72
94
39
Hotel/motel/pension < 10 pers
laag
72
96
40
Politiebureau zonder cellen < 150 pers
extra laag
71,4
99
41
Asiel-/opvangcentrum voor tijdelijk verblijf van mensen < 10 pers
extra laag
68,34
101
42
Transformatorhuis < 2500 m2
extra laag
67
102
43
Kermis > 50 pers
extra laag
67
109
44
Agrarische bebouwing (stallen, kassen etc.)
extra laag
63
111
45
Winkelgebouw < 50 pers
extra laag
61,2
112
46
Kampeerterrein > 50 pers
extra laag
61,2
115
47
Markt > 50 pers
extra laag
58
116
48
Kampeerterrein < 50 pers
extra laag
57,2
123
49
Gezondheidsdiensten < 50 pers (tandarts, huisarts, polikliniek)
extra laag
55
124
50
Openluchtrecreatie > 50 pers
extra laag
55
128
51
Sportpark > 50 pers
extra laag
54
Prioriteitenlijst APV bijzondere wetten:
prionr
prionr APV BW
Taak
prioriteit
score
11
1
Drugsoverlast (incl. toepassing art. 13b Opiumwet)
extra hoog
132,6
12
2
Grote evenementen
extra hoog
131,58
22
3
Dumpingen drugsafval
hoog
118,32
26
4
Overlast openbare ruimte en water
hoog
113,22
31
5
Kinderopvang (GGD)
middel
109,2
39
6
Samen sterk in het buitengebied
middel
105,06
42
7
Drank- en Horeca-exploitatie
middel
103,02
45
8
Dumpingen overig afval
middel
102
47
9
Seksinrichtingen
middel
99,96
60
10
Verkeer, parkeren en stallen
middel
93,24
63
11
Vuurwerk
middel
91,8
65
12
Dieren
laag
90,48
66
13
Drank- en Horeca-Leeftijd
laag
89,76
67
14
Kappen
laag
89,44
70
15
Zwerfafval
laag
87,72
71
16
Stoken
laag
87,36
74
17
Explosie
laag
85,28
76
18
Inzameling Afval
laag
84,24
77
19
Terrassen
laag
83,64
82
20
Drank- en Horeca-Sluiting
laag
80,08
85
21
Gebruik openbare ruimte en water
laag
76,5
86
22
Uitwegen
laag
75,48
95
23
Kleine evenementen
extra laag
71,4
98
24
Kansspel
extra laag
70,72
110
25
Markten, losse standplaatsen
extra laag
61,2
113
26
Venten
extra laag
60,18
120
27
Collecteren
extra laag
55,08
Prioritering Kinderopvang
Domein
Kwaliteitsaspect
Indicator
Veilige omgeving
Gezonde omgeving
Pedagogisch beleid
Invloed ouders
Geloofwaardigheid
Totaalscore
Belang
Buitenschoolse opvang
1Ouders
Oudercommissie
1.1 Instellen oudercommissie
1
1
2
4
2
4
Laag
1.2 Voorwaarden oudercommissie
1
1
1
2
1
1,6
Laag
1.3 Adviesrecht oudercommissie
1
1
4
4
2
5,2
Gemiddeld
Informatie voor de ouders
1.4 Inhoud van de informatie voor ouders
1
1
1
4
1
2,8
Laag
1.5 Relatie tussen de informatie voor ouders en de praktijk
1
1
1
4
1
2,8
Laag
2Personeel
Verklaring omtrent het gedrag
2.1 Regels voor de verklaring omtrent het gedrag
4
4
1
1
4
6,4
Hoog
Beroepskwalificatie
2.2 Passende beroepskwalificatie
3
3
3
1
3
5,8
Gemiddeld
2.3 Voorwaarde en inzet van beroepskracht in opleiding
2
2
2
1
1
2,8
Laag
Nederlandse taal
2.4 Gebruik van de voorgeschreven voertaal
1
1
3
1
1
2,2
Laag
3Veiligheid en gezondheid
Veiligheid
3.1 Risico-inventarisatie veiligheid
4
4
1
3
4
7,6
Hoog
3.2 Beleid veiligheid
4
4
1
3
4
7,6
Hoog
3.3 Uitvoering beleid veiligheid
4
4
1
3
4
7,6
Hoog
Gezondheid
3.4 Risico-inventarisatie gezondheid
4
4
2
3
4
8,2
Hoog
3.5 Beleid gezondheid
4
4
2
3
4
8,2
Hoog
3.6 Uitvoering beleid gezondheid
4
4
2
3
4
8,2
Hoog
4Accommodatie en inrichting
Binnenruimte
4.1 Binnenspeelruimte
3
2
3
1
3
5,2
Gemiddeld
Buitenruimte
4.2 Buitenspeelruimte
1
1
3
1
3
3,4
Laag
4.3 Aangrenzende buitenspeelruimte
3
1
3
1
2
4
Laag
4.4 Niet aangrenzende buitenspeelruimte
4
1
3
1
2
4,6
Gemiddeld
5Groepsgrootte en leidster-kind-ratio
Groepsgrootte en leidster-kind-ratio
5.1 Opvang in groepen
3
2
3
1
3
5,2
Gemiddeld
5.2 Leidster-kind-ratio
3
2
3
1
3
5,2
Gemiddeld
5.3 Inzet beroepskrachten in afwijking van de leidster-kind-ratio
3
2
2
1
3
4,6
Gemiddeld
6Pedagogisch beleid en praktijk
Pedagogisch beleid
6.1 Pedagogisch beleidsplan
1
1
4
4
2
5,2
Gemiddeld
6.2 Relatie pedagogische beleidsplan met de praktijk
1
1
4
4
2
5,2
Gemiddeld
Leidster-kind-interactie
6.3 Sociaal-emotionele veiligheid
1
1
4
1
1
2,8
Laag
6.4 Persoonlijke competentie
1
1
4
1
1
2,8
Laag
6.5 Sociale competentie
1
1
4
1
1
2,8
Laag
6.6 Overdracht normen en waarden
2
2
4
1
1
4
Laag
7Klachten
Wet klachtrecht cliënten zorgsector
7.1 Wet klachtrecht
1
1
1
4
3
4
Laag
Dagopvang
1Ouders
Oudercommissie
1.1 Instellen oudercommissie
1
1
1
4
2
3,4
Laag
1.2 Voorwaarden oudercommissie
1
1
1
2
1
1,6
Laag
1.3 Adviesrecht oudercommissie
1
1
4
4
2
5,2
Gemiddeld
Informatie voor de ouders
1.4 Inhoud van de informatie voor ouders
1
1
1
4
1
2,8
Laag
1.5 Relatie tussen de informatie voor ouders en de praktijk
1
1
1
4
1
2,8
Laag
2Personeel
Verklaring omtrent het gedrag
2.1 Regels voor de verklaring omtrent het gedrag
4
4
1
1
4
6,4
Hoog
Beroepskwalificatie
2.2 Passende beroepskwalificatie
3
3
3
1
3
5,8
Gemiddeld
2.3 Voorwaarde en inzet van beroepskracht in opleiding
2
2
2
1
1
2,8
Laag
Nederlandse taal
2.4 Gebruik van de voorgeschreven voertaal
1
1
3
1
1
2,2
Laag
3Veiligheid en gezondheid
Veiligheid
3.1 Risico-inventarisatie veiligheid
4
4
1
3
4
7,6
Hoog
3.2 Beleid veiligheid
4
4
1
3
4
7,6
Hoog
3.3 Uitvoering beleid veiligheid
4
4
1
3
4
7,6
Hoog
Gezondheid
3.4 Risico-inventarisatie gezondheid
4
4
2
3
4
8,2
Hoog
3.5 Beleid gezondheid
4
4
2
3
4
8,2
Hoog
3.6 Uitvoering beleid gezondheid
4
4
2
3
4
8,2
Hoog
4Accommodatie en inrichting
Binnenruimte
4.1 Binnenspeelruimte
4
2
3
1
3
5,8
Gemiddeld
4.2 Slaapruimte
4
4
3
1
3
7
Hoog
Buitenruimte
4.3 Buitenspeelruimte
3
4
3
1
2
5,8
Gemiddeld
5Groepsgrootte en leidster-kind-ratio
Groepsgrootte en leidster-kind-ratio
5.1 Opvang in groepen
4
2
3
1
3
5,8
Gemiddeld
5.2 Leidster-kind-ratio
4
2
3
1
3
5,8
Gemiddeld
5.3 Inzet beroepskrachten in afwijking van de leidster-kind-ratio
4
2
2
1
3
5,2
Gemiddeld
6Pedagogisch beleid en praktijk
Pedagogisch beleid
6.1 Pedagogisch beleidsplan
1
1
4
4
2
5,2
Gemiddeld
6.2 Relatie pedagogische beleidsplan met de praktijk
1
1
4
4
2
5,2
Gemiddeld
Leidster-kind-interactie
6.3 Sociaal-emotionele veiligheid
1
1
4
1
1
2,8
Laag
6.4 Persoonlijke competentie
1
1
4
1
1
2,8
Laag
6.5 Sociale competentie
1
1
4
1
1
2,8
Laag
6.6 Overdracht normen en waarden
2
2
4
1
1
4
Laag
7Klachten
Wet klachtrecht cliënten zorgsector
7.1 Wet klachtrecht
1
1
1
4
3
4
Laag
Gastouderopvang
1Ouders
Oudercommissie
1.1 Instellen oudercommissie
1
1
2
4
2
4
Laag
1.2 Voorwaarden oudercommissie
1
1
1
3
1
2,2
Laag
