Gemeentelijke regelgeving

Trotse dragers van het landschap visie polderlinten Haarlemmermeer en beeldkwaliteitsplan voor de erven

Gemeente Haarlemmermeer · geldt sinds 27 mei 2023

Aanhef

De raad van de gemeente Haarlemmermeer;

gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders van 14 maart 2023,

nummer 7450714 ;

besluit:

1in te stemmen met de beantwoording van de zienswijzen en voorgestelde aanpassingen volgens de bij dit raadsvoorstel gevoegde Nota van zienswijzen Polderlinten, trotse dragers van het landschap;

2de visie 'Trotse dragers van het landschap, Visie polderlinten Haarlemmermeer en beeldkwaliteitsplan voor de erven' (verder: visie) vast te stellen als

a.handreiking en inspiratie voor ondernemers, inwoners, initiatiefnemers en andere belanghebbenden

b.uitgangspunt voor gemeentelijke ontwikkelingen, aanpassingen in en de inrichting van de openbare ruimte;

3de ontwikkelprincipes in paragraaf 3.5 over de bebouwing op de erven toe te voegen aan de welstandsnota 'Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020' (2020.0002340);

4het raadsbesluit 'Visie Polderlinten en beeldkwaliteitsplan voor de erven' (2022.0000056, 2 juni 2022) in te trekken.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 6 april 2023.

De griffier,

J. van der Rhee, B.Ha

De voorzitter,

M.H.F. Schuurmans-Wijdeven

Bijlage I - boerderijtypes, inspiratie voor de omgang met historische boerderijen

Waardevolle boerderijtypes

In de gemeente Haarlemmermeer treffen we een grote variëteit van boerderijtypen uit verschillende strek- en aan. Mensen die in de Haarlemmermeerpolder gingen pionieren lieten hun boerderijen vaak bouwen naar het voorbeeld van boerderijen uit hun geboortestreek. Vaak werden wel aanpassingen gedaan zodat de hoeven beter geschikt waren voor de natte polder en veranderende bedrijfsvoering.

In deze notitie zijn vier karakteristieke boerderijen uit de gemeente Haarlemmermeer uitgelicht. Het doel is om inzicht te geven in de mogelijkheden om, op basis van de historische kenmerken, een boerderij te trans- formeren waarbij nieuwe functies een plek kunnen krijgen. Benoemd wordt welk type ontwikkeling, gebaseerd op de kenmerken van de boerderij, passend zou kunnen zijn bij het boerderijtype. Bij transformatie zouden de typerende kenmerken van de boerderij zoveel mogelijk behouden moeten blijven of versterkt worden. Daarnaast is het gemeenschappelijk gebruik van de tuinen (moestuin, siertuin, fruitboomgaard) daarbij een voorwaarde. Deze functies mogen echter niet zomaar in het betreffende type boerderij gerealiseerd worden. Wat er mag is afhankelijk van het bestemmingsplan en de locatie, en er dient altijd een vergunning te worden afgegeven.

Bijlage: Boerderijtypes

Inspiratie voor de omgang met historische boerderijen

Kenmerken Stolp boerderij

De Noordhollandse Stolpen komen in Haarlemmermeer in vele variaties voor. Het dak van een stolp is altijd met pannen of riet bedekt. De vorm van dit piramidedak is op een prettige wijze dominant in het landschap aanwezig, zonder dat het zeer volumineus of massaal overkomt. Stolpboerderijen worden

ook wel de ‘Piramides van de polder’ genoemd, het accent van de boerderijen ligt namelijk op de kenmerkende vorm van het dak. Ook als stolpen in een dicht bebouwingslint staan, blijft door de dakvorm voldoende ‘lucht’ en zicht op achterliggende gebieden aanwezig. De goothoogte van stolpen varieert, maar begint doorgaans na de eerste laag en is nooit hoger dan 3,5 m. De hoek van de daklijn ligt meestal tussen de 40 en 55 graden. De nokhoogte is altijd afhankelijk van de breedte van het gebouw en de dakhelling. De stolp heeft vaak een uitsparing aan de gootlijn aan de representatieve voorgevel in de vorm van een koekoek. De stolp wordt daarnaast soms verlengd. De basis van de stolp is dan rechthoekig in plaats van vierkant. Het is van belang dat de korte gevel zich naar de weg oriënteert.

