Aanhef
Beleid voor hergebruik van grond en bagger
Omgevingsdienst Midden-Holland
12september 2016
Kaartbijlagen
Tekst
Kaartbijlage 1: Bodemfunctieklassenkaart
Kaartbijlage 2a: Bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart) bovengrond
Kaartbijlage 2b: Bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart) ondergrond
Kaartbijlage 3a: Lokaal Maximale Waarden (toepassingskaart) bovengrond
Kaartbijlage 3b: Lokaal Maximale Waarden (toepassingskaart) ondergrond
Kaartbijlage 4: Consequenties gebiedsspecifiek beleid
Bijlage 1: Begrippenlijst
AW2000, AW of achtergrondwaarde
Landelijk vastgestelde aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen.
Baggerspecie
Materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 mm.
Besluit bodemkwaliteit (Bbk)
Algemene Maatregel van Bestuur die op 1 juli 2008 in werking is getreden, met regels over de kwaliteit van bodem
Bestemmingsplanwijziging
wijziging van het gemeentelijk bestemmingsplan op grond van de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO).
BIS-toets
Controle van het Bodem Informatie Systeem op gegevens over voormalige bedrijven, gedempte sloten, ondergrondse tanks, huidige bedrijven, bodemonderzoekslocaties en bodemtoepassingen
Bodemfunctieklassenkaart (BFK)
Kaart met daarop een indeling van de gemeente of beheergebied in de volgende bodemfuncties: Landbouw/natuur, Wonen en Industrie
Bodeminformatiesysteem (BIS)
(Gemeentelijk) informatiesysteem (database) waarin digitaal de bekende bodemgegevens uit milieuonderzoeken zijn opgenomen.
Bodemkwaliteitsdata
Data opgeslagen in het bodeminformatiesysteem.
Bodemkwaliteitskaart (BKK)
Onder het begrip bodemkwaliteitskaart wordt zowel een set van kaarten als de karakteristiek van de gebiedseigen bodemkwaliteit door middel van kengetallen verstaan. De kaart bestaat als het ware uit verschillende ‘lagen’, waarbij elk van de lagen gericht is op de ruimtelijke rangschikking van een verschillend type informatie waarvoor verondersteld wordt dat deze bepalend is voor de gebiedseigen bodemkwaliteit.
Bodemkwaliteitszone
Deel van een beheersgebied waarvoor geldt dat er eenzelfde verwachting bestaat omtrent de bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit bepalend zijn.
College B & W
College van Burgemeester en Wethouders
DDT ‘s
Dichloor-diphenyl-trichloorethaan, een organisch chemisch insecticide
Diffuse bodemkwaliteit
Algehele bodemkwaliteit zoals die geldt voor het grootste gedeelte van een vooraf bepaalde zone. Het begrip diffuse bodemkwaliteit is het tegengestelde van een puntbron.
Duurzaam bodembeleid
Het nieuwe bodembeleid richt zich op bewuster en duurzamer bodemgebruik die de waarde van de bodem behoudt
Emissiewaarden
Uitloogwaarden van (licht) verontreinigde grond.
Gebiedsspecifiek beleid
Lokale regels inzake het toepassen van grond en bouwstoffen waarbij lokale maximale waarden aan stoffen gelden in bodemkwaliteitszones. Gebiedsspecifiek beleid is door de gemeenteraad vastgesteld..
Generiek beleid
Landelijk geldende regels voor het toepassen van grond en bouwstoffen.
Gezoneerd gebied
Gebied waarvoor een bodemkwaliteitszone is vastgesteld.
Grond
Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 mm, niet zijnde baggerspecie
Hergebruik van grond als bodem
Het hergebruiken van grond, zodanig dat deze een integraal onderdeel van de ontvangende bodem wordt. Dit is het geval in bijvoorbeeld ophogingen of aanvullingen van de bodem met uitsluitend grond
Heterogeniteit
Matig tot veel variatie in de bodemkwaliteit in de betreffende zone
Homogeniteit
Geen tot nauwelijks variatie in de bodemkwaliteit in de betreffende zone
Inrichting
Een locatie waar bedrijfsmatig activiteiten worden uitgevoerd binnen de reikwijdte van het begrip inrichting van artikel 1.1 lid 1 van de Wet Milieubeheer. Inrichtingen moeten gecategoriseerd zijn zoals omschreven in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit.
Interventiewaarde
Waarde die aangeeft bij welke concentratie sprake is van ernstige of dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier
Kaderrichtlijn water (KRW)
Europese richtlijn ten behoeve van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater
Kwaliteitsbewijsmiddel
Bewijsmiddel conform het Besluit bodemkwaliteit van grond, baggerspecie of een bouwstof.
Landelijk meldpunt
Meldpunt voor het melden van het toepassen van grond conform het Besluit bodemkwaliteit. www.meldpuntbodemkwaliteit.nl
Licht verontreinigde grond
Grond die bij toetsing aan de achtergrondwaarden (AW2000) niet voldoet aan de streefwaarden bodemkwaliteit, maar waarbij voor géén van de stoffen sprake is van overschrijding van de tussen- en/of interventiewaarde
Lokaal Maximale Waarde (LMW)
Lokaal vastgestelde waarden voor de bodemkwaliteit waaraan de toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen.