1.3 Adviesrecht oudercommissie
1
1
4
4
2
5,2
Gemiddeld
Informatie voor de ouders
1.4 Inhoud van de informatie voor ouders
1
1
1
4
1
2,8
Laag
1.5 Relatie tussen de informatie voor ouders en de praktijk
1
1
1
4
1
2,8
Laag
2Personeel
Verklaring omtrent het gedrag
2.1 Regels voor de verklaring omtrent het gedrag
4
4
1
2
4
7
Hoog
Beroepskwalificatie
2.2 Passende beroepskwalificatie medewerkers
3
3
3
2
3
6,4
Hoog
3Veiligheid en gezondheid
Veiligheid
3.1 Risico-inventarisatie veiligheid
4
4
1
4
4
8,2
Hoog
3.2 Beleid veiligheid
4
4
1
4
4
8,2
Hoog
3.3 Uitvoering beleid veiligheid
4
4
1
4
4
8,2
Hoog
Gezondheid
3.4 Risico-inventarisatie gezondheid
4
4
2
4
4
8,8
Hoog
3.5 Beleid gezondheid
4
4
2
4
4
8,8
Hoog
3.6 Uitvoering beleid gezondheid
4
4
2
4
4
8,8
Hoog
4Pedagogisch beleid en kwaliteit
Pedagogisch beleid
4.1 Pedagogisch beleidsplan
1
1
4
4
2
5,2
Gemiddeld
4.2 Relatie pedagogische beleidsplan met de praktijk
1
1
4
4
2
5,2
Gemiddeld
Kwaliteit
4.3 Criteria voor de kwaliteit
4
4
4
4
3
9,4
Hoog
5Klachten
Wet klachtrecht cliënten zorgsector
5.1 Wet klachtrecht
1
1
1
4
3
4
Laag
Sanctiemodel Handhaving Kinderopvang
Herstellende sanctie
OKO
Prioriteit
uitslag GGD
Hersteltermijn
stap 1
stap 2
stap 3
stap 4 (aanvullende sanctie)
1
Dagopvang
laag
onvoldoende
maximaal 6 maanden
aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
maximaal 2 maanden
aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
gemiddeld
onvoldoende
maximaal 6 maanden
aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
maximaal 2 maanden
aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
hoog
onvoldoende
maximaal 14 dagen
aanwijzing/bevel
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
direct/max 14 dagen
aanwijzing/bevel
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
2
Buitenschoolse opvang
laag
onvoldoende
maximaal 6 maanden
aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
maximaal 2 maanden
aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
gemiddeld
onvoldoende
maximaal 6 maanden
aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
maximaal 2 maanden
aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
hoog
onvoldoende
maximaal 14 dagen
aanwijzing/bevel
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
direct/max 14 dagen
aanwijzing/bevel
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
3
Gastouderbureau
laag
onvoldoende
maximaal 6 maanden
aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
maximaal 2 maanden
aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
gemiddeld
onvoldoende
maximaal 6 maanden
aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
maximaal 2 maanden
aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
hoog
onvoldoende
maximaal 14 dagen
aanwijzing/bevel
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
direct/max 14 dagen
aanwijzing/bevel
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
4
Gastouders
laag
onvoldoende
maximaal 6 maanden
Aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
maximaal 2 maanden
Aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
gemiddeld
onvoldoende
maximaal 6 maanden
Aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
maximaal 2 maanden
Aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
hoog
onvoldoende
maximaal 14 dagen
aanwijzing/bevel
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
direct/max 14 dagen
aanwijzing/bevel
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
5
Peuterspeelzalen
laag
onvoldoende
maximaal 6 maanden
Aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
maximaal 2 maanden
Aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
gemiddeld
onvoldoende
maximaal 6 maanden
Aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
maximaal 2 maanden
Aanwijzing
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
hoog
onvoldoende
maximaal 14 dagen
aanwijzing/bevel
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
slecht
direct/max 14 dagen
aanwijzing/bevel
last onder dwangsom
exploitatieverbod
verwijdering uit landelijk register
Bijlage 5: Basiswerkwijze
Het hoofdproces voor het besluiten op een vergunningaanvraag volgt de wettelijke reguliere of uitgebreide procedure zoals vastgelegd in de Awb en de Wabo. Een samenvatting van het Wabo-werkproces is als volgt:
1Inboeken, registreren;
2Sturen ontvangstbevestiging;
3Casemanager omgevingsvergunning bepaalt:
a.Bevoegd gezag;
b.Uitgebreide of reguliere procedure;
c.Publiceren aanvragen en (concept)beschikkingen (veelal via frontoffice);
d.Overzicht bewaken over lopende procedures en de voorgang.
4De casemanager is verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvraag:
a.Toets volledigheid en ontvankelijkheid;
b.(Vak)inhoudelijke toets aan relevante beoordelingskaders;
c.Uitzetten bij interne- en externe adviseurs;
d.Bewaken van de termijn, om van rechtswege verleende vergunningen te voorkomen;
e.Aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren aanvrager;
f.Opstellen (concept)beschikking;
g.Registratie.
5Archiveren beschikkingen (analoog).
6Mogelijk bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige voorziening.
Afhankelijk van het zwaartepunt van de aanvraag wordt bepaald welke medewerker casemanager is.
De basiswerkwijze voor het verlenen van een omgevingsvergunning is vastgelegd in de registratiesystemen, waarbij de processtappen worden doorlopen en wordt aangegeven wie waarvoor verantwoordelijk is. Het gaat hier om de processtappen op hoofdlijnen. De gemeente specifieke werkwijzen en keuzes zijn vastgelegd in werkafspraken en -processen.
Correspondentie, beschikkingen, adviezen en vergunningvoorschriften zijn gestandaardiseerd voor de toestemmingen die onder de Wabo vallen. Er wordt een volledige ontvankelijkheidstoets verricht bij alle aanvragen om vergunning.
Als richtlijn geldt dat binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag schriftelijk om aanvullende gegevens wordt verzocht. Als de gevraagde stukken niet, niet op tijd of niet volledig worden aangeleverd wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Dit wil zeggen dat de aanvrager een besluit krijgt waartegen bezwaar kan worden ingediend.