Een voorbeeld van een stolpboerderij met een koekoek in de voorgevel

(Margot Oosterveen)

Behoud van karakteristieke kenmerken

De stolp is van oorsprong een gebouw met meerdere functies onder een dak. Nog steeds is de stolp erg geschikt voor het vestigen van verschillende functies en activiteiten. Denk vooral aan functies waarbij het erf niet in aparte tuinen wordt opgedeeld, zoals een kinderdagverblijf, zorgvoorziening met dagverblijf, dierenpensioen, woning met praktijk of kantoor aan huis. Het opsplitsen van een stolp in twee of meer wooneen- heden versterkt de ruimtelijke kwaliteit niet altijd. Ook het volume in de stolp zelf gaat snel verloren. Deze ruimte maakt de stolp juist interessant. In plaats van het splitsen van de stolp om extra woningen te creëren kan er ook gedacht worden aan het realiseren van een woning in een bijgebouw.

Via het Rijk en de provincie zijn er financiële mogelijkheden voor eigenaren van historische stolpen (zie ‘Kansen voor de Stolp’, Mooi Noord-Holland 2015).

Meest typerende kenmerken:

•De basis van de stolp is meestal vierkant maar kan ook rechthoekig zijn.

•De goothoogte varieert maar is nooit hoger dan 3,5 meter

•De hoek van de daklijn ligt meestal tussen de 40 en 55 graden.

•Het dak is met riet of pannen bedekt

•Behouden van het ruime, open karakter in de stolp zelf.

Voorbeeld: Een stolp van 20 meter in het vierkant resulteert in een hoogte van minimaal 13m tot maximaal 15 meter. Bij een breedte van 24 meter resulteert dit in een nokhoogte van 18 meter.

Principeschets met voorbeeld van een stolpboerderij in Haarlemmermeer. Hier is sprake van een verlengde stolpboerderij waarbij de basis rechthoekig is. (Kathrin Vierveijzer)

Kenmerken Haarlemmermeerse boerderij

In de loop der tijd ontwikkelde zich het Haarlemmermeerse boerderijtype. Deze boerderij is gebaseerd op de stijlkenmerken van de verschillende boerderijen in de polder, maar is speciaal aangepast aan de hoge oogstopbrengsten en de grootschalige erven in Haarlemmermeer. Dit Haarlemmermeerse boerderijtype ontwikkelde zich direct na de drooglegging en vernieuwingen bleven zich voortdoen tot ongeveer de tweede helft van de 20e eeuw. De kop-romp boerderij, met woonhuis aan de voorkant en grote schuur in het verlengde, is de basis van het Haarlemmermeerse type. Het woonhuis kan asymmetrisch aan de linker of aan de rechter kant van de schuur gepositioneerd zijn of in het midden. Verder kan het ook dwars voor het midden van de schuur staan. Het woonhuis heeft over het algemeen een zadeldak, is sierlijk en heeft een representatieve voorgevel. Bij de woonhuizen die haaks op de schuur staan is soms ook voor een mansarde kap gekozen.

Principeschets met voorbeeld van een Haarlemmermeerse boerderij in Haarlemmermeer. Hier is het opgetilde dak van de schuur goed te zien. (Kathrin Vierveijzer)

De schuur kenmerkt zich door het grote volume en de hoogte. Om meer oogstruimte te krijgen werd het dak omhoog getild zodat er een tweede laag ontstond. Zo ontstond een grote oogstschuur waar licht in de vorm van stroken onder het schil- ddak naar binnen kon schijnen. Aan beide kanten van de schuur werden zijbeuken toegevoegd met een laag aflopende kap. Het gebruik van de zijbeuken varieert. Terwijl de westkant meestal werd gebruikt voor paarden- en veestallen konden aan de andere kant koetsen, tractoren en auto’s gestald worden. Soms werd deze zijbeuk ook als woongelegenheid voor seizoenarbeiders gebruikt of als uitbreiding van het woonhuis, bijvoorbeeld als bijkeuken.