Ms-PAF methode
Meer stoffen-Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen, zijnde een aanduiding voor ecologische risico’s als gevolg van bodemverontreiniging van waterbodems
NEN 5720
Norm die de werkwijze beschrijft voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek naar de aanwezigheid van waterbodemverontreiniging. Deze norm geldt ook voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem en eventueel daaruit vrijkomende baggerspecie.
NEN 5725
Norm die de werkwijze beschrijft voor het opstellen van een historisch vooronderzoek.
NEN 5740
Norm die de werkwijze beschrijft voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (in de rest van het document ‘bodem’ genoemd) en eventueel daaruit vrijkomende grond.
Overgangsrecht
Een artikel uit het Besluit bodemkwaliteit dat het mogelijk maakt voor een gemeente om maximaal 5 jaar na inwerking treding van het Besluit bodemkwaliteit nog gebruik te maken. Van de ‘bestaande’ bodemkwaliteitskaart en bijbehorend bodembeheersplan.
P50, P80 en P95 (50-, 80- en 95-percentielwaarde)
In dit document: concentratieniveau van een bepaalde stof; resp. 50%, 80 % en 95% van de beschikbare waarnemingen (analyseresultaten beschikbaar voor die stof binnen een bodemkwaliteitszone) ligt beneden dit concentratieniveau.
PAK
Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen. Naam voor een verzameling van stoffen.
Partijkeuring (AP04)
Schriftelijke verklaring op basis van een eenmalig onderzoek, dat wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, en waarin wordt vermeld of een partij onder het regime van het Besluit kan worden toegepast.
Puntverontreiniging
Een (kern)belasting van de bodem, zoals lekkages, morsingen, verbrandingen etc. met beperkte omvang.
Risicotoolbox (RTB)
Een website van het RIVM waarop van concentraties van stoffen in bodem kan worden getoetst of deze bij bepaalde typen bodemgebruik risico’s met zich meebrengen.
Samenstellingswaarden
De gehalten aan stoffen in een partij grond.
Schone grond
Grond die bij toetsing aan de achtergrondwaarden (AW2000) uit de ‘Regeling bodemkwaliteit’ van 21 december 2007 en de ‘Wijziging Regeling bodemkwaliteit’ van respectievelijk 27 juni 2008 en 7 april 2009 de achtergrondwaarde niet overschrijdt.
Stand-still op klasse niveau
De mogelijkheid om grond uit te wisselen binnen een vastgesteld beheergebied zonder dat daarbij de actuele bodemkwaliteit, beoordeeld op bodemkwaliteitsklassen, in negatieve zin beïnvloed wordt.
Sterk verontreinigde grond
Grond die bij toetsing aan de interventiewaarden uit de ‘Circulaire bodemsanering 2009’ van 7 april 2009 de interventiewaarde overschrijdt.
Toemaakdek(-grond)
Het toemaakdek is een laag tot 50 cm dik, bestaande uit stadsafval, stalmest en baggerslib, die in de afgelopen eeuwen is opgebracht op de gronden van het veenweidegebied in het westen van Nederland om de bodem te verbeteren. In het Groene Hart ligt ongeveer 6000 hectare toemaakdek. Het dek is veelal licht verontreinigd met zware metalen, maar plaatselijk ernstig verontreinigd.
Veengrond
Bodemtype dat hoofdzakelijk bestaat uit plantaardig materiaal.
Verantwoordingsrapportage
Rapportage waarin de totstandkoming van het Gebiedsspecifiek bodembeleid wordt toegelicht.
Wbb-locatie
Locatie waar een geval van ernstige bodemverontreiniging is geconstateerd of een vermoeden bestaat dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien in de grond meer dan 25 m3 de interventiewaarde overschrijdt of in het grondwater meer dan 100m3 de interventiewaarde overschrijdt. De provincie Zuid-Holland is voor dergelijke locaties bevoegd gezag.
Weilanddepots
De tijdelijke opslag van baggerspecie over de aan de watergang grenzende percelen.
Zand
Ongeconsolideerd (los), korrelige grondsoort. Zand bestaat uit zeer kleine stukjes steen, zandkorrels, die in grootte variëren tussen 63 micrometer en 2 millimeter. Minimaal 70% van het materiaal moet binnen deze grens vallen.
Zorgplicht
Een artikel in de Wet Bodembescherming (zgn. kapstokartikel, 13) dat moet voorkomen dat door bewust menselijk handelen de bodem verontreinigd raakt, zonder dat ervoor verantwoordelijkheid wordt genomen door de veroorzaker.