Indien met de verlening van een vergunning het gevaar bestaat dat daarmee strafbare feiten gepleegd zullen worden of dat uit strafbare feiten verkregen geld benut zal worden, wordt in het voortraject of na ontvangst van de aanvraag een Bibob toets uitgevoerd. Daarbij wordt aangesloten bij het regionaal Bibob beleid. Hiervoor ontvangt de aanvrager een op maat gemaakt Bibob-vragenformulier en dient de aanvrager dit binnen twee weken retour te sturen. Toetsing vindt aan het Bibob-beleid. Binnen 30 dagen na ontvangst van het ingevulde vragenformulier wordt het advies afgerond en de aanvrager in kennis gesteld van de resultaten. Indien hiertoe aanleiding is, kunnen we advies inwinnen bij het Landelijk Bureau Bibob te Den Haag (onderdeel van het ministerie van Veiligheid en Justitie) waardoor de termijn van 30 dagen automatisch wordt verlengd met acht of twaalf weken.
Bijlage 6: Beoordelingskader slopen, bouwen, brandveiligheid en monumenten
Voor de activiteiten bouwen, monumenten en sloop geldt dat de gemeentelijke toets (de zogenaamde preventieve toets) gekarakteriseerd wordt als een ‘aannemelijkheidstoets’: een vergunning voor de activiteit bouwen wordt alleen verleend als voldoende aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de technische voorschriften. Hiermee stelt de wetgever duidelijk dat de gemeenten bij het toetsen van de bouwaanvraag niet de verantwoordelijkheid overneemt van de vergunninghouder of de bouwpartij.
Aanvragen voor vergunningplichtige bouwwerken worden met name aan de volgende onderdelen getoetst:
o Ontvankelijkheid
o Bestemmingsplan: Vertaling van ruimtelijke beleidskeuzes naar praktisch toepasbare voorschriften.
o Welstandseisen: Om de redelijke eisen van welstand te beoordelen, worden bouwplannen voorgelegd aan de Welstandcommissie. Indien de Monumentencommissie betrokken is, prevaleert de mening van de Monumentencommissie boven die van de Welstandscommissie.
o Bouwtechnisch: De wijze waarop bouwtechnische toetsing plaatsvindt wordt hieronder verder beschreven.
o Gemeentelijke Bouwverordening: stedenbouwkundige voorschriften (vangnet), voorschriften inzake tegengaan van bouwen op verontreinigde grond en procedurele welstandsvoorschriften. Monumentenwet en Erfgoedverordening: op welke wijze moet worden omgegaan met de monumentale status van een gebouw. In de Erfgoedverordening zijn de welstandseisen ten aanzien van monumenten, beeldbepalende panden en beschermde stads- en dorpsgezichten opgenomen.
o Verordening ruimte (onder andere bij veehouderijen aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij)
Bouwtechnische toetsing
Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om aannemelijk te maken dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Het is praktisch onmogelijk om alle geldende technische voorschriften even uitputtend te toetsen en te handhaven. Dat is uit het oogpunt van maatschappelijke risico’s en maatschappelijke kosten ook niet nodig. Door toekomstige wetgeving met mogelijkheden voor private kwaliteitsborging (gecertificeerde bouwplantoets) verschuift de toetsing aan het Bouwbesluit 2012 (vóór en tijdens realisatie) naar gecertificeerde bureaus.
In het Bouwbesluit 2012 zijn voorschriften gegeven voor het bouwen van woningen en woongebouwen, woonwagens en standplaatsen, niet tot bewoning bestemde gebouwen en voor bouwwerken geen gebouwen zijnde. Het Bouwbesluit 2012 maakt vervolgens onderscheid tussen twaalf verschillende gebruiksfuncties. De voorschriften voor de verschillende bouwwerken zijn verdeeld in vier thema’s, te weten: veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid. De voorschriften kunnen wat betreft zwaarte per gebruiksfunctie verschillen. Bovendien hanteert het Bouwbesluit 2012 verschillende niveaus met betrekking tot deze voorschriften. Bij verandering van zowel het gebruik als de technische staat van een bouwwerk zijn de voorschriften voor nieuwbouw uitgangspunt. Indien sprake is van een ondergeschikte verbouwing kan vrijstelling voor een lager niveau worden gegeven met als ondergrens het bestaande niveau als beschreven in het Bouwbesluit 2012.
De gemeente Halderberge hecht veel belang aan constructieve veiligheid en brandveiligheid. Op deze onderdelen toetst de gemeente, in overeenstemming met de landelijke norm, intensief voor de functies wonen en de functies die gerelateerd zijn aan publiek gebruik (bijv. scholen) of gebruik door meerdere personen. Dat betekent dat op deze onderdelen (en de deelaspecten daarvan) de gemeente veelal de landelijke norm hanteert.
Voor een beperkt aantal onderdelen dat samenhangt met bouwfysica en installatievoorzieningen hanteert de gemeente, in overeenstemming met de huidige praktijk, een lager toetsingsniveau dan de landelijke norm.
De gemeente acht deze onderwerpen minder prioritair vanwege de geringe maatschappelijke impact van eventuele fouten en rekent deze technische onderdelen primair tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager. Het intensief toetsen aan deze onderdelen kost onevenredige veel tijd en levert in verhouding maar een geringe kwaliteitswinst op.
Een bouwplan toetsen aan het Bouwbesluit conform de landelijke toetsmatrix vergt veel tijd voor de toetser, maar ook de aanvrager moet veel gegevens indienen bij de aanvraag van een omgevings-vergunning om aannemelijk te maken dat aan de voorschriften van het bouwbesluit wordt voldaan. Wij hebben op diverse onderdelen het toetsingsniveau verlaagd. De aanvrager hoeft minder gegevens in te dienen en de vergunningverlener kan de bouwbesluit toets wat sneller uitvoeren.
Het toetsingsniveau is iets verlaagd ten opzichte van de landelijke toetsmatrix maar het toetsingsniveau ligt aanzienlijk hoger dan het eerder bij de inwerkingtreding van Bouwbesluit 2003 vastgestelde “oude” toetsingsniveaus.
Conform hetgeen is geregeld in hoofdstuk 7 van het VTH-beleid Halderberge, werkt de gemeente Halderberge met vijf niveaus van toetsing. Per type bouwwerk wordt, afhankelijk van het risico, bepaald op welk niveau voor ieder van de onderwerpen per hoofdstuk van het Bouwbesluit 2012 getoetst wordt.
Niveau 0
Niveau 0 is het niet beoordelen of aan een voorschrift wordt voldaan.
Het niet beoordelen komt in de landelijke toetsmatrix niet voor. Zie ook de toelichting op niveau 1. Verder is niveau 0 vanwege het bevoegd gezag alleen van toepassing op aanvragen waarvoor een gecertificeerde toetsing op basis van BRL 5019 heeft plaatsgevonden waarvan de rapportage is aangeleverd bij de aanvraag.
De technische mogelijkheid om in de eigen matrix onderdelen op niveau 0 toe te kennen is alleen bedoeld voor bouwplannen die weliswaar privaat gecertificeerd zijn getoetst, maar die volledigheidshalve wel administratief worden ingevoerd.
Niveau 1
Uitgangspuntentoets: bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de globale uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergegeven.
