Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregel Buitenplanse Afwijkingsmogelijkheden Gemeente Gulpen-Wittem 2023

Gemeente Gulpen-Wittem · geldt sinds 25 februari 2023

Aanhef

Artikel 2:12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

In samenhang met Bijlage II, artikel 4 Besluit omgevingsrecht (Bor)

Inhoudsopgave

❖ Hoofdstuk 1: Inleiding

1.1. Inleiding

1.2. Beleid tot 1 oktober 2010

1.3. Nieuw afwijkingsbeleid

1.4. Reikwijdte nota

1.5. Leeswijzer

❖ Hoofdstuk 2: Het kader van de afwijkingsmogelijkheid ex. artikel 2:12 Wabo

2.1. Afwijken van bestemmingsplan

2.2. Reguliere of uitgebreide voorbereidingsprocedure

2.3. Belangenafweging

2.4. Beleid Planologische Afwijkingsmogelijkheden

2.5. Afwijken van de beleidsregels (hardheidsclausule)

2.6. Procedure vaststelling beleid

❖ Hoofdstuk 3:Beleid Planologische Afwijkingsmogelijkheden

INLEIDENDE REGELS

Artikel 1: Begrippen

Artikel 2: Wijze van meten

BELEIDSREGELS

Artikel 3: Bijbehorende bouwwerken binnen de bebouwde klom

3.1 Afwijking bijbehorend bouwwerk bij woningen

3.2 Afwijking voor carports en overkappingen

3.3 Uitbreiding bij andere gebouwen dan woningen

3.4 Afwijking voor een schuilgelegenheid

Artikel 4: Bijbehorende bouwwerken buiten de bebouwde kom

4.1 Afwijking bijbehorend bouwwerk bij woningen

4.2 Afwijking voor carports en overkappingen

4.3 Uitbreiding bij andere gebouwen dan woningen

Afwijking voor een schuilgelegenheid

Artikel 5: Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening

5.1 Uitgangspunt bij toepassing

Artikel 6: Een bouwwerk, geen gebouw zijnde of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk

6.1 Uitgangspunt bij toepassing

6.2 Afwijking voor erf- en terreinafscheidingen bij grondgebonden (vakantie) woningen

6.3 Hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde

6.4 Bebouwingspercentage

6.5 Afwijking voor reclame- en verkoopborden

Artikel 7:Een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van het gebouw, dan wel de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard

7.1 Uitgangspunt bij toepassing

7.2 Plaatsen van een dakopbouw op een woning

Artikel 8: Een antenne-installatie

8.1 Uitgangspunt bij toepassing

Artikel 9: Een WKK installatie bij glasbouwtuinbedrijven

9.1 Uitgangspunt bij toepassing

Artikel 10: Een installatie voor duurzame energie bij agrarische bedrijven

10.1 Uitgangspunt bij toepassing

Artikel 11:Het gebruiken van gronden voor een niet ingrijpende herinrichting van openbaar gebied

11.1 Uitgangspunt bij toepassing

Artikel 12:Het gebruiken van bouwwerken al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten en van de bij de bouwwerken aansluitend terrein, mits voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers

12.1 Uitgangspunt bij uitwisseling van functies

12.2 Afwijken van het gebruik van een woning en bijbehorende bouwwerken voor consumentverzorgende of ambachtelijke bedrijven

12.3 Afwijken van het gebruik van een gebouw, geen woning zijnde, en/of de bij dat gebouw behorende bijgebouwen en aan- of uitbouwen voor aan huis gebonden bedrijfsactiviteiten

12.4 Afwijken van het gebruik voor logies- en/of kamerverhuur

12.5 Afwijken van het gebruik ten behoeve van internetverkoop in een woning

12.6 Afwijken van het gebruik voor het omvormen van bestaande bebouwing naar woningen

Artikel 13: Het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning

13.1 Uitgangspunt bij toepassing

Artikel 14: Ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10 voor een termijn van ten hoogste 10 jaar

14.1 Uitgangspunt bij toepassing

ALGEMENE REGELS

Artikel 15: Algemene regels bij toepassing van de beleidsregel

14.1. Algemene plaatsbepaling

14.2. Planschadeverhaalsovereenkomst

14.3: Toepassing begripsbepalingen

14.4: Toepassing “wijze van meten”

Artikel 16: Hardheidsclausule

Artikel 17: Inspraak

Artikel 18: Inwerkingtreding

Artikel 19: Citeertitel

❖ Hoofdstuk 4: Toelichting

4.1. Inleiding

4.2. Toelichting inhoudelijke beleidsregels

❖ Bijlagen

Hoofdstuk 3: Beleid Planologische Afwijkingsmogelijkheden

INLEIDENDE REGELS

❖ Artikel 1: Begrippen

1.1 Aan- en uitbouw

een ruimte die aan het hoofdgebouw is gebouwd, die functioneel een geheel vormt met het hoofdgebouw, maar die ruimtelijk een ondergeschikte aanvulling vormt op het hoofdgebouw.

1.2 Centrumzone

de zone zoals omschreven en aangeduid op kaart in de toelichting van de bestemmingsplannen (dorpskernen).

1.3 Consumentverzorgende en/of ambachtelijke bedrijven

een dienstverlenend beroep, gericht op het uitoefenen van ambachtelijke en/of consumentverzorgende bedrijvigheid geheel of overwegend door middel van handwerk, eventueel met daarbij behorende detailhandelsactiviteiten van ondergeschikte aard, dat in een (beperkt deel van de) woning en/of in de bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat gelet op de ruimtelijke uitwerking en/of uitstraling, met de woonfunctie verenigbaar is. In bijlage 2 is een overzicht van deze bedrijven opgenomen.

1.4 Aansluitend terrein

het terrein dat op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt. Dat is een op de kaart van het bestemmingsplan aangegeven begrensd bouwperceel, waarop een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. De grond die in het bestemmingsplan een (andere) bestemming heeft gekregen en waarop in het geheel geen bebouwing is toegestaan, kan dus niet worden gerekend tot het aansluitend terrein.

1.5 Achtererfgebied

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

1.6 Antennedrager

antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

1.7 Achtergevellijn

de achterste grens van het bouwvlak en het verlengde daarvan.

1.8 Antenne-installatie

installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;

1.9 Ambachtelijke bedrijvigheid

het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en het instaleren van goederen alsook het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte activiteit, van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, ver- of bewerkt.

1.10 Ander bouwwerk

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals bijvoorbeeld een erfafscheiding of zwembad.

1.11 Ander gebouw

een gebouw, geen woning zijnde.

