Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer stelt de volgende beleidsregel vast:
3. Specifieke gevallen
3.1. De wettelijke urgentiecategorieën en vergunninghouders
3.1.1. Slachtoffers van huiselijk geweld
Dit betreft mensen die als gevolg van aangetoond huiselijk geweld rechtstreeks vanuit de woonsituatie waar het geweld plaatsvond, zijn gevlucht en in een specifieke instellingen voor mishandelde mannen of vrouwen verblijven (zoals de Blijfgroep), niet zijnde reguliere maatschappelijke opvang voor daklozen.
De in artikel 2.5.5 lid 1 aanhef en onder a tot en met h van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing op deze urgentiegrond.
3.1.2. Ontvangers en verleners van mantelzorg
Het verlenen of ontvangen van mantelzorg kan tot gevolg hebben dat er, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, een urgent huisvestingsprobleem ontstaat. Voor wat onder mantelzorg verstaan moet worden, wordt aangesloten bij de definitie in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Bij de beoordeling zal eerst vastgesteld worden of er al sprake is van mantelzorg en indien nog niet, of dat wel reëel is, waarbij ook gekeken zal worden naar mogelijke andere oplossingen.
Bij de afweging of woonruimte in onze gemeente voor het verlenen of ontvangen van mantelzorg dringend noodzakelijk is, zal het primair gaan om de mate van mantelzorg afgezet tegen de reistijd van de mantelzorgverlener. Hoe zwaarder de zorg en hoe langer de reistijd, hoe meer een urgentieverklaring gerechtvaardigd zal zijn. Dit zullen voor ons de belangrijkste afwegingscriteria zijn.
Omstandigheden zoals het al of niet tijdelijke karakter van de mantelzorg kunnen daarnaast ook nog een rol spelen. Indien de huidige woonsituatie niet (geheel) adequaat is, is dit geen reden voor een urgentie op basis van mantelzorg
Het is ook mogelijk dat er niet alleen aanvragen van buiten onze gemeente komen, maar dat een inwoner van onze gemeente een beroep doet op deze regeling. Daarbij zal dan dezelfde afweging gemaakt worden als bij een aanvraag van buiten onze gemeente.
De in artikel 2.5.5 lid 1 aanhef en onder a tot en met h genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing op deze urgentiegrond.
3.3 De overige urgentiegronden
3.3.1. Calamiteiten-urgentie
Het huishouden waarvan de zelfstandige woonruimte binnen deze gemeente door een calamiteit (brand, ernstige waterschade, explosie of acuut ernstige funderingsgebreken) duurzaam ongeschikt is voor bewoning, komt gelet op artikel 2.5.8 lid 1 sub a en d van de verordening in aanmerking voor een urgentie als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
De in artikel 2.5.5 genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing, met uitzondering van de onder beleidsregel 2.2 onder c genoemde inkomensnorm: voor deze urgentiegrond geldt de DAEB-norm niet.
3.3.2. Sociaal-medische urgentie
Inleiding
Om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring om medische en/of sociale redenen zoals bedoeld in artikel 2.5.8a van de verordening, moet er sprake zijn van een zeer ernstige bedreiging van de lichamelijke en/of sociale-psychische gezondheid als gevolg van de huidige woonsituatie. In onderstaande situaties kan er sprake zijn van een dergelijke bedreiging:
a.ernstige medische beperkingen;
b.dakloosheid of dreigende dakloosheid van een huishouden waarvan minderjarige kinderen deel uit maken;
c.geweld of bedreiging.
Voor alle gevallen zijn ook de in artikel 2.5.5 genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing.
Ernstige medische beperkingen
Een situatie waarbij de lichamelijke en/of sociaal-psychische gezondheid van de aanvrager of één of meer leden van het huishouden aantoonbaar wordt bedreigd als gevolg van de huidige woonsituatie.
Dakloosheid of dreigende dakloosheid van een huishouden waarvan minderjarige kinderen deel uit maken
Dakloosheid of dreigende dakloosheid met minderjarige kinderen is op zichzelf staand geen reden voor urgentie, tenzij aantoonbaar sprake is van ernstige bedreiging van de lichamelijke en/of sociaal-psychische gezondheid van een of meer gezinsleden van het huishouden als gevolg van de woonsituatie.
In het kader van de beoordeling van de urgentieaanvraag kan een kind slechts tot één huishouden behoren. Minderjarige kinderen worden na relatiebreuk toegerekend aan het huishouden van de ouder die over woonruimte beschikt. Dat wil zeggen dat indien na relatiebreuk één van de ouders over passende woonruimte beschikt de kinderen niet als dakloos worden beschouwd, zulks ongeacht de afspraken over de verdeling van de kinderen in een beschikking, convenant of (co-) ouderschapsplan.
Indien de ouder die over woonruimte beschikt via een gerechtelijke uitspraak het ouderlijk gezag is ontnomen of de kinderen niet heeft erkend, kunnen de kinderen wel in de boordeling van de urgentieaanvraag worden meegenomen.
Verder kan, wanneer sprake is van ontbinding van een huwelijk of samenwoningsrelatie, waarbij de kinderen deel gaan uitmaken van het huishouden van één van de (ex-)partners alleen een urgentie verleend worden als voldaan is aan volgende voorwaarden:
I. aangetoonde dagelijkse zorg over de kinderen die bij de betreffende ouder in de BRP staan geregistreerd;
II. de samenwoning in de regio bestond minimaal twee jaar;
III. de samenwoning is korter dan zes maanden geleden verbroken;
IV. als er geen echtsscheidingsvonnis is, moet het verbreken van de relatie zijn aangetoond;
V. een rechtelijke uitspraak waarbij de aanvrager is opgedragen de echtelijke of gemeenschappelijke woning te verlaten.
Onevenredig hoge woonlasten
Van een dreigende dakloosheid kan sprake zijn als een huishouden door overmacht niet meer in staat is om aan de hoge woonlasten te voldoen. Bij de beoordeling of de woonlasten te hoog zijn wordt een door de gemeente verstrekte bijzondere bijstand in de woonlasten meegenomen in de beoordeling.
Geweld of bedreiging
Een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging maakt dat sprake kan zijn van een urgent huisvestingsprobleem waarvoor op grond van artikel 2.5.8a lid 2 sub c, een urgentieverklaring verleend kan worden: Het kan daarbij gaan om stelselmatig geweld of bedreiging van een huisgenoot of door een ander dan een huisgenoot. In deze situatie zal aangetoond moeten zijn dat een opgelegd c.q. op te leggen straatverbod, huisverbod of contactverbod niet voldoende veiligheid biedt, om de aanvrager in de huidige woning te laten blijven wonen.
3.3.3 Midstay–urgenties
Als uitvloeisel van artikel 2.5.3 van de verordening, op grond waarvan aan een urgentieverklaring een zoekprofiel kan worden verbonden, kan het zoekprofiel ook een zogeheten midstay-urgentie inhouden. Dat is een urgentie waarmee men uitsluitend voorrang krijgt bij woonruimte, waar met een tijdelijke huurovereenkomst gewerkt wordt.
Aan woningzoekenden van wie een verzoek om indeling in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.5.8 lid 1 sub b of artikel 2.5.8a van de verordening is geweigerd, maar die wel een urgente woningbehoefte hebben, kan een dergelijke midstay-urgentie verleend worden. In die situatie hoeft er dan niet altijd sprake te zijn van een ernstige bedreiging van de lichamelijke en/of sociaal-psychische gezondheid van een of meer leden van het huishouden.