Bijlage 2: Uitkomsten RisicoToolBox (Grond)
Tabel 1: Risicobeoordelingen bij verschillende bodemfuncties (op basis van P95)
Zone
Ontgravingskwaliteit
Toepassingseis
bodemfunctie
humane risico’s
ecologische risico’s
1A: Binnenstad Gouda
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (3,84)
Kobalt (1,39)
Barium (1,22)
Koper (1,66)
Lood (4,88)
Nikkel (1,38)
Zink (6,21)
Minerale olie (1,30)
Som PAK (1,29)
Moestuin
Lood (8,72)
Kobalt (11,32)
Kinderspeelplaats
Lood (2,82)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,93)
Zink (1,73)
Zone 1B: Binnenstad Schoonhoven
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (2,86)
Koper (2,33)
Lood (3,63)
Zink (2,83)
Minerale olie (1,11)
Som PAK (1,62)
Moestuin
Lood (6,5)
Kobalt (5,59)
Kinderspeelplaats
Lood (2,1)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,44)
Zone 1C: Kern Bodegraven
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (2,86)
Kobalt (1,44)
Koper (1,32)
Lood (3,4)
Nikkel (1,11)
Zink (1,55)
Minerale olie (1,67)
Som PAK (3,94)
Moestuin
Lood (6,08)
Kobalt (11,76)
Kinderspeelplaats
Lood (1,97)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,35)
Zone
Ontgravingskwaliteit
Toepassingseis
bodemfunctie
humane risico’s
ecologische risico’s
Zone 1D: Oude dorp Zoetermeer
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (3,5)
Koper (2,73)
Lood (4,46)
Nikkel (1,27)
Zink (4,61)
Som PAK (3,5)
Moestuin
Lood (7,96)
Kobalt (7,56)
Kinderspeelplaats
Lood (2,57)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,77)
Zink (1,28)
Zone 1E: Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (2,21)
Kobalt (1,03)
Koper (1,29)
Lood (2,81)
Nikkel (1,15)
Zink (3,44)
Minerale olie (1,93)
Som PAK (3,09)
Moestuin
Lood (5,02)
Kobalt (8,41)
Kinderspeelplaats
Lood (1,62)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,11)
Zone 2: Historische bebouwing Krimpenerwaard
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (1,92)
Koper (2,44)
Lood (2,44)
Nikkel (1,46)
Zink (3,24)
Minerale olie (1,26)
Som PAK (4,47)
Moestuin
Lood (4,37)
Kobalt (7,56)
Kinderspeelplaats
Lood (1,41)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
-
Zone 3: Historische bebouwing zeekleipolders
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (2,36)
Koper (1,31)
Lood (3,01)
Nikkel (1,05)
Zink (2,76)
Minerale olie (2,20)
Som PAK (2,69)
Moestuin
Lood (5,37)
Kobalt (6,84)
Kinderspeelplaats
Lood (1,74)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,19)
Zone
Ontgravingskwaliteit
Toepassingseis
bodemfunctie
humane risico’s
ecologische risico’s
Zone 8a: Lintbebouwing Veenweidegebied
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (2,25)
Kobalt (1,15)
Koper (2,28)
Lood (2,86)
Nikkel (1,50)
Zink (2,93)
Som PAK (4,15)
Moestuin
Lood (5,10)
Kobalt (9,39)
Kinderspeelplaatsen
Lood (1,650
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,13)
Zone 8b: Lintbebouwing Oude Rijn
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (1,83)
Kobalt (1,57)
Minerale olie (1,57)
Som PAK (1,62)
Koper (1,92)
Lood (2,33)
Nikkel (1,36)
Zink (3,13)
Moestuin
Lood (4,17)
Kobalt (12,84)
Kinderspeelplaats
Lood (1,35)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
-
Zone 9: Lintbebouwing op toemaakdek
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (2,38)
Kobalt (1,11)
Koper (2,07)
Lood (3,03)
Nikkel (1,41)
Zink (3,24)
Som PAK (3,03)
Moestuin
Lood (5,42)
Kobalt (9,04)
Kinderspeelplaats
Lood (1,75)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,20)
Zone 11: Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
-
Koper (1,56)
Lood (1,19)
Nikkel (1,34)
Zink (1,64)
Som PAK (1,31)
Moestuin
Lood (2,12)
Kobalt (6,44)
Kinderspeelplaatsen
-
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
-
Zone 12: Lintbebouwing zeekleipolders
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (1,76)
Kobalt (1,11)
Minerale olie (1,11)
Som PAK (3,53)
Koper (1,38)
Lood (2,24)
Nikkel (1,39)
Zink (3,15)
Moestuin
Lood (4,01)
Kobalt (9,04)
Kinderspeelplaatsen
Lood (1,3)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
-
Zone
Ontgravingskwaliteit
Toepassingseis
bodemfunctie
humane risico’s
ecologische risico’s
Zone 17: Buitengebied – toemaakdek
Industrie
Achtergrondwaarden
Wonen met tuin
Lood (2,75)
Koper (3,14)
Lood (3,49)
Nikkel (1,11)
Zink (2,35)
Som PAK (2,18)
Moestuin
Lood (10,47)
Kobalt (10,36)
Kinderspeelplaats
Lood (2,02)
Groen met natuurwaarden
-
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,38)
Natuur
-
Som-PAK (9,87)
Barium (1,39)
Cadmium (1,43)
Koper (4,24)
Lood (14,68)
Kwik (9,47)
Nikkel (1,24)
Zink (3,36)
Molybdeen (2,00)
Zone 18: Buitengebied boomkwekerijen
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
-
Som-drins (5,1)
Koper (1,3)
Lood (1,14)
Nikkel (1,25)
Moestuin
Lood (2,03)
Kobalt (6,67)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Som-drins (1,46)
Zone 19: Buitengebied - veenweide
Wonen
Achtergrondwaarden
Wonen met tuin
-
Koper (1,05)
Lood (1,1)
Nikkel (1,29)
Zink (1,08)
Moestuin
Lood (1,97)
Kobalt (6,75)
Kinderspeelplaats
-
Groen met natuurwaarden
-
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
-
Natuur
-
Som-PAK (4,4)
Barium (1,1)
Cadmium (1,3)
Koper (1,42)
Lood (4,64)
Kwik (4,73)
Nikkel (1,44)
Zink (1,54)
Kobalt (1,01)
Molybdeen (2,28)
Toelichting: achter iedere stof staat de risico-index. Er zijn mogelijk risico’s bij een risico-index groter dan 1.