1.12 Arbeidsmigrant

den persoon die vanwege economische motieven tijdelijk naar de gemeente Gulpen-Wittem komt om een inkomen te verwerven, en wiens hoofdverblijf buiten de gemeente is gelegen

1.13 Balkon

een open uitbouw aan een bovenverdieping van een woning, voorzien van een balustrade en toegankelijk vanuit het verblijfsgebied.

1.14 Bebouwde kom

een gebied met samenhangende bebouwing, waarbij de aard van de omgeving bepalend is en niet de plaats van het verkeersbord dat de grens van de bebouwde kom als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 aangeeft.

1.15 Bebouwing

-één of meer gebouwen en/of

-bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.16 Bebouwingspercentage

het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen en andere bouwwerken mag worden bebouwd. Voor zover op de bestemmingsplankaart bebouwingsgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.

1.17 Bouwhoogte van een bouwwerk

het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

1.18 Bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

1.19 Bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge het bestemmingsplan of (indien van toepassing) de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.20 Bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.21 Bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

1.22 Bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; Het begrip (bijbehorend bouwwerk) is een verzamelbegrip waar uitbreidingen van een hoofdgebouw, aan- en uitbouwen en bijgebouwen onder vallen.

1.23 Carport/overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde met tenminste een dak en niet of slechts aan één zijde voorzien van een wand, bestaande wanden van overige gebouwen niet meegerekend.

1.24 Dakkapel

van ramen voorziene uitbouw aan een kap met aanhechtingen die zich in zijn geheel binnen het hellende dakvlak bevinden, die niet de volledige breedte van het dakvlak beslaat.

1.25 Dakopbouw:

een toevoeging aan het dak van de hoofdbebouwing, niet zijnde een bouwlaag en niet ondergeschikt aan het dakvlak.

1.26 Daknok

het hoogste punt van een schuin dak.

1.27 Dakvoet

laagste punt van een schuin dak.

1.28 Erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

1.29 Evenement

een tijdelijke activiteit in de openlucht al dan niet in tijdelijke tenten of paviljoens, gericht op het bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, vermaak, culturele en/of levensbeschouwelijke doeleinden.

1.30 Gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.31 Goothoogte van een bouwwerk

bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, daktrim of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

1.32 Hoofdgebouw

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkste gebouw is.

1.33 Huishouden

van een huishouden is sprake wanneer één of meerdere personen in een zekere continue samenstelling met elkaar wonen en tussen de verschillende personen een zekere onderlinge verbondenheid bestaat.

1.34 Internetverkoop

het al dan niet hobbymatig verkopen van goederen via internet, zonder uitstalling, verkoop en afhaal van goederen, ter plaatse, waarbij de goederen overwegend per post worden geleverd. Een webwinkel valt niet onder de definitie van internetverkoop.

1.35 Kamerverhuur

het bedrijfsmatig aanbieden van (nacht)verblijf, waarbij een (deel van een) gebouw als onzelfstandige wooneenheid/wooneenheden word(t)(en) gebruikt en waarbij verder kenmerkend is dat de kamerhuurder(s) ter plaatse zijn hoofdverblijf heeft (hebben).

1.36 Logies:

het bedrijfsmatig aanbieden van (nacht)verblijf, waarbij een (deel van een) gebouw als onzelfstandige wooneenheid/wooneenheden word(t)(en) gebruikt en waarbij kenmerkend is dat de betreffende persoon zijn hoofdverblijf elders heeft (bv arbeidsmigranten).

1.37 Mobiele reclame

al dan niet langs of aan een weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, geplaatste voertuigen c.q. objecten, voorzien van reclameborden en/of andere reclame-uitingen, bedoeld om tijdelijk dan wel permanent ter plaatse te functioneren.

1.38 Onzelfstandige woning/wooneenheid

een woning/wooneenheid, niet zijnde een zelfstandige woning/wooneenheid.

1.39 Openbaar toegankelijk gebied

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

1.40 Passend in het straat- en bebouwingsbeeld

■ een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;

■ een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling;

■ een samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is;

■ de cultuurhistorische samenhang in de omgeving;

■ één en ander door de welstandscommissie, dorpsbouwmeester dan wel monumentencommissie te bepalen.

1.41 Perceel

een stuk grond dat eenzelfde gebruik heeft en is omgeven door een duidelijke herkenbare grens in de vorm van bijvoorbeeld heggen, afrastering, sloten en/of greppels.

1.42 Perceelsgrens

de grens van een kadastraal perceel.

1.43 Plat dak

Een dak met een dakhelling tussen de 0 en 5°.

1.44 Schuilgelegenheid

een overdekte ruimte die maximaal aan 3 zijden is omsloten door wanden, waarvan het/de betreffende dier(en) in geval van weidegang uit oogpunt van dierwelzijn gebruik moet(en) kunnen maken door vrij in en uit lopen, met als doel bescherming tegen extreme weersomstandigheden.

1.45 Vakantiewoning

een gebouw van een woningtypering waarvoor een vergunning ingevolge artikel 2.1. lid 1 Wabo is vereist en dat dient als periodiek verblijf voor wisselende recreant(en), die hun hoofdverblijf elders hebben. Onder een vakantiewoning wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.

1.46 Volwaardig agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf met ten minste de arbeidsomvang van één volwaardige arbeidskracht en waarvan de continuïteit op langere termijn voldoende is verzekerd. De volwaardigheid wordt getoetst op doelmatigheid en continuïteit.

1.47 Voorerfgebied

erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied

1.48 Voorgevel

de naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw.

1.49 Voorgevelrooilijn

een denkbeeldige dan wel op de kaart van het bestemmingsplan aangegeven lijn die strak loopt langs de voorgevel van een hoofdgebouw tot aan de perceelsgrenzen dan wel een denkbeeldige lijn die loopt langs de voorgevels van de gebouwen die aan de straatzijde zijn gelegen en gezamenlijk het straatbeeld bepalen . Een woning kan meerdere voorgevelrooilijnen hebben.

1.50 Woning/wooneenheid

een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk

1.51 Webwinkel

een vorm van detailhandel met al dan niet een uitstraling, waarbij de goederen via internet worden aangeboden en zowel per post worden geleverd als ter plaatse afgehaald.

1.52 Zelfstandige woning/wooneenheid

een woning met een eigen toegang, waarbij wezenlijke voorzieningen niet te hoeven worden gedeeld met andere bewoners van het pand (eengezinshuishouden/gemeenschappelijk huishouden).