Voor de hoeve werd meestal het materiaal gebruikt dat er voor handen was. Waar in het begin vooral baksteen werd gebruikt, werd er in de moeilijke tijden van het interbellum ook voor goedkopere opties zoals lichte zandsteen gekozen. Inmiddels neemt het gebruik van golfplaten toe. Traditioneel werden Hollandse dakpannen als dakbedekking gebruikt, maar in de twintigste eeuw werden er ook asbestplaten gebruikt.

Het woonhuis heeft over het algemeen een zadeldak, is sierlijk en heeft een representatievevoorgevel.

Veel schuren die voor de 20e eeuw gebouwd werden, hebben één of meerdere ronde gietijzeren ramen in de voorgevel en rechthoekige raampjes in de zijgevel.

In de loop van de tijd zijn veel schuren van oorspronkelijk an- dere typen boerderijen vervangen door het grotere Haarlemmermeerse schuurtype.

Behoud van karakteristieke kenmerken

Authentieke boerderijen van het Haarlemmermeerse type kunnen door het geschakelde woonhuis goed getransformeerd worden naar wonen met werkplaats of kantoor aan huis. De ruime en hoge schuren bieden veel plaats voor machines, etalages of representatieve kantoren en vergaderzalen. Het Haarlemmermeerse Boerderijtype leent zich bij uitsteek als basisontwerp voor karakteristieke en landelijke nieuwe woningen. Het kenmerkende opgetilde dak zorgt voor licht en ruimte op de bovenverdiepingen, onderdelen die bij veel moderne woonhuizen achteraf moeten worden toegevoegd.

Meest typerende kenmerken:

•De kop-romp opbouw is kenmerkend voor dit type boerd- erij

•Woonhuis aan de voorzijde en grote schuur in het verlengde

•Woonhuis heeft een sierlijke voorgevel

•De schuur heeft een omhoog getild dak waardoor er ruimte en licht ontstaat

•Zijbeuken met laag aflopende kap

•Ronde gietijzeren ramen in de voorgevel en rechthoekige raampjes in de zijgevel.

Voorbeeld van het Haarlemmermeerse boerderijtype. Hier is het opgetilde dak, dat oorspronkelijk bedoeld was om meer ruimte en licht te creëren, goed te zien. (Kathrin Vierveijzer)

Kenmerken Kop-(hals-)romp boerderij

De boerderijen van het kop-hals-romp type, en variaties daar- op, bestaan uit een woonhuis geschakeld aan een schuur. Van oorsprong komt dit boerderijtype uit Friesland en Groningen. Het woonhuisgedeelte is de kop, het middengedeelte de hals en de schuur de romp. Het geheel doet vaag denken aan een liggende koe. Door de veelzijdigheid van de kop-(hals)-romp boerderij was deze zowel geschikt voor veehouderijen als voor akkerbouw. Boerderijen met veeteelt zijn te herkennen aan de hogere voorhuizen met daaronder de melkkelder en de stalraampjes in de schuur. Een akkerbouwbedrijf heeft een ver- lengt voorhuis voor een grotere graanzolder en grotere ramen aan de achterkant van de schuur, die als dorsruimte gebruikt werd.

De hals van een kop-hals-romp boerderij werd in de meeste gevallen als karnelokaal en waskeuken gebruikt. In de minder welvarende gebieden en in bedrijven met akkerbouw als over- heersende bedrijfstak bleef de hals meestal geheel achterwege. Zo ontstond de kop-romp boerderij die kleiner en goedkop- er in aanleg was.

Het woonhuis, soms doelmatig en sober in uitstraling, kan ook erg sierlijk en representatief zijn. Veelal werden sierlijsten, makelaars en uilenborden aan het woonhuis geplaatst en sierlijke glas-in-lood ramen voor de schuur gekozen.

De kop-(hals)-romp boerderij heeft het woonhuis in het midden van de korte gevel van de schuur, of asymmetrisch links of rechts aan de korte gevel van de schuur georiënteerd. Soms is het woonhuis ook dwars aan de schuur geschakeld.

In de gemeente Haarlemmermeer is de kop-romp boerderij soms gecombineerd met het Haarlemmermeerse schuurtype, zie hiervoor ‘Haarlemmermeerse boerderij’.