N.B.: Het gaat om het hergebruik van grond die binnen dezelfde zone vrijkomt.
N.B.: Kobalt is een stof waarvoor de humane risicogrenzen niet zijn meegenomen voor de onderbouwing van de Landelijke referentiewaarden, vanwege de relatief grote onzekerheid van de gewasopnameroute. (Nobo-rapport)
Tabel 2: Beoordeling ecologische risico’s bij de functie “ander groen, bebouwing, infrastructuur” (op basis van gemiddelde waarden)
zone en functie
kwaliteit
Toepassingseis (bij hergebruik binnen zone)
ecologische risico’s
1hoogste risico van alle stoffen
Zone 1A: Binnenstad Gouda
Industrie
Industrie
Lood (0,6)
Zink (0,48)
Zone 1B: Binnenstad Schoonhoven
Industrie
Industrie
Lood (0,75)
Zone 1C: Kern Bodegraven
Industrie
Industrie
Lood (0,41)
Zone 1D: Oude dorp Zoetermeer
Industrie
Industrie
Lood (0,70)
Zink (0,41)
Zone 1E: Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Industrie
Industrie
Lood (0,33)
Zone 3: Historische bebouwing zeekleipolders
Industrie
Industrie
Lood (0,39)
Zone 8A: Lintbebouwing veenweidegebied
Industrie
Industrie
Lood (0,38)
Zone 9: Lintbebouwing op toemaakdek
Industrie
Industrie
Lood (0,48)
Zone 17: Buitengebied – toemaakdek
Industrie
Industrie
Lood (0,47)
Zone 18: Buitengebied – boomkwekerijen Boskoop
Industrie
Industrie
Som drins (0,30)
Alle waarde-indexen zijn kleiner dan 1: er is geen sprake van ecologische risico’s bij het toepassen van zone-eigen grond bij het bodemgebruik ‘ander groen, bebouwing, infrastructuur’.
Voor zones 2, 8B en 12 bleek al op basis van de P95 dat er bij de functie “ander groen, bebouwing en infrastructuur” geen ecologische risico’s optreden.
Bijlage 3: Toetsingswaarden (standaard bodem)
Tabel: Gehalten maximale waarden (mg/kg d.s. voor standaard bodem*)
Stof
Achtergrondwaarden
Wonen
Industrie
Interventiewaarde
Barium
190
550
920
920
Cadmium
0,6
1,2
4,3
13
Chroom
55
62
180
180
Kobalt
15
38
190
190
Koper
40
51
190
190
Kwik
0,15
0,83
4,8
36
Lood
50
210
530
530
Molybdeen
1,5
88
190
190
Nikkel
35
39
100
100
Zink
140
200
720
720
PAK’s
1,5
6,8
40
40
Minerale olie
190
190
500
5000
PCB’s
0,02
0,04
0,5
1
* standaard bodem heeft een organisch stofpercentage van 10 % en een lutumpercentage van 25 %
Bijlage 4: Beoordelingssystematiek BKK’s van andere gemeenten en regio’s
◻ De BKK is opgesteld voor het standaard stoffenpakket uit de NEN 5740 zoals van kracht sinds 1 juli 2008
◻ De BKK is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, september 2007*
◻ De BKK is vastgesteld door de betreffende gemeente
◻ De BKK is maximaal 5 jaar oud
◻ De indeling in zones is gebaseerd op: zonering in voorgaande bkk / huidig gebruik / historische ontwikkeling / etc.
◻ Indien de grond afkomstig is uit heterogene zones (zone met sterke heterogeniteit voor één of meerdere stoffen), kan de bevoegd gezag Bbk bijv. een percentielwaarde die hoger ligt dan de gemiddelde waarde als te toetsen waarde hanteren. Dit is ter beoordeling aan de Milieudienst.