❖ Artikel 2: Wijze van meten

Bij de toepassing van wijze van meten geldt het bepaalde in artikel 1 lid 2 Bijlage II Bor

BELEIDSREGELS

❖ Artikel 3: Bijbehorende bouwwerken (of uitbreidingen daarvan) binnen de bebouwde kom

Wettekst

Artikel 4,eerste lid, onderdeel a, bijlage II Besluit Omgevingsrecht:

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b.de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

Beleidsregel

Artikel 3.1 t/m 3.3 is niet van toepassing op vakantiewoningen.

3.1 Afwijking bijbehorend bouwwerk bij woningen

Een afwijking voor bijbehorende bouwwerken bij woningen is toegestaan, met dien verstande dat:

1Het bijbehorend bouwwerk minimaal 1 meter achter, het verlengde van, de voorgevelrooilijn wordt gebouwd;

2De bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk maximaal 5,50 meter bedraagt;

3De gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken, buiten het in het bestemmingsplan aangewezen bouwvlak, maximaal 120 m² bedragen, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt;

4De afstand van het bijbehorend bouwwerk tot aan het openbaar toegankelijk gebied minimaal 1 meter bedraagt;

5Bij vrijstaande woningen minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd; Bij halfvrijstaande woningen met een kavelbreedte groter dan 12 meter aan één zijde de afstand tussen een bijbehorend bouwwerk en de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 meter bedraagt.

Bij halfvrijstaande woningen met een kavelbreedte kleiner dan 12 meter bijbehorende bouwwerken in de perceelsgrens mogen worden gebouwd;

6In afwijking van het bepaalde onder 1 en 4 mogen bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel c.q. het verlengde daarvan gebouwd worden, mits:

a) de aan de straatzijde aanwezige voorgevelrooilijn niet wordt overschreden en

b) als het een garage betreft de afstand van tenminste 5 meter tot de perceelsgrens aan de zijde van het openbaar toegankelijk gebied in acht wordt genomen (gezien vanuit de toegang van de garage);

7In afwijking van het bepaalde onder 2 is een hogere bouwhoogte toegestaan, mits deze past in het straat- en bebouwingsbeeld (zie begripsbepaling 1.40);

8In afwijking van het bepaalde onder 3 is een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mogelijk mits:

a) in de bestaande situatie een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is vergund en

b) een deel van deze bijbehorende bouwwerken wordt gesloopt en

c) de totale oppervlakte op het perceel niet toeneemt en

d) er een wezenlijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt.

9In afwijking van het bepaalde onder 3 is bij percelen groter dan 1000 m2 een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mogelijk, mits:

a) passend binnen het straat- en bebouwingsgebied van de omgeving en

b) het woon- en leefklimaat is gegarandeerd en

c) de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt.

10Voor zover niet voorzien in de bestemmingsplannen dan mogen gebouwen plat worden afgedekt, mits dit past in het straat- en bebouwingsbeeld (zie begripsbepaling 1.40).

11In afwijking van het bepaalde onder 5 kan een afwijking van het bestemmingsplan worden toegestaan, wanneer sprake is van herbouw van een bestaand bijbehorend bouwwerk.

3.2 Afwijking voor carports en overkappingen

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1 lid 1 mag een carport/ overkapping:

1maximaal 3,30 meter hoog zijn en

2op het achtererfgebied buiten het bebouwingsvlak een maximale oppervlakte van 30 m² hebben, mits het erf in totaliteit voor niet meer dan 50% wordt bebouw en

3verkeerskundig er geen bezwaren zijn tegen het aanleggen van eventueel benodigde extra inritconstructie;

4in afwijking van het bepaalde onder 2 mag een carport/overkapping aan de zijkant van het gebouw worden geplaatst en de voorgevel van de woning c.q. het verlengde daarvan overschrijden, mits:

a) de overschrijding maximaal 2 meter bedraagt en

b) de afstand tot de openbare weg minimaal 5 meter bedraagt (gezien vanaf de toegang tot de carport).

3.3 Uitbreiding bij andere gebouwen dan woningen

Voor uitbreidingen bij andere gebouwen dan woningen geldt dat een afwijking van het bestemmingsplan alleen mogelijk, mits de noodzaak door de aanvrager is aangetoond en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd. Daarbij geldt dat het bebouwingsoppervlak op het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende perceel op niet meer dan 75% van de oppervlakte van dit gebied mag uitkomen.

3.4 Afwijking voor een schuilgelegenheid

Op gronden met een agrarische bestemming kan van het bestemmingsplan worden afgeweken voor het oprichten van een schuilgelegenheid als bedoeld in artikel 1, onder voorwaarde dat:

a.de schuilgelegenheid als een bijbehorend bouwwerk kan worden beschouwd bij een op hetzelfde perceel gelegen woongebouw;

b.gelet op het bepaalde onder a op het betreffende perceel geen agrarisch bouwvlak is gelegen en de beweiding geen onderdeel uitmaakt van een volwaardig agrarisch bedrijf;

c.de schuilgelegenheid een maximale bouwhoogte heeft van 4,50 meter en een maximale goothoogte van 3 meter;

d.de schuilgelegenheid een maximale oppervlakte heeft van 12 m2;

e.per perceel maximaal 1 schuilgelegenheid wordt opgericht;

f.de landschappelijke inpassing van de schuilgelegenheid is verzekerd door een bij het landschap passende materiaal- en kleurkeuze;

g.het materiaal van hout of ander natuurlijk materiaal dient te zijn en voldoet aan redelijke eisen van welstand;

h.de schuilgelegenheid in beginsel wordt opgericht aan de rand van een perceel. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, wanneer op het perceel één of meerdere (landschappelijke) elementen (bosschagers, houtwallen/-singels, begroeiingen of erfafscheidingen) aanwezig zijn die, gelet op hun aard en omvang, zorgen voor een betere beeldkwaliteit wanneer de schuilgelegenheid ter plekke wordt geplaatst;

i.het gebruik van het bouwwerk gericht is op een schuilgelegenheid e niet als stal c.q. schuur. Er mag geen opslag van stro, voer of andere materialen plaatsvinden;

j.ter bescherming en behoud van kenmerkende gebiedseigen natuurwaarden en landschappelijke kernkwaliteiten in beginsel geen schuilgelegenheid wordt toegestaan in Natura2000-gebieden/Goudgroene Natuurzone.. Op een dergelijke manier blijft de kwaliteit van het landschap en de openheid van het landelijke gebied zo veel mogelijk behouden. Indien het (maatschappelijk) belang van een schuilgelegenheid passend bij het karakter en de doelstelling van het gebied kan worden aangetoond, kan er middels de ‘nee-tenzij-methode’ toch een schuilgelegenheid worden toegestaan. Hiervoor geldt dan wel dat de verloren gaande waarden dienen te worden gecompenseerd.

