Aanhef
De raad besluit het gewijzigde ‘Archeologiebeleid Haarlemmermeer 2020-2030’ vast te stellen.
Voorwoord
De samenvoeging van de gemeente Haarlemmermeer met Haarlemmerliede en Spaarnwoude in 2019 maakt dat verschillende beleidsvisies worden samengevoegd. Dat geeft ook de mogelijkheid om een nieuwe koers te bepalen of beleidslijnen te versterken. Daarom is voor het erfgoed van de gehele gemeente een nieuwe visie geschreven, met ambitie om erfgoed te omarmen en te beleven. Doel is het erfgoed niet alleen goed beheren en bewaren voor toekomstige generaties maar de kracht van het erfgoed tegelijkertijd te benutten voor de economische, ruimtelijke en culturele ontwikkeling van onze gemeente.
In de nieuwe erfgoedvisie ontbrak nog de archeologie. Het archeologiebeleid uit de oude beleidsnota Erfgoed op de kaart van Haarlemmermeer en de Beleidsnota Archeologie van Haarlemmerliede en Spaarnwoude hebben we hier samengevoegd tot een eenduidig beleidsstuk over de omgang met archeologische waarden in onze gemeente. Tweede stap is om de archeologie weer onderdeel te laten uitmaken van de integrale visie op het erfgoed en vervolgens de identiteit van onze gemeente als bouwsteen te gebruiken voor de Omgevingsvisie.
Met erfgoed, kunst en cultuur kunnen we onze samenleving versterken. Erfgoed is een van de dragende en verbindende krachten voor opgaven en ontwikkelingen binnen Haarlemmermeer. Wij streven naar een actief gebruik van erfgoed waar zoveel mogelijk mensen van kunnen genieten zonder ontwikkelingen tegen te houden.
Dat betekent dat we naast het zorgdragen voor het archeologisch erfgoed, ook het toegankelijk maken ervan voor inwoners en bezoekers centraal stellen. Het verhaal van Haarlemmermeer moet verteld worden, waardoor het verleden gaat ‘leven’. Op deze manier kan het erfgoed een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de gemeentelijke identiteit, verbondenheid en saamhorigheid, die Haarlemmermeer een prettige plaats maken om te wonen, werken en recreëren. De wortels van het verleden bieden daarvoor een stevige bedding.
Drs. Marja Ruigrok Wethouder
Cultuur
3. Wettelijk kader
3.1 Nationaal kader
3.1.1 Verdrag van Malta
In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta (ook wel het Verdrag van Valetta) ondertekend. Doel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van ons gemeenschappelijke geheugen. In de Nederlandse wetgeving is dit verdrag verwerkt in de Erfgoedwet en krijgt het in de toekomst haar beslag in de Omgevingswet (2024). De uitgangspunten van de Nederlandse wetgeving gaan een stapje verder dan het verdrag aangeeft. Uitgangspunt is dat er onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden voordat ruimtelijke plannen worden uitgevoerd.
3.1.2 Erfgoedwet
Voorheen was de Nederlandse omgang met archeologie geregeld in de Monumentenwet 1988. Met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet in 2016 zijn meerdere wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen, waaronder de Monumentenwet. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe er met archeologisch erfgoed wordt omgegaan, wie daarbij welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Er zijn ook onderdelen van de Monumentenwet die straks worden opgenomen in de Omgevingswet. Het betreft alle regelgeving over archeologie in de fysieke leefomgeving. Omdat de Omgevingswet pas in januari 2024 in gaat, vallen bepaalde zaken nu binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om:
•het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen;
•de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie;
•de mogelijkheid van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen;
•de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.
De gemeente is verplicht om verwachte en aanwezige archeologische waarden mee te wegen bij ruimtelijke beslissingen. De wetgever geeft de gemeente de vrijheid om naar eigen inzicht vorm geven aan de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrens. Deze beleidsnota geeft hier invulling aan.
3.1.3 Omgevingswet
Met de komst van de Omgevingswet is de zorg voor het archeologisch erfgoed straks in twee wetten geregeld. Een gedeelte van de Monumentenwet is opgegaan in de Erfgoedwet, een ander gedeelte zal opgaan in de Omgevingswet. Alle wettelijke regelingen rond de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving komen in de Omgevingswet terecht. Daarmee is de Omgevingswet van grote betekenis voor de archeologie. Het resterende deel (onder meer de verplichte certificering van archeologische adviesbureaus) is overgegaan naar de nieuwe Erfgoedwet.
Gemeenten behouden hun belangrijke rol in het archeologische stelsel. De gemeentelijke taak is rekening te houden met (te verwachten) archeologische waarden in bestemmingsplannen (nu) en omgevingsplannen (straks). Uitgangspunt van de Omgevingswet is zoveel mogelijk decentraal te regelen, waardoor meer taken en bevoegdheden bij de lagere overheden komen te liggen. Daarnaast zet de wet hoog in op de participatiesamenleving. Inwoners, initiatiefnemers, ondernemers en maatschappelijke organisaties moeten de kans krijgen om mee te praten over beleids- en besluitvormingsprocessen. De nieuwe wet vraagt van alle overheden een meer proactieve houding, met als kernbegrip ‘uitnodigingsplanologie’.