◻ Een andere optie is om bijvoorbeeld minimaal een verkennend onderzoek (NEN5740) te eisen van de herkomstlocatie.
◻ De locatie van herkomst is onverdacht voor bodemverontreiniging.
◻ Voor de locatie van herkomst zijn geen andere bewijsmiddelen beschikbaar die meer
◻ locatiespecifiek zijn.
◻ De klasse-indeling is gebaseerd op het gemiddelde.
Voor alle stoffen in het nieuwe pakket dienen voldoende waarnemingen gebruikt te zijn, dwz:
-voor elke zone: 20 waarnemingen
-voor aaneengesloten zones: voldoende ruimtelijke spreiding: bij verdeling van zone in 20 vakken dient in minstens 10 vakken een of meerdere waarnemingen te liggen
-voor niet aaneengesloten zones: in elk losliggend deelgebied dienen minimaal 3 waarnemingen te liggen
Bijlage 5: volledige grondstromenmatrix
Grondstromenmatrix voor milieubeschermingsgebieden voor grondwater
Er worden restricties gesteld aan grondverzet in de milieubeschermingsgebieden voor grondwater. Deze gebieden zijn in de Provinciale Milieuverordening (PMV) van de provincie Zuid-Holland aangewezen en tevens afgebeeld op kaartbijlage 3A.
Er wordt onderscheid gemaakt in grondverzet binnen een “PMV-gebied” en het toepassen van grond van buiten naar een PMV-gebied.
Hergebruik van grond binnen hetzelfde PMV-gebied
! = mits kwaliteit van de ontvangende bodem industrie is. Dus als de huidige kwaliteit al klasse Industrie is, mag er industriegrond worden toegepast. Stand-still principe is hier van toepassing.
Verklaring van de kleuren:
Hergebruik van grond van buiten een PMV-gebied
! = mits de ontvangende bodem ook kwaliteit Industrie heeft èn het voldoet aan de emissietoetswaarden.
Bijlage 6: Lokaal Maximale Waarden voor bagger
Voor toepassen van bagger in het landelijk gebied, afkomstig van een andere zone
Voor bagger die vanuit een stedelijke zone wordt toegepast in het landelijk gebied gelden aparte Lokaal Maximale Waarden. Deze zijn als volgt afgeleid. Het betreft de hoogste waarde van:
•de 95-percentielwaarde van de bodemkwaliteitszone waarin het weilanddepot is gelegen, en
•risiconorm bij de huidige functie. Hierbij is gebruik gemaakt van bijlagen 6 en 7 van het NOBO-rapport [17].
In het NOBO-rapport, welke ten grondslag ligt aan de toetsing in de RisicoToolBox, zijn in bijlage 6 specifieke normen gedefinieerd voor onder andere de volgende bodemfuncties:
•natuur met een hoog ecologisch beschermingsniveau
•natuur of landbouw met een gemiddeld ecologisch beschermingsniveau, al dan niet met doorvergiftiging
•natuur of landbouw met een matig ecologisch beschermingsniveau, al dan niet met doorvergiftiging
Daarnaast worden in de RTB de LAC2006-waarden gebruikt voor onder andere de volgende in Midden-Holland, Alphen aan de Rijn en Zoetermeer voorkomende bodemgebruiken:
•beweid grasland
•akkerbouw voor veevoer
•akkerbouw
Door rekening te houden met het bodemgebruik ter plaatse van de eindbestemming van de bagger kunnen de specifieke LMW’s worden afgeleid. In onderstaande tabellen is dit gedaan voor de 4 zones van het landelijk gebied. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
1op landbouwpercelen in het veenweidegebied wordt rekening gehouden met een gemiddeld ecologisch beschermingsniveau, omdat op veel veenweidepercelen ook natuurdoelen worden nagestreefd (met name voor weidevogels);
2op landbouwpercelen met akkerbouw (veelal in de Zuidplaspolder) wordt uitgegaan van een matig beschermingsniveau voor ecologie, omdat hier in principe geen natuurdoelen worden nagestreefd.
3Voor barium, kobalt en molybdeen bestaan geen LAC-waarden. Voor ecologie ligt de grens op de Interventiewaarde, dit wordt echter te hoog geacht en daarom wordt aangesloten bij de bestaande bodemkwaliteit. Indien de bestaande bodemkwaliteit lager is dan de Achtergrondwaarde, wordt de achtergrondwaarde gehanteerd. Voor barium hoeft geen toetsing plaats te vinden conform de Circulaire Bodemsanering.
4De LAC2006-waarde voor koper in veengebieden is 30 mg/kg, maar uit Alterra-rapport 1871 [14] blijken geen risico’s in toemaakdekgebieden, waar de kopergehalten een factor 3 hoger zijn dan in zone 19 (158 mg/kg!). De P95 van zone 19 is 58 mg/kg en dit gehalte wordt in de Krimpenerwaard nu ook niet als probleem ervaren.