Het geheel doet vaag denken aan een liggende koe.

Voorbeeld van een Kop-romp boerderij in de gemeente Haarlemmermeer

(Kathrin Vierveijzer)

Behoud van karakteristieke kenmerken

Boerderijen van het kop-(hals)-romp type komen veel voor en zijn uiterst veelzijdig. Door de geschakelde opbouw is het woonhuis van nature al gescheiden van de schuur, en zeer geschikt voor bijvoorbeeld kantoorfuncties of ontvangstruimtes terwijl de schuur industrieel kan worden gebruikt of in meerdere kamers kan worden opgesplitst. Het is van belang om de kenmerken van de kop-romp boerderij te herstellen/te bewaren, zoals de stalraampjes in de schuur of de kop-hals- romp opbouw van de boerderij.

Meest typerende kenmerken:

•De kop (-hals)-romp opbouw is kenmerkend voor dit type boerderij. Het woonhuis wordt meestal in het verlengde van de schuur gebouwd

•Het woonhuis kan een representatieve en sierlijke uitstraling hebben

•Er werd gebruik gemaakt van sierlijsten, makelaars en uilenborden aan het woonhuis.

•De stalramen in de schuur zijn kenmerkend. De schuur had vaak sierlijke glas in lood ramen.

Restaurant Den Burgh is gevestigd in een monumentale boerderij uit 1859 van het type langgevel. (Kathrin Vierveijzer)

Kenmerken Langgevelboerderij

De boerderijen van het langgeveltype ontstonden in het gehele midden van Nederland, van Groningen en Friesland tot Brabant en Noord-Limburg komen de Hallehuisboerderijen voor. Ze kenmerken zich door een lange, rechthoekige opzet met voorin het woongedeelte en achter een stenen brandmuur het bedrijfsgedeelte. De voorgevel is overwegend rijk versierd met makelaars, siermetselwerk of windvang. Ook al waren de stal, schuur en het woonhuis onder één dak gevestigd, bijgebouwen waren nog steeds nodig. Bijgebouwen liggen achter de voorgevelrooilijn parallel aan de boerderij. Schuren of bijgebouwen zouden niet dwars

gebouwd moeten worden. Langgevelboerderijen hebben een zadeldak bedekt met dakpannen of riet. De regionale variaties van de Langgevelboerderijen zijn té divers om op te noemen. In de Haarlemmermeerpolder zijn er velen toegepast. Het is belangrijk om deze verscheidenheid bij transformatie te versterken.

Behoud van karakteristieke kenmerken

Een Langgevelboerderij is bijzonder geschikt voor transformatie in representatieve functies of horeca door de subtiele splitsing van het woonhuis en de ruime schuur. Ook het splitsen van het langhuis in meerdere woningen kan een aantrekkelijke optie zijn. Gemeenschappelijk gebruik van de tuinen (moestuin, siertuin, fruitboomgaard) is daarbij een voorwaarde.

Het langgeveltype in de Haarlemmermeerpolder heeft een grote variatie in volume, lengte en hoogte. Hierdoor is het van belang om de juiste functie bij de boerderij te vinden.

Meest typerende kenmerken:

•Kenmerkend is de lange, rechthoekige opzet van het gebouw.

•De voorgevel heeft een rijke versiering met siermetselw- erk, makelaars en windvang.

•De boerderijen hebben een zadeldak bedekt met dakpan- nen of riet.

•Bijgebouwen liggen achter de voorgevelrooilijn en hebben dezelfde oriëntatie als de boerderij.

Voorgevel van boerderij Den Burgh (Kathrin Vierveijzer)

Cultuurhistorische waardering historische boerderijen

In de geoviewer van de gemeente Haarlemmermeer is van elke historische boerderij in de gemeente een overzicht opgenomen met een uiterlijke beschrijving, het vermoedelijke jaar van stichting en bouw, en voor zover bekend de historie van het perceel. Een cultuurhistorische waardestelling is op een kaart aangegeven. Bij initiatieven voor een boerderij kan de erfgoeddeskundige van de gemeente om advies worden gevraagd. De Provincie en meerdere stichtingen hebben ook adviesorganen en kunnen ondersteunen bij plannen.