Niveau 1 geeft in beginsel minimale invulling aan de taak van de toetsende instantie. Niveau 1 kan worden toegepast op voorschriften waarvan de kans dat daaraan niet wordt voldaan zeer gering is en waarvan bovendien de gevolgen van niet-voldoen zeer gering zijn. Met andere woorden, het gaat hierbij om voorschriften met een gering risico. In Bouwbesluit 2012 is het aantal voorschriften met 30% teruggebracht en de resterende voorschriften zijn derhalve in principe dermate relevant, dat het toekennen van niveau 1 in de matrix alleen nog uitzonderingen betreft. Indien relevante gegevens niet aanwezig zijn en het bevoegd gezag niet om aanvulling heeft gevraagd, dan kan de vergunning hier niet meer op worden aangehouden/geweigerd. Feitelijk is niveau 1 niet meer dan het beoordelen of alle stukken beschikbaar zijn die conform de Mor nodig zijn om de aanvraag (voor een bouwactiviteit) inhoudelijk te kunnen behandelen. Voorheen werd deze beoordeling aangeduid als de ontvankelijkheidstoets conform het besluit indieningsvereisten uit de MOR.
Niveau 2
Visueel toetsen: kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk? Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn, waarbij van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten aannemelijk zijn.
Niveau 2 is inhoudelijk het basisniveau binnen de matrix. Het is mogelijk om op basis van een aannemelijke uitkomst een vergunning te verlenen, nadere gegevens te vragen of een aanvullende buitencontrole voor te schrijven. Een vergunning weigeren op basis van een niet aannemelijke uitkomst zal vrijwel altijd in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. Indien een uitkomst niet aannemelijk is, zal de berekening altijd gecontroleerd/nagerekend moeten worden. Ook kan de aanvrager verzocht worden om door aanvulling van gegevens meer duidelijkheid te verschaffen.
Niveau 3
Representatief toetsen: controle van de maatgevende onderdelen. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de aangeleverde stukken om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten aannemelijk zijn. De maatgevende berekeningen worden gecontroleerd dan wel nagerekend.
Niveau 3 is het niveau van toetsen voor voorschriften met betrekking tot veiligheid en gezondheid, vooral van kwetsbare groepen. Niveau 3 is eveneens geadviseerd voor voorschriften die gesteld zijn in het algemeen belang. Het bepalen van wat de belangrijkste berekeningen zijn blijft een taak van de toetser. Hiervoor is geen eenduidige instructie te geven. Welke aspecten moeten worden nagerekend wordt bepaald op basis van de resultaten van de visuele toets.
Niveau 4
Volledig toetsen: alles in samenhang controleren. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken, aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen, in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten gecontroleerd/nagerekend.
Niveau 4 komt in de matrix voor met betrekking tot toepassing van gelijkwaardige oplossingen (art. 1.3 van Bouwbesluit 2012) en energiezuinigheid bij de woonfunctie. In de praktijk zal toetsen op niveau 4 voorkomen wanneer de kwaliteit van de aanvraag dan wel de veronderstelde weigeringsgrond aanleiding geeft tot het zwaarder toetsen dan volgt uit de matrix. Niveau 4 is zeer geschikt om bepaalde al dan niet tijdelijke of gebiedsgewijze speerpunten binnen het gemeentelijk beleid extra invulling te geven, bijv. bij een project Duurzaam Bouwen, veiligheid bij wonen nabij een industriegebied.
De toetsingsniveaus zijn vooral van belang bij voorschriften waar een berekening aan ten grondslag ligt. In het geval van eenvoudige voorschriften, zoals de aanwezigheid van een buitenruimte, is een onderscheid tussen niveau 2, 3 en 4 nauwelijks te maken.
Slopen
Voor slopen geldt een meldingsplicht of (indien in bestemmingsplannen of Erfgoedverordening geregeld) een vergunningplicht. De sloopmelding of –aanvraag wordt op diverse thema’s uitvoerig beoordeeld. Het betreft de thema’s omgeving, archeologie, cultuurhistorie, bodem, asbest, milieugevaarlijke stoffen en sloopafval. Ten aanzien van asbest wordt voor iedere sloop bij bouwwerken vóór 1994 een asbestinventarisatierapport gevraagd. De toetsresultaten ten aanzien van deze thema’s zullen waar nodig worden vertaald naar (nadere) voorwaarden.
Brandveiligheid
Aanvragen om vergunning in verband met nieuwbouw, uitbreiding en verbouw (met uitzondering aan- en verbouwen en van nieuwbouw van enkelvoudige grondgebonden woningen) worden ter beoordeling voorgelegd aan de VRMWB.
Monumenten e.d.
De omgevingsvergunning voor monumenten (wijziging), beeldbepalende panden (cultuurhistorisch waardevolle objecten) en beschermde stads- en dorpsgezichten vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk cultuurhistorisch erfgoed. Hiervoor is een Erfgoedverordening van toepassing. Naast de gebruikelijke beoordeling van de aanvraag via de (gemeentelijke) monumentencommissie wordt bij de toetsing van aanvragen om monumentenvergunningen aangesloten bij de toetsingsstrategie voor omgevingsvergunningen activiteit bouwen. Immers, voor vrijwel alle veranderingen aan een monument is ook een omgevingsvergunning vereist. Door de intensiteit van toetsing en toezicht te vergroten als het een monument betreft kan een afdoende waarborg tegen vernietiging van monumentale waarden worden verkregen.
Bijlage 7: Beoordelingskader ruimtelijke ordening
Bestemmingsplanbeleid
De bestemmingsplannen binnen de gemeente zijn dekkend voor het gehele gemeentelijke grondgebied. Het doel is om alle plannen actueel te laten zijn en niet ouder dan 10 jaar. Doel daarbij is het verkrijgen en behouden van actuele bestemmingsplannen voor de burgers en bedrijven in onze gemeenten.
De afgelopen jaren is door veranderde wet- en regelgeving het opstellen van een bestemmingsplan veel complexer geworden. In een bestemmingsplan wordt ingegaan op diverse aspecten zoals luchtkwaliteit, de watertoets, archeologie, etc. Om te zorgen voor een handhaafbaar bestemmingsplan, worden vergunningverleners en toezichthouders in het planproces betrokken.
Afwijkingbeleid
Het merendeel van de afwijkingen van de regels van bestemmingsplannen valt onder de reguliere procedure van de Wabo.
In veel bestemmingsplannen zelf zijn afwijkingsbevoegdheden opgenomen (binnenplanse afwijkingsmogelijkheden), waarbij criteria worden gesteld. Indien voldaan wordt aan die criteria wordt het afwijkingsbesluit verleend, mits er geen derden-belangen in het spel zijn die blijken uit ingediende zienswijzen. In het geval van derden-belangen wordt de aanvrager bewogen om in overleg met de derde-belanghebbende(n) er samen uit te komen. Indien er samen wordt uitgekomen, wordt de afwijking verleend. Wordt er niet samen uitgekomen dan zal met inachtneming van het overleg worden afgewogen welke belangen dienen te prevaleren; de belangen van de aanvrager of de belangen van de derde-belanghebbende(n) en wordt de afwijking daarna verleend of geweigerd.
In artikel 4 bijlage II van het Bor is de zogenaamde ‘kruimellijst’ opgenomen. Het betreft hier een vorm van een buitenplans afwijkingsbesluit waarbij de afwijking van bouwwerken en gebruik in principe van geringe omvang en invloed is (zowel planologisch als stedenbouwkundig). Als uitwerking van deze kruimellijst heeft de gemeente in beleidsregels criteria opgesteld: Beleidsregels artikel 4 bijlage II Besluit ruimtelijke ordening (Bor). Indien voldaan wordt aan die criteria wordt het afwijkingsbesluit verleend, mits er geen derden-belangen in het spel zijn die blijken uit ingediende zienswijzen. In het geval van derden-belangen wordt de aanvrager bewogen om in overleg met de derde-belanghebbende(n) er samen uit te komen. Indien er samen wordt uitgekomen, wordt de afwijking verleend. Wordt er niet samen uitgekomen dan zal met inachtneming van het overleg worden afgewogen welke belangen dienen te prevaleren; de belangen van de aanvrager of de belangen van de derde-belanghebbende(n) en wordt de afwijking daarna verleend of geweigerd.