5Van PAK is bekend dat deze gedurende de rijping in een depot (en daarna) verder afbreken, zodat met dit proces rekening kan worden gehouden in de toetsing van natte bagger [20]. Een afbraak van een factor 2 of 3 is heel reëel [20]. De lokale achtergrondgehalten (P95) in de vier verschillende bodemkwaliteitszones variëren van 3,7 tot 14,8 mg/kg. Deze hoogste waarde wordt te hoog geacht. Daarom wordt waarde 6,8 mg/kg (Klasse Wonen) gehanteerd: na afbraak zal het PAK-gehalte op het niveau van de P95 of lager liggen en zijn er niet meer risico’s dan in de huidige situatie. De LAC-waarde voor PAK is 3,4 mg/kg en ligt dus precies op de helft van 6,8 (en dus een afbraakfactor van 2).
Tabel 1: LMW’s voor bagger vanuit andere zones naar zone 16 (Buitengebied Zeekleipolders) (naar standaard bodem omgerekende gehalten).
Stof
LMW akkerbouw
LMW akkerbouw veevoer
LMW beweid grasland
LMW natuur
Cadmium
2(LAC)
2(LAC)
1,2 (gem eco)
0,6 (AW)
Kobalt
15(AW)
15(AW)
15(AW)
15(AW)
Koper
160(LAC)
80(LAC)
54(gem eco)
40(AW)
Kwik
2(LAC)
2(LAC)
0,83 (gem eco)
0,15 (AW)
Lood
200(LAC)
200(LAC)
150(LAC)
50(AW)
Molybdeen
3,0 (P95)
3,0 (P95)
3,0 (P95)
3,0 (P95)
Nikkel
38(P95)
38(P95)
35(AW/gem eco)
35(AW)
Zink
350(LAC)
370(matig eco)
200(gem eco)
140(AW)
PAK
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
Minerale olie
380(2xAW)
380(2xAW)
380(2xAW)
380(2xAW)
PCB’s
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
Tussen haakjes staat waar de waarde van is afgeleid:
P95 = 95-percentielwaarde van de bodemkwaliteitskaart [8]
LAC = Waarden van de Landbouw Advies Commissie (bijlage 7 uit NOBO-rapport)
Gem eco = gemiddeld ecologisch beschermingsniveau (bijlage 6 uit NOBO-rapport)
Matig eco = matig ecologisch beschermingsniveau (bijlage 6 uit NOBO-rapport)
Tabel 2: LMW’s voor bagger vanuit andere zones naar zone 17: Toemaakdek (naar standaard bodem omgerekende gehalten).
Stof
LMW grasland
LMW akkerbouw veevoer
LMW natuur
Cadmium
1,2 (gem eco)
1,2 (gem eco)
0,6 (AW)
Kobalt
15(AW)
15(AW)
15(AW)
Koper
170(P95)
80(LAC)
40(AW)
Kwik
0,83 (gem eco)
2(LAC)
0,15 (AW)
Lood
530(I)
200(LAC)
50(AW)
Molybdeen
3,0 (P95)
3,0 (P95)
3,0 (P95)
Nikkel
43(P95)
43(P95)
35(AW)
Zink
470(P95)
470(P95)
140(AW)
PAK
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
Minerale olie
380(2xAW)
380(2xAW)
380(2xAW)
PCB’s
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
Tabel 3: LMW’s voor bagger vanuit andere zones naar zone 19: “Landelijk gebied veenweide” (naar standaard bodem omgerekende gehalten).
Stof
LMW beweid grasland
LMW akkerbouw veevoer
LMW natuur
Cadmium
1,2 (gem eco)
1,2 (gem eco)
0,6 (AW)
Kobalt
15(AW)
15(AW)
15(AW)
Koper
54(gem eco)
80(LAC)
40(AW)
Kwik
0,83 (gem eco)
2(LAC)
0,15 (AW)
Lood
232(P95)
232(P95)
50(AW)
Molybdeen
3,0 (P95)
3,0 (P95)
3,0 (P95)
Nikkel
50(P95)
50(P95)
35(AW)
Zink
200(gem eco)
370(matig eco)
140(AW)
PAK
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
Minerale olie
380(2xAW)
380(2xAW)
380(2xAW)
PCB’s
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
Tabel 4: LMW’s voor bagger vanuit andere zones naar zone 18 (Boomkwekerijen) (naar standaard bodem omgerekende gehalten). In deze zone vindt geen landbouw plaats en is ook geen natuurgebied gelegen. Daarom wordt (nagenoeg) volledig aangesloten bij de P95 van de zone.