De cultuurhistorische waardering heeft vier categorieën:

Categorie 1: Zeer hoge waarde - De boerderij is in het verleden door de gemeente, provincie of het Rijk als monument bestemd. De boerderij mag niet gesloopt worden en voor wijzigingen is een vergunning nodig. Het advies is om de cultuurhistorische waarden te behouden en versterken.

Categorie 2: Hoge waarde – De boerderij heeft veel waardevolle elementen, zoals bijvoorbeeld erfbebouwing uit de pionierstijd, een representatieve bouwstijl voor het specifieke boerderijtype en geen of nauwelijks bouwwijzigingen sinds de oplevering van de boerderij. Aanvullend onderzoek is aangeraden om de cultuurhistorische waarden uitgebreid in beeld te brengen. Het advies is om de cultuurhistorische waarden te behouden en versterken bij transformatie of herbestemming. Sloop is niet wenselijk en alleen in uitzonderlijke gevallen aanvaardbaar. Dit moet dan goed onderbouwd worden.

Categorie 3: Gemiddelde waarde – De boerderij heeft een standaard opzet en de bouw dateert niet uit de pionierstijd. De boerderij heeft een beperkte hoeveelheid stijlkenmerken en heeft mogelijk meerdere bouwwijzigingen of zelfs sloop/nieuwbouw ondergaan sinds de oplevering. Aanvullend onderzoek is aangeraden om de cultuurhistorische waarden uitgebreid in beeld te brengen. Het advies is om het profiel en boerderijtype van de (oorspronkelijke) boerderij als uitgangspunt te nemen bij transformatie, herontwikkeling of sloop-nieuwbouw.

Categorie 4: Lage waarde – De boerderij heeft weinig cultuurhistorisch waardevolle elementen. De boerderij dateert niet uit de pionierstijd en is door bouwingrepen of sloop zo veranderd dat het oorspronkelijke profiel of boerderijtype niet herkenbaar is. Het advies is om aanwezige landschappelijke elementen van de boerderijfunctie en erfidentiteit bij sloop-nieuwbouw terug te brengen conform de inrichtingsprincipes van het beeldkwaliteitsplan. De geplande bebouwing van het erf kan refereren aan een vroegere bebouwingsfase of een boerderijtype.

De cultuurhistorische waardestelling is alleen op de cultuurhistor- ische waarden gebaseerd, los van de bouwtechnische toestand, gebruikers- of overheidsbelangen, of andere aspecten.

Boerderij de Schie met bijzondere klokgevel. (Kathrin Vierveijzer)

Bijlage II - erfbeplanting, inspiratie voor de ontwikkelingsrichting ‘Versterk de erfbeplanting met gebiedseigen beplantingen’

Afkomstig uit: “Erven en landschappelijke beplanting in de gemeente Haarlemmermeer”

Een studie naar de kernwaarden van de erven en de historische wegbeplantingen en landschapsbeplanting (Landschap Noord-Holland, 2013)

Op de erven in de Haarlemmermeer staan rond 1900 verschillende soorten beplanting. Het type beplanting is afhankelijk van het erftype en vaak ook van de streek waar de eerste bewoners van afkomstig waren.

Het woonerf

De woonerven hadden beplanting op de erfranden en daarnaast was er weinig beplanting op het erf. Meestal was er een moestuin en stonden er wat fruitbomen. Ook stond er wel eens een solitaire boom voor de woning. Enkele woonerven waren wat rijker beplant met inheemse bomen en struiken.

Boerenerf

Het boerenerf in 1900 had een brede variatie aan beplanting, waaronder bomenrijen, hoogstamfruitboomgaarden, geschoren hagen, solitaire bomen, windsingels, (hakhout)bosjes met rondom sloten, leibomen, laanbomen en struikgewas. Als je vanuit de winderige polder het boerenerf op kwam, stond je meteen in de luwte.