❖ Artikel 4: Bijbehorende bouwwerken (of uitbreidingen daarvan) buiten de bebouwde kom

Wettekst

Artikel 4,eerste lid, onderdeel b, bijlage II Besluit Omgevingsrecht

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b.de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

Beleidsregel

Artikel 4.1 t/m 4.3 is niet van toepassing op vakantiewoningen.

4.1 Afwijking bijbehorend bouwwerk bij woningen

1Het bijbehorend bouwwerk minimaal 1 meter achter, het verlengde van, de voorgevelrooilijn wordt gebouwd;

2De bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk maximaal 5 meter bedraagt;

3De gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken, buiten het in het bestemmingsplan aangewezen bouwvlak, maximaal 120 m² bedragen, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 50%bedraagt;

4De afstand van het bijbehorende bouwwerk tot aan het openbaar toegankelijk gebied minimaal 1 meter bedraagt;

5Bij vrijstaande woningen minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd; Bij halfvrijstaande woningen met een kavelbreedte groter dan 12 meter aan één zijde de afstand tussen een bijbehorend bouwwerk en de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 meter bedraagt;

Bij halfvrijstaande woningen met een kavelbreedte kleiner dan 12 meter bijbehorende bouwwerken in de perceelsgrens mogen worden gebouwd

6In afwijking van het bepaalde onder 1 en 4 mogen bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel c.q. het verlengde daarvan gebouwd worden, mits:

a) de aan de straatzijde aanwezige voorgevelrooilijn niet wordt overschreden en

b) als het een garage betreft de afstand van tenminste 5 meter tot de perceelsgrens aan

c) de zijde van het openbaar toegankelijk gebied in acht wordt genomen (gezien vanuit de toegang van de garage).

7In afwijking van het bepaalde onder 3 is een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken (max 150 m2) mogelijk, mits:

a) in de bestaande situatie een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is vergund en

b) een deel van deze bijbehorende bouwwerken wordt gesloopt en

c) de totale oppervlakte op het perceel niet toeneemt en

d) er een wezenlijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt.

8In afwijking van het bepaalde onder 3 is bij percelen groter dan 1000 m2 een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken (max 150 m2) mogelijk, mits:

a) passend binnen het straat- en bebouwingsgebied van de omgeving en

b) het woon- en leefklimaat is gegarandeerd en

c) de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt.

9Voor zover niet voorzien in de bestemmingsplannen dan mogen gebouwen plat worden afgedekt, mits dit past in het straat- en bebouwingsbeeld (zie begripsbepaling 1.40).

10In afwijking van het bepaalde onder 5 kan een afwijking van het bestemmingsplan worden toegestaan, wanneer sprake is van herbouw van een bestaand bijbehorend bouwwerk.

4.2 Afwijking voor carports en overkappingen

In afwijking van het bepaalde in artikel 4.1 lid 1 mag een carport/ overkapping:

1maximaal 3,30 meter hoog zijn en

2op het achtererfgebied buiten het bebouwingsvlak een maximale oppervlakte van 30 m² hebben, mits het erf in totaliteit voor niet meer dan 50% wordt bebouwd en

3verkeerskundig er geen bezwaren zijn tegen het aanleggen van eventueel benodigde extra inritconstructie;

4indien aan de zijkant van het bouwwerk geplaatst, mag de overkapping de voorgevel van de woning c.q. het verlengde daarvan overschrijden, mits:

a) de overschrijding maximaal 2 meter bedraagt en

b) de afstand tot de openbare weg minimaal 5 meter bedraagt (gezien vanuit de toegang tot de carport) .

43 Uitbreiding bij andere gebouwen dan woningen

Voor uitbreidingen bij andere gebouwen dan woningen geldt dat een afwijking van het bestemmingsplan alleen mogelijk mits de noodzaak is aangetoond en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd. Daarbij geldt dat het bebouwingsoppervlak op het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende perceel op niet meer dan 75% van de oppervlakte van dit gebied mag uitkomen.

4.4 Afwijking voor een schuilgelegenheid

Op gronden met een agrarische bestemming kan van het bestemmingsplan worden afgeweken voor het oprichten van een schuilgelegenheid als bedoeld in artikel 1, onder voorwaarde dat:

a.de schuilgelegenheid als een bijbehorend bouwwerk kan worden beschouwd bij een op hetzelfde perceel gelegen woongebouw;

b.gelet op het bepaalde onder a op het betreffende perceel geen agrarisch bouwvlak is gelegen en de beweiding geen onderdeel uitmaakt van een volwaardig agrarisch bedrijf;

c.de schuilgelegenheid een maximale bouwhoogte heeft van 4,50 meter en een maximale goothoogte van 3 meter;

d.de schuilgelegenheid een maximale oppervlakte heeft van 12 m2;

e.per perceel maximaal 1 schuilgelegenheid wordt opgericht;

f.de landschappelijke inpassing van de schuilgelegenheid is verzekerd door een bij het landschap passende materiaal- en kleurkeuze;

g.het materiaal van hout of ander natuurlijk materiaal dient te zijn en voldoet aan redelijke eisen van welstand;

h.de schuilgelegenheid in beginsel wordt opgericht aan de rand van een perceel. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, wanneer op het perceel één of meerdere (landschappelijke) elementen (bosschages, houtwallen/-singels, begroeiingen of erfafscheidingen) aanwezig zijn die, gelet op hun aard en omvang, zorgen voor een betere beeldkwaliteit wanneer de schuilgelegenheid ter plekke wordt geplaatst;

i.het gebruik van het bouwwerk gericht is op een schuilgelegenheid e niet als stal c.q. schuur. Er mag geen opslag van stro, voer of andere materialen plaatsvinden;

j.ter bescherming en behoud van kenmerkende gebiedseigen natuurwaarden en landschappelijke kernkwaliteiten in beginsel geen schuilgelegenheid wordt toegestaan in Natura2000-gebieden/Goudgroene Natuurzone. Op een dergelijke manier blijft de kwaliteit van het landschap en de openheid van het landelijke gebied zo veel mogelijk behouden. Indien het (maatschappelijk) belang van een schuilgelegenheid passend bij het karakter en de doelstelling van het gebied kan worden aangetoond, kan er middels de ‘nee-tenzij-methode’ toch een schuilgelegenheid worden toegestaan. Hiervoor geldt dan wel dat de verloren gaande waarden dienen te worden gecompenseerd.