Stof
LMW
Cadmium
0,5
Kobalt
15
Koper
70
Kwik
0,81
Lood
239
Molybdeen
3,0
Nikkel
49
Zink
183
PAK
6,8 (Wonen)
Minerale olie
380(2xAW)
PCB’s
0,04 (2xAW)
Bijlage 7: Uitkomsten toetsing LMW voor bagger in RisicoToolBox
Op grond van het Besluit bodemkwaliteit moet bij vaststelling van de LMW worden vastgesteld of sprake is van onaanvaardbare risico’s. Dit moet gebeuren met de RisicoToolBox (www.risicotoolboxbodem.nl, RTB). Met de RTB zijn de risico-indices berekend van de in bijlage 6 opgenomen LMW voor bagger.
Zone
Gebruik
Risico-index > 1
Eco
Humaan
Landbouw
Zone 16, (Buitengebied Zeekleipolders)
Beweid grasland
Geen
Geen
Koper 1,8 ¹
Lood in lever rundvee 1,72 ²
Akkerbouw
Cadmium 1,67 ³
Koper 2,96 ³
Kwik 2,41 ³
Zink 1,75 ³
Geen
Lood in tarwe 2,26 ⁴
Akkerbouw voor veeteelt/veevoer
Idem ³
Geen
Geen
Natuur
Geen
Geen
Geen
Zone 17 (Toemaakdek)
Beweid grasland
Koper 3,89 ¹
Lood 2,52 ²
Zink 2,50 ³
Lood 1,98 6
Koper 7,00 ¹
Lood 5,49 ²
Akkerbouw
Koper 1,48 ³
Kwik 2,41 ³
Nikkel 1,08 ³
Zink 2,50 ³
Geen
Lood in tarwe 2,26 ⁴
Zink 1,43 ⁵
Akkerbouw voor veeteelt/veevoer
Idem ³
Geen
Geen
Natuur
Geen
Geen
Geen
Zone 19 (overig landelijk gebied)
Beweid grasland
Lood 1,18 ²
Geen
Koper 1,8 ¹
Lood 2,7 ²
Akkerbouw
Koper 1,48 ³
Lood 1,18 ³
Kwik 2,41 ³
Nikkel 1,15 ³
Zink 1,85 ³
Geen
Lood in aardappel 1,02 ⁵
Lood in tarwe 2,59 ⁵
Akkerbouw voor veeteelt/veevoer
Idem
Geen
Lood 1,24 ⁵
Natuur
Geen
Geen
Geen
Toelichting
¹ Ten aanzien van de berekende risico's voor koper geldt dat uit actueel onderzoek in het veenweidegebied door Alterra (rapport 1871: de invloed van toemaak op de kwaliteit van veevoer en inname door grote grazers, [14]) is gebleken dat er in de 7 onderzochte dieren geen verhoogde kopergehalten zijn aangetroffen. Het tegenovergestelde bleek zelfs waar: er werd in 1 van de 2 onderzochte koeien en in 2 van de 5 onderzochte schapen een te laag kopergehalte in de lever gemeten. De reden hiervoor is onbekend. De kopergehalten in toemaakdekgebieden zijn een factor 3 hoger dan de LMW. Dit gehalte wordt in de Krimpenerwaard nu ook niet als probleem ervaren.
² Ten aanzien van de berekende risico’s voor lood geldt voor enkele vormen van bodemgebruik een mogelijk risico. Uit onderzoek van Alterra [14] blijkt dat bij loodgehalten van circa 600 mg/kg in het toemaakdekgebied het gras te voldoen aan de norm voor groenvoer. Ook de loodgehalten in nier en lever voldoen aan de geldende warenwetnorm. De LMW voor bagger voldoen ruimschoots aan deze waarde, zodat er geen risico’s zijn te verwachten bij het toepassen van bagger.
³ In de RTB is het niet mogelijk om het ecologisch beschermingsniveau te wijzigen. Standaard staat dit als “gemiddeld” ingesteld. Daarom worden in de RTB voor de LMW van bagger de risico-indices van 1 voor enkele stoffen overschreden. Voor akkerbouwpercelen in Midden-Holland wordt echter een matig beschermingsniveau geambieerd (zie ook bijlage 6). Door aan te sluiten bij de Maximale Waarden per bodemfunctie (bijlage 6, [17]) bij een matig beschermingsniveau zal er geen sprake zijn van risico’s.
⁴ In Midden-Holland wordt niet of nauwelijks tarwe verbouwd. De kans dat bagger met een dergelijk gehalte wordt toegepast op een perceel waar tarwe wordt verbouwd, is te verwaarlozen.
⁵ Een lichte overschrijding wordt geaccepteerd om bagger met relatief hoge gehalten te kunnen toepassen. Door aan te sluiten bij de 95-percentielwaarde van de zone wordt een gehalte geaccepteerd dat nu ook al in de zone aanwezig is. De kans dat bagger wordt toegepast op akkerbouwpercelen is bovendien erg klein, omdat er in deze zone niet of nauwelijks akkerbouw plaatsvindt.