Het erf was omgeven met een robuuste bomenrij en op de windkant was vaak een windsingel aanwezig. Op een perceel naast de boerderij stond veelal de hoogstamfruitboomgaard, die begrensd werd door een smalle sloot met daarlangs een hakhoutsingel van zwarte els. Alleen de voortuin (het gedeelte van het voorerf tussen de voorgevel van de woning en de weg) bleef open. Vaak werd er rond de voortuin stond een geschoren haag geplant.

Als deze beplantingen nu nog aanwezig zijn hebben ze ook bijzondere natuurwaarde als leefgebied voor insecten, zangvogels, muizen, hermelijntjes, kikkers, salamanders en allerlei bijzondere planten. Trekvogels en vleermuizen gebruiken deze bosjes ter oriëntatie en als rustpunt.

Op dit moment zie je vaak bomen langs de zij- en achtererfranden. Omdat veel van de erfsloten gedempt zijn, vormt de houtige beplanting vaak de begrenzing van het erf met het akkerland.

Boomsoorten

De Hollandse iep was in het verleden de meest prominente boomsoort. Iepziekte heeft in de 20e eeuw veel bomen het leven gekost. De iep is

daardoor vaak vervangen door populier, linde, es en els. In 1900 kwamen hoogstamfruitboomgaarden frequent voor op de boerenerven in Haarlemmermeer. Indertijd werden boomgaarden aangelegd op een apart, met sloten omringd, perceel op het zijerf. De hoogstamfruitboomgaard had vaak ook een windsingel of bomensingel

er om heen. Tegenwoordig zijn veel hoogstamfruitboomgaarden verdwenen of ernstig in verval geraakt. Ook hebben halfhoog- en struikfruitboomgaarden hun entree gemaakt in de polder. In de randbeplanting van de boomgaard is veel uitval en de restanten van de oude singels om de boomgaard zijn vaak niet goed onderhouden. Lanen met laanbomen waren in 1900 beperkt aanwezig, ze kwamen voor op maar 6% van de erven. Wel zijn de lanen soms van bijzondere kwaliteit. Waar nog aanwezig zijn de lanen waardevol omdat ze de boerderij op bijzondere wijze met de weg verbinden.

Geschoren hagen, vaak van Liguster of Taxus, werden gebruikt om verschillende erfdelen van elkaar te scheiden. Ze vormden de wanden van verschillende “kamers” op het erf. Tegenwoordig zijn hagen ook geplant langs het voorerf om de grens tussen de voortuin en de weg aan te duiden, veel sloot die als grens functioneerde is vaak gedempt. Ook rond de moestuin werden vaak hagen geplant. Tegenwoordig is beplanting ook gebruikt om de functionele erfdelen van elkaar af te scheiden, zoals speelveldje, camping, boerderijwinkel, opvang zorgcliënten, enzovoorts.

Vaak heeft het boerenerf een of meer solitaire bomen, geplant op het voorerf, als poortwachter bij de entree naast het erfpad en/of in een hoek van het voorerf. Es, beuk, esdoorn, (treur)wilg, kastanje, linde, eik en sierkers zijn hiervoor gebruikt.

Afkomstig uit: Beeldkwaliteit Polderlaag PARK21 (Gemeente Haarlemmermeer, Vista 2014)

In het BKP Polderlaag voor PARK21 zijn beplantingssoorten opgenomen die kunnen worden gebruikt om de bestaande erfbeplantingen van de boerderijen langs de linten ter plaatse van PARK21 te herstellen. Deze soorten kunnen ook als richtlijn worden gehanteerd voor de erfbeplantingen in de droogmakerij. Gezien de kleibodem zijn soorten die horen bij de Potentiële Natuurlijke Vegetatie van het Elzenrijk Esssen-iepenbos het meest voor de hand liggend.

Bij dit vegetatietype horen de volgende soorten bomen en struiken:

Boomsoorten: iepen, zwarte els, in mindere mate zomereik, beuk en haagbeuk

Struikenlaag: veldesdoorn, rode kornoelje, gewone vlier, hondsroos, wilde kardinaalsmuts

Als aanplantmaat en plantafstand is in dit BKP het volgende opgenomen:

Plantmateriaal boomvormers: veren maat 150-175 Plantmateriaal struiken: bosplantsoen maat 50-100 Plantafstand:1.50 x 1.50 m in driehoeksverband

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.