De Omgevingswet regelt in de toekomst onder meer:
•vergunningen voor het wijzigen van rijksmonumenten;
•het rekening houden met cultureel erfgoed bij het maken van ruimtelijke plannen, waaronder de omgang met (verwachte) archeologische waarden;
•de bescherming van stads- en dorpsgezichten. Veel bepalingen worden verder uitgewerkt in zogeheten uitvoeringsregelingen, de Algemene Maatregelen van Bestuur.
3.1.4 Besluit kwaliteit leefomgeving
De inhoudelijke rijksregels en de instructies voor het praktisch uitvoeren van de Omgevingswet zijn opgenomen in de Algemene Maatregelen van Bestuur. Een daarvan is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), dat de inhoudelijke normen voor de bestuurlijke besluitvorming beschrijft. In het Bkl staan de omgevingswaarden (ook wel normen) voor luchtkwaliteit, waterkwaliteit, zwemwaterkwaliteit en waterveiligheid en de instructieregels voor de lagere overheden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is.
Deze instructieregels moeten door gemeenten worden over genomen in hun omgevingsplan. Het Rijk maakt gebruik van instructieregels op drie niveaus. Daarbij gaat het om:
•‘in acht nemen’ – dit betreft een harde, dwingende doorwerking;
•‘rekening houden met’ – dit duidt op een verzwaarde belangenafweging. Er kan alleen van worden afgeweken als daar goede redenen voor zijn die voldoende worden gemotiveerd;
•‘betrekken bij’ – dit betekent dat aandacht moet worden besteed aan het betrokken belang, maar dat het belang geen verzwaarde positie heeft in de belangenafweging.
Artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving omvat instructieregels voor het cultureel erfgoed, waaronder de archeologie. De omschreven verplichtingen houden verband met het Verdrag van Malta (zie 2.1). Er staat dat in een omgevingsplan rekening gehouden moet worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten (waarden). Deze regel valt dus onder het middelste niveau, wat betekent dat hier alleen van kan worden afgeweken met voldoende motivatie.
In het omgevingsplan moeten in ieder geval regels opgenomen worden ter bescherming van cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met:
•het voorkomen van beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten;
•het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen verder in het omgevingsplan ook:
•ambities worden vastgesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden;
•gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking, mits voldoende onderbouwd.
Als in een omgevingsplan regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek, bepaalt het omgevingsplan dat die regels niet van toepassing zijn op activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m2. Hiervan kan worden afgeweken door in het omgevingsplan een andere oppervlakte vast te stellen.
3.2 Provinciaal kader
3.2.1 Beleid Noord-Holland
De provincie voert een aantal wettelijke en autonome taken uit op het gebied van archeologie. Zo is de provincie verplicht een archeologisch depot in stand te houden. Voor het duurzaam behoud van
de collectie heeft de provincie de beschikking over het archeologische depot voor bodemvondsten in Huis van Hilde in Castricum. De publieke toegankelijkheid van de collectie is gewaarborgd in de publieksruimten van Huis van Hilde. De provincie is in de regel eigenaar van alle archeologische vondsten en collecties in Noord-Holland.
Daarnaast voert de provincie autonoom erfgoedbeleid dat erop gericht is om de historie van de provincie onder de aandacht te brengen. Dit doet zij via de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie en de Structuurvisie 2014. Hierin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. Tevens bevat de leidraad een provinciale archeologische verwachtingenkaart en het beeldkwaliteitsplan Stelling van Amsterdam, waarmee de gemeente logischerwijs rekening houdt. De Stelling van Amsterdam is aangewezen als provinciaal monument en als zodanig opgenomen in de gemeentelijke beleidskaart.
Om de doorwerking van het provinciaal beleid ten aanzien van (archeologisch) erfgoed zeker te stellen, heeft de provincie een ruimtelijke verordening (PVR) opgesteld. Hierin staan de instructieregels die gemeenten moeten overnemen in hun bestemmings-/ omgevingsplannen. De provincie ondersteunt gemeenten op het gebied van ruimtelijke ordening en archeologie via het Steunpunt Monumenten en Archeologie Noord- Holland.
3.3 Gemeentelijk kader
3.3.1 Omgang met archeologie in gemeentelijke plannen
Als opsteller van het bestemmingsplan/ omgevingsplan en als vergunningverlener is de gemeente verantwoordelijk voor de omgang met archeologie. In omgevingsplannen dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid dat zich archeologische resten in de grond of waterbodem bevinden. De gemeente kan de initiatiefnemer van een bouwproject vervolgens verplichten om een archeologisch vooronderzoek te doen. Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan een aantal activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig is.
De wet bevat geen inhoudelijke norm voor de omgang met archeologie. De gemeente kan wat dat betreft zelf beleid opstellen binnen de grenzen van de gemeentelijke zorgplicht voor archeologisch erfgoed, mits goed onderbouwd en gemotiveerd.
Op grond van artikel 5.130 uit het Bkl is het verplicht in een omgevingsplan rekening te houden met het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische waarden. Dit betekent dat voor gebieden met een dubbelbestemming archeologie moet worden aangegeven waarom hier archeologische waarden verwacht worden. Het inventariserend onderzoek moet dus al verricht worden in het kader van de vaststelling van het omgevingsplan. Dit voorkomt onverwachte belemmeringen of kosten aan de kant van initiatiefnemers, met name omdat bij de uitvoering van een concreet initiatief alleen nog archeologisch onderzoek kan worden voorgeschreven als sprake is van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische waarden.