⁶ In de RTB wordt bij landbouw voor het afleiden van humane risico’s gerekend met een blootstellingsscenario dat overeen komt met het scenario "Wonen met tuin" en een humane biobeschikbaarheid van 0,74. Hiermee wordt onder andere rekening gehouden met grondingestie, gewasconsumptie uit eigen tuin en blootstelling via binnenlucht. Voor landbouwpercelen waar bagger wordt toegepast zal geen sprake zijn van grondingestie, gewasconsumptie en blootstelling via binnenlucht. Het werkelijke humane risico zal in de praktijk dus vele malen lager liggen en zelfs te verwaarlozen als wordt gerekend met een biobeschikbaarheid die meer recht doet aan de werkelijke opname van lood (tegenwoordig wordt uitgegaan van een biobeschikbaarheid van 0,4 of lager [25]).
Conclusie
Op basis van onderzoek van Alterra [12, 13, 14] kunnen risico’s worden uitgesloten op beweide graslanden bij het hanteren van de LMW voor bagger. Door voor akkerbouw aan te sluiten bij de LAC-waarden, kunnen ook hier risico’s worden uitgesloten. Daar waar niet de LAC-waarde is gebruikt maar de 95-percentielwaarde, wordt tenminste aangesloten bij de bodemkwaliteit die nu ook al voorkomt in de zone en die voor zover bekend niet tot problemen leidt. Als er al risico’s optreden bij het toepassen van bagger, worden deze in ieder geval niet groter dan nu al het geval is in de zone.
Bijlage 8: Bemonstering waterbodem
Inleiding
In de ´Toelichting bij NEN 5720 ´Verkennend waterbodemonderzoek´ (i.c.m. NEN 5717)´ staat vermeld:
“Bij mengmonsters in het laboratorium wordt maximaal per 0,5 m voor verschillende grondsoorten gezien vanaf de bovenkant van de waterbodem representatief gevonden voor de partij. De verontreiniging in de diepte kan verschillen vanwege de historische belasting en het sedimentatiepatroon in de tijd. Partijen met verschillende kwaliteit mogen conform de regeling bodemkwaliteit niet worden opgemengd. Meer dan 0,5 m wordt niet meer representatief gevonden voor een partij. Dit ook in relatie tot de toegestane indeling in deellocaties en vakken en de ruimte die hierin is geboden.”
Voor de waterschappen is het echter onwenselijk en praktisch moeilijk uitvoerbaar dat de te baggeren sliblaag in meerdere lagen wordt bemonsterd. In de praktijk zal er namelijk toch één laag worden gebaggerd. Bij de bestemming zal dan de kwaliteit van deze ene laag bekend moeten zijn in plaats van de kwaliteit van de aparte deellagen.
Strategie
Het apart bemonsteren van lagen van maximaal 0,5 m is pas zinvol als deze lagen ook apart gebaggerd kunnen worden. In het beheersgebied van Midden-Holland is het slib vaak waterig en dus niet steekvast. In dat geval wordt de hele sliblaag omgewoeld tijdens het baggeren en is het technisch niet mogelijk lagen van maximaal 0,5 m gescheiden te baggeren. Ook het gescheiden baggeren van lagen van maximaal 0,5 m steekvast slib is met de nu gangbare kleinschalige baggertechnieken niet haalbaar. Dat komt omdat het oppervlak van de sliblaag niet vlak horizontaal is, maar ‘golft’. Het gescheiden baggeren van lagen van maximaal 0,5 m volgens de toelichting bij NEN 5720 zou daarom alleen mogelijk zijn met behulp van geavanceerde apparatuur. De meerkosten van het inzetten van deze geavanceerd technieken zouden voor het baggeren van relatief smalle en ondiepe watergangen buitensporig kostbaar worden. Het gescheiden onderhoudsbaggeren van lagen van maximaal 0,5 m volgens de toelichting bij NEN 5720 is daarom in ons beheersgebied voor deze watergangen praktisch niet haalbaar.
Daarbij is het te baggeren slib in de polder- en boezemwatergangen in Midden-Holland naar verwachting in de laatste 10 tot 20 jaar afgezet. Deze watergangen worden namelijk in een cyclus van kleiner dan 20 jaar gebaggerd. We verwachten daarom in verticale richting in het algemeen een homogeen niveau van vervuiling, zodat het apart bemonsteren van lagen niet zinvol is. Een uitzondering hierop vormen de provinciale vaarwegen, die minder frequent worden gebaggerd.
In Midden-Holland wordt dan ook toegestaan bij onderhoudsbaggeren de sliblaag tot de onderhoudsdiepte als één laag te bemonsteren. Een uitzondering hierop wordt gemaakt bij:
•provinciale vaarwegen
•watergangen waarbij
○ in de laatste 10 jaar een incident heeft plaatsgevonden waarbij de kwaliteit van de waterbodem is beïnvloed èn
○ sinds het incident niet meer is gebaggerd
•watergangen op minder dan 250 m (of 500 m stroomafwaarts bij een duidelijke stroomrichting) van een overstort of lozingspunt van een awzi
Bij deze watergangen dienen aparte lagen van maximaal 0,5 m bemonsterd te worden volgens de toelichting bij NEN 5720.
Bovenstaand advies en argumentatie dienen in het vooronderzoek te worden opgenomen.