Indien een bouwplan niet binnen het bestemmingsplan past en het niet tot de ‘kruimellijst’ behoort, wordt beoordeeld of voor het bouwplan een nieuw bestemmingsplan mogelijk is of dat een omgevingsvergunning, voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (voorheen ontheffing of projectbesluit) benodigd is. Vervolgens wordt beoordeeld of het wenselijk is om aan het initiatief mee te werken door het volgen van een toepasbare ruimtelijke procedure op basis van een ruimtelijke onderbouwing (aanvaardbaarheid). Alle betrokken belangen worden hierbij in beeld gebracht en afgewogen.
Bijlage 8: Beoordelingskader milieu
Voor de activiteit milieu is het bedrijf primair verantwoordelijk voor een milieuverantwoorde bedrijfsvoering, binnen de kaders die hiervoor door de overheid zijn gesteld. De werkzaamheden rondom vergunningverlening milieu hebben betrekking op het beoordelen van aanvragen ingevolgde de Wabo voor activiteiten met milieu nadelige gevolgen, het beoordelen van meldingen ingevolge het Activiteitenbesluit en de Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM).
Anders dan bij bouwen zijn voor milieu geen vaststaande methodieken voor het uitvoeren van een beoordeling. Dit komt omdat de milieutoets betrekking heeft op een grote variëteit aan bedrijfsactiviteiten, waarbij ook de locatie van de bedrijvigheid een belangrijke rol speelt. Voor een bedrijf dat is gevestigd op een industrieterrein worden doorgaans andere milieueisen gesteld dan aan een bedrijf dat is gevestigd in een woonwijk. Daarnaast kenmerkt de milieuregelgeving zich door een enorme hoeveelheid richtlijnen. Veel normen staan niet per definitie vast, maar moeten afhankelijk van locatie en bedrijvigheid door het bevoegde gezag worden bepaald in op maat gemaakte voorschriften.
Om de transparantie en uniformiteit in de behandeling zo goed mogelijk te waarborgen, worden afspraken vastgelegd over de uitvoering van de beoordeling. Vanwege het verschil in werkwijze gelden voor het behandelen van vergunningaanvragen en meldingen afzonderlijke beoordelingskaders.
De OMWB toetst voor de gemeenten op basis van het volgende beoordelingskader de aanvragen voor een vergunning milieu:
•Actuele milieuwet- en regelgeving, inclusief verordeningen (zoals geurverordening);
•Standaarden: er wordt gewerkt met standaarden voor bijvoorbeeld vergunningvoorschriften, consideransen, brieven en overige documenten;
•Aandachtspunten besluitvorming: in de besluitvorming wordt deugdelijk gemotiveerd op welke wijze invulling is gegeven aan de beoordelingsvrijheid. Ook wordt gemotiveerd op welke wijze eventueel ingebrachte adviezen en/of zienswijzen bij de beschikking zijn betrokken;
•Aanpassen vergunning: de gemeenten hebben de bevoegdheid en soms ook de plicht om vergunningen te actualiseren, te reviseren (integraal te herzien) en in te trekken.
Het beoordelingskader voor meldingsplichtige activiteiten bestaat uit het Activiteitenbesluit met eventueel een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets, het Besluit lozen buiten inrichtingen of het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval.
Externe veiligheid
De gemeente heeft bedrijventerreinen aangewezen waar risicovolle bedrijven zich mogen vestigen. De toename van nieuwe PR-contouren wordt daarmee niet uitgesloten. Hieronder vallen ook de groter wordende contouren door verandering van wet- en regelgeving. Het gronduitgifte beleid voor bedrijven, dan wel het beleid tot verwerven van gronden is een belangrijk instrument bij het beïnvloeden van de externe veiligheid.
Bij de toetsing van aanvragen krijgt externe veiligheid veel aandacht. Iedere aanvraag voor een omgevingsvergunning met de activiteit milieu en iedere melding Activiteitenbesluit wordt getoetst op externe veiligheid. In het uitvoeringsbeleid externe veiligheid is een procedure opgenomen hoe van vergunningaanvraag tot vergunningverlening wordt gewerkt op het gebied van externe veiligheid. Hierin wordt mede bepaald of een inrichting moet worden opgenomen in het RRGS (Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen).
Het verantwoorden van het groepsrisico wordt ingevuld in alle ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen waar dit conform wet- en regelgeving is vereist. Bij het bestuur wordt een weloverwogen en acceptabele afweging gemaakt.
Bodem, bouwstoffen en grondstromen
De gemeente is zelf geen bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming. Wel worden meldingen beoordeeld voor het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Deze meldingen worden altijd door de OMWB getoetst aan de eisen uit het Besluit Bodemkwaliteit.
De kwaliteit van de bodem speelt een rol bij onder meer bouwplannen, herinrichting van stadsdelen, civieltechnische werken, het verlenen van milieuvergunningen, etc. Bij deze activiteiten zijn diverse partijen betrokken. Al deze partijen (andere afdelingen binnen een gemeente maar ook aannemers, makelaars, projectontwikkelaars, etc.) hebben behoefte aan duidelijke regels voor het omgaan met de bodemkwaliteit en het toepassen van partijen grond en baggerspecie. Tevens wil de gemeente de bodemkwaliteit duurzaam beheren. Dat betekent onder meer dat hergebruik van vrijkomende grond efficiënt en verantwoord moet plaatsvinden.
Bij de toets van de meldingen worden de volgende aspecten meegewogen:
•De kwaliteit van uitvoering (Kwalibo).
Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit bodemkwaliteit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Kwalibo richt zich vooral op de bodemintermediairs. Dat zijn onder meer de adviesbureaus, laboratoria, aannemers, grondbanken, producenten van bouwstoffen en bedrijven die grond en baggerspecie reinigen en verwerken.
•De milieuhygiënische kwaliteit van bouwstoffen
Bouwstoffen die aan de generieke kwaliteitseisen van het Besluit bodemkwaliteit voldoen, mogen worden toegepast zonder nadere eisen aan de wijze van toepassing. Bouwstoffen die niet voldoen aan deze eisen kunnen (tot bepaalde grenzen) met isolerende maatregelen worden toegepast.
•De milieuhygiënische kwaliteit van grond en baggerspecie.
Voordat grond of baggerspecie wordt toegepast moet er sprake zijn van een nuttige toepassing. De toepassing van grond of baggerspecie mag niet leiden tot achteruitgang van de gebiedskwaliteit. De kwaliteit van een partij grond of baggerspecie moet voldoen aan de toepassingseisen van de Bodembeheernota. Bewijsmiddelen voor de kwaliteit van een partij grond zijn bodemonderzoeken (bijvoorbeeld partijkeuringen) en de Regionale Bodemkwaliteitskaart. Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van toe te passen of te verspreiden baggerspecie en voor de kwaliteit van de bodem onder oppervlaktewater zijn de onderzoeksstrategieën die voldoen aan een waterbodemonderzoek conform NVN 5720 van toepassing.
Bijlage 9: Beoordelingskader Algemene plaatselijke verordening en Bijzondere Wetten
Beoordelingskader reclame, kap en inritten
Voor het realiseren van activiteiten die als wettelijke basis in de APV zijn geregeld, vindt toetsing primair plaats op basis van de bepalingen in de APV. Naast deze publiekrechtelijke toetsing, vinden vaak ook privaatrechtelijke afspraken plaats als de activiteiten plaatsvinden op publieke gronden (bijvoorbeeld bij de aanleg van inritten). Afstemming vindt plaats met de wegbeheerders. Binnen de gemeente zijn dit de gemeente zelf, het waterschap, Rijkswaterstaat en de provincie.