❖ Artikel 5: Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening

Wettekst

Artikel 4, tweede lid , bijlage II, Besluit Omgevingsrecht

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 5 m, en

b.de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

Beleidsregel

5.1 Uitgangspunt bij toepassing

Een afwijking van het bestemmingsplan is alleen mogelijk voor een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening, de, waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 5 meter;

b.de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m²;

c.de noodzaak is aangetoond en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd.

❖ Artikel 6: Een bouwwerk, geen gebouw zijnde of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk

Wettekst

Artikel 4, derde lid, bijlage II, Besluit Omgevingsrecht

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 10 m, en

b.de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

Beleidsregel

Artikel 6.1 t/m 6.4 is niet van toepassing op reclame- en verkoopborden

6.1 Uitgangspunt bij toepassing

Een afwijking van het bestemmingsplan is mogelijk voor bouwwerken, geen gebouw zijnde of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, die voldoen aan de kenmerken van artikel 4 lid 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, mits de noodzaak is aangetoond en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd.

6.2 Afwijking voor erf- en terreinafscheidingen bij grondgebonden (vakantie) woningen

Voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen bij grondgebonden woningen en vakantiewoningen gelden de volgende bepalingen:

1de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel c.q. het verlengde daarvan mag maximaal 1 meter bedragen;

2de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel c.q. het verlengde daarvan en niet grenzend aan het openbaar toegankelijk gebied mag maximaal 2 meter bedragen.

3de hoogte van erf- en terreinafscheidingen in het voorerfgebied bij hoekwoningen mag maximaal 2 meter bedragen mits:

a) deze op minimaal 3 meter achter de voorgevel c.q. het verlengde daarvan wordt geplaatst;

b) het een erf- of terreinafscheiding betreft die (deels) bestaat uit een open constructie.

4de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevels c.q. het verlengde daarvan mag maximaal 2 meter bedragen mits:

a) de breedte maximaal 1,5 meter bedraagt en deze haaks op de voorgevel van de woning wordt geplaatst;

b) de afstand tot de openbare ruimte minimaal 2 meter is;

c) het een erf- of terreinafscheiding betreft die bestaat uit een open constructie;

5een combinatie van de onder 1. t/m 4. genoemde bepalingen is mogelijk.

6.3 Hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde

De hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 10 meter.

6.4 Bebouwingspercentage

Voor zover van toepassing bedraagt de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 50%.

6.5 Afwijking voor reclame en verkoopborden

1Reclame en verkoopborden zijn alleen toegestaan conform de uitgangspunten van het reclamebeleid Gulpen-Wittem;

2Voor mobiele reclames wordt geen afwijking verleend.

❖ Artikel 7: Een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van het gebouw, dan wel de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard

Wettekst

Artikel 4, vierde lid, bijlage II, Besluit Omgevingsrecht

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, dan wel de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard;

Beleidsregel

7.1 Uitgangspunt bij toepassing

Als de te realiseren dakkapel, dakopbouw, gelijksoortige uitbreiding van het gebouw of uitbreiding met een bouwdeel van ondergeschikte aard precedentwerking kan oproepen, dient bekeken te worden of het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt aangetast, alsof meerdere dakkapellen, dakopbouwen, gelijksoortige uitbreidingen en/of uitbreidingen met een bouwdeel van ondergeschikte aard aangevraagd zijn. Hiertoe dient het plan aan de welstandscommissie c.q. dorpsbouwmeester en/of monumentencommissie te worden voorgelegd.

7.2 Plaatsen van een dakopbouw op een woning

Voor het plaatsen van een dakopbouw op een woning geldt dat een dakopbouw uitsluitend mag worden geplaatst op het achterdakvlak, tenzij dit

a.achterdakvlak afgekeerd is van het openbaar toegankelijk gebied;

b.de dakopbouw mag de bestaande daknok van de woning met maximaal 1 meter overschrijden;

c.de dakopbouw dient ten minste 1.00 meter uit de zijdelingse dakrand te worden geplaatst.

❖ Artikel 8: Een antenne-installatie

Wettekst

Artikel 4, vijfde lid, bijlage II, Besluit omgevingsrecht

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m

Beleidsregel

8.1 Uitgangspunt bij toepassing

Verzoeken om af te wijken van het bestemmingsplan in verband met het plaatsen van een antenne-installatie, zullen worden beoordeeld aan de hand van het vigerende antennebeleid, zoals vastgesteld door de gemeenteraad.

❖ Artikel 9: Een WKK installatie bij glasbouwtuinbedrijven

Wettekst

Artikel 4, zesde lid, bijlage II, Besluit omgevingsrecht

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;

Beleidsregel

9.1 Uitgangspunt bij toepassing

Een afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend voor een WKK installatie als bedoeld in bijlage II, artikel 4, lid 6 van het Bor, mits de noodzaak is aangetoond en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd.

❖ Artikel 10: Een installatie voor duurzame energie bij agrarische bedrijven

Wettekst

Artikel 4, zevende lid, bijlage II, Besluit omgevingsrecht

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;

Beleidsregel

10.1 Uitgangspunt bij toepassing

Een afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend voor een installatie als bedoeld in bijlage II, artikel 4, lid 7 van het Bor, mits de noodzaak is aangetoond en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd.

❖ Artikel 11: Het gebruiken van gronden voor een niet ingrijpende herinrichting van openbaar gebied

Wettekst

Artikel 4, achtste lid, bijlage II, Besluit Omgevingsrecht

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

het gebruiken van gronden voor een niet ingrijpende herinrichting van openbaar gebied

Beleidsregel

11.1 Uitgangspunt bij toepassing

Een afwijking van het bestemmingsplan voor een niet ingrijpende herinrichting van openbaar gebied als bedoeld in bijlage II, artikel 4 lid 8 van het Bor wordt verleend, mits omwonenden en gebruikers van het desbetreffend gebied door de herinrichting niet onevenredig in hun belangen worden geschaad.

❖ Artikel 12: Het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buitende bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers.

Wettekst

Artikel 4, negende lid, bijlage II, Besluit Omgevingsrecht

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

Het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers.

Beleidsregel

12.1 Uitgangspunt bij uitwisseling van functies

1Centrumzone van dorpskern

De uitwisseling van functies voor voorzieningen als detailhandel, horeca, kantoren en dienstverlenende functies die zich in de centrumzone van de dorpskernen bevinden, dient mogelijk te zijn om zodoende de flexibele inrichting van het centrum te kunnen waarborgen.

