Aanhef
De raad van de gemeente Haarlemmermeer, gelezen het voorstel van het college van burgemeester
en wethouders van Haarlemmermeer, d.d.…….., gelet op artikel 149 van de gemeentewet, afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 8, eerste lid, onderdeel b,
en artikel 18 van de Wet werk en bijstand ;
BESLUIT
Vast te stellen de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand Haarlemmermeer 2013
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.de wet: de Wet werk en bijstand;
b.Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
c.bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5 onder a, van de wet;
d.algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onder b, van de wet;
e.bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet;
f.bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onder d, van de wet;
g.maatregel: het verlagen van de bijstandsnorm bedoeld in artikel 18, tweede lid;
h.belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;
i.het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer.
Artikel 2. Het opleggen van een maatregel
1Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikel 30c, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werken inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.
2Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
Artikel 3. Berekeningsgrondslag
1De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.
2In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien:
a.aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet; of
b.de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft.
3In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand voor het levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen, of hebben ontvangen.
Artikel 4. Horen van belanghebbende
1Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
2Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:
a.de vereiste spoed zich daartegen verzet;
b.de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan of;
c.het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.
Artikel 5. Afzien van het opleggen van een maatregel
1Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:
a.elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
b.de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden.
2Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
3Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak
1De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.
2In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald.
3Indien de opgelegde maatregel niet of niet geheel kan worden uitgevoerd omdat de bijstand wordt beëindigd, kan het nog niet uitgevoerde deel van de maatregel alsnog ten uitvoer worden gebracht indien de belanghebbende binnen een termijn van drie maanden opnieuw bijstand ontvangt.
4Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periode van drie maanden of meer wordt opgelegd, wordt uiterlijk drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.
Artikel 7. Samenloop van gedragingen
Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende gedragingen, worden de daarop
betrekking hebbende maatregelen gelijktijdig opgelegd.
HOOFDSTUK 2. GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET VERKRIJGEN OF BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID
Artikel 8. Indeling in categorieën
Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of
onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
1Eerste categorie:
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de daarvoor aangewezen instantie of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;
2Tweede categorie:
a.het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;
b.het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
c.het niet ondertekenen of het niet aan burgemeester en wethouders verstrekken van het ondertekende trajectplan bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand.
3Derde categorie:
a.gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren, waaronder mede begrepen de verplichtingen als bedoeld in artikel 55 WWB;
b.het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet, waaronder begrepen sociale activering.
4Vierde categorie:
a.het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.
Artikel 9. De hoogte en duur van de maatregel
1Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld op:
a.10 % van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste
categorie;
b.20 % van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede
categorie;
c.30 % van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde
categorie;
d.100 % van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde
categorie.
2De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onder a., b. en c. wordt - voor zover de belanghebbende de verwijtbare gedraging niet opheft - verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.
3De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onder d. wordt - voor zover de belanghebbende de verwijtbare gedraging niet opheft - opeenvolgend verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.
HOOFDSTUK 4. OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL
Artikel 10. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
1Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel van 10 % opgelegd gedurende de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging langer recht heeft op bijstand.
2Als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, bedoeld in het eerste lid, wordt mede gerekend het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.
3Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel voor het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, bedoeld in het tweede lid, vastgesteld op 100 % van de bijstandsnorm.
HOOFDSTUK 5. MISDRAGINGEN
Artikel 11. Zeer ernstige misdragingen
1Onverminderd artikel 2, eerste lid, legt het college een maatregel op van dertig procent van de van toepassing zijn bijstandsnorm gedurende een periode van één maand, indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB.
2Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan, indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is gegeven.
Artikel 12. Het handhavingsbeleid
1Het college biedt de gemeenteraad een handhavingsplan aan met daarin het te voeren beleid op gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet werk en bijstand en de te verwachten resultaten en rapporteert hierover jaarlijks in het beleidsverslag aan de gemeenteraad.
2In het handhavingsplan worden in ieder geval de volgende onderwerpen besproken:
a.de kosten en opbrengsten van het handhavingsbeleid;
b.het terugvorderingsbeleid van te veel of ten onrechte betaalde bijstand;
c.het aantal verlagingen in verband met het schenden van verplichtingen, niet zijnde inlichtingenverplichtingen;
d.het aantal terugvorderingen;
e.het aantal uitgestroomde belanghebbenden;
f.de prioriteiten in de handhaving;
g het aantal opgelegde boetes en de hoogte daarvan;
h.het aantal langdurigheidstoeslagen;
i.de doelmatige en rechtmatige besteding van het re-integratiebudget;
j.de toekomstige beleidsacties ter verbetering van de uitvoeringsorganisatie;
k.de evaluatie van de beleidsprioriteiten van het afgelopen jaar/jaren.
HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN
Artikel 13. Onvoorziene omstandigheden
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 14. De intrekking
De Maatregelenverordening Wet werk en bijstand Haarlemmermeer 2012 wordt met ingang van 1 januari 2013 ingetrokken.
Artikel 15. De inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.
Artikel 16. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening Wet werk en bijstand Haarlemmermeer 2013.
Bijlage 1
Toelichting Maatregelenverordening Wet werk en bijstand Haarlemmermeer 2013