Van kappen kan sprake zijn als een boom of houtopstand geveld wordt of als er zeer drastisch wordt gesnoeid, bijvoorbeeld het verwijderen van de kroon uit een boom. In de APV is opgenomen dat het verboden is om zonder kapvergunning bomen te vellen die deel uitmaken van de bomenlijst met kapvergunningsplichtige bomen en bomen die in de hoofdstructuur staan. In de lijst met kapvergunningsplichtige bomen staan zowel gemeentelijke als particuliere bomen. Door op deze lijst te kijken zou het voor de burger in een oogopslag helder moeten zijn of een aangevraagde boom wel of niet gekapt mag worden zonder vergunning. Naast de bomen op de kapvergunningsplichtige lijst zijn de gemeentelijke bomen in de ecologische hoofdstructuur (EHS) vergunningsplichtig.
Beoordelingskader natuurbescherming en flora en fauna
Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning de activiteit handelen in een natuurbeschermingsgebied bevat, of de activiteit kan gevolgen hebben voor de aanwezige flora en fauna, dan wordt door de gemeente een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) in het kader van de Wabo aangevraagd bij respectievelijk de provincie en IL&T. Beide activiteiten mogen ook direct door de aanvrager aangevraagd worden bij de provincie en IL&T.
De inhoudelijke toetsing ten aanzien van natuurbescherming en/of flora en fauna vindt plaats door de provincie en/of IL&T. De resultaten van deze toetsing (verklaring van geen bedenkingen) worden overgenomen in de beschikking.
Beoordelingskader evenementen
Voor het organiseren evenementen vindt toetsing primair plaats op basis van de bepalingen in de APV. Naast deze toetsing, kan er afhankelijk van de aard, omvang en locatie van het evenement ook worden getoetst aan:
o het ter plaatse geldende bestemmingsplan (of het betreffende gebruik op die locatie is toegestaan);
o het Bouwbesluit in verband met het brandveilig gebruik dan wel het oprichten van (tijdelijke) bouwwerken (podia, tenten, tribunes e.d.);
o de Wegenverkeerswet 1994;
o de DHW (m.n. artikel 35)
o de Brandbeveiligingsverordening;
o het gemeentelijke Bibob-beleid en de Wet Bibob.
Nadere informatie wordt ingewonnen bij de politie, de brandweer en de GHOR.
Bij de toets van de aanvraag worden met name de volgende aspecten meegewogen:
–De invloed van het evenement op de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.
Beoordelingskader horeca (en slijterijen)
Voor het realiseren van activiteiten die als wettelijke basis in de DHW (drank- en horecavergunning) en de APV (horeca-exploitatievergunning) zijn geregeld, vindt toetsing primair plaats op basis van de bepalingen in de DHW en de APV. Naast deze toetsing, moet ook worden getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan of het betreffende gebruik op die locatie is toegestaan. In beginsel zal er ook sprake zijn van het toetsen van de aanvraag (aanvragers en eventuele financiers) aan het gemeentelijke Bibob-beleid en de Wet Bibob. Nadere informatie wordt ingewonnen bij de politie, de Justitiële Informatiedienst, het RIEC en/of het Landelijk Bureau Bibob.
Bij de toets van de aanvraag worden de volgende aspecten meegewogen:
–De gestelde eisen met betrekking tot de leidinggevende(n);
–De gestelde eisen met betrekking tot paracommerciële instellingen;
–De bij amvb, in het belang van de sociale hygiëne, gestelde eisen ten aanzien van de inrichting;
–De invloed van de inrichting op de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting;
–De invloed van de inrichting op de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.
Bijlage 10: Vormen van toezicht
Toezicht op naleving kwaliteitseisen VTH taken
We onderscheiden de volgende soorten toezicht:
–Oplevering van vergunningen en meldingen: toezichtbezoek na verlenen vergunning/ontheffing of accepteren melding (activiteiten bouw, milieu, brandveiligheid en APV).
–Programmatisch toezicht : periodiek toezichtbezoek na verlenen vergunning/ontheffing of accepteren melding (activiteiten milieu, bouw, brandveiligheid en APV) of toezichtbezoek met als doel het controleren op algemene voorschriften van een AMvB waarvoor geen meldingsplicht geldt. Onder programmatisch toezicht vallen o.a. regulier, systeem en operationeel toezicht.
–Regulier toezicht: Integraal toezicht op voorzieningenniveau.
In de loop der jaren is het integraal toezicht een steeds grotere plaats in gaan nemen binnen het toezicht. Integraal wil zeggen dat tijdens het bezoek aandacht wordt besteed aan alle relevante wetgeving.
Vanuit de integrale benadering is het beter en eenvoudiger om het VTH-beleid te richten op doelgroepen. Programmatische toezichtbezoeken worden zoveel als mogelijk integraal uitgevoerd. Dit zal daar waar mogelijk door één toezichthouder worden uitgevoerd. In complexere gevallen zal een team van toezichthouders/specialisten worden samengesteld. Vanwege de complexiteit kan besloten worden af te zien van integraal toezicht en andere vormen van toezicht toe te passen, zoals systeemtoezicht, operationeel toezicht etc. Wanneer een inspectieteam wordt ingesteld is het streven om het aantal toezichthouders in een team tot een minimum te beperken. Op termijn moet een behoorlijke efficiëntiewinst te bereiken zijn doordat bij een aantal taken één toezichthouder op meerdere aspecten kan controleren.
-Systeemtoezicht: is een vorm van toezicht gericht op de processen en beheersingsmaatregelen binnen een bedrijf.
–Onaangekondigde toezichtbezoeken: Dit is een vorm van toezicht om vast te stellen of tijdens werksituaties de voorschriften worden nageleefd.
–Controle: bezoek t.b.v. het constateren van overtredingen. Dit bezoek is niet naar aanleiding van een vergunning/ontheffing of melding. Tijdens het bezoek worden eventueel verleende vergunningen of van toepassing zijnde meldingen wel gecontroleerd. (illegaal bouwen, dumpen afval, strijdig gebruik etc. bij milieu, bouw, brandveiligheid en APV)
–Deeltoezicht: idem als regulier/operationeel toezicht, alleen wordt maar een bepaald deel gecontroleerd, bijv brandveiligheid tijdens carnaval en kerst.
–Administratief toezicht: toezicht op het naleven van voorschriften zonder fysiek controle ter plaatse, bijvoorbeeld door het indienen van verplichte keuringen, jaarverslagen certificaten etc.
–Klachtenbezoek: Locatiebezoek n.a.v. klachten/meldingen van derden.
–Bezoek n.a.v. verzoek handhaving: Locatiebezoek n.a.v. een verzoek van derden om handhavend op te treden.
–Hercontroles: alle bezoeken n.a.v. eerdere toezichtbezoeken/controles waarbij opmerkingen zijn gemaakt met betrekking tot het naleven van voorschriften om vast te stellen of de overtredingen zijn opgeheven.
–Controle n.a.v. vooraankondiging: alle bezoeken n.a.v. een vooraankondiging bestuursdwang of dwangsom om vast te stellen of de overtredingen zijn opgeheven.
–Dwangsomcontroles: alle bezoeken n.a.v. opgelegde dwangsom om vast te stellen of de overtredingen zijn opgeheven.
–Bestuursdwangcontroles: alle bezoeken die nodig zijn om uitvoering te geven aan een bestuursdwangbeschikking.
–Zelfcontrole: Bij dit soort toezicht wordt van het bedrijf gevraagd om inspectielijsten in te vullen. Deze inspectielijsten moeten periodiek worden ingeleverd bij het bevoegde gezag. Afhankelijk van de resultaten wordt wel of geen extra toezicht uitgevoerd.
–Toezicht op bedrijfsbeëindiging: toezichtbezoek na het ambtshalve intrekken van de vergunning of wanneer een bedrijf zijn activiteiten op die locatie staakt om vast te stellen of aan alle voorschriften wordt voldaan die samenhangen met een bedrijfsbeëindiging.
Toezicht op naleving kwaliteitseisen Wet kinderopvang
Er zijn verschillende typen onderzoeken
–onderzoek na aanvraag registeropname (bedrijf nog niet in exploitatie).