2Woongebieden

Als uitgangspunt wordt genomen dat voor voorzieningen als detailhandel, horeca, kantoren en dienstverlenende functies die in de woongebieden van de kernen gelegen zijn en die middels een afwijkingsprocedure gerealiseerd worden de detailhandel- en horecavoorzieningen omgezet kunnen worden naar wonen, kantoren of andere dienstverlenende functies. Echter kunnen kantoren en dienstverlenende functies geen detailhandels- of horecafunctie kunnen krijgen. In deze beleidsregel wordt onder “woongebieden” verstaan de “Wonen 1 t/m 4” gebieden zoals opgenomen in onze bestemmingsplannen voor de kernen.

12.2 Afwijken van het gebruik van een woning en bijbehorende bouwwerken voor consumentverzorgende of ambachtelijke bedrijven

Bij de beoordeling of een bepaalde activiteit is toegestaan dan wel op welke schaal de activiteit mag worden uitgeoefend, dienen omtrent de toelaatbaarheid van consumentverzorgende en/of ambachtelijke bedrijfsactiviteiten de navolgende regels in acht genomen te worden:

1de dienstverlenende bedrijvigheid betreft het bedrijfsmatig verlenen van diensten;

2Eventuele detailhandelsactiviteiten dienen in causaal verband te staan met het desbetreffende beroep of bedrijf en zijn van ondergeschikte aard ten opzichte van het desbetreffende beroep of bedrijf;

3Het gebruik heeft en zal een kleinschalig karakter behouden en moet naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming zijn. Dit houdt in dat maximaal 40% van het vloeropppervlak van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de beroeps- of de bedrijfsmatige activiteit in gebruik mag zijn;

4Degene die de activiteiten in de woning of bijbehorende bouwwerken uitvoert is tevens gebruiker van de woning;

5Het gebruik niet tot zodanige verkeersaantrekkende activiteiten (kunnen) leiden, die een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer tot gevolg hebben dan wel voor een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte zorgen. Als toetsingskader dient hierbij de “Beleidsnota Parkeernormen en Parkeerfonds Gulpen-Wittem te worden gehanteerd;

12.3 Afwijken van het gebruik van een gebouw, geen woning zijnde, en/of de bij dat gebouw behorende bijbehorende bouwwerken voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

Indien het een wijziging van het gebruik van een gebouw, geen woning zijnde, en/of de bij dat gebouw behorende bijbehorende bouwwerken betreft, zal per afzonderlijk geval worden beoordeeld of planologische medewerking in de vorm van een afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend, met dien verstande dat een gebruik ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf, raam- en straatprostitutie,coffeeshop, growshop is uitgesloten.

12.4 Afwijken van het gebruik voor logies- en/of kamerverhuur

Een wijziging van het gebruik voor (een deel van) de hoofdbebouwing, ten behoeve van kamerverhuur of logies als bedoel in artikel 1 is uitsluitend toegestaan, onder voorwaarde dat:

a.kamerverhuur inpandig wordt gerealiseerd in vrijkomende bestaande bebouwing met een woonfunctie; dit houdt in dat uitbreiding van bebouwing niet is toegestaan;

b.logies inpandig wordt gerealiseerd in vrijkomende bestaande bebouwing met een woonfunctie, niet zijnde bedrijfswoning; uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan;

c.er geen sprake is van woningsplitsing of andersoortige toevoeging van zelfstandige wooneenheden;

d.de kamerverhuurder ter plaatse zijn hoofdverblijf heeft;

e.per woning maximaal 2 onzelfstandige wooneenheden worden toegevoegd en deze voldoen aan de overige wet- en regelgeving (bv Bouwbesluit, APV enz.);

f.In afwijking van het bepaalde onder d. en e. van dit artikel geldt ten aanzien van kamerverhuur of logies waarbij meer dan 2 onzelfstandige wooneenheden worden toegevoegd en/of waarbij de kamerverhuurder ter plaatse niet zijn hoofdverblijf heeft:

1Er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand waarop de aanvraag betrekking heeft;

2Voldaan wordt aan de overige wet- en regelgeving (bv Bouwbesluit, Algemene Plaatselijke Verordening), onder andere voor wat betreft Brandveiligheid

3Voldaan wordt aan de overige hiervoor onder a., b. en c. genoemde voorwaarden.

12.5 Afwijken van het gebruik ten behoeve van internetverkoop in een woning

Een wijziging van het gebruik voor (een deel van) van de hoofdbebouwing of bijbehorend bouwwerk ten behoeve van internetverkoop is toegestaan, mits:

a.de internetverkoop een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit betreft, waardoor de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijf;

b.degene die de activiteiten in de woning uitvoert, tevens de hoofdbewoner van de woning is;

c.niet meer dan 1/3 deel van de vloeroppervlakte van de woning wordt aangewend ten behoeve van de uitoefening van internetverkoop, met een maximum van 70 m²;

d.opslag ten behoeve van de internetverkoop mag uitsluitend inpandig plaatsvinden.

12.6 Afwijken van het gebruik voor het omvormen van bestaande bebouwing naar woningen

Het wijzigen van het gebruik van bestaande bebouwing binnen de bebouwde kom naar woningen onder voorwaarden dat voldaan wordt aan de uitgangspunten voor een kwalitatief goed plan van de beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021’.

Nieuwvestiging van woningen is toegestaan, mits in overwegende mate geen sprake is van zodanig gebruik dat in ieder geval:

a.de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of architectonische waarden van de (aangrenzende) gronden en gebouwen in het geding komen;

b.een onevenredig negatief effect op de omgeving ontstaat;

c.er een verkeersoverlast ontstaat, waardoor het treffen van infrastructurele maatregelen noodzakelijk zijn;

d.de parkeerbehoefte in het geding komt;

e.er negatieve effecten ontstaan op de waterhuishouding.

❖ Artikel 13: Het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning

Wettekst

Artikel 4, tiende lid, bijlage II, Besluit Omgevingsrecht

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

b.de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,

c.de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en

d.de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was.

Beleidsregel

13.1 Uitgangspunt bij toepassing

Ter bescherming van het buitengebied wordt in beginsel voor een wijziging van het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning in het buitengebied geen afwijking van het bestemmingsplan verleend. De permanente bewoning van een recreatiewoning valt onder een verboden gebruik, behoudens voor gebouwen met een karakteristieke of monumentale waarde, indien de functiewijziging bijdraagt aan het behoud van deze gebouwen.

❖ Artikel 14: Ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste 10 jaar

Wettekst

Artikel 4, elfde lid, bijlage II, Besluit Omgevingsrecht

Voor verlening van omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2e van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste 10 jaar.

Beleidsregel

14.1 Uitgangspunt bij toepassing

Een afwijking van het bestemmingsplan als bedoeld in bijlage II, artikel 4, lid 11 van het Bor kan worden verleend, mits omwonende van het desbetreffend gebied niet onevenredig in hun belangen worden geschaad.