De gemeente heeft omwille hiervan haar archeologische waardenkaart geactualiseerd op basis van in het verleden uitgevoerd onderzoek, en heeft de verwachting van archeologische waarden naar verschillende zones gespecificeerd. De onderbouwing van de nieuwe waardenkaart staat in bijlage 5.
3.3.2 Archeologisch onderzoek
Archeologisch onderzoek wordt gefaseerd uitgevoerd volgens een vaste methodiek, zoals beschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.1). Het volgen van deze onderzoekscyclus is verplicht bij de voorbereiding van bodemverstoringen in gebieden waar een archeologische waarde aan is toegekend (zie beleidskaart). Die verplichting is gekoppeld aan bestemmingsplannen (toekomstige omgevingsplannen) en omgevingsvergunningen. De kosten van het archeologisch onderzoek zijn voor de initiatiefnemer van de bodemverstoring. Vanzelfsprekend volgt het nieuwe archeologiebeleid alle uitgangspunten zoals verwoord in de KNA 4.1.
Op basis van een archeologisch bureauonderzoek wordt een gespecificeerde archeologische verwachting gegeven en een advies over al dan geen vooronderzoek. Vooronderzoek kan bestaan uit een proefsleuvenonderzoek en/of booronderzoek. Na dit vooronderzoek vindt een inhoudelijke waardering plaats met weer een advies voor het vervolg. Hier adviseert de archeoloog op basis van een inhoudelijke waardering wat er moet gebeuren met de aangetroffen archeologie. Er zijn drie mogelijke uitkomsten:
•behoud in situ (in de grond laten) en maatregelen voor bescherming
•verder onderzoek en als laatste stap definitief opgraven
•geen vervolg, het gebied wordt vrijgegeven
Het besluit over elke volgende stap wordt genomen door de gemeente (bevoegd gezag). Bij ontgrondingen of provinciale projecten zoals wegaanleg en waterwerken ligt de beslissing over het wel of niet behouden van de archeologische waarden bij de provincie. Het Rijk neemt de besluiten voor rijksprojecten.
5. Uitvoering
5.5 Proces Archeologische Monumentenzorg (AMZ)
5.5.1 Inventarisatie
Als eerste stap in het proces (zie figuur 5) dient een bureauonderzoek te worden uitgevoerd om een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Hiermee wordt inzicht verkregen in welke archeologische resten waar verwacht worden en reeds bekend zijn en waar deze mogelijk door geplande bodemingrepen bedreigd worden.
Als de resultaten van het bureauonderzoek hier aanleiding toe geven dient vervolgens een inventariserend veldonderzoek (hierna: IVO) plaats te vinden. Het resultaat van een IVO is een rapport met een inhoudelijk advies (buiten normen van tijd en geld), aan de hand waarvan een besluit over de voortgang genomen kan worden.
Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting. Dit gebeurt door waarnemingen in het veld, waarbij informatie wordt verkregen over bekende of verwachte archeologische resten. Meestal wordt eerst een verkennend of karterend booronderzoek uitgevoerd, soms aangevuld met of vervangen door een oppervlaktekartering. Een verkennend booronderzoek is extensief van aard en heeft vooral tot doel inzicht te geven in de landschappelijke opbouw van een gebied en een inschatting te geven of de bodem intact genoeg is om archeologische resten te kunnen bevatten. Het onderzoek heeft niet tot doel archeologische resten op te sporen.
Dit laatste is wel het geval bij karterend onderzoek (karterend booronderzoek of oppervlakte- kartering). Bij karterend onderzoek wordt getracht een eerste inzicht te krijgen in de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten. Als geen archeologische resten (vindplaatsen) worden aangetroffen, of blijkt dat de archeologische resten niet door geplande ingrepen verstoord worden, gelden geen verdere restricties met betrekking tot de verdere planuitvoering. De ervaring leert dat booronderzoeken op zandgronden een zeer beperkte informatiewaarde hebben. Als in een onderzocht gebied archeologische resten worden vastgesteld, of er een gerede verwachting voor bestaat, dienen de omvang en gaafheid hiervan te worden vastgesteld aan de hand van een waarderend vervolgonderzoek. Ook deze waarderende fase is onderdeel van het IVO. Meestal gebeurt dit in de vorm van zogenaamd proefsleuvenonderzoek dat de mogelijkheid biedt om nauwkeuriger gegevens met betrekking tot aspecten als omvang, kwaliteit en kwantiteit van de archeologische sporen te verkrijgen. Door middel van één of enkele proefsleuven worden de archeologische sporen blootgelegd en opgetekend. Proefsleuven zijn dan ook opgravingen in het klein, waarvoor min of meer dezelfde eisen gelden die aan een opgraving worden gesteld. Het onderzoek is vrij arbeidsintensief en vindt bij voorkeur ruim voor de ruimtelijke planuitvoering plaats.