–onderzoek na aanvangsdatum exploitatie (binnen drie maanden na aanvang).
–regulier inspectiebezoek: jaarlijkse standaardinspectie.
–naderonderzoek: herinspectie naar aanleiding van eerdere inspectie.
–incidenteel onderzoek: inspectie naar aanleiding van een signaal/klacht
–onderzoek bij niet-gemelde kinderopvang (illegale kinderopvang)
–bevindingenonderzoek in het kader van handhaving.
Van elk bezoek wordt door de GGD een inspectierapport gemaakt, dat openbaar gemaakt wordt zoals in de Wko is beschreven. Er kunnen redenen zijn om een inspectierapport niet openbaar te maken. Uitzonderingen kunnen alleen gemaakt worden op basis van de Wet openbaarheid van bestuur. Rapporten van een bevindingenonderzoek worden door de GGD niet openbaar gemaakt, omdat zij onderdeel uitmaken van een handhavingstraject.
Het regulier toezicht Wko wordt uitgevoerd volgens het principe van risicogestuurd toezicht, dat bestaat uit 4 type toezicht dat afhankelijk van het naleefgedrag van eerdere inspecties de vorm van de volgende inspecties bepaald (mini-inspectie, verkort toezicht, regulier toezicht en volledig (uitgebreid) toezicht).
Bijlage 11: Risico gestuurd toezicht
Halderberge maakt ook gebruik van een vorm van risico gestuurd toezicht (RGT). RGT is een extra input per bedrijf/locatie voor het bepalen van het programmatisch toezicht.
Risicogestuurd toezicht wordt ingezet vanuit de visie “meer toezicht waar nodig, minder waar mogelijk”. Het doel is de aandacht van toezicht vooral te leggen op die locaties waar een verhoogd risico aanwezig is, zowel op aspecten als veiligheid als op niet-naleving van de wet- en regelgeving. De doelstelling is ook dat het RGT geen verzwaring van de toezicht last in zijn totaliteit tot gevolg heeft. Op bedrijfsniveau kan RGT wel een vermindering of verzwaring van de toezicht last geven, afhankelijk van het risicoprofiel van het betrokken bedrijf. Het risicoprofiel geeft geen oordeel over de kwaliteit van het toezicht, het zegt slechts iets over de risico’s, omdat de locatie wel of niet voldoet aan wet- en regelgeving. Een steeds belangrijker aspect in het RGT wordt ook het beoordelen van de veiligheidscultuur binnen het bedrijf. Dit aspect is nog verder in ontwikkeling omdat het moeilijk is om objectieve criteria hiervoor te benoemen. De toezichthouder heeft hierin een belangrijke functie om dit aspect binnen het risico gestuurd toezicht te borgen.
Voor de handhavingsorganisatie is het, om RGT goed toe te kunnen passen, van belang inzicht te krijgen in het naleefgedrag van de bedrijven. Het naleefgedrag is te omschrijven als de wijze waarop de regelgeving wordt nageleefd zonder dat handhaving plaatsvindt. Het naleefgedrag van een gehele branche/handhavingstaak is bepalend voor het vaststellen van de prioriteit en is dus een indicator voor het afwegingsmodel. Het naleefgedrag per locatie/bedrijf is bepalend voor de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s via het risico gestuurde toezicht.
In de strategie van het RGT is opgenomen dat bij de meest risicovolle bedrijven onaangekondigde toezichtsbezoeken worden uitgevoerd.
Bij de meest risicovolle bedrijven betreft het een extra onaangekondigd toezicht naast het reguliere toezicht en bij de overige (minder) risicovolle bedrijven betreft het een onaangekondigd regulier toezicht. Met deze werkwijze wordt het doel van het onaangekondigd toezicht, controleren van de operationele vergunning voorschriften, gerealiseerd.
Naast het instrument van toezicht voorziet RGT ook in bestuurlijke interventie. Daar waar sprake is van zeer slecht naleefgedrag en een hoog risico wordt contact gelegd met de betreffende bedrijven om in overleg met het bestuur over de problematiek te spreken.
Het naleefgedrag wordt per locatie vastgelegd met een kleurcode. Afhankelijk van de indeling wordt bepaald wat voor soort toezicht wordt uitgevoerd en met welke frequentie. In het RGT is een borging ingebouwd om te voorkomen dat bedrijven buitenbeeld geraken wat betreft de risico’s.
Met de indeling in categorie groen (koploper) vervallen namelijk een aantal standaard toezichtstaken. Hierdoor kunnen een aantal zaken/overtredingen niet in beeld komen. De mogelijkheid bestaat dat het naleefgedrag afneemt en dat het niet geconstateerd wordt met het beperkte toezicht dat is gekoppeld aan deze categorie. Om te voorkomen dat een locatie verkeerd is ingedeeld en daardoor te weinig toezicht krijgt wordt periodiek toch een volledig toezicht uitgevoerd om naleefgedrag en juiste indeling opnieuw vast te stellen. Het vaststellen van de kleurcode per locatie is een taak van de toezichthouder. De toezichthouder is verplicht na het uitvoeren van een toezichts-/controlebezoek het naleefgedrag via de kleurcode in de rapportage vast te leggen. De rapportage is de input voor de toezichtsdatabase.
De indeling, soort toezicht en frequenties van het RGT wordt opgenomen in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma. Hierdoor is het mogelijk ze jaarlijks op basis van evaluatie aan te passen.
Bijlage 12: Roulatie en functiescheiding
Roulatie
Toezicht op naleving vergunning/melding/ontheffing vindt plaats direct nadat de vergunning/melding/ontheffing is verleend of op programmatische basis. Het doel van deze bezoeken is om te zien of de vergunninghouder zich houdt aan de inhoud van de verleende vergunning/melding/ontheffing. Bij constatering van een overtreding zal de overtreder aangeschreven worden om deze overtreding op te doen heffen.
Wanneer een toezichthouder jarenlang een vaste relatie heeft met de overtreder kan er een vorm van bedrijfsblindheid ontstaan of een binding met het bedrijf waardoor objectiviteit een rol kan spelen. Om zo efficiënt en effectief mogelijk te kunnen toezichthouden/handhaven moet er een roulatiesysteem zijn. In dit systeem moet de frequentie van roulatie en de hieraan gekoppelde voorwaarden aangegeven worden.
Belangrijk in deze is om een balans te vinden tussen dossierkennis, objectiviteit, effectiviteit en overige factoren. De kans dat een handhaver een band opbouwt met een bedrijf dat niet regelmatig (bijv. elke twee jaar minstens één keer) bezocht wordt, lijkt erg klein. Voor alle overige bedrijven geldt dat roulatie vaak al vanzelf plaatsvindt door doorstroming of verloop van personeel.
Omdat een aantal programmatische taken wordt uitgevoerd door externen zoals de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant, zijn met deze partijen hierover afspraken gemaakt.
Intensiteit
Voor de frequenter gecontroleerde inrichtingen geldt vaak dat die inderdaad intensief gecontroleerd worden, waarbij per bezoek speciale aandachtspunten bestaan, specifieke metingen en verdergaande administratieve controles verricht kunnen worden.
Die intensiteit heeft ook te maken met de omvang en complexiteit van de zwaardere inrichtingen. Die omvang en complexiteit vereisen een inwerktraject voor elke nieuwe toezichthouder, hoe vakbekwaam en ervaren die ook is. Het kan goed zo zijn dat een nieuwe toezichthouder een jaar en meerdere bezoeken nodig heeft (bij voorkeur gekoppeld aan een gedegen overdracht door de vorige toezichthouder van die specifieke inrichting) voor een compleet beeld van alle relevante aandachtspunten.