ALGEMENE REGELS:

❖ Artikel 15: Algemene regels bij toepassing van deze beleidsregel

15.1. Algemene plaatsbepaling

Een planologische afwijkingsmogelijkheid kan alleen verleend worden, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

-de woonsituatie;

-de verkeersveiligheid, (o.a. een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte);

-de sociale veiligheid;

-de milieusituatie;

-de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

-het straat- en bebouwingsbeeld c.q. de stedenbouwkundige samenhang.

Van een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige samenhang is sprake als de bebouwingskarakteristiek wordt aangetast en/of de karakteristiek van de openbare ruimte wordt aangetast.

15.2. Planschadeverhaalsovereenkomst

Gelet op de aard en de omvang van de afwijkingsmogelijkheid kan voor de economische uitvoerbaarheid van het plan, ter afwenteling van de eventueel voor de gemeente optredende planschadekosten, een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten worden tussen de gemeente en de initiatiefnemer.

In de overeenkomst wordt vastgelegd dat de eventuele planschadekosten voor rekening komen van de initiatiefnemer van het plan. Indien initiatiefnemer niet (tijdig) meewerkt aan het sluiten van deze overeenkomst kan geen medewerking worden verleend aan zijn aanvraag/plan op het moment dat dit plan niet past binnen het bestemmingsplan. De reden hiervoor is dat niet kan worden aangetoond dat de noodzakelijke planologische maatregel (afwijking bestemmingsplan) voor de gemeente economisch uitvoerbaar is.

15.3 Toepassing begripsbepalingen

Voor zover in deze beleidsregels niet is voorzien in een omschrijving van een bepaald begrip, gelden de begripsbepalingen van het desbetreffende bestemmingsplan.

15.4: Toepassing “wijze van meten”

Voor zover in deze beleidsregels niet is voorzien in een omschrijving van een bepaald begrip, wordt bij de toepassing van deze beleidsregels de bepalingen in het desbetreffend bestemmingsplan omtrent de “wijze van meten” toegepast.

❖ Artikel 16: Hardheidsclausule

Burgemeester en Wethouders handelen overeenkomstig deze beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders gemotiveerd afwijken van het beleid dat in de artikelen 2 tot en met 14 is geformuleerd.

Werkwijze:

Bij toepassing van deze hardheidsclausule moet de aanvrager schriftelijk een aanvraag doen en motiveren waarom afgeweken moet worden van het gangbare beleid voor toepassing van artikel 2.1 lid 1 sub c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Mogelijke redenen om af te wijken zijn (niet uitputtend):

■ een woningaanpassing in het kader van de Wet Voorzieningen Gehandicapten/Wet maatschappelijke ondersteuning

■ wanneer toepassing van het beleid door de specifieke situatie en/of omstandigheden ter plaatse onredelijk is.

Daarbij moet aangetoond worden:

■ waarom de afwijking van het gangbare beleid noodzakelijk is en er geen redelijke alternatieven bestaan om hierin te voorzien, waarbij de ruimtelijke consequenties beperkt blijven en niet voor een (ongewenste) precedentwerking hoeft te worden gevreesd;

■ dat de afwijking van het gangbare beleid geen belemmeringen oplevert voor de omgeving. Zie artikel 15.1 beleidsregel.

Indien er sprake is van toepassing van de hardheidsclausule, wordt de aanvraag aan het voorgelegd en wordt de formele aanvraag gedurende 2 weken ter inzage gelegd waarbij belanghebbenden zienswijzen kunnen indienen.

❖ Artikel 17: Inspraak

Na vaststelling door het college heeft de beleidsregel gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen.

❖ Artikel 18: Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na publicatie op overheid.nl

❖ Artikel 19: Citeertitel

Deze beleidsregel inzake de toepassing van de bevoegdheid tot het verlenen van afwijkingsmogelijkheden zoals opgenomen in artikel 2.1 lid 1 sub c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden aangehaald als “Beleidsregel Buitenplanse Afwijkingsmogelijkheden, Gemeente Gulpen-Wittem 2023”

Bijlage 1: Bijlage II, artikel 2 van het Besluit omgevingsrecht

Artikel 2

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

•1. gewoon onderhoud van een bouwwerk, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van dat bouwwerk niet wijzigen;

•2. werkzaamheden ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 13, 13a of 13b van de Woningwet;

•3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

○ a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

■ 1°. 5 m,

■ 2°. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

■ 3°. het hoofdgebouw,

○ b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

■ 1°. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;

■ 2°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,

○ c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,

○ d. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag,

○ e. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte,

○ f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

■ 1°. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied,

■ 2°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2,

■ 3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2,

○ g. niet aan of bij:

■ 1°. een woonwagen,

■ 2°. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning aangegeven termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben,

■ 3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;

•4. een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

○ a. voorzien van een plat dak,

○ b. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m,

○ c. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet,

○ d. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok,

○ e. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak, en

○ f. niet op:

■ 1°. een woonwagen,

■ 2°. een gebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat het slechts voor een bepaalde periode in stand mag worden gehouden, of

■ 3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;

•5. een dakraam, daklicht, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening in een dak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

○ a. indien in het achterdakvlak, een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak of een plat dak, de constructie niet meer dan 0,6 m buiten het dakvlak respectievelijk het platte dak uitsteekt,

○ b. indien in een ander dakvlak dan bedoeld in onderdeel a,

■ 1°. de constructie niet buiten het dakvlak uitsteekt, of

■ 2°. ingeval geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, de constructie niet meer dan 0,6 m buiten het dakvlak uitsteekt, en

○ c. zijkanten, onder- en bovenzijde meer dan 0,5 m van de randen van het dakvlak of het platte dak;

•6. een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking op een dak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

○ a. indien op een schuin dak:

■ 1°. binnen het dakvlak,

■ 2°. in of direct op het dakvlak, en

■ 3°. hellingshoek gelijk aan hellingshoek dakvlak,

○ b. indien op een plat dak: afstand tot de zijkanten van het dak ten minste gelijk aan hoogte collector of paneel, en

○ c. indien de collector of het paneel niet één geheel vormt met de installatie voor het opslaan van het water of het omzetten van de opgewekte elektriciteit: die installatie aan de binnenzijde van een bouwwerk is geplaatst;

•7. een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, mits in de achtergevel, of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, dan wel in een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

•8. een zonwering, rolhek, luik of rolluik aan of in een gebouw, mits bij een rolhek, luik of rolluik in een voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een ander hoofdgebouw dan een woning of woongebouw, wordt voldaan aan de volgende eisen:

○ a. geplaatst aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie, en

○ b. voor ten minste 75% voorzien van glasheldere doorkijkopeningen;

•9. een afscheiding tussen balkons of dakterrassen;

•10. tuinmeubilair, mits niet hoger dan 2,5 m;

•11. een sport- of speeltoestel voor uitsluitend particulier gebruik, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

○ a. niet hoger dan 2,5 m, en

○ b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

•12. een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

○ a. niet hoger dan 1 m, of

○ b. niet hoger dan 2 m, en

■ 1°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

■ 2°. achter de voorgevelrooilijn, en

■ 3°. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

•13. een constructie voor het overbruggen van een terreinhoogteverschil van niet meer dan 1 m die niet hoger is dan het aansluitende afgewerkte terrein;

•14. een vlaggenmast op een erf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

○ a. niet hoger dan 6 m, en

○ b. maximaal één mast per erf;

•15. een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telecommunicatie op of aan een bouwwerk, met inbegrip van een hekwerk ter beveiliging van een zodanige antenne-installatie op of aan een bouwwerk als bedoeld in onderdeel a, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

○ a. indien op of aan een hoogspanningsmast, wegportaal, reclamezuil, lichtmast, windmolen, sirenemast dan wel een niet van een bouwwerk deel uitmakende schoorsteen, of op een antenne-installatie als bedoeld in onderdeel 16 dan wel een antenne-installatie voor het bouwen waarvan een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is vereist:

■ 1°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 5 m, en

■ 2°. de antenne hoger geplaatst dan 3 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende afgewerkt terrein,

○ b. indien op of aan een ander bouwwerk, dan bedoeld in onderdeel a:

■ 1°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 0,5 m, of

■ 2°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, of indien bevestigd aan een gevel van een gebouw, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger dan 5 m, en:

■ a. de antenne, met antennedrager, hoger geplaatst dan 9 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende afgewerkt terrein,

■ b. de bedrading in of direct langs de antennedrager of inpandig is aangebracht, dan wel in een kabelgoot, mits deze kabelgoot meer dan 1 m achter de voorgevel is geplaatst, en

■ c. de antennedrager bij plaatsing op het dak van een gebouw:

■ 1°. aan of bij een op het dak aanwezig object geplaatst,

■ 2°. in het midden van het dak geplaatst, of

■ 3°. elders op het dak geplaatst, mits de afstand in m tot de voorgevel van het bouwwerk ten minste gelijk is aan: 18 gedeeld door de hoogte waarop de antenne, met antennedrager, is geplaatst, gemeten vanaf het bij het gebouw aansluitende afgewerkt terrein tot aan de voet van de antenne, met antennedrager;

•16. een antenne-installatie met bijbehorend opstelpunt ten behoeve van de C2000-infrastructuur voor de mobiele communicatie door hulpverleningsdiensten;

•17. een andere antenne-installatie dan bedoeld in de onderdelen 15 en 16, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

○ a. de antenne-installatie achter het voorerfgebied geplaatst,

○ b. indien het een schotelantenne betreft:

■ 1°. de doorsnede van de antenne niet meer dan 2 m, en

■ 2°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 3 m, of

○ c. indien het een andere antenne betreft dan bedoeld in onderdeel b: de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, of indien deze is bevestigd aan de gevel, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger dan 5 m;

•18. een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het betreft:

○ a. een bouwwerk ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

■ 1°. niet hoger dan 3 m, en

■ 2°. de oppervlakte niet meer dan 15 m2,

○ b. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van het weren van voorwerpen die de veiligheid van het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer in gevaar kunnen brengen, ten behoeve van de beveiliging van een weg, spoor- of waterweg of een spoorweg- of luchtvaartterrein, of ten behoeve van verkeersregeling, verkeersgeleiding, handhaving van de verkeersregels, wegaanduiding, het opladen van accu’s van voertuigen, verlichting, tolheffing of het verschaffen van toegang tot het openbaar vervoer of openbaar vervoersgebouwen,

○ c. bovenleidingen met de bijbehorende draagconstructies of seinpalen,

○ d. ondergrondse buis- en leidingstelsels, met uitzondering van een buisleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen,

○ e. een container voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

■ 1°. niet hoger dan 2 m, en

■ 2°. indien bovengronds geplaatst: de oppervlakte niet meer dan 4 m2,

○ f. een elektronische sirene ten behoeve van het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten of de dreiging daarvan, alsmede de daarbij behorende bevestigingsconstructie,

○ g. straatmeubilair;

•19. een magazijnstelling die uitsluitend steunt op een vloer van het gebouw waarin zij wordt geplaatst, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

○ a. niet lager dan 3 m en niet hoger dan 8,5 m, en

○ b. de magazijnstelling niet is voorzien van een verdiepingsvloer of loopbrug;

•20. een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, een tijdelijke werkzaamheid in de grond-, weg- of waterbouw of een tijdelijke werkzaamheid op land waarop het Besluit algemene regels milieu mijnbouw van toepassing is, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd;

•21. een ander bouwwerk in voor- of achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

○ a. niet hoger dan 1 m, en

○ b. de oppervlakte niet meer dan 2 m2;

•22. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Bijlage 2: Bij regels

Overzicht consumentverzorgende en/ of ambachtelijke bedrijven

Bij de uitoefening van consumentverzorgende en/of ambachtelijke bedrijvigheid valt te denken aan:

1fotograaf

2autorijschool (geen theorie)

3bloemschikker

4decorateur

5fietsenreparateur

6goud- en zilversmid

7hoedenmaker

8hondentrimmer

9pottenbakker

10kaarsenmaker

11klompenmaker

12lijstenmaker

13meubelmaker

14computerservice, o.a. systeembouw / -analyse

15schoonheidsspecialist

16traiteur

17(muziek)instrumentenmaker

18zadelmaker

19nagelstudio

20tv / radio reparateur

21reisorganisatie (kleinschalig)

22prothesemaker

23reparatie van kleine consumentenartikelen zoals antiek, radio’s,tv’s, horloges

24glazenwasser

25fitness-studio

26kapper / kapsalon

27koeriersdienst

28loodgieter

29nagelstudio/pedicure

Uitgangspunten bij deze lijst:

1Bovenstaande lijst is niet-limitatief. Van deze lijst kan afgeweken worden, indien sprake is van een gelijksoortige activiteit die qua aard, karakter en hinder niet wezenlijk afwijkt van de in de lijst opgenomen activiteiten;

2Voorzover de in de lijst genoemde activiteiten meldings- c.q. vergunningsplichtig zijn op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer zijn deze activiteiten in beginsel niet toegestaan.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.