5.5.2 Sectorale waardering KNA
Uitkomst van bovenstaande stappen is een archeologisch rapport dat de sectorale waardering van de archeologische waarden bespreekt. Een archeologische professional geeft antwoord op de vraag of de archeologische sporen het bewaren waard zijn of niet. De sectorale waardering kijkt naar de toegevoegde waarde voor de archeologische wetenschap. Vervolgens neemt de gemeente op basis van dit advies een gemotiveerd besluit over het al dan niet behouden van eventueel aanwezige archeologische waarden. Dit besluit heeft alleen juridische betekenis, wanneer het is genomen op grond van een bestaande wettelijke bevoegdheid, zoals de bevoegdheid om aan een vergunning voorschriften te verbinden en is daarmee in eerste instantie een bevoegdheid van het college van B&W.
5.5.3 Eisen aan de maatregelen
Het besluit van de gemeente geeft uitsluitsel over wat er moet gebeuren met de aanwezige archeologie. Hierbij bestaan verschillende mogelijkheden:
Er is geen behoudenswaardige archeologie aanwezig:
1De vindplaats wordt niet behouden en het plangebied wordt vrijgegeven. Er zijn wat archeologie betreft geen verdere restricties voor de planvorming.
Wanneer de archeologie van waarde wordt geacht, streeft de gemeente naar balans tussen opgraven, behouden en benutten.
1De vindplaats kan in situ behouden worden (bescherming) door planaanpassing of -inpassing.
2Behoud in situ van de vindplaats is niet reëel. In dit geval dient de vindplaats ex situ behouden te worden; dit betekent dat er een volwaardige opgraving conform de KNA moet plaatsvinden.
De gemeente voert als uitgangspunt geen archeologisch onderzoek in eigen beheer uit en richt geen archeologisch depot in, maar verlangt van uitvoerders van archeologisch onderzoek dat zij vondsten en documentatie van uitgevoerde onderzoeken doen toekomen aan het provinciaal depot voor archeologie van Noord-Holland (Huis van Hilde, Castricum), conform de eisen van het depot en van de KNA.
5.5.4 Programma van Eisen
Een archeologisch Programma van Eisen (PvE) is vereist voor elke vorm van gravend onderzoek (begeleiding/proefsleuf/opgraving). De gemeente stelt met het PvE eisen aan de initiatiefnemer van een bouwproject. De initiatiefnemer kan het PvE vervolgens gebruiken voor de aanbesteding van het archeologisch onderzoek.
Dankzij het PvE weten alle partijen - opdrachtgever, opdrachtnemer en bevoegde overheid - voorafgaand aan het onderzoek waar zij aan toe zijn. Dit voorkomt eventuele onduidelijkheden tijdens of na het onderzoek. Bovendien kan de opdrachtgever op basis van het PvE concurrerende offertes laten uitbrengen voor het betreffende onderzoek. Zo worden de offertes van verschillende bedrijven beter vergelijkbaar. Dit heeft voor de opdrachtgever het voordeel dat aspecten als tijd en geld beter in de hand kunnen worden gehouden.
Bijlage 4: Begrippenlijst & afkortingen
Archeologische beleidskaart
Kaart, afgeleid van een archeologische verwachtingskaart, die de ruimtelijke grondslag geeft voor een AMZ-beleid. De archeologische beleidskaart geeft aan welke gebieden in een bestemmingsplan de (dubbel)bestemming archeologie krijgen. Deze gebieden zijn onderscheiden in zones of terreinen, waar een op onderdelen verschillend beleid kan worden gehanteerd.
Archeologische monumentenzorg-proces (AMZ- proces)
Het opsporen en waarderen van archeologische vindplaatsen in het kader van ruimtelijke ingrepen vindt plaats in stappen (zie onder Bureauonderzoek, Inventariserend Veldonderzoek, Definitief Onderzoek, Archeologische Begeleiding). Elke stap eindigt met de afweging of er voldoende informatie is verzameld om een afgewogen beslissing te kunnen nemen over eventuele vervolgacties. In het AMZ-proces vindt een trechtering plaats van betrekkelijk eenvoudige onderzoeksmethoden in de beginfase, naar meer complexe en kostbare werkzaamheden. Op deze wijze wordt in de ruimtelijke ordening het archeologische belang meegewogen via een proportionele inzet van middelen.
Archeologische verwachtingskaart
Een archeologische verwachtingskaart is een kaart waaruit kan worden afgeleid waar welke archeologische resten voorkomen of zijn te verwachten. Op de kaart is de verwachte dichtheid aan archeologische vindplaatsen weergegeven door middel van vlakken en zones. Hoe hoger de verwachting, hoe groter de (verwachte) dichtheid aan vindplaatsen. Daarnaast bevat een verwachtingskaart ook de reeds bekende vindplaatsen, informatie over hun archeologische status en verstoringsgegevens.
Behoud in situ
Behoud in situ is het duurzaam in stand houden van archeologische waarden in de bodem, als bron van kennis en beleving. Dit kan gebeuren door technische maatregelen en/of inpassing en vrijwaring van de archeologische waarden in de inrichting van het plangebied.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is.
Bureauonderzoek (BO)
Het bureauonderzoek is de eerste formele stap in het AMZ-proces. Het onderzoek wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in de aan- of afwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied door middel van informatie uit bestaande bronnen en datasets. Het minimum aan te raadplegen bronnen is vastgesteld in de KNA. Uitgebreider onderzoek heeft echter in veel gevallen zeker meerwaarde en kan onnodige vervolgstappen voorkomen. Het BO dient te resulteren in een rapport met een gespecificeerde archeologische verwachting, op basis waarvan het bevoegd gezag een beslissing kan nemen over de vraag of een inventariserend veldonderzoek (IVO) wel of niet noodzakelijk is.
Inventariserend veldonderzoek (IVO)
Tijdens een inventariserend veldonderzoek wordt met behulp van niet-destructieve methoden (meestal door middel van booronderzoek) de gespecificeerde archeologische verwachting uit het bureauonderzoek in het veld getoetst. Inventariserend veldonderzoek wordt onderverdeeld in een verkennende en een karterende fase. Bij een positief resultaat, dus wanneer er archeologische vindplaatsen zijn aangetroffen, volgt meestal nog een derde vooronderzoeksfase, het waarderend onderzoek. Het IVO moet leiden tot een archeologisch-inhoudelijk selectieadvies, op basis waarvan het bevoegd gezag een besluit kan nemen over de noodzaak tot vervolgonderzoek of de behoudenswaardigheid van de vindplaats.
Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA)
Kwaliteitsnorm, bestaande uit een omvangrijke set van algemeen geaccepteerde eisen, specificaties en protocollen. Tevens worden in de KNA de minimum opleidings- en ervaringseisen beschreven waaraan personen moeten voldoen om bepaalde archeologische werkzaamheden te mogen uitvoeren. De KNA wordt regelmatig geëvalueerd, geactualiseerd en aangevuld. Nieuwe versies worden formeel vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD). De KNA wordt beheerd door de Stichting voor Infrastructuur, Kwaliteitsborging en Bodembeheer (SIKB). Alleen bedrijven en instanties die zich committeren aan de KNA kunnen een opgravingsvergunning aanvragen.
Opgraving
Een opgraving of Definitief Onderzoek (DO) is een preventieve vorm van onderzoek. Dat wil zeggen dat het veldwerk van het onderzoek aangevangen en afgesloten wordt voor aanvang van de ingreep waarvoor het onderzoek nodig is.
Een opgraving heeft als doel het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden.
Programma van Eisen (PvE)
Document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van proefsleuven of een opgraving staan geformuleerd. Voor aanvang van het onderzoek dient het PvE door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd.
Rapportage
De vaststelling of er archeologie aanwezig is en wat de waarde daarvan is, gebeurt in verschillende stappen van archeologisch onderzoek. Elk onderzoek resulteert in een archeologische rapportage. In deze rapportage worden de verkregen archeologische gegevens in een bredere archeologische en geologische context geplaatst, onderzoeksvragen beantwoord en aanbevelingen met betrekking op vervolgonderzoek gedaan.
Selectieadvies
In de rapportage van een vooronderzoek moet, nadat de vindplaats gewaardeerd is, een selectieadvies worden opgenomen. In het selectieadvies worden door de archeologisch uitvoerder voorstellen gedaan voor het vervolgtraject. Hierbij dient deze zich strikt op inhoudelijk archeologische argumenten te baseren.
Selectiebesluit
Een door het bevoegd gezag genomen besluit op basis van het in het archeologisch onderzoeksrapport opgestelde selectieadvies.
SIKB
Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (www.sikb.nl).
Uitwerking
Met uitwerking wordt specialistisch onderzoek van het vondstmateriaal bedoeld. Aardewerk, botten, metalen voorwerpen, vuursteen, zaden etc, kunnen in het lab nader onderzocht worden door experts archeobotanie, archeozoölogie, fysische antropologie, aardewerk, vuursteen en natuursteen. Het betreft de analyse van afzonderlijke vondstcategorieën, of een statistische analyse in ruimte en tijd en vergelijking met andere vindplaatsen.
Verdrag van Valletta (Malta)
Het Verdrag van La Valletta/Malta is in 1992 mede door Nederland ondertekend. Door het Nederlandse Parlement is dit verdrag op 21 maart 1998 goedgekeurd, en in 2007 geïmplementeerd door middel van een aanpassing van de Monumentenwet 1988 (Wet op de archeologische monumentenzorg). Uitgangspunten van het verdrag betreffen het streven naar het in de bodem behouden van archeologische waarden, het in een vroeg stadium van de ruimtelijke ordening rekening houden met archeologie, en het principe dat de bodemverstoorder kosten van archeologisch vooronderzoek en indien nodig ook van opgravingen moet betalen.
Verstoring
Aantasting van een gebied met archeologische waarden. Dit verschijnsel kan zich voordoen: door erosie, afgraving of egalisatie, door (diepe) bewerking van de bovengrond, door zetting als gevolg van ophoging, door verdroging en verzuring.
Verwachtingskaart
Kaart waarop aangegeven staat waar archeologische vindplaatsen aangetroffen (zouden) kunnen worden. De verwachting of trefkans kan uiteenlopen van geen of zeer laag tot zeer hoog.
Vindplaats
Een locatie waar archeologische vondsten zijn gedaan.
Waardering
Het bepalen van de kwaliteit van het bodemarchief. Het vaststellen van de kwaliteit van het bodemarchief dient te geschieden op basis van:
•fysieke criteria: gaafheid en conservering;
•inhoudelijke criteria: zeldzaamheid, informatiewaarde, context- of ensemblewaarde en representativiteit;
•belevingsaspecten: schoonheid en herinneringswaarde.
Bijlage 5: Achtergronddocument bij de Archeologische Verwachtings- en beleidskaart
1Inleiding
De gemeente Haarlemmermeer stelt een nieuwe archeologische beleidsnota op. Hiertoe behoort tevens een archeologische verwachtingskaart en een archeologische beleidskaart. De archeologische waarden- en verwachtingskaart is een gedetailleerd overzicht van (bekende) archeologische waarden en de archeologische verwachtingen. De beleidskaart geeft een vertaling van de archeologische waarden en verwachtingen naar categorieën voor de bestemmingsplankaart. De beleidskaart wordt gebruikt als toetsingskader voor het verlenen van Omgevingsvergunning - activiteiten bouwen, slopen of aanleggen.
In 2019 vond de fusie plaats tussen de gemeente Haarlemmermeer en de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Beide gemeenten waren in het bezit van een archeologische beleidskaart, maar hadden geen verwachtingenkaart. De verwachtingskaart is zodoende opgesteld. De beide beleidskaarten zijn samengevoegd, waarbij ook nieuwe inzichten zijn verwerkt. Het betreft een concept, dat eind juni 2020 zal worden besproken, waarna de opmerkingen zullen worden verwerkt in definitieve versies van de beleids- en verwachtingskaart.
De gemeente Haarlemmermeer wil zich enerzijds graag profileren als beheerder en zorgdrager voor het rijke archeologische bodemarchief, anderzijds vormt dit bodemarchief soms een belemmering voor de verdere planontwikkeling. Er is een balans gezocht tussen archeologisch verantwoord handelen en dat wat maatschappelijk en praktisch haalbaar is.
2Archeologische Verwachtingskaart
Omdat vlakdekkend archeologisch onderzoek voor het gehele grondgebied van de gemeente niet realistisch is, is gekozen voor het opstellen van een verwachtingskaart. Er is nog niet eerder een verwachtingskaart opgesteld voor het grondgebied van de gemeente Haarlemmermeer of de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Voor het opstellen van een dergelijke kaart is het noodzakelijk om de bekende archeologische, geologische en bodemkundige gegevens te inventariseren.
Er is zodoende gekeken naar de door de provincie en het Rijk ontwikkelde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) en de Archeologische Monumentenkaart (AMK). Bij het opstellen van de kaart bleek echter dat de begrenzing van de AMK terreinen niet helemaal overeenkwam met de begrenzing van de archeologische terreinen die op de oude beleidskaarten werden aangegeven als terreinen met een hoge verwachting. Er is besloten om uit te gaan van de accuraatheid van de lokale gegevens en zodoende de begrenzing van de oude beleidskaarten aan te houden. Bij het opstellen van de definitieve verwachtingskaart zal hier nader onderzoek naar worden gedaan.
Uitgangspunt bij het opstellen van een archeologische verwachtingskaart is dat bodemkundige en geologische kenmerken van het landschap bepalend zijn geweest voor de locatiekeuze. Door de combinatie van bekende archeologische vindplaatsen en landschappelijke kenmerken van het gebied kan de archeologische verwachtingskaart gespecificeerd worden.
Echter, omdat al er aan beleidskaart is, zijn voor een eerste opzet van de verwachtingskaart de waarden en ondergrenzen uit de beleidskaart omgezet naar de verwachting zeer hoog tot en met laag. Voor het deel van de gemeente dat niet gedekt werd door de oude beleidskaarten, is aangenomen dat daar een lage verwachting geldt. Bij de eerste opzet van de verwachtingskaart is ervoor gekozen om niet teveel verwachtingscategorieën te creëren. Daarom hebben Waarde – Archeologie 4 en 5 de aanduiding middelhoog gekregen.
3Archeologische Beleidskaart
De archeologische beleidskaart is gebaseerd op de oude beleidskaarten van de gemeente Haarlemmermeer en de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Beide kaarten zijn met medewerking van het steunpunt Monumenten en Archeologie Noord-Holland opgesteld. De beleidskaart van Haarlemmermeer in 2010 en die van Haarlemmerliede en Spaarnwoude in 2009. Voor het samenvoegen en actualiseren van de beleidskaarten is uitgegaan van de laatste versie.
De volgende aanpassingen zijn gedaan:
•De gegevens van de beleidskaart van de voormalige gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude zijn samengevoegd met de gegevens van de voormalige gemeente
•Haarlemmermeer, waarbij de begrenzing van de nieuwe gemeente Haarlemmermeer is toegepast.
•Daar waar de ondergrens voor de oppervlakte van de toegestane bodemingreep in de twee oude beleidskaarten overeenkwam, zijn deze eenheden op de nieuwe kaart samengevoegd.
•In het oude beleid van Haarlemmerliede en Spaarnwoude werd in sommige gevallen een ondergrens van 35 cm -MV aangehouden en in andere gevallen 40 cm. In de nieuwe beleidskaart wordt overal waar eerder 35 of 40 cm genoemd werd, nu 40 cm aangehouden.
•Het voormalige beleid van Haarlemmermeer bevatte geen diepte grenzen voor de geplande ingreep, in tegenstelling tot dat van de voormalige gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. De beleidsregels zijn samengevoegd, waarbij is gekozen om dieptegrenzen te hanteren. Nu gelden voor de hele gemeente een oppervlakte- en dieptegrens, afgestemd op de verwachte archeologische waarde.
•In één geval gold het beleid voor ‘plan groter dan 2500 m2 en dieper dan 3000 cm’. Het lijkt onwaarschijnlijk dat hier daadwerkelijk 30m bedoeld wordt; het is onduidelijk waarop deze keuze gebaseerd is. Dit gebied wordt in de nieuwe kaart benoemd als gebied zonder archeologische verwachting, op grond van de veronderstelling dat er geen archeologische waarden verwacht worden tussen maaiveld en 3 m -MV.
•De vlakken van de voormalige beleidskaarten overlappen elkaar deels. Bij het maken van de nieuwe kaart zijn de vlakken tegen elkaar uitgesneden, waarbij steeds het vlak met de strengere beleidsregel is uitgesneden uit het vlak met de minder strenge beleidsregel. M.a.w. hierbij is voor ieder gebied de strengste regel leidend.
•Aan alle legenda-eenheden is een ‘Waarde – Archeologie’ toegekend.
•Archeologisch onderzochte en vrijgegeven gebieden en gebieden die ontgraven zijn, worden op de kaart aangegeven als ‘Gebied zonder archeologische verwachting’.
•De provinciale archeologische monumenten (behorende tot de Stelling van Amsterdam) zijn toegevoegd aan de beleidskaart als Waarde Archeologie 1. Hier is de provincie bevoegd gezag.
De beleidskaart en het geldende regime (oppervlakte- en ondergrenzen voor ruimtelijke ingrepen) zullen in de gemeente en met de Erfgoedcommissie worden besproken en daarna indien nodig aangepast worden.
Samenvatting beleidsregime
Oud beleid
Actueel beleid
Categorie
Regime voormalig Haarlemmerliede Spaarnwoude
Regime voormalig Haarlemmermeer
Categorie
Regime
Prov. Monument Stelling A’dam
> 0 m2
Waarde Archeologie 1 (Prov. monu- ment)
Stelling van Amsterdam: geen bodemingreep toegestaan. Vergunning aanvragen bij provincie.
Gem. monument & Archeologisch waardevol gebied 1
Onderzoek ongeacht grootte en diepte
> 50 m2
Waarde Archeologie 2
Vastgestelde archeologische waarden Onderzoek verplicht bij alle bodem- ingrepen.
Archeologisch waardevol gebied 2
> 50 m2 en dieper dan 35 cm
> 500 m2
Waarde Archeologie 3
Bij bodemingrepengroter dan 50 m2 en dieper dan 40 cm: archeologisch onderzoek.
Archeologisch waardevol gebied 3
> 500m2 en dieper dan 40 cm
> 10.000 m2
Waarde Archeologie 4
Bij bodemingrepen groter dan500m2 en dieper dan 40 cm: archeologisch onderzoek.
Archeologisch waardevol gebied 4
> 2500 m2 en dieper dan 40 cm
Waarde Archeologie 5
Bij bodemingrepen groter dan2.500m2 en die- per dan 40 cm: archeologisch onderzoek.
Archeologisch waardevol gebied 5
> 10.000m2 en dieper dan 40 cm
Waarde Archeologie 6
Bij bodemingrepen groter dan 10.000m2 en dieper dan 40 cm: archeologisch onderzoek.
Waarde Archeologie 6
Uitzondering
Bij regulier bestaand agrarisch gebruik, bodemingrepen groterdan 10.000m2 en dieper dan 1,5m: archeologisch onderzoek.
Overige delen
Vrijstelling
Gebied zonder archeologische verwachting
Geen onderzoek
NB 1. De regimes zijn overgenomen uit het voormalige beleid van de gemeente Haarlemmermeer en Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Daar waar overlap bestond tussen de gebieden van de twee gemeentes, is gekozen voor het zwaarste regime.
NB2. Het regime van de gemeente Haarlemmermeer stelde alleen oppervlaktegrenzen en geen diepte grenzen. De gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude had oppervlaktegrenzen en ondergrenzen van 35 en 40 cm. Voor de eenduidigheid van het beleid is in alle gevallen een ondergrens van 40 cm aangehouden of toegevoegd. Zodoende geldt nu dat een ruimtelijke ingreep groter moet zijn dan een bepaalde omvang en dieper dan 40 cm. Wanneer beide grenzen worden overschreden, is archeologisch onderzoek vereist.
NB3. In het oude beleid van Haarlemmerliede en Spaarnwoude worden de Spaarndammerdijk en Inlaagse Dijk als gemeentelijk monument genoemd (HASP 05A & 06A). In het oude beleid werden deze monumenten gerekend onder het regime van Archeologisch Waardevol Gebied 1. Dit is in het actuele beleid overgenomen. Deze waarden zijn zodoende beschermd via de bestemmingsregels behorend bij Waarde Archeologie 2
Bijlage 6: Achtergronddocument bij Waarde Archeologie 6 - Uitzondering
Zoals opgemaakt kan worden uit de archeologische beleidskaart betreft Waarde 6 gronden met een lage archeologische verwachting. Het betreft het grootste deel van de gemeente Haarlemmermeer. Deze gronden worden gekenmerkt als droogmakerijen die na ca. 1850 in gebruik zijn genomen. Gezien de vondstlocaties die bekend zijn uit Archis 3 kan gesteld worden dat het aantreffen van sporen en vondsten op deze gronden vanaf de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd nog het grootste is. Op deze gronden is het aantreffen van water-gerelateerde vondsten en sporen uit deze periode, met name bestaand uit scheepswrakken, nog wel het hoogste, ondanks de lage verwachting van de bodem. Echter, vanwege de onbekende ligging van scheepswrakken, zijn deze niet opgenomen/aangeduid als specifieke vondstlocaties.
De kans op het aantreffen van sporen en vondsten op deze gronden uit perioden voor de Middeleeuwen, te weten de Romeinse tijd, de Bronstijd, de IJzertijd en de Steentijdperioden (Paleo-, Meso- en Neolithicum) moet klein worden geacht. Het is echter nog onduidelijk wat de archeologische potentie van de diepere ondergrond is. Terwijl deze wel kansen biedt op resten uit de prehistorie. De vernatting van het landschap in de middeleeuwen, maakte het gebied ongeschikt voor bewoning. Dat geldt niet voor de inmiddels verdwenen oudere en hoger gelegen kernen van voor de drooglegging. Die hebben echter tot nog toe weinig materiaal opgeleverd. De kans op toevalsvondsten van scheeps- en vliegtuigwrakken is wel aanwezig.
Er is dus weinig bekend maar de trefkans bij ondiepe ingrepen is en blijft klein.
Concluderend:
•De kans op het aantreffen van sporen en vondsten op gronden met de Waarde 6 is klein. Als er al sporen en vondsten aanwezig zijn zullen deze komen uit de perioden Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd, waarbij de kans het grootste is dat deze bestaan uit water-gerelateerde vondsten, met name scheepswrakken.
•De kans op het aantreffen van sporen en vondsten op gronden met de Waarde 6 uit perioden voor de Middeleeuwen, te weten de Romeinse tijd, de Bronstijd, de IJzertijd en de Steentijdperioden (Paleo-, Meso- en Neolithicum) moet klein worden geacht. Voor wat betreft sporen en vondsten uit de prehistorie heeft dat vooral te maken met hun diepe(re) ligging. Dat geldt zo goed als zeker ook voor de andere perioden tot de Middeleeuwen.
Dieptelaag van archeologische sporen en vondsten op gronden met Waarde 6
Specifiek voor dit advies heeft The Missing Link nog een extra controle uitgevoerd op data opgenomen in Archis 3 voor wat betreft de gronden met de Waarde 6.
Hieruit kan het volgende worden geconcludeerd:
•Het archeologische peil voor wat betreft mogelijke sporen en vondsten gerelateerd uit de Steentijd ligt (zeer) diep, op minimaal 3.5 meter beneden maaiveld. Daarbij dient te worden aangetekend dat er zeker sprake kan zijn van een fluctuatie van het prehistorisch oppervlak en dat op sommige locaties dit prehistorische oppervlak - en mogelijk ook latere perioden - hoger in de bodem ligt dan 3.5 meter beneden maaiveld; een dagzomend oppervlak uit de prehistorie op deze gronden is echter zeer onwaarschijnlijk. Aangetroffen vondsten uit deze periode aan het oppervlak zijn zo goed als zeker afkomstig van elders.
•Vondstmateriaal en/of sporen uit de periode na de Steentijd tot de Middeleeuwen ontbreken.
•Vondsten en of sporen uit de periode Middeleeuwen-Nieuwe Tijd worden nagenoeg alleen aangetroffen als oppervlaktevondsten: dit kan verklaard worden doordat sporen/vondsten uit deze periode zijn opgeploegd (door bijvoorbeeld agrariërs), het kan zijn dat met de ontginning deze sporen/vondsten naar boven zijn gekomen, maar ook moet niet worden uitgesloten dat (stads)afval uit de omgeving als ophoog/bemestingslaag is gebruikt. We spreken dan van beakkeringsvondsten.
Op basis van deze informatie kan de conclusie worden getrokken dat een archeologisch beschermingsregime voor normaal agrarisch gebruik, te weten het toestaan van bodemingrepen tot een maximum van 10.000m2 die niet dieper reiken dan 1.5 meter -mv., ook vanuit archeologisch perspectief verantwoord is. Vondsten en sporen uit de Steentijdperioden en ook latere perioden, worden in zijn algemeenheid op een dieper niveau verondersteld dan 1.5 meter beneden maaiveld. Dit laat onverlet dat bij (hoge) uitzondering er wel sporen en vondsten aanwezig kunnen zijn die ondieper in de bodem liggen dan 1.5 meter beneden maaiveld, maar de kans dat deze sporen en vondsten nog intact in de bodem bewaard zijn gebleven, laat staan een behoudenswaardige vindplaats opleveren, is echter bijzonder klein. Aanscherping van dit beschermingsregime achten we dan ook niet opportuun. Immers, met een scherpere vrijstellingsdiepte – bijvoorbeeld 80 cm. -mv. of 40 cm. -mv. – wordt het archeologisch bodemarchief niet beter beschermd.
Daarbij dient één opmerking te worden gemaakt. En dat betreft het mogelijk aantreffen van een scheepswrak uit de Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Het is altijd mogelijk dat deze door (diepe) ploegwerkzaamheden geraakt wordt. Feitelijk zou je deze scheepswrakken als een soort toevalsvondst kunnen kwalificeren.