Dat onderstreept de behoefte om zeker niet te vaak te rouleren. Gaan we uit van een gemiddeld inwerktraject van ongeveer een jaar, dan lijkt een roulatiefrequentie van eens per 5 jaar redelijk.
Samenvattend
Roulatie is van belang bij programmatische controles die vaker dan één keer per twee jaar plaatsvinden. Roulatie vindt voor de betreffende inrichtingen minstens éénmaal per 5 jaar plaats.
Uitzondering
Er kunnen zich zaken voort doen die zich niet lenen voor overdracht van het dossier. Dit kan zijn als er sprake is van een relatie met meerdere wetten of op een andere manier een complexe materie vormen. Belangrijk bij deze zaken is de achterliggende kennis waarover een toezichthouder beschikt. Deze dossiers worden na goedkeuring van het management niet overgedragen aan een andere toezichthouder. In het dossier zal het gemotiveerde besluit om het dossier niet over te dragen aanwezig moeten zijn.
Functiescheiding
Scheiding van vergunningverlening (VV) en handhaving (HH) moet minimaal liggen op personeelsniveau en bij voorkeur ook op organisatorisch niveau.
Scheiding op organisatorisch niveau
Deze is het eenvoudigst vast te leggen door toezichthouders en vergunningverleners in verschillende organisatorische eenheden te plaatsen en dat middels een organogram en functiebeschrijvingen vast te leggen.
Scheiding op organisatorisch niveau is een voorkeursoptie, er kan worden volstaan met een heldere scheiding op personeelsniveau. Overigens dient bij een scheiding op organisatieniveau ook de onderdelen met betrekking tot scheiding op personeelsniveau te worden vastgelegd, voor die gevallen waarin een voormalig vergunningverlener van dezelfde organisatie zijn carrière op enig moment voortzet als toezichthouder (om te voorkomen dat die persoon toezicht gaat houden bij inrichtingen waarvoor hij de vergunning heeft geschreven).
Scheiding op personeelsniveau
Er is een 4-tal redenen om op personeelsniveau de VV- en HH-taken niet te vermengen:
•Toezicht (en handhaving) vereist specifieke kennis en vaardigheden en de toezichthouder en vergunningverlener hebben verschillende belangen.
•Wie beide doet, zal geneigd zijn meer tijd aan vergunningverlening te besteden en eerder de norm bijstellen dan sancties treffen.
•Tussen een vergunningverlener en een bedrijf ontstaat een zekere relatie, die hem/haar als toezichthouder in de weg zou kunnen staan.
•Als een toezichthouder onvolkomenheden in een vergunning onderkent, moet hij/zij zich vrij voelen om zijn leidinggevende te adviseren de vergunning te veranderen.
Daaruit komt naar voren dat iemand die ergens toezicht uitvoert, in ieder geval:
1Beschikt over de voor handhaving benodigde kennis, vaardigheden en attituden.
2Niet ook vergunningverlening in zijn takenpakket heeft.
De taken van iemand die toezicht houdt moeten worden vastgelegd. In het jaarlijkse werkprogramma worden de taken van iedere toezichthouder beschreven en wordt duidelijk gemaakt dat diezelfde persoon geen vergunningverleningstaken heeft (anders dan misschien een handhaafbaarheidstoets).
Opleveringscontroles
Een laatste punt van discussie is de vraag of een opleveringscontrole de laatste stap is in het vergunningverleningstraject of de eerste stap in het toezicht. Hoe men daar ook over denkt in verband met de benodigde toelichting op voorschriften, het is duidelijk dat er ook in een opleveringscontrole tekortkomingen in de naleving geconstateerd kunnen worden. Daarbij is het dus zeker van belang dat die constateringen door de “onpartijdige” toezichthouder gedaan worden en niet door de vergunningverlener.
Het is dan ook aan te raden om opleveringscontroles als eerste stap van het toezicht te zien en te laten uitvoeren door een toezichthouder.
Aan functiescheiding wordt in de gemeente Halderberge op de volgende wijze voldaan:
Het toezicht op en de handhaving van de wettelijke regels voor milieuwetgeving, ruimtelijke ordening- en bouwwetgeving en de plaatselijke verordeningen van de gemeente zijn opgedragen aan het team Klantzaken en de OMWB.
Binnen het team Klantzaken verrichten toezichthouders geen taken op regelvoorbereidend of –gevend gebied. Dit geldt andersom ook voor de taken op het gebied van vergunningverlening en beoordelen van meldingen. Medewerkers die deze taken uitvoeren zijn niet betrokken bij het uitvoeren van toezichtstaken. De scheiding op het juridische vlak is nog niet geregeld.
De OMWB dient als organisatie zelfstandig te voldoen aan de kwaliteitscriteria en dus ook aan het onderdeel functiescheiding en dient dit aan te kunnen tonen aan de opdrachtgever.
Bijlage 13: Afstemming en uitwisseling van handhavingsinformatie
Interne afstemming en uitwisseling van handhavingsinformatie
Het gaat hier om operationele informatie-uitwisseling intern en met andere handhavingsorganisaties van toezichtresultaten, sancties en gedoogbesluiten. Hierbij gelden diverse beperkingen op grond van privacyregelingen. Voor de externe informatie-uitwisseling zijn op grond van de LHS protocollen opgesteld.
A. Interne informatie-uitwisseling
Het doel is op adequate wijze uitwisselen en afstemmen van informatie met andere medewerkers en andere organisatieonderdelen (interne informatie-uitwisseling).
Binnen één organisatieonderdeel Klantzaken of in geval van meerdere betrokken organisatieonderdelen doen zich situaties voor waarbij het raadzaam is samen af te stemmen of informatie uit te wisselen.
Het gaat om de volgende situaties:
–bij het opstellen van een vergunning door een vergunningverlener, behoort deze getoetst te worden op handhaafbaarheid. Dat kan door een toezichthouder gebeuren. Daarbij wordt gekeken naar de reikwijdte van de vergunning en de daarin opgenomen voorschriften en het al dan niet handhaafbaar zijn daarvan;
–Tijdens het toezicht kunnen overtredingen worden geconstateerd, waarbij vervolghandelingen moet worden afgestemd met de vergunningverlener. Het betreft met name overtredingen waarbij de inrichting uitgebreid en/of gewijzigd is ten opzichte van de vigerende vergunning. De vergunningverlener bekijkt of deze overtredingen te legaliseren zijn en doet hierover verslag aan de toezichthouder.
–bouwregelgeving (constructief, conform bouwvergunning).
–brandveiligheid.
–bestemmingsplan (gebruik pand/perceel conform plan);
–bodem;
–Algemene Plaatselijke Verordening (APV);
Afstemming met andere interne organisatieonderdelen:
Tijdens het toezichttraject kan op diverse momenten, bijvoorbeeld bij de voorbereiding van een controle, bij het verslagleggen van controleresultaten en de bij afronding van het traject afstemming met andere organisatieonderdelen noodzakelijk zijn. Aspecten waarbij overleg/informatie-uitwisseling onder meer aan de orde is, zijn:
–bestemmingsplan (nieuwe planontwikkeling).
–afstemming en uitwisseling handhavingsinformatie over wel of geen legalisatiemogelijkheid.
–waterkwaliteit- en waterkwantiteitsregeling.
–Bodembeleid.
–natuurwet- en regelgeving (gebruik groene ruimte).
–Algemene Plaatselijke Verordening (APV) (beleid).
B. Externe informatie-uitwisseling
Informatie-uitwisseling met andere handhavingsorganisaties is met name geregeld in de LHS.
Daarnaast heeft externe informatie-uitwisseling van handhavingsinformatie betrekking op het voor publiek beschikbaar stellen van controlerapporten. Een controlerapport wordt aan de exploitant/overtreder toegezonden en ter inzage beschikbaar gesteld voor het publiek. Bij het verstrekken van informatie aan het publiek dient rekening te worden gehouden met het gestelde in de Wet openbaarheid